← België

Arrest 200558 - Energie - 08/02/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.558 Rolnummer: Zaak: Arrest 200558 - Energie - 08/02/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-18 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-02 08:42 Fiche Arrest nr 200.558 van 8 februari 2010 Economische zaken - Energie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 200.558 van 8 februari 2010 in de zaak A. I. 179.486/IX-5510 A. II. 181.251/IX-5572 In zake : I. + II. de NV GREEN EARTH ENERGY bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michael Verstraeten kantoor houdend te Gent Beelbroekstraat 60 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : I. + II. de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën Tussenkomende partijen : I. + II.

  1. de NV BIOWANZE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk De Keuster kantoor houdend te Antwerpen Lange Lozanastraat 270 bij wie woonplaats wordt gekozen
  2. de NV ALCO BIO FUEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Deltour kantoor houdend te Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen II.
  3. de NV TATE & LYLE EUROPE, thans de NV SYRAL BELGIUM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Yves Tavernier en Wim Vandenberghe kantoor houdend te Brussel Louizalaan 106 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- IX-5510-1/14 I. Voorwerp van het beroep
  4. Het beroep, ingesteld op 18 december 2006, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 17 oktober 2006 van de Ministerraad betreffende de voorstellen van de commissie tot erkenning van biobrandstoffen in het kader van de wet van 10 juni 2006 betreffende de biobrandstoffen (de zaak A. 179.486/IX-5510). Het beroep, ingesteld op 22 februari 2007, strekt tot de nietigver- klaring van de beslissingen van 20 oktober 2006 van de Federale Overheidsdienst Financiën, administratie der douane en accijnzen, waarbij de NV BIOWANZE, de NV ALCO BIO FUEL en de NV TATE & LYLE EUROPE, worden erkend als productie-eenheid voor de productie van bio-ethanol voor een totaal volume van respectievelijk 750.000.000 liter, 543.500.000 liter en 192.000.000 liter (de zaak A.181.251/IX-5572). II. Verloop van de rechtspleging
  5. Bij arrest nr. 171.849 van 6 juni 2007 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen verworpen. De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft in beide zaken een afzonderlijke memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partijen hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomsten zijn toegestaan bij beschikking van 24 september
  6. De tussenkomende partijen hebben een memorie ingediend. Adjunct-auditeur Ines Martens heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomen- de partijen hebben een laatste memorie ingediend. IX-5510-2/14 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 november
  7. Staatsraad Daniël Moons heeft verslag uitgebracht. Inspecteur Jan De Vleeschouwer, die verschijnt voor de verwerende partij, advocaat Michaël Van Den Spiegel, die loco advocaat Dirk De Keuster verschijnt voor de eerste tussenkomende partij, advocaat Tim Van Cauter, die loco advocaat Bernard Deltour verschijnt voor de tweede tussenkomende partij, en advocaat Wim Vandenberghe, die verschijnt voor de derde tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  8. III. Feiten en de toepasselijke reglementering 3.
