← België

Arrest 200484 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 04/02/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:20

§2

, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, terwijl deze bepalingen nog niet van kracht zijn en de planologische ambtenaar niet bevoegd is inzake motivering. De bestendige deputatie diende zelf de vergunningsaanvraag op haar bestaanbaarheid met het gewestplan en verenigbaarheid met de goede plaatselijke ordening te controleren. De motivering is op dit punt noch juridisch, noch feitelijk afdoende (...). h. Op p. 4 van de bestreden beslissing wordt gesteld dat de aanvraag strijdig is met het Bosdecreet, terwijl de bepaling waarop men zich steunt niet wordt aangegeven.

  1. Om al deze redenen is de beslissing juridisch niet afdoende gemotiveerd. Afdoende betekent dat de beslissing haar doel moet bereiken, in die zin dat de bestuurde moet begrijpen op grond van welke feitelijke en juridische elementen de beslissing is genomen. Net aan dit doel werd voorbijgegaan door de bestreden beslissing juridisch niet afdoende te motiveren. V.1.3 Verwijzing naar niet meegedeelde stukken
  2. De motivering moet terug te vinden zijn in de beslissing zelf. Dit gaat zelfs zover, dat men geen rekening mag houden met motieven die niet in de beslissing staan, maar die in andere stukken desgevallend worden vermeld. Ook een motivering achteraf is niet toelaatbaar.
  3. Een uitzondering op deze regel vormt de verwijzing naar andere stukken. Daarvoor zijn er echter 4 cumulatieve voorwaarden nodig: de inhoud van het stuk waarnaar verwezen wordt, moet ter kennis worden gebracht of bekend zijn, het stuk waarnaar verwezen wordt, moet zelf afdoende gemotiveerd zijn, dit stuk moet worden bijgevallen door de beslissende overheid, en er mogen geen tegenstrijdige stukken zijn. Enkel als voldaan is aan deze 4 voorwaarden, dan X-11.906-11/20 kan een verwijzing naar een ander stuk als afdoende motivering weerhouden worden. In casu rijzen ook op dit punt problemen m.b.t. de motivering: a. Er wordt verwezen naar een advies van de afdeling Bos en Groen, zonder dat dit advies ter kennis werd gegeven. In een beslissing mag nochtans enkel verwezen worden naar stukken die aan de betrokkene ter kennis werden gebracht. b. Er wordt verwezen naar het bindend ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar, zonder dat dit advies aan de verzoekende partij ter kennis werd gebracht. In een beslissing mag nochtans enkel verwezen worden naar stukken die aan de betrokkene ter kennis werden gebracht. c. Het verslag van de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar wordt geciteerd, doch nergens valt uit de bestreden beslissing af te leiden dat dit verslag door de Bestendige Deputatie werd bijgetreden. De enige redenen waarom de Bestendige Deputatie het beroep niet inwilligde, worden uiteengezet op pagina 4 van het bestreden besluit. Deze overwegingen zijn feitelijk onjuist zoals verderop aangetoond wordt.
  4. Om al deze redenen is de bestreden beslissing niet afdoende gemotiveerd. V.1.4 De zes aangehaalde weigeringsmotieven zijn noch juridisch, noch feitelijk afdoende gemotiveerd en zijn bovendien feitelijk onjuist A ALGEMEEN
  5. Na een onvolledige en gebrekkige opsomming van wetgeving en reglementering en een onderzoek naar de ontvankelijkheid van het bij de bestendige deputatie ingestelde beroep en na een verwijzing naar het adviezen van Bos en Groen en van de gemachtigde ambtenaar (adviezen die niet meegedeeld werden aan verzoekster), wordt het verslag van de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar meegedeeld. Pas hierna volgen de eigenlijke weigeringsmotieven van de bestendige deputatie. Volgende opmerkingen dienen hierbij gemaakt te worden: a. Het is duidelijk dat de bestendige deputatie toepassing heeft gemaakt van een artikel dat nog niet van kracht is (art. 121 DORO). De bestendige deputatie heeft zich kennelijk foutief gebaseerd op de procedure beschreven in art. 121, §

§2, DORO.

