id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.482 Rolnummer: A. 154009/X-11969 Zaak: Arrest 200482 - Plannen van aanleg - 04/02/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-12 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-07-02 08:39 Fiche Arrest nr 200.482 van 4 februari 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 200.482 van 4 februari 2010 in de zaak A. 154.009/X-11.
- In zake: Theo DIERCKX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Noël Devos en Guido Van den Eynde kantoor houdend te 2440 GEEL Diestseweg 155 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen:
- de stad GEEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Corstjens kantoor houdend te 2440 GEEL Gasthuisstraat 31 A bij wie woonplaats wordt gekozen
- het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Claes kantoor houdend te 2550 KONTICH Mechelsesteenweg 160 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 22 juli 2004, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van de Vlaamse Minister van Financiën en begroting, ruimtelijke ordening, wetenschappen en technologische innovatie, van 3 juni 2004, houdende goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg ‘Zonevreemde Sport-, jeugd- en recreatievoorzieningen FASE 1: FC ZAMMEL’ genaamd van de stad Geel, bestaande uit een plan van de juridische toestand, een bestemmingsplan met bijhorende stedenbouwkundige voorschriften en een onteigeningsplan; houdende de verklaring dat het algemeen nut de onteigening van de onroerende goederen aangegeven op het onteigeningsplan vordert; houdende de machtiging aan de stad Geel tot onteigenen”. X-11.969-1/13 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 145.008 van 25 mei 2005 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Stephan De Taeye heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De tweede verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 september
- Staatsraad Jeroen Van Nieuwenhove heeft verslag uitgebracht. Advocaat Anneleen Wynants, die loco advocaat Noël Devos verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Thomas Ryckalts, die loco advocaat Wim Corstjens verschijnt voor de eerste verwerende partij, en advocaat Anneleen Claes, die loco advocaat Johan Claes verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- X-11.969-2/13 III. Feiten
- Op 25 november 2002 stelt de gemeenteraad van de stad Geel het ontwerp van bijzonder plan van aanleg “Zonevreemde Sport-, jeugd-, en recreatievoorzieningen FASE 1: FC ZAMMEL” voorlopig vast. Een aantal percelen, gelegen achter het woongebied langs de Zammelseweg, worden bestemd tot “zone voor sportvelden en bijhorende functies” met daarrond een “bufferzone”. Deze percelen zijn volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Herentals-Mol, vastgesteld bij koninklijk besluit van 28 juli 1978, gelegen in agrarisch gebied, met uitzondering van het kerkhof en een aangrenzend terrein, die in gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen gelegen zijn. Een van de betrokken percelen in agrarisch gebied is een weiland dat eigendom is van de verzoeker en dat achter het perceel met zijn woning en zijn tuin gelegen is.
- Van 16 december 2002 tot 24 januari 2003 wordt over het ontwerpplan een openbaar onderzoek gehouden. Naar aanleiding van dit openbaar onderzoek worden 23 bezwaarschriften ingediend, waaronder een door de verzoeker.
- Op 6 februari 2003 onderzoekt en verwerpt de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening de bezwaarschriften en geeft zij een gunstig advies over het ontwerpplan.
- Bij besluit van 10 maart 2003 stelt de gemeenteraad van de stad Geel het bijzonder plan van aanleg “Zonevreemde Sport-, jeugd-, en recreatievoorzieningen FASE 1: FC ZAMMEL”, bestaande uit een plan van de bestaande en juridische toestand, een bestemmingsplan met bijbehorende stedenbouwkundige voorschriften en een onteigeningsplan, definitief vast.