  9. Bij artikel 2, § 1, van de wet van 10 juni 2006 betreffende de biobrandstoffen zijn een aantal wijzigingen aangebracht in artikel 419 van de programmawet van 27 december
  10. Het gewijzigde artikel 419, b) en c), voorziet in gewone tarieven inzake accijnzen voor onvermengde ongelode benzine en in verlaagde tarieven inzake accijnzen voor ongelode benzine die is aangevuld met een bepaalde hoeveelheid bio-ethanol, een biobrandstof. Andere bepalingen van het gewijzigde artikel 419 hebben betrekking op de tarieven inzake accijnzen voor diesel, al dan niet aangevuld met een bepaalde hoeveelheid “FAME” (“fatty acid methyl ester”); die bepalingen kunnen te dezen buiten beschouwing blijven. De verlaagde tarieven zijn volgens artikel 3 van de wet van 10 juni 2006 enkel “van toepassing op de energieproducten waarop ze betrekking hebben waarvan het percentage biobrandstof dat zij bevatten exclusief voortkomt van productie-eenheden die werden erkend door de administratie der douane en accijnzen na aanwijzing door de Commissie tot erkenning, en na het akkoord van IX-5510-3/14 de Ministerraad, op basis van een procedure tot oproep van kandidaten, gepubli- ceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie”. Artikel 4, § 1, van de wet van 10 juni 2006 bepaalt dat de Commissie tot erkenning van biobrandstoffen (hierna : de Commissie) is samen- gesteld uit vier ambtenaren, respectievelijk aangeduid door de federale minister van Financiën, de federale minister van Leefmilieu, de federale minister van Economie en de federale minister van Landbouw. Volgens artikel 4, § 2, tweede streepje, stelt de Commissie het “handboek” op, bestemd voor de operatoren die zich kandidaat hebben gesteld (lees : die zich kandidaat stellen). Volgens artikel 4, § 2, derde streepje, selecteert de Commissie de operatoren die aanspraak kunnen maken op een erkenning, stelt ze die operatoren aan de Ministerraad voor, en kent ze hen een volume biobrandstof toe dat de vrijstelling bij de inverbruikstelling ervan in België kan genieten. Artikel 4, § 5, stelt de totale maximale volumes bio-ethanol en FAME vast, waarvoor de erkenningen toegekend worden. Artikel 5 van de wet van 10 juni 2006 somt de gegevens op die het dossier tot kandidaatstelling moet bevatten. Artikel 5, d, voorziet aldus onder meer in de verplichting voor de kandidaten om een nota in te dienen betreffende de CO2- balans per liter geproduceerde biobrandstof. Artikel 6, § 1, van de wet van 10 juni 2006 bevat een opsomming van negen criteria, op basis waarvan de operatoren die een regelmatige kandidaat- stelling hebben ingediend worden geselecteerd. Artikel 6, § 2, bepaalt hoe het klassement op basis van de genoemde criteria tot stand komt. Artikel 6, § 3, bepaalt dat het volume biobrandstof dat de vrijstelling van accijnzen bij de inverbruik- stelling in België kan genieten, “wordt toegekend aan minstens twee operatoren zonder vier operatoren te overschrijden”. 3.
  11. Voor de erkenning van productie-eenheden voor de productie van bio-ethanol wordt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen een oproep bekendgemaakt die betrekking heeft op de periode van 1 oktober 2007 tot 30 september
  12. 3.
  13. Met een brief van 18 augustus 2006 stelt de verzoekende partij zich kandidaat voor een erkenning als productie-eenheid van bio-ethanol. IX-5510-4/14 3.
  14. Met een nota van 10 oktober 2006 formuleert de voorzitter van de Commissie tot erkenning aan de bevoegde minister het voorstel van die Commissie en vraagt hij deze nota voor te leggen aan de ministerraad. Deze nota luidt onder meer als volgt: “
  15. Methodologisch is van elk dossier een samenvatting gemaakt onder de vorm van een individuele fiche die de parameters inzake ontvankelijkheid vaststelt en die de verschillende criteria, voorzien in de artikelen 5 en 6 van de wet, weegt die moeten leiden tot het selecteren van de kandidaten. Behalve voor de kandidaten waarvan het dossier onontvankelijk werd bevonden, werd een klassement opgesteld overeenkomstig artikel 6, § 2 van de wet en werden drie klassementstabellen opgesteld, onder de vorm van samenvattende fiches. In het geval dat de kandidaten geen identiek klassement hebben gekregen in de drie tabellen, werden de onderscheiden kandidaten die een identiek klassement hebben gekregen in één of twee tabellen uiteindelijk geklasseerd, in functie van hun totale weging in deze of meerdere tabellen.
  16. Overeenkomstig artikel 6, § 3 van de wet wordt het volume biobrandstof dat kan genieten van de vrijstelling van accijnzen bij de inverbruikstelling in België toegekend aan minstens twee operatoren zonder vier operatoren te overschrijden. De Commissie tot erkenning heeft dan ook de vier kandidaten in aanmerking genomen die het best geklasseerd zijn en heeft onderzocht of de volumes die hen kunnen worden toegekend overeenstemmen met hun aanvragen. Deze volumes worden proportioneel berekend aan de hand van de door de operatoren gevraagde minimumvolumes.