In art. 121, DORO wordt vereist dat het verslag opgemaakt wordt in twee delen: een eerste deel betreffende de wettelijke en reglementaire voorschriften en een tweede deel betreffende de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening. Het zijn net deze twee delen die in de bestreden beslissing vermeld worden. Het is dan ook duidelijk dat de bestendige deputatie zich op een regelgeving heeft gebaseerd die nog niet van kracht is. b. De provinciale stedenbouwkundige ambtenaar heeft geen enkele bevoegdheid inzake motivering van het bestreden besluit dat diende gemotiveerd te worden door de bestendige deputatie op grond van art. 53, §3, DORO. c. Op geen enkele manier blijkt uit het bestreden besluit dat de bestendige deputatie zich expliciet aansluit bij het verslag van de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar. d. De weigeringsmotieven, waarvan niet blijkt of ze afzonderlijk dan wel tezamen genomen, hebben geleid tot de weigering, zijn beperkt tot de volgende op pagina 4 van het bestreden besluit opgesomde: i. De aanvraag is voor het grootste gedeelte gesitueerd in bosgebied en is in strijd met de planologische bepalingen voor het bosgebied. ii. De aanvraag is eveneens strijdig met het bosdecreet, daar de uitvoering van de werken gepaard ging met een niet toelaatbare kapping. X-11.906-12/20 iii. De bebouwing van het perceel binnen het woongebied heeft een overdreven bouwdiepte en onoordeelkundige inplanting op de perceelsgrens. iv. De verdere inrichting met verhardingen leidt tot een overdreven terreinbezetting en gebrek aan ingroening. v. De doorgroening van de tuinstrook wordt grondig verstoord en er is een sterke visuele hinder voor de omliggende tuinen. vi. De dynamiek van het bedrijf is te groot voor deze plaats, wat zich uit in een overdreven mobiliteitsdruk en de bijhorende lawaaihinder in de tuinstroken.