- Bij het bestreden besluit van 3 juni 2004 keurt de bevoegde Vlaamse minister het betrokken bijzonder plan van aanleg, met het plan van de bestaande en juridische toestand, het bestemmingsplan met bijbehorende stedenbouwkundige voorschriften en het onteigeningsplan, goed. Het bestreden besluit machtigt tevens de stad Geel tot het onteigenen van onder meer het weilandperceel van de verzoeker. X-11.969-3/13 IV. Aanduiding van een tweede verwerende partij Uiteenzetting van de exceptie
- De eerste verwerende partij voert in haar memorie van antwoord aan dat de verzoeker enkel het goedkeurings- en machtigingsbesluit van 3 juni 2004 bestrijdt en dat hij enkel het Vlaamse Gewest als tegenpartij heeft aangeduid. Het annulatieberoep is bijgevolg enkel ontvankelijk ten aanzien van de tweede verwerende partij. Beoordeling
- Overeenkomstig artikel 5, tweede lid van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, is het door de auditeur-generaal aangestelde lid van het auditoraat ermee belast om te waken over de uitvoering van de maatregelen die aan het onderzoek voorafgaan. Dit houdt onder meer de bevoegdheid in om de overheden aan te wijzen die in aanmerking komen om de verdediging van de rechtmatigheid van het bestreden besluit waar te nemen. Het komt dan ook aan het auditoraat toe om, gelet op de inquisitoriale aard van de rechtspleging voor de Raad van State, in voorkomend geval andere overheden dan diegene die werden vermeld in het verzoekschrift, als verwerende partij aan te duiden. Met de eerste verwerende partij wordt vastgesteld dat de verzoeker enkel de nietigverklaring nastreeft van het goedkeurings- en machtigingsbesluit van 3 juni
- Een eventuele onregelmatigheid van het door de eerste verwerende partij definitief aanvaarde bijzonder plan van aanleg kan evenwel de wettigheid van het bestreden besluit aantasten. Verscheidene van de in de middelen aangevoerde onwettigheden hebben betrekking op dergelijke onregelmatigheden. Bijgevolg heeft het auditoraat de stad Geel terecht als verwerende partij in deze zaak betrokken en kan haar verzoek om buiten de zaak te worden gesteld, niet worden ingewilligd. V. Ontvankelijkheid A. Vaagheid van het verzoekschrift X-11.969-4/13 Uiteenzetting van de exceptie
- De eerste verwerende partij stelt dat het verzoekschrift een groot aantal vage, onduidelijke middelen bevat, waardoor het niet ontvankelijk is of waardoor op zijn minst de rechten van verdediging van de eerste verwerende partij zijn geschonden. Beoordeling
- Een verzoekschrift is ontvankelijk indien het ten minste één middel bevat dat op ontvankelijke wijze wordt ontwikkeld. De door de verzoeker aangevoerde middelen vermelden de geschonden geachte rechtsregels en de wijze waarop ze volgens de verzoeker geschonden zijn. Uit de beoordeling van de middelen blijkt dat deze middelen voldoende duidelijk zijn uiteengezet. Ten slotte blijkt dat de eerste verwerende partij er, weliswaar in ondergeschikte orde, in is geslaagd om de middelen die zij onduidelijk acht vrij omstandig te beantwoorden. Hieruit blijkt dat haar rechten van verdediging niet werden geschaad. De exceptie is niet gegrond. B. Actueel belang Uiteenzetting van de exceptie
- In een brief van 30 oktober 2007 wijst de eerste verwerende partij er nog op dat de onteigeningsfase voor de vrederechter volledig werd afgesloten en dat de stad Geel de eigendom definitief heeft verworven, zodat de verzoeker niet langer beschikt over het rechtens vereiste belang. Beoordeling
