id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.445 Rolnummer: A. 190150/XII-5606 Zaak: Arrest 200445 - Diploma's - 04/02/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-15 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-07-02 08:39 Fiche Arrest nr 200.445 van 4 februari 2010 Onderwijs en cultuur - Diploma's Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 200.445 van 4 februari 2010 in de zaak A. 190.150/XII-
- In zake : Soraya DERIJCKER, die woonplaats kiest bij advocaat Christophe Dael, kantoor houdende te Antwerpen, Amerikalei 122, bus 14 tegen : VZW PROVINCIALAAT DER BROEDERS VAN LIEFDE. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Soraya Derijcker op 27 oktober 2008 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen tegen “het besluit van Provincialaat der Broeders van Liefde van 12 september 2008 waarbij beslist wordt om de delibererende klassenraad van het zesde jaar L.O. en Sport niet opnieuw te laten vergaderen en waardoor de beslissing van 27 augustus 2008 derhalve bevestigd wordt”; Gezien de toelichtende memorie van verzoekster; Gezien het verslag, opgesteld door adjunct-auditeur J. Neuts; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoekster; Gelet op de beschikking van 3 december 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 januari 2010; Gehoord het verslag van staatsraad G. Van Haegendoren; Gehoord het eensluidend advies van auditeur J. Neuts; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, XII-5606-1/12 OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.
- Verzoekster is voor het schooljaar 2007-2008 ingeschreven in het tweede jaar van de derde graad TSO, studierichting lichamelijke opvoeding en sport, aan het Sint-Eduardusinstituut te Merksem. In het begin van dat schooljaar - zij maakt melding van de datum van 6 oktober 2007 - is verzoekster het slachtoffer van een sportongeval. In de nasleep daarvan ondergaat verzoekster op 27 maart 2008 een heelkundige ingreep (athroscopie) aan de rechterenkel. De behandelende arts attesteert dat de ingreep die verzoekster onderging dermate gecompliceerd is, dat zij een revalidatie van “5 à 6 maanden” voor de boeg heeft, dat wil zeggen tot “+/- half september”. In die periode mag zij “absoluut geen sport doen”. 1.
- Op het einde van het schooljaar behaalt verzoekster voor het theoretische gedeelte van haar opleiding 60% met drie jaartekorten: fysica (44%), chemie (47%) en toegepaste biologie (theorie L.O.) (48%). Voor het praktische gedeelte van haar opleiding (lichamelijke opvoeding en sport) worden haar geen punten toegekend. Op 30 juni 2008 beslist de delibererende klassenraad verzoekster bijkomende proeven op te leggen voor de volgende sportvakken: basketbal, handbal, atletiek en toestelturnen. Verzoekster moet deze bijkomende proeven afleggen op 26 augustus
- Verzoekster stelt bij monde van haar raadsman bij brief van 1 juli 2008 beroep in bij de beroepscommissie. Zij schetst de problematiek van haar blessure en geeft aan, met bijvoeging van een medisch attest, dat zij “in de onmogelijkheid [is] om de opgelegde bijkomende proeven af te leggen”. Zij werpt nog op dat de door de klassenraad genomen beslissing in strijd is met het schoolreglement, in die zin dat dit reglement uitdrukkelijk stelt dat “niet te vroeg” mag worden gestart met sporten na een kwetsuur. Bij brieven van 27 augustus 2008 deelt het schoolbestuur aan verzoekster en haar raadsman mee dat “de [r]aad in [zijn] vergadering van 27 augustus 2008 beslist [heeft] zich ten aanzien van [het] bezwaar tegen de bijkomende proeven onbevoegd te verklaren. Het behoort immers tot de exclusieve XII-5606-2/12 bevoegdheid van de klassenraad om de evaluatiecriteria in het kader van de vigerende leerplannen vast te leggen. De Raad van Bestuur heeft wel kennis genomen van het advies dat de leden van de Interne Beroepscommissie ten aanzien van [verzoekster] heeft uitgesproken zich zeker voor de voorziene proeven aan te melden en op basis van eventuele medische attesten te beslissen welke van de gevraagde proeven medisch verantwoord zijn. Het is dan aan de delibererende klassenraad om uit te maken of zij al dan niet over de nodige evaluatiegegevens beschikt en op basis daarvan het geschikte oriënteringsattest toe te kennen”. 1.
- Op 26 augustus 2008 kent de delibererende klassenraad aan verzoekster een oriënteringsattest C toe. De klassenraad motiveert als volgt : “Motivering en verduidelijking van de beslissing (aankruisen wat van toepassing is) (a) R Resultaat van de stemming (indien stemming) : (b) : Globaal resultaat 60 % met 4 tekorten. (c) : Resultaat juni-examens: 62 % met 2 tekorten. (d) : Gezien het globale eindresultaat van de leerling met één of meerdere tekorten mist hij/zij de nodige kennis/vaardigheden om volgend jaar zonder problemen te kunnen slagen.Tekorten voor (vakken) : RAAR RANA :ATL RBAB RBIO :CHE RDA RDUI RECO RENG REST RFRA :FYS RFYO RGES RGOD RHB RINF RKLS RLAT RLML RLOP RLSL RMOP RNAT RNED RPOP RPSA RSEI RSEM :TLO RTOP RTT RVB RVTB RWIS RWWE RZWE (e) R Gezien de op- en aanmerkingen en adviezen gegeven in de rapporten, schoolagenda of op toetsen. (f) R Negeerde tips en adviezen die werden gegeven in de klas, tijdens individuele gesprekken, bijlessen,... (g) : De resultaten van de remediëringstaken en -proeven waren onvoldoende. (h) R De inzet en ingesteldheid van de leerling waren behoorlijk, toch zijn de resultaten onvoldoende om volgend schooljaar in dezelfde richting verder te doen. (i) : De verslagen van de klassenraad van oktober en december waarschuwden al voor moeilijkheden. (j) : De heroriënteringsadviezen gegeven op rapporten na 4 TSO
(2005)en 5 TSO (2006 en 2007) of in brieven werden niet gevolgd. (
- k)R Heeft met dergelijke studiehouding geen kans op slagen in het volgend schooljaar. (
- l)R De studiehouding van de leerling evolueerde niet in positieve zin gedurende de loop van het schooljaar. Dit heeft de slaagkansen voor volgend jaar ondermijnd. Advies en verdere motivatie van de delibererende klassenraad: • Soraya haalde op het theoretische vakkenpakket 3 tekorten. • Voor het vakkenpakket sport waren er onvolledige resultaten voor een aantal sportvakken omwille van een aanslepende blessure en een tekort voor het vak atletiek (36%). • De delibererende klassenraad besloot Soraya bijkomende proeven op te leggen voor 4 sportvakken. Soraya kon eind augustus nog steeds geen sportproeven afleggen en bracht een medisch attest binnen. XII-5606-3/12 • De klassenraad kan zich zo geen beeld vormen van de capaciteiten of mogelijkheden van Soraya. • De zwakke resultaten voor sport in 4 en 5 TSO zorgden telkens voor een heroriënteringsadvies op het eind van het schooljaar. Dit advies werd tot drie maal toe niet gevolgd. • Indien het jaar wordt overgedaan, zal de mogelijkheid om nog deel te nemen aan de sportlessen zeer gering zijn. Vandaar dat in geval dat het jaar wordt overgedaan, een handelingsplan zal worden voorgesteld voor de sportvakken. • Als alternatief stelt de klassenraad voor het zesde jaar over te doen in een andere TSO-richting zonder sport die aanleunt bij de richting LO en sport. Mits een toelatingsklassenraad is dit mogelijk. De school zal niet nalaten de school die in dit laatste geval de voorkeur wegdraagt te contacteren om de blessure- en sportproblematiek van Soraya aan te kaarten. Voor een valabel alternatief kan steeds het CLB gecontacteerd worden”. 1.4. Bij brief van 2 september 2008 tekent de raadsman van verzoekster beroep aan bij de beroepscommissie. Op 10 september 2008 beslist de raad van bestuur dat hij “akkoord [gaat] dat het bureau de beslissing van de beroepscommissie voor Soraya Derijker en [...] zal bespreken. Deze beslissing zal ter goedkeuring aan de volgende R.v.B. voorgelegd worden”. Op 11 september 2008 adviseert de beroepscommissie om de delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen op grond van de volgende overweging: “Vermits de delibererende klasseraad stelt dat zij over te weinig evaluatiegegegevens beschikt om de leerling als geslaagd te beschouwen, en de delibererende klasseraad de enige instantie is die in volle autonomie hierover kan over oordelen, is het niet aangewezen om de delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen”. Ook