  1. Deze weigeringsmotieven zijn zowel feitelijk als juridisch gebrekkig gemotiveerd en tevens feitelijk onjuist. Dit wordt hieronder aangetoond. B DE WEIGERINGSMOTIEVEN ZIJN NIET AFDOENDE GEMOTIVEERD EN FEITELIJK ONJUIST B.1 Algemeen
  2. Dat de Raad van State toezicht houdt op de naleving van de motiveringsplicht staat vast. Ook de vaststelling der feiten en de controle daarop vallen niet buiten de bevoegdheid van de Raad van State. De Raad van State overwoog (...) het volgende: ‘Hij heeft wel tot opdracht aan de hand van de concrete gegevens van de zaak na te gaan of de overheid feiten waarop haar beoordeling steunt correct heeft vastgesteld en/of zij op grond van die feiten in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de te vergunnen bouwwerken de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen.’
  3. Volgende feitelijke elementen zijn onjuist of werden zonder enige concrete feitelijke en Juridische motivering geponeerd: B.2 De aanvraag is voor het grootste gedeelte gesitueerd in bosgebied en is in strijd met de planologische bepalingen voor het bosgebied.
  4. Volgende argumenten worden hiertegen ingebracht: a. Dit weigeringsmotief is niet juridisch gemotiveerd. b. Uit dit motief kan niet worden afgeleid of de bestendige deputatie zich heeft aangesloten bij de overwegingen van de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar in verband met art. 145, bis, DORO. c. De bestendige deputatie geeft niet aan op grond waarvan zij tot de vaststelling komt dat het in casu gaat om bosgebied. Tevens vermeldt zij niet waarop het overige gedeelte van de aanvraag betrekking heeft. Het betreft woongebied. d. De bestendige deputatie geeft niet aan met welke planologische bepalingen de aanvraag dan wel strijdig is. e. In het verleden was het blijkbaar geen probleem om een vergunning te verlenen in bosgebied. Blijkbaar wordt thans het beleid omgegooid. Zulks vereist een extra motivering (...). B.3 De aanvraag is eveneens strijdig met het bosdecreet, daar de uitvoering van de werken gepaard ging met een niet toelaatbare kapping.
  5. Volgende elementen worden hiertegen ingebracht: a. Er wordt niet aangegeven op welke wijze de aanvraag strijdig zou zijn met het bosdecreet. Er wordt geen wettelijke bepaling aangegeven waarop dit weigeringsmotief gesteund is. b. Het feit dat een niet toelaatbare kapping zou gebeurd zijn, wordt niet aangetoond. c. Zelfs indien een niet toelaatbare kapping gebeurd zou zijn, quod non, dan nog valt niet in te zien hoe zulks een grond is tot weigering van een vergunning. Zelfs indien in het verleden een ontoelaatbare kapping gebeurd zou zijn, staat zulks een vergunning niet in de weg. X-11.906-13/20 B.4 De bebouwing van het perceel binnen het woongebied heeft een overdreven bouwdiepte en onoordeelkundige inplanting op de perceelsgrens.
  6. Volgende elementen worden hiertegen ingebracht: a. Er wordt niet concrete toegelicht waarom de bouwdiepte overdreven is en de inplanting onoordeelkundig. b. In het verleden werd de inplanting tot op de perceelsgrens reeds vergund. Als het beleid op dit punt thans gewijzigd wordt is een extra motivering vereist (...). c. De bouwdiepte betreft slechts enkele meters meer dan de vergunde bouwdiepte. B.5 De verdere inrichting met verhardingen leidt tot een overdreven terreinbezetting en gebrek aan ingroening.
  7. Volgende elementen worden hiertegen ingebracht: a. De ingroening had als voorwaarde van de vergunning opgelegd kunnen worden. b. Er wordt niet aangetoond waarom de ingroening niet als voorwaarde opgelegd kon worden. c. Er wordt op geen enkele manier aangetoond dat de terreinbezetting overdreven zou zijn. Er wordt zelfs geen vergelijking gemaakt met omliggende percelen. Zulks is toch een minimumvereiste. B.6 De doorgroening van de tuinstrook wordt grondig verstoord en er is een sterke visuele hinder voor de omliggende tuinen.
  8. Hiertegen worden volgende elementen ingebracht: a. Er wordt niet concrete aangetoond op welke wijze de doorgroening grondig verstoord wordt. b. Er wordt niet aangetoond welke visuele hinder er is voor de omliggende tuinen. Er wordt m.b.t. deze omliggende tuinen geen enkel specifiek gegeven naar voor gebracht. c. Een voldoende doorgroening had als voorwaarde van de vergunning opgelegd kunnen worden. Er wordt nergens aangegeven waarom zulks niet mogelijk zou geweest zijn. B.7 De dynamiek van het bedrijf is te groot voor deze plaats, wat zich uit in een overdreven mobiliteitsdruk en de bijhorende lawaaihinder in de tuinstroken.
  9. Volgende bezwaren worden hiertegen ingebracht: a. Het is merkwaardig dat het bedrijf dat reeds jaren op dezelfde wijze functioneert thans een te grote dynamiek zou vertonen en om deze reden niet vergund zou kunnen worden. b. Nergens wordt concreet gemotiveerd waarom deze dynamiek thans te groot zou zijn. Gezien zulks in het verleden geen probleem was is een extra motivering vereist om aan te tonen dat zulks thans wel problematisch is (...). c. Naar de mobiliteitsdruk en de lawaaihinder werd geen enkele studie gedaan. Hieruit kan geen weigeringsmotief gepuurd worden. V.1.5 Besluit
  10. Om alle voormelde redenen is de bestreden beslissing niet afdoende juridisch en feitelijk gemotiveerd en is zij tevens feitelijk onjuist.
  11. Het middel is gegrond”. X-11.906-14/20 Beoordeling
  12. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepalen dat eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd, dat in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moeten worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat deze afdoende moeten zijn. Artikel 6 van dezelfde wet bepaalt dat deze “slechts van toepassing (is) op de bijzondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorgeschreven, in zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen”. Uit een en ander volgt dat op het stuk van de motiveringsverplichting, de voormelde wet een wet van suppletoire aard is. Artikel 53, § 3 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna : het gecoördineerde decreet) legt aan de deputatie en aan de Vlaamse regering, wanneer zij als orgaan van actief bestuur in beroep uitspraak doen over bouw- en verkavelingsaanvragen, een motiveringsverplichting op die niet minder streng is dan deze voorgeschreven door de voormelde wet. Deze beslissingen vallen derhalve niet onder de toepassing van deze wet. Uit wat voorafgaat volgt dat de ingeroepen schending van de motiveringsverplichting geacht moet worden te zijn afgeleid uit de schending van artikel 53, § 3 van het gecoördineerde decreet. Aan de motiveringsplicht, zoals die ten tijde van het nemen van het bestreden besluit gold op grond van artikel 53, § 3 van het gecoördineerde decreet, is voldaan wanneer de uitspraak over het bouwberoep duidelijk de met de plaatselijke aanleg of ruimtelijke ordening verband houdende redenen opgeeft waarop de overheid haar beslissing steunt, derwijze dat het de aanvrager mogelijk is met kennis van zaken tegen de beslissing op te komen en dat de Raad van State de hem opgedragen wettigheidscontrole kan uitoefenen, dat hij met andere woorden kan nagaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot het bestreden besluit is kunnen komen.
  13. Na uitdrukkelijk te hebben vermeld dat de overwegingen in het verslag van de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar en geciteerd in het bestreden besluit (randnummer 8) worden in acht genomen, worden in het bestreden besluit duidelijk zes met de plaatselijke aanleg of ruimtelijke ordening verband X-11.906-15/20 houdende redenen weergegeven waarop de verwerende partij haar beslissing steunt (randnummer 9). De voormelde redengeving volstaat als een afdoende motivering in de zin van artikel 53, § 3 van het gecoördineerde decreet, temeer daar de overwegingen in het verslag van de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar, in tegenstelling tot wat de verzoekende partij voorhoudt, wel degelijk geacht moeten worden door de verwerende partij tot de hare te zijn gemaakt. Mede in acht genomen deze verkeerde premisse van de verzoekende partij, toont deze laatste niet aan dat de verwerende partij is uitgegaan van gegevens die in rechte of in feite onjuist zijn, dat zij die niet correct heeft beoordeeld, of dat de bestreden beslissing kennelijk onredelijk is.
  14. Het betoog van de verzoekende partij dat niet is voldaan aan de vereiste van de vermelding van de juridische grondslagen waarop de bestreden beslissing is gebaseerd, en meer bepaald haar betoog dat de opsomming van “wetgeving en reglementering” zeer algemeen en weinig concreet is en een stereotiepe standaardopsomming uitmaakt, dat niet wordt aangegeven welke bepalingen van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen, dat de wijziging van dit laatste decreet door het decreet van 21 november 2003 niet eens wordt vermeld, dat niet werd vermeld op grond van welke bepaling de -overigens in eerste administratieve aanleg verleende- adviezen van de afdeling Bos en Groen en de gemachtigde ambtenaar werden verleend en op grond van welke bepaling het -eveneens in eerste aanleg georganiseerde- openbaar onderzoek is gesteund, is niet van aard om tot de nietigverklaring van het bestreden besluit te leiden. Het voorgaande geldt onverminderd voor het betoog van de verzoekende partij dat de bepaling van het bosdecreet niet wordt aangegeven waarop de bestreden beslissing steunt om de strijdigheid van de aanvraag met dit decreet te weerhouden. Het volstaat dat in het bestreden besluit wordt gesteld dat de het uitvoeren van de werken gepaard ging met een niet toelaatbare kapping.
  15. Voorts verzet niets zich ertegen dat de verwerende partij, optredend op grond van artikel 53 van het gecoördineerde decreet, het verslag van de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar in haar beslissing vermeldt en diens bevindingen tot de hare maakt. De verzoekende partij toont in dit verband niet aan dat de verwerende partij, wier eigen motivering uitdrukkelijk in het bestreden besluit wordt vermeld (randnummer 9), de aanvraag niet aan een eigen onderzoek zou hebben onderworpen. X-11.906-16/20
  16. De door de verzoekende partij aangevoerde niet-mededeling van de voormelde, in eerste administratieve aanleg verstrekte adviezen van de afdeling Bos en Groen en de gemachtigde ambtenaar, is evenmin van aard om tot de onwettigheid van het bestreden besluit te leiden, temeer daar de strekking van het eerst vermelde advies in het bestreden besluit wordt weergegeven en het overwegend gedeelte van het advies van de gemachtigde ambtenaar in het beroepen besluit van het college van burgemeester en schepenen van de stad Aarschot, dat de verzoekende partij bekend was, werd overgenomen. Het middel is ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  17. De verzoekende partij roept in een tweede middel de schending in van “het motiveringsbeginsel, zoals in het bijzonder verwoord in art. 53, § 3 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996 (DRO) en art. 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen” en van “art. 53 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996”: “Doordat de procedure van art. 121, §