- De verzoeker is hoe dan ook eigenaar van twee aanpalende woonpercelen, kadastraal bekend sectie N, nrs. 1437/h (deel) en 1437/f, die zijn woning en tuin, alsook een garage en een schuur, omgeven door betonverharding omvatten. Gelet op de mogelijke weerslag van de bestemmingswijziging die het bestreden besluit met zich meebrengt op het gebied dat aan deze percelen grenst, beschikt de verzoeker nog steeds over het rechtens vereiste actueel belang. De exceptie is niet gegrond. X-11.969-5/13 VI. Onderzoek van de middelen A. Eerste tot vijfde middel Uiteenzetting van de middelen
- In de eerste vijf middelen wordt de schending aangevoerd van “de wet”, van artikel 14 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet) en van de omzendbrief RO 98/05 van 22 september 1998 betreffende het bijzonder plan van aanleg voor zonevreemde terreinen en gebouwen voor sport-, recreatie- en jeugdactiviteiten. De verzoeker stelt in het eerste middel dat het bestreden sectoraal bijzonder plan van aanleg wordt aangewend om nog aan te leggen zonevreemde voetbalterreinen met aanhorigheden te regulariseren, wat niet het doel kan zijn van een sectoraal bijzonder plan van aanleg. De aangehaalde omzendbrief regelt op restrictieve wijze de mogelijkheden waarop een bijzonder plan van aanleg kan afwijken van het gewestplan en heeft enkel betrekking op bestaande zonevreemde terreinen en gebouwen. In het tweede middel voert de verzoeker aan dat het bestreden bijzonder plan van aanleg een gebied van ongeveer 4 hectare omvat, terwijl volgens de aangehaalde omzendbrief de aan te leggen recreatiezones ten hoogste 3 hectare per zone kunnen beslaan. De verzoeker argumenteert in het derde middel dat de inventaris van de juridische toestand geen melding maakt van de vergunning van 29 oktober 1973 voor het bouwen van een varkensstal, noch van de goedkeuring van 16 augustus 1977 van het college van burgemeester en schepenen voor het uitbaten van een varkensbedrijf, terwijl de omzendbrief bepaalt dat de juridische toestand onder meer een overzicht moet bevatten van de vergunningen voor de betrokken terreinen en gebouwen. Daardoor ging de eerste verwerende partij er ten onrechte van uit dat de verzoeker net als zijn buren nog over een tuin zou beschikken die voor de nodige afscherming zorgt, terwijl de verzoeker enkel nog een varkensstal en een verharding overhoudt. In het vierde middel stelt de verzoeker dat de eerste verwerende partij in strijd met de aangehaalde omzendbrief niet heeft nagegaan welke voorzieningen nodig zijn op het niveau van de deelgemeente of de kern. In de toelichtingsnota wordt enkel weergegeven over welke al dan niet zonevreemde X-11.969-6/13 voetbalterreinen het gaat, wat niet volstaat. Bovendien werd niet onderzocht of er werkelijk nog nood is aan drie voetbalterreinen. De verzoeker voert in het vijfde middel aan dat de eerste verwerende partij geen rekening heeft gehouden met het ongunstig advies van 23 mei 2002 van AROHM Antwerpen, terwijl de aangehaalde omzendbrief voorschrijft dat met de resultaten van het vooroverleg met AROHM rekening moet worden gehouden. In zijn laatste memorie voegt de verzoeker aan zijn uiteenzetting met betrekking tot deze vijf middelen nog toe dat uit het dossier niet blijkt dat de bestreden beslissing werd genomen op basis van artikel 14, vijfde lid (in plaats van artikel 14, vierde lid) van het gecoördineerde decreet. Voorts argumenteert hij nog dat een niet-bindende omzendbrief wel degelijk tot de onwettigheid van een besluit kan leiden en dat de toepasselijke en niet-onwettige omzendbrief, die een toelichting vormt bij de wetgeving, door een goed bestuur nageleefd zou moeten worden. Beoordeling
- In de mate dat in de middelen de schending wordt aangevoerd van “de wet”, moeten ze zo worden begrepen dat wordt gerefereerd aan de aangehaalde decretale bepaling en/of aan de aangehaalde omzendbrief.