  17. Bepaalde kandidaten hebben aangeduid dat zij niet in staat zijn om biobrandstof te produceren op de datum aangeduid als begin van de perioden van de verdeling van de volumes, hetgeen betekent dat op die data alleen de maatregel houdende verhoging van de accijns op de fossiele brandstoffen uitwerking krijgt. De Commissie tot erkenning heeft geoordeeld dat de beslissing over de eventuele uitsluiting van de kandidaten die niet kunnen produceren vanaf het begin van de periodes van de verdeling van de volumes aan het oordeel van de Ministerraad kan worden overgelaten. Zij heeft dan ook, per aankondiging van een opdracht, twee lijsten van geselecteerde kandidaten opgesteld, een eerste lijst waarbij geen rekening wordt gehouden met de datum van de mogelijkheid om te produceren en een tweede lijst waarbij dat element wel in aanmerking werd genomen.
  18. Rekening houdende met de hiervoren gemaakte opmerkingen, stelt de Commissie tot erkenning, bij toepassing van artikel 4, § 2, 3de streepje van de wet, aan de Ministerraad, met unanimiteit, voor dat de hierna genoemde operatoren aanspraak kunnen maken op een erkenning met toekenning van de vermelde volumes uitgedrukt in liter: Bio-ethanol (...) a. Lijst 1 (zonder rekening te houden met de datum van het operationeel zijn) IX-5510-5/14 operatoren periode 1* periode 2* periode 3* Totaal BioWanze S.A. 23.968.075 124.833.721 93.625.291 741.761.973 (Wanze) Alco Bio Fuel 15.978.652 83.222.148 62.416.611 494.506.004 N.V. (Gent) Tate & Lyle 6.135.827 31.957.433 23.968.075 189.891.065 Europe N.V. (Aalst) Green Earth 1.917.446 9.986.698 7.490.023 59.340.958 Energy N.V. (Gent) Totaal: 48.000.000 250.000.000 187.500.000 1.485.500.000 Er wordt opgemerkt dat de voorgestelde volumes 1,09 % lager zijn dan de minimumvolumes gevraagd door de betrokken operatoren. Rekening houdend met het feit dat dit cijfer beperkt is, heeft de Commissie geoordeeld dat dit element geen belemmering hoeft te vormen voor de toekenning. b. Lijst 2 (rekening houdend met de datum van het operationeel zijn) operatoren periode 1* periode 2* periode 3* Totaal BioWanze S.A. 35.294.118 183.823.529 137.867.647 1.092.279.412 (Wanze) Green Earth 2.823.529 14.705.882 11.029.412 87.382.353 Energy N.V. (Gent) Cristanol 7.058.824 36.764.706 27.573.529 218.455.882 (Bazancourt - F) Alter EnergyS.A. 2.823.529 14.705.882 11.029.412 87.382.353 (Mons) Totaal: 48.000.000 250.000.000 187.500.000 1.485.500.000 * Periode 1: van 1 oktober 2007 tot 31 december 2007 * Periode 2: jaarlijkse hoeveelheid voor de jaren 2008 tot 2012 * Periode 3: van 1 januari 2013 tot 30 september 2013 ”. 3.
  19. Op 17 oktober 2006 beslist de ministerraad wat volgt: “Voor de bio-ethanol (...) wordt het voorstel onder lijst 1 (zonder inachtne- ming van de datum van operationaliteit) van genoemde nota van 10 oktober 2006 goedgekeurd, mits volgende aanpassingen : Bio Wanze 750.000.000 liter Alco Bio Fuel 543.500.000 liter Tate & Lyle 192.000.000 liter Totaal 1.485.500.000 liter Aangezien de initiële voorstellen van de Commissie niet tegemoet komen aan het gevraagde minimumvolume van geen enkele van de vier voorgestelde operatoren, wordt het voor de vierde potentiële kandidaat bestemde deel rechtvaardig verdeeld onder de drie eerste, zowel in verhouding tot het IX-5510-6/14 minimumvolume als tot het maximumvolume die in hun respectieve offertes staan vermeld.” Dit is de bestreden beslissing in de zaak A.179.486/IX-
  20. 3.