§2

van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening gevolgd wordt, Terwijl de beroepsprocedure bij de bestendige deputatie verloopt overeenkomstig art. 53 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening. Zodat de in het middel aangehaalde bepalingen geschonden zijn, TOELICHTING BIJ HET MIDDEL

  1. In de bestreden beslissing wordt het verslag van de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar geciteerd. Dit is vreemd, aangezien zulks niet voorzien is in art. 53 van het DRO, op grond waarvan de beroepsprocedure voor de Raad van State gevoerd werd. In art. 53 wordt duidelijk bepaald dat de beslissing van de bestendige deputatie met redenen moet omkleed zijn. De provinciale stedenbouwkundige ambtenaar heeft in deze geen enkele bevoegdheid m.b.t. de motivering.
  2. Het is duidelijk dat de bestendige deputatie zich ten onrechte heeft gebaseerd op het in casu niet toepasselijke art. 121, §

2, DORO. Er werd immers advies gevraagd aan de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar en dit advies werd opgemaakt overeenkomstig de in art 121, §2, DORO bepaalde regels, nl. met in een eerste deel de voor de plaats geldende wettelijke en reglementaire voorschriften die van toepassing zijn op de plaats waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft en in een tweede deel een verslag over de verenigbaarheid van de aanvraag met de onmiddellijke omgeving.

  1. Evenwel is het duidelijk dat het beroep bij de bestendige deputatie ingediend werd op grond van art. 53, DRO en overeenkomstig de in dit artikel bepaalde procedure behandeld diende te worden. Het is dan ook duidelijk dat X-11.906-17/20 de bestendige deputatie zelf een onderzoek diende te verrichten zowel naar de bestaanbaarheid van de aanvraag met de geldende planvoorschriften als naar de verenigbaarheid van de aanvraag met de onmiddellijke omgeving. Nergens uit de bestreden beslissing blijkt echter dat de bestendige deputatie zich de motivering van de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar heeft eigen gemaakt, noch dat zij een eigen onderzoek heeft verricht naar de bestaanbaarheid en verenigbaarheid van de aanvraag. De beslissing is dan ook niet door de bestendige deputatie met redenen omkleed, zoals art. 53 DRO nochtans vereist.
  2. Het middel is gegrond”. Beoordeling
  3. Om de redenen vermeld onder het randnummers 17 en 20 bij de beoordeling van het eerste middel, kan het middel niet worden aangenomen. Het middel is ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  4. De verzoekende partij roept in een derde middel de schending in van “het motiveringsbeginsel, zoals in het bijzonder verwoord in art. 53, § 3 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996 (DRO) en art. 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen alsmede van het zorgvuldigheidsbeginsel, het continuïteitsbeginsel en het vertrouwensbeginsel”: “Doordat de bestreden beslissing noch in feite, noch in rechte afdoende gemotiveerd is, Terwijl elke beslissing met individuele draagwijdte formeel en afdoende moet gemotiveerd zijn, en extra moet gemotiveerd zijn indien een beslissing genomen wordt welke ingaat tegen een eerder gevoerd beleid, Zodat de in het middel aangehaalde bepalingen geschonden zijn, TOELICHTING BIJ HET MIDDEL
  5. Indien een vergunning geweigerd wordt, terwijl in het verleden voor dezelfde of gelijkaardige werken een vergunning werd verleend, vereist zulks een extra motivering. Uit de rechtspraak van de Raad van State blijkt dat een overheid die een bepaalde beleidslijn heeft aangehouden, daarvan niet zomaar kan afwijken. Een afwijking moet op aanvaardbare motieven gesteund zijn. Zulks wordt vereist door het continuïteitsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.
  6. Het vertrouwensbeginsel houdt in dat de burger moet kunnen betrouwen op een vaste gedragslijn van de overheid, of op toezeggingen of beloften die de overheid in een concreet geval heeft gedaan. In casu is het duidelijk dat in het verleden op het betrokken perceel, ook in bosgebied, vergunningen verleend werden. In het verleden werd zelfs een gebouw vergund op het betrokken X-11.906-18/20 perceel dat qua volume groter is dan het gebouw waarvan de regularisatie gevraagd werd. Gezien deze in het verleden verleende vergunningen, waarbij dezelfde problematieken als in de thans bestreden beslissing aan de orde waren, is thans een extra motivering vereist om de vergunning te weigeren. De motivering is dan ook gebrekkig. Volgende punten moesten dan ook uitvoerig gemotiveerd worden: a. Waarom er sprake zou zijn van een onoordeelkundige inplanting op de perceelsgrens, terwijl zulks in het verleden reeds vergund werd b. Waarom er een sterke visuele hinder zou zijn voor de omliggende tuinen, terwijl zulks in het verleden geen probleem bleek te zijn; c. Waarom de dynamiek van het bedrijf te groot zou zijn voor deze plaats, terwijl zulks in het verleden geen weigeringsmotief was. Nochtans functioneert het bedrijf reeds jaren op dezelfde wijze.
  7. Het is dan ook duidelijk dat nauwelijks enkele jaren voordien andere maatstaven werden gehanteerd als in de thans bestreden beslissing. Hiervoor wordt geen enkele motivering gegeven. Zulks is strijdig met art. 53, §3, DRO, met de motiveringsverplichting in combinatie met het continuïteitsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.
  8. Het middel is gegrond”. Beoordeling
  9. Het betoog van de verzoekende partij, als zou de verwerende partij in het verleden een bepaalde beleidslijn hebben aangehouden, waarvan zij met het bestreden besluit zou afwijken, wordt niet aangetoond. Het middel is ongegrond. BESLISSING
  10. De Raad van State verwerpt het beroep.
  11. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro, elk voor de helft. X-11.906-19/20 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vier februari 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, met bijstand van Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Roger Stevens X-11.906-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.484 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.