- Artikel 14, vierde lid van het gecoördineerde decreet luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit als volgt: “Wanneer een streek-, gewest- of algemeen plan bestaat, richt het bijzonder plan zich naar de aanwijzingen en bepalingen ervan, en vult ze aan. Het kan er desnoods van afwijken”. Artikel 14, vijfde lid van hetzelfde decreet bepaalde het volgende: “Een bijzonder plan van aanleg dat afwijkt van de voorschriften van het gewestplan kan ook worden goedgekeurd wanneer de gemeente beslist heeft tot het opmaken van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, zoals bedoeld in artikel 20, §1, van het decreet van 24 juli 1996 houdende de ruimtelijke planning of artikel 32, §1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, op voorwaarde dat een ruimtelijke afweging gebeurt mede op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen, en dat het bijzonder plan van aanleg voorlopig aangenomen werd vóór 1 mei 2005”. X-11.969-7/13 In het commissieverslag over het ontwerp van decreet dat heeft geleid tot de tweede aangehaalde decretale bepaling, verklaart de bevoegde Vlaamse minister het volgende: “Wat de van het gewestplan afwijkende, al dan niet ‘sectorale’ BPA’S betreft, wordt voorzien in een decretale verankering: het huidige ‘desnoods afwijken’ wordt vervangen door afwijken zonder meer, op voorwaarde dat de gemeente gestart is met het structuurplanningsproces en op voorwaarde dat de principes van het RSV worden gerespecteerd” (Parl. St., Vl. P., 1998-1999, nr. 1332/8, blz. 8). Hieruit kan, enerzijds, worden afgeleid dat artikel 14, vierde lid van het gecoördineerde decreet andere voorwaarden oplegt om met een bijzonder plan van aanleg te kunnen afwijken van de bestemmingsvoorschriften van een gewestplan dan die vermeld in artikel 14, vijfde lid van het gecoördineerde decreet en, anderzijds, dat de afwijkingsmogelijkheid van artikel 14, vijfde lid een afzonderlijke afwijkingsgrond vormt met afzonderlijke voorwaarden, naast de “reguliere” afwijkingsmogelijkheid bedoeld in artikel 14, vierde lid.
- In de aanhef van het bestreden besluit wordt de rechtsgrond ervan als volgt vermeld: “Gelet op het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, inzonderheid de artikelen 14 en 15 tot 21, gewijzigd bij decreet van 18 mei 1999”. Uit de uiteenzetting in de aanhef en in de toelichtende nota bij het ontwerpplan kan worden afgeleid dat het bijzonder plan van aanleg werd opgemaakt op grond van de bepalingen van artikel 14, vijfde lid van het gecoördineerde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, aangezien de verscheidene toepassingsvoorwaarden voor deze decretale bepaling er uitdrukkelijk aan bod komen. De verzoeker gaat er bijgevolg ten onrechte van uit dat de voorwaarden van artikel 14, vierde lid, om “desnoods” van de bestemmingsvoorschriften van een gewestplan af te wijken, moesten worden toegepast. In de mate dat de vijf middelen gebaseerd zijn op de schending van deze decretale bepaling, zijn ze bijgevolg niet gegrond.
- De omzendbrief 98/05, waarvan eveneens de schending wordt aangevoerd in de eerste vijf middelen, is een ministeriële omzendbrief, gericht aan X-11.969-8/13 administratieve overheden, die richtsnoeren bevat omtrent de interpretatie en de toepassing van de bestaande rechtsregels. Dergelijke omzendbrieven hebben geen bindend karakter, ongeacht of zij zijn bekendgemaakt of niet. Een eventuele niet-naleving van de onderrichtingen vervat in de voormelde omzendbrief kan niet tot de onwettigheid van het bestreden besluit leiden.