op 11 september 2008 beslist “het bureau” om de delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen. Bij brief van 12 september 2008 laat de raad van bestuur aan verzoekster en haar raadsman weten dat hij op 11 september 2008 heeft beslist om de delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen en dat hij “kennis [nam] van het feit dat [verzoekster] in de fysische onmogelijkheid verkeerde de opgelegde bijkomende proeven uit te voeren, maar [...] hierin geen tegenspraak [ziet] met het toekennen van een C-attest op basis van de argumentatie ten gronde van de delibererende klassenraad, met name dat er essentieel te weinig evaluatiegegevens beschikbaar zijn”. XII-5606-4/12 De beslissing van “het bureau” wordt bevestigd door de raad van bestuur van de vzw op 24 september 2008. De grond van de zaak Uiteenzetting van het eerste middel 2. Verzoekster put een eerste middel uit de schending van de formele- en de materiële-motiveringsplicht en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het beginsel dat elke beslissing moet steunen op een rechtens vereiste feitelijke grondslag en het zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoekster stelt, in essentie, dat zij op het ogenblik dat de bijkomende proeven plaatsvonden, nog steeds in de fysieke onmogelijkheid verkeerde om bepaalde sportproeven af te leggen en verwijt verwerende partij dat zij hiermee geen rekening heeft gehouden en aldus ten onrechte geen aanpassing heeft doorgevoerd aan de bijkomende proeven, dat zij evenmin heeft overwogen, en dit zonder enige motivering en met kennis van het medisch attest waaruit blijkt dat verzoekster geen sport mocht doen tot halverwege september, om de bijkomende proeven uit te stellen totdat verzoekster in staat zou zijn om die proeven wél uit te voeren, dat zij verzoekster niet heeft meegedeeld dat de punten in oktober en november negatief waren en dat het motief dat tot driemaal toe een heroriënteringsadvies niet werd gevolgd, onjuist is. In de laatste memorie voert verzoekster vooreerst nog aan dat zij de suggestie om te onderzoeken of bijkomende proeven op een later tijdstip zouden kunnen plaatsvinden, niet meer zelf diende te maken, daar deze suggestie reeds door de school zelf was gedaan, einde juni 2008. Verzoekster verwijst hiervoor naar het rapport van de titularis, tevens sportverantwoordelijke in 6 LO en Sport C, van eind juni 2008, waarin het volgende wordt gezegd: “Soraya, jammer genoeg zijn er teveel niet afgelegde sportresultaten, bijkomende informatie is dus noodzakelijk voor de klassenraad om je het diploma van LO en Sport te kunnen geven, vandaar de bijkomende proeven die op verlate data moeten afgelegd worden”. Deze suggestie werd “in zijn totaliteit” overgenomen in het beroepschrift van 2 september 2008. Verzoekster is dan ook de mening toegedaan dat dit argument, met name de vraag om bijkomende proeven af te leggen op een later tijdstip, dan ook zonder enige twijfel aan bod is gekomen in de voorafgaande beroepsprocedure. Voorts, zoals XII-5606-5/12 blijkt uit het beroepschrift van 2 september 2008, verzocht zij dat het bestaand schoolreglement terzake zou worden toegepast, dat stelt dat wie echt gekwetst is en hinder blijft ondervinden niet te vroeg terug mag starten. Zoals in haar beroepschrift is te lezen, verwijt zij de school dat zij niet de mogelijkheid heeft gekregen om haar lichamelijke conditie terug op te bouwen nadat zij, na de kerstvakantie, opnieuw aan sport mocht doen. Verzoekster moest alsdan onmiddellijk en voor 100% deelnemen aan de sportproeven. Beoordeling 3. Verzoekster heeft gebruik gemaakt van haar recht om de beslissing van de delibererende klassenraad, waarbij haar een oriënteringsattest C werd toegekend, te betwisten. Die beroepsprocedure heeft te dezen geleid tot de beslissing van het schoolbestuur, dat de klassenraad niet opnieuw moet worden samengeroepen. Het determinerend motief om verzoekster een oriënteringsattest C toe te kennen, is te vinden in de onmogelijkheid voor de delibererende klassenraad om zich een beeld te vormen van de capaciteiten en mogelijkheden van verzoekster. De kritiek die verzoekster heeft op het motief van het herhaaldelijk niet-naleven van heroriënteringsadviezen en de “waarschuwing voor moeilijkheden” in oktober en december, betekent dus kritiek op overtollige motieven. In die mate is het middel onontvankelijk. 4. Wat het bedoelde doorslaggevende motief betreft, dient vooreerst te worden vastgesteld dat verzoekster de studierichting “lichamelijke opvoeding en sport” volgde. Bijgevolg kan bezwaarlijk worden betwist dat de sportvakken waarvoor verzoekster bijkomende proeven kreeg opgelegd, te weten handbal, basket, atletiek en toestelturnen, voor deze richting profielbepalend zijn. Vanuit dat oogpunt is het dus niet onzorgvuldig om te stellen, zoals de delibererende klassenraad te dezen doet, dat hij zich zonder resultaten voor de bijkomende proeven geen beeld kan vormen over de capaciteiten en mogelijkheden van verzoekster en dat haar om die reden, gecombineerd met het tekort voor het vak atletiek, een oriënteringsattest C wordt toegekend, zelfs al zijn XII-5606-6/12 er niet-betwiste medische redenen voorhanden waarom verzoekster die proeven niet kan afleggen. 5. Waar verzoekster met dit middel echter kritiek op levert, is dat de delibererende klassenraad niet is nagegaan of de bijkomende proeven niet best een andere, aan haar medische toestand aangepaste vorm zouden moeten aannemen dan wel of de bijkomende proeven - in de vorm waarin ze werden opgelegd - niet konden worden uitgesteld tot op een ogenblik dat verzoekster vanuit medisch oogpunt opnieuw werd toegelaten te sporten. In dat verband dient echter te worden vastgesteld dat verzoekster in tegenstelling tot wat zij in de laatste memorie beweert, die bezwaren niet uitdrukkelijk heeft opgenomen in haar bezwaarschrift bij de beroepscommissie. In haar bezwaarschrift van 1 juli 2008 heeft verzoekster zich ertoe beperkt te stellen dat zij “in de onmogelijkheid [was] om de opgelegde bijkomende proeven af te leggen”. In het beroepschrift van 2 september 2008 voerde zij, samengevat, de argumentatie aan dat er niet werd gestemd over de attestering, dat zij een jaartotaal van 60% en 62% voor de juni-examens behaalde, dat zij te vroeg is moeten starten met sport na haar blessure in oktober, dat haar niet werd meegedeeld dat de punten in oktober en november negatief waren, dat zij betwist dat zij meermaals heroriënteringsadviezen niet zou hebben gevolgd en dat de drie tekorten voor de theorievakken voordien geen probleem vormden voor de school. De argumentatie dat de bijkomende proeven een andere vorm zouden kunnen aannemen, zouden kunnen worden aangepast of op een later, medisch gezien gunstiger tijdstip zouden kunnen plaatsvinden komt dus in die grieven geenszins aan bod. Daarenboven blijkt uit stuk nr. 22 A van het administratief dossier dat zij en haar ouders tijdens de hoorzitting van 10 september 2008 voor de beroepscommissie zelf aanvoerden dat het “medisch attest [...] het beoefenen van sport vóór de datum van het afsluiten van het schooljaar onmogelijk [maakt], zodat het uitstellen van bijkomende proeven onmogelijk is”. Bezwaarlijk kan thans voor het eerst voor de Raad van State aan de delibererende klassenraad worden verweten niet te hebben geantwoord op argumenten die verzoekster in de voorafgaande administratieve beroepsfase niet eens heeft aangevoerd. Bovendien onderbouwt verzoekster dit middel ook voor de Raad van State niet : zij had, ten minste, concreet kunnen aangeven in welke zin die bijkomende proeven voor haar hadden kunnen worden aangepast en hoe de klassenraad zich in dit geval dan wel een beeld had kunnen vormen van haar XII-5606-7/12 capaciteiten of mogelijkheden of door aan te geven welk mogelijk later tijdstip voor haar, medisch gezien, gunstiger was. De klastitularis heeft op het rapport einde juni 2008 aan de vaststelling dat bijkomende informatie noodzakelijk is enkel toegevoegd dat bijkomende proeven “op verlate data moeten afgelegd worden”. Door naar dit rapport te verwijzen in haar beroepschrift heeft verzoekster nog geen bezwaar geconcretiseerd over de passende datum voor of vorm van die proeven, waarover de klastitularis immers geen uitspraak deed. De bijkomende proeven werden aldus georganiseerd op de “verlate” datum van 26 augustus 2008. Uit dit commentaar kan geenszins worden afgeleid dat de school zelf, zoals verzoekster suggereert in de laatste memorie, de suggestie zou hebben gedaan dat deze bijkomende proeven (nogmaals) zouden kunnen worden uitgesteld tot op een (nog) later, voor verzoekster “medisch gezien” gunstiger tijdstip. Overigens citeert verzoekster in haar beroepschrift dit commentaar van de titularis dan nog met een geheel ander oogmerk, namelijk om haar stelling te onderbouwen dat uit dit commentaar bleek dat “er geen probleem [werd] gemaakt over de 3 tekorten in de 3 theorievakken” en zij aldus slaagkans had indien de bijkomende proeven met goed gevolg zouden worden afgelegd. Uit wat voorafgaat volgt dat niet ernstig kan worden aangevoerd dat de beroepscommissie hieruit moest afleiden dat verzoekster tevens bezwaar maakte tegen het feit dat de bijkomende proeven niet nog eens werden uitgesteld tot na haar medische revalidatie of in een aangepaste vorm moesten worden uitgewerkt. 6. Het eerste middel is niet gegrond. Uiteenzetting van het tweede middel 7. In een tweede middel voert verzoekster de schending aan van artikel 6quater, tweede lid, van de zogenaamde schoolpactwet van 29 mei 1959 en van artikel 5, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 houdende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs (hierna: organisatiebesluit). Zij licht toe dat de delibererende klassenraad als enig orgaan bevoegd is om te oordelen over het al dan niet slagen van een leerling, dat een leerling geslaagd is indien de klassenraad oordeelt dat de leerling op voldoende XII-5606-8/12 wijze de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt en aldus heeft voldaan voor het geheel van de vorming van het betreffend leerjaar en bekwaam wordt geacht de studies voort te zetten in het hoger onderwijs, dat de klacht die zij op 2 september 2008 heeft ingediend in essentie de weigering betreft van de klassenraad om afdoende rekening te houden met haar ziekte en de weerslag ervan op haar studieresultaten, en dat er niet wordt aangetoond dat de klassenraad zich op grond van het voorgelegde medisch verslag over de ziekte van verzoekster heeft beraden en de weerslag ervan heeft ingeschat op het bereiken van de doelstellingen in het leerplan en de bekwaamheid om haar studies voort te zetten in het hoger onderwijs. In de laatste memorie voegt zij daar nog aan toe dat alle leerkrachten op de hoogte waren van haar blessure en dat zij niet de normale examens voor sportvakken zou kunnen afleggen, dat zij hierover onmiddellijk duidelijke afspraken heeft gemaakt met de leerkrachten en hen heeft gevraagd wat haar te doen stond, dat de leerkrachten met haar dienvolgens de mondelinge afspraken hebben gemaakt om een alternatief programma te volgen (scheidsrechter spelen bij wedstrijden, kinderanimatie geven) om toch zo haar diploma te halen, dat de klassenraad ten onrechte geen rekening heeft gehouden met dit alternatief programma bij het nemen van het bestreden besluit, en dat op basis van dit alternatief programma de klassenraad zich een beeld had kunnen vormen van de capaciteiten of mogelijkheden van verzoekster, minstens had zij, bij enige twijfel het schoolreglement dienen toe te passen en alternatieve proeven moeten vooropstellen. Beoordeling 8. Artikel 6quater van de zogenaamde schoolpactwet van 29 mei 1959, wijst de delibererende klassenraad aan “als enig orgaan op het vlak van de beslissingen inzake het al dan niet geslaagd zijn” en preciseert voorts dat hij “oordeelt of een regelmatige leerling in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen, heeft bereikt om al dan niet te kunnen overgaan naar een volgend leerjaar en/of een van rechtswege geldend studiebewijs behaalt dat een bepaald civiel effect impliceert”. Tevens eist artikel 5, § 5, van het organisatiebesluit dat de delibererende klassenraad “zich bij zijn beslissingen [zal] laten leiden door concrete gegevens uit het dossier van de leerling”, waaronder “resultaten van proeven, toetsen of examens die door de leraars van de leerling werden afgenomen” en “de beslissingen, vaststellingen en de adviezen van de begeleidende klassenraad”. XII-5606-9/12 9. Zoals bij de bespreking van het eerste middel is gebleken, is in de veruitwendigde motieven van de beslissing van de delibererende klassenraad om verzoekster een C-attest toe te kennen, als determinerend motief terug te vinden dat rekening is gehouden met de onvolledige resultaten voor de sportvakken en een tekort voor het vak atletiek en met het feit dat verzoekster de bijkomende sportproeven niet kon afleggen wegens medisch verantwoord letsel, zodat de klassenraad zich zo geen beeld kon vormen van de capaciteiten of mogelijkheden van verzoekster. In tegenstelling tot wat verzoekster beweert, is aan de ziekte van verzoekster wel degelijk afdoende aandacht besteed, zij het niet in de door haar gewenste zin. De ziekte van verzoekster wordt door de delibererende klassenraad niet ontkend: op het ogenblik van de deliberatie in juni heeft hij deze erkend als een “uitzonderlijke omstandigheid” en om die reden beslist de eindbeslissing uit te stellen en verzoekster toegelaten bijkomende proeven af te leggen in augustus. Bij zijn beslissing van 26 augustus 2008 heeft hij opnieuw wel degelijk kennis genomen van de medische toestand van verzoekster. Daaromtrent staat in die beslissing uitdrukkelijk te lezen: “Soraya kon eind augustus nog steeds geen sportproeven afleggen en bracht een medisch attest binnen”. Evenwel heeft de delibererende klassenraad daaruit afgeleid - omtrent de weerslag van die medische toestand op het al dan niet bereiken van de doelstellingen in het leerplan en de bekwaamheid om haar studies voort te zetten in het hoger onderwijs - dat hij niet bij machte is zich een beeld te vormen van de capaciteiten of mogelijkheden van verzoekster. Bij de bespreking van het eerste middel werd reeds vastgesteld dat die sportvakken een essentieel onderdeel vormen van de door haar gekozen studierichting “lichamelijke opvoeding en sport”. Bijgevolg kon de klassenraad in redelijkheid aannemen dat hij zich zonder resultaten voor de bijkomende proeven geen beeld kan vormen over de capaciteiten en mogelijkheden van verzoekster op dit vlak. Verzoeksters afwezigheid, hoe gewettigd ook, ligt mee aan de oorzaak ervan dat verzoekster niet de vereiste vaardigheden op het vlak van de sportvakken heeft kunnen verwerven om haar als geslaagd te kunnen verklaren. Aldus kan de delibererende klassenraad niet worden aangewreven dat hij onredelijk handelt of tekort schiet, om haar om die reden een oriënteringsattest C toe te kennen. Dat de XII-5606-10/12 delibererende klassenraad aan die medische toestand niet het gevolg heeft gehecht dat verzoekster kennelijk voor ogen had, namelijk de toekenning van het diploma, maakt op zich geen schending uit van de genoemde bepalingen. Verzoekster beweert in de laatste memorie nog wel dat met individuele leerkrachten tijdens het jaar afspraken waren gemaakt om een alternatief programma te volgen. Daargelaten of dergelijke afspraken geen beslissing van een begeleidende klassenraad vereisen, is dit argument in de laatste memorie hoe dan ook laattijdig aangebracht. 10. Het tweede middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier februari 2010, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-5606-11/12 XII-5606-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.445 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div