  21. Met brieven van 20 oktober 2006 worden de SA Biowanze, de NV Alco Bio Fuel en de NV Tate & Lyle Europe ervan in kennis gesteld dat zij voor de periode van 1 oktober 2007 tot en met 30 september 2013 erkend zijn als productie- eenheid van bio-ethanol en dit voor een totaal volume van respectievelijk 750.000.000 liter, 543.500.000 liter en 192.000.000 liter. Dit zijn de bestreden beslissingen in de zaak A.181.251/IX-
  22. De verzoekende partij wordt door de verwerende partij met een brief van dezelfde datum op de hoogte gebracht dat haar aanvraag tot erkenning is afgewezen. In deze brief van 20 oktober 2006 wordt vermeld dat tegen de afwijzende beslissing een beroep openstaat bij de Raad van State. 3.
  23. Op diezelfde datum (20 oktober 2006) schrijft de raadsman van de verzoekende partij aan de verwerende partij een brief waarin hij stelt dat de verzoekende partij via de pers vernomen heeft dat de toekenning van de opdracht is gebeurd aan drie andere operatoren. De raadsman schrijft letterlijk het volgende: “Via de pers mochten wij gisteren (dus op 19 oktober 2006) vernemen dat de toekenning is gebeurd aan drie andere operatoren”. Hij vraagt om de gemotiveerde beslissing te ontvangen, de motieven die aan de beslissing ten grondslag liggen, het volledig dossier van aanbesteding van zijn cliënte en van de erkende operatoren, de notulen van de ministerraad van 13 oktober 2006 en het advies van de erkenningscommissie. 3.
  24. Met een brief van 30 oktober 2006 herhaalt de raadsman van de verzoekende partij zijn verzoek tot mededeling van de gevraagde documenten. Bij die brief voegt hij een kopie van een andere brief waarmee hij aan de verwerende partij een krantenartikel toestuurde betreffende de derde tussenkomende partij. Die brief, daterend van 26 oktober 2006, bevat de vermelding dat “Mijn cliënte mocht IX-5510-7/14 vernemen uit de krant dat Tate & Lyle de toekenning heeft gekregen om accijnsvrij bio-ethanol te produceren”. 3.
  25. Met een brief van 30 oktober 2006 maakt de directeur-generaal van de administratie der douane en accijnzen aan de verzoekende partij een kopie over van de notificatie van de beslissing van de Ministerraad van 17 oktober 2006, van het advies van de Commissie tot erkenning en van het volledige aanbestedings- dossier van de verzoekende partij. IV. Ontvankelijkheid van het beroep A. De zaak A. 181.251/IX-5572 4.
  26. De verwerende partij en de tussenkomende partijen werpen op dat het beroep tegen de bestreden erkenningen laattijdig is ingesteld. Zij meent dat de verzoekende partij reeds naar aanleiding van de brief van 20 oktober 2006 waarmee haar kandidatuur werd afgewezen, wist dat aan andere producenten de erkenning was verleend. Bovendien stelt de verwerende partij de lijst van de erkende producenten te hebben publiek gemaakt en dat uit een persbericht van 15 november 2006 blijkt dat de verzoekende partij kennis had van deze bekendmaking. De erkende producenten beslissen dat de juiste identiteit van de kandidaten die de erkenning hebben bekomen niet relevant is om de bestreden beslissingen van 20 oktober 2006 aan te vechten. 4.