- De eerste vijf middelen zijn niet gegrond. B. Zesde middel Uiteenzetting van het middel
- In een zesde middel wordt de schending aangevoerd van artikel 14, 3/ (lees: 14, eerste lid, 3/) van het gecoördineerde decreet. De verzoeker stelt dat in het bestreden plan onder meer op de grafische kaart de ontsluitingsweg naar de voetbalterreinen aangeduid werd als zijnde de voetweg nr. 193 met een breedte van 1,6 meter, terwijl in de toelichtingsnota wordt uiteengezet dat deze voetweg van 1,6 meter over een breedte van 5 meter benut zal worden en verhard zal worden. Aangezien de voetweg ter sprake komt in de toelichtingsnota, moet worden aangenomen dat de weg wel degelijk een onderdeel vormt van het bestreden plan. Beoordeling
- Uit de gegevens van de zaak blijkt dat het deel van de weg waarnaar de verzoeker verwijst, meer bepaald het gedeelte dat loopt van de Veestraat tot aan de toegang van de terreinen, buiten het gebied van het bestreden plan is gelegen. De in dit middel geschonden geachte bepaling is bijgevolg niet van toepassing op de betrokken voetweg. Het zesde middel is niet gegrond. C. Zevende middel Uiteenzetting van het middel
- In een zevende middel wordt de schending aangevoerd van “de stedenbouwkundige voorschriften en de goede ruimtelijke ordening”. X-11.969-9/13 De verzoeker argumenteert dat het bestreden plan de stedenbouwkundige voorschriften schendt, doordat het voorziet in de inplanting van voetbalterreinen en aanhorigheden in agrarisch gebied. Bovendien is de goede ruimtelijke ordening geschonden omdat de voetbalterreinen worden ingeplant tussen twee dorpskernen in, in een agrarisch gebied, achter lintbebouwing, hetgeen niet strookt met de filosofie en de doelstellingen van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen voor wat betreft de stad Geel (als structuurondersteunend kleinstedelijk gebied) en het dorp Zammel (als kern in het buitengebied). Voorts heeft de eerste verwerende partij twee adviezen van de afdeling Ruimtelijke Ordening en de afdeling Ruimtelijke Planning om de voetbalterreinen te doen aansluiten bij de dorpskern van Zammel of van Oosterlo, met een voorkeur voor deze laatste, naast zich neergelegd. De argumentatie van de eerste verwerende partij dat van de voetbalploeg van Zammel niet kan worden verwacht in Oosterlo te gaan voetballen, stemt niet overeen met haar visie dat de twee dorpen niet autonoom kunnen bestaan en dat er in de toekomst meer moet worden geclusterd. Ten slotte is het gebied van het bestreden plan gelegen in een belangrijk landbouwgebied, de Wimpvallei, waar de agrarische functie de uitgesproken hoofdfunctie is. In de laatste memorie voegt de verzoeker daar nog aan toe dat uit de stukken niet valt af te leiden dat de bestreden beslissing is genomen op basis van artikel 14, vijfde lid van het gecoördineerde decreet, in plaats van artikel 14, vierde lid van hetzelfde decreet. Beoordeling
- Uit de beoordeling van de eerste vijf middelen is reeds gebleken dat het bestreden besluit is gesteund op artikel 14, vijfde lid van het gecoördineerde decreet. De aangevoerde strijdigheid van het bestreden plan met de gewestplanvoorschriften kan bijgevolg op zich niet leiden tot de onwettigheid van het bestreden besluit. Uit het enkele gegeven dat luidens de adviezen van de afdeling Ruimtelijke Ordening en de afdeling Ruimtelijke Planning de voetbalterreinen vanuit planologisch oogpunt beter zouden aansluiten bij de dorpskern van Oosterlo of Zammel, met een voorkeur voor Oosterlo, kan niet worden afgeleid dat het bestreden bijzonder plan van aanleg niet in overeenstemming is met de door de verzoeker genoemde doelstellingen van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen. Voor wat betreft de overige aangevoerde schendingen van de “goede ruimtelijke ordening”, blijkt niet welke rechtsregels geschonden zouden zijn door het niet X-11.969-10/13 volgen van de aangehaalde adviezen en het beweerdelijk afwijken van bestaande beleidsintenties. Het zevende middel is niet gegrond. D. Achtste en negende middel Uiteenzetting van de middelen
- In een achtste en in een negende middel wordt telkens de schending aangevoerd van “het beginsel van behoorlijk bestuur”. In het achtste middel stelt de verzoeker dat de rust op het kerkhof verstoord zal worden door de geluidshinder van het voetbal en dat de parking meestal niet tegelijkertijd gebruikt zal kunnen worden voor begrafenissen en voetbalmatchen indien die allebei op zaterdag plaatsvinden. In het negende middel bekritiseert de verzoeker de onteigening van terreinen die deel uitmaken van een oude ruilverkaveling met als bedoeling een efficiënter gebruik van de landbouwgronden. De ruilverkaveling bracht dure werken met zich mee die werden betaald door de eigenaars van de betrokken gronden, waaronder ook de verzoeker. Beoordeling
- De toelichtende nota bij het bestreden plan verantwoordt de locatie van de voetbalterreinen als volgt: “De ligging centraal binnen de dorpenband Zammel-Oosterlo, en tegelijkertijd binnen een aangesneden gebied met kerkhof in zone voor openbaar nut die eigendom is van de stad Geel, zijn belangrijke troeven voor het terrein. Bovendien is er de mogelijkheid tot de clustering met het kerkhof (samengebruik parking), de intrinsieke kwaliteit, en het feit dat er slechts een beperkt aantal percelen te verwerven zijn. Er dient voldoende gebufferd te worden naar de woningen toe, zonder dat er te diep in het landbouwgebied wordt ingedrongen. In die zin vormt (de) achterliggende voet- en fietsweg een natuurlijke grens tussen aangesneden gebied en achtergelegen landbouwgebied, die niet overschreden mag worden. (...) Locatie 6 is ruimtelijk sterk vergelijkbaar met locatie 2B. In het voordeel van locatie 6 spreekt het feit dat de gronden beter aansluiten bij de historische kern van Oosterlo (onder meer met woonuitbreidingsgebied aan overzijde van de straat). In het voordeel van locatie 2B spreekt dan weer het aangetaste karakter van het gebied door het aanwezige kerkhof, en het feit dat een gedeelte van de gronden vandaag reeds bestemd zijn als zone voor openbaar nut, en dus niet moeten afgenomen worden van de landbouwstructuur. Wanneer beide aspecten X-11.969-11/13 tegenover elkaar worden afgewogen, wordt op basis van het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan Geel de voorkeur gegeven aan het behoud van de onaangetaste open ruimte in locatie 6 en het ontwikkelen van sportfuncties in locatie 2B”. De argumentatie van de verzoeker komt neer op opportuniteitskritiek, nu de door hem aangehaalde gegevens enkel andere beleidsopties inhouden, terwijl uit de in de toelichtende nota weergegeven afweging niet blijkt, en de verzoeker ook niet aantoont, dat de plannende overheid haar appreciatiebevoegdheid kennelijk zou hebben overschreden. Het achtste en het negende middel zijn niet gegrond. E. Tiende middel Uiteenzetting van het middel
- In het tiende middel wordt de schending aangevoerd van het zorgvuldigheidsbeginsel. De verzoeker argumenteert dat de eerste verwerende partij het bestreden plan definitief heeft aangenomen zonder eerst de adviezen van de politie en de brandweer in te winnen, terwijl van een normale vooruitziende en zorgvuldige overheid mag worden verwacht dat zij alle mogelijke adviezen inwint vooraleer een dergelijk sectoraal bijzonder plan van aanleg aan te nemen. Beoordeling
- Uit de niet-betwiste gegevens van het dossier blijkt dat alle wettelijk vereiste adviezen werden ingewonnen en dat een openbaar onderzoek werd gehouden over het ontwerp dat heeft geleid tot het bestreden plan. Uit het loutere feit dat de plannende overheid voorts het advies van de politie en van de brandweer niet heeft ingewonnen, kan niet worden afgeleid dat zij onzorgvuldig is opgetreden. Het tiende middel is niet gegrond. X-11.969-12/13 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vier februari 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jeroen Van Nieuwenhove, staatsraad, met bijstand van Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Roger Stevens X-11.969-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.482 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.008 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div