  27. De verzoekende partij repliceert dat de bestreden erkenningen haar pas ter kennis zijn gebracht bij fax van 19 februari 2007 en dat het houden van een persconferentie door de Belgische Staat niet kan gelden als een publicatie die te haren aanzien de beroepstermijn doet lopen. Evenmin begint de beroepstermijn volgens haar te lopen op het ogenblik dat een persbericht verschijnt waarin niet nader wordt gepreciseerd welke de exacte identiteit is van de erkende kandidaten en wat de exacte motieven en modaliteiten zijn van die beslissing. Zij is van mening dat een vermoeden op grond van persberichten niet volstaat om een annulatieberoep in te dienen en dat slechts na kennisname van de bestreden beslissingen zelf voldoende zekerheid bestaat omtrent de inhoud en de draagwijdte van die beslissingen. Zij wijst voorts op de gebrekkige mededeling van stukken door de staat IX-5510-8/14 ingevolge haar brief van 20 oktober 2006 waarin zij de mededeling vroeg van het volledige dossier van de erkenning van de andere operatoren. De verzoekende partij besluit dat de termijn om een annulatiebe- roep in te dienen slechts begon te lopen op het ogenblik dat zij kennis kreeg van de precieze identiteit van de operatoren, de exacte motieven van de bestreden beslissingen en de modaliteiten ervan. Dit is pas gebeurd op 19 februari 2007, toen de verzoekende partij per fax de bestreden beslissingen ontving. Volgens de verzoekende partij werd het beroep dat op 22 februari 2007 werd ingediend, tijdig ingesteld. De verzoekende partij preciseert in dit verband dat zij onvoldoen- de kennis had van het bestaan, de aard en de draagwijdte van de bestreden erkenningen, aangezien verschillende passages in de haar toegezonden documenten met zwarte stift onleesbaar waren gemaakt, waardoor zij niet werd ingelicht betreffende een aantal motieven, de contingenten en de modaliteiten van de erkenningen, waaronder de overdraagbaarheid van de hoeveelheden, noch over de identiteit van de derden. Zij is van mening dat het achteraf interpreteren van de inhoud van deze documenten eenvoudig is, maar dat op het ogenblik van de kennisname ervan, de schrapping van alle passages met betrekking tot derden niet toeliet de draagwijdte ervan in te schatten. Wat haar kennisname via de pers op 19 oktober 2006 betreft van de erkenning van drie andere kandidaten, argumenteert zij dat het algemeen bekend is dat de pers niet altijd accuraat is en dat zij zich dan ook verder heeft willen informeren door de aanbestedingsdossiers van de andere kandidaten op te vragen. Zij betoogt dat een verwijzing naar de pers niet aantoont dat zij kennis had van de identiteit van de weerhouden kandidaten, zelfs de verwijzing in haar brief van 26 oktober 2006 naar de derde tussenkomende partij volstaat niet, nu er in de kruispuntbank van ondernemingen negen vennootschappen ingeschreven zijn onder de naam “Tate & Lyle”. Voorts betwist zij de laattijdigheid van het beroep, daar enkel uit de lezing van de bestreden erkenningen blijkt dat bij overschrijding van het volume dat betrekking heeft op een bepaalde periode het saldo wordt overgedragen naar de volgende periode, modaliteit die volgens haar de wet schendt en op welke schending IX-5510-9/14 zij dan ook niet haar beroep zou hebben kunnen steunen indien zij dit vóór 19 februari 2007 zou hebben moeten instellen. Beoordeling 4.3.
  28. Overeenkomstig artikel 3 van de wet van 10 juni 2006 betreffende de biobrandstoffen wordt over de erkenning van de productie-eenheden die biobrandstoffen mogen produceren die aanleiding geven tot verlaagde tarieven inzake accijnzen wanneer energieproducten voor een bepaald percentage die biobrandstoffen bevatten, beslist “door de administratie der douane en accijnzen na aanwijzing door de Commissie tot erkenning, en na het akkoord van de Minister- raad, op basis van een procedure tot oproeping van kandidaten, gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie”. Waar het advies van de Commissie een voorbereidende handeling is, vormt de beslissing van de administratie der douane en accijnzen de eindbeslissing die voor vernietiging vatbaar is. Ook de beslissing van de Ministerraad is voor annulatie vatbaar, wanneer zij griefhoudend is voor de verzoeker. 4.3.
  29. Te dezen dienden de bestreden erkenningen noch bekendgemaakt, noch aan derden betekend te worden, zodat krachtens artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de beroepstermijn van zestig dagen ingaat met de dag waarop de verzoekende partij er kennis van had of geacht moest worden er kennis van te hebben. Opdat de termijn voor een derde zou beginnen lopen vanaf het ogenblik dat hij feitelijk kennis heeft van een erkenning, is enkel vereist dat die derde een voldoende kennis heeft van het bestaan, de aard en de draagwijdte van de erkenning, niet dat hij op dat ogenblik kennis heeft van de precieze inhoud ervan, noch van het griefhoudend karakter ervan, noch van alle mogelijke onwettigheden die er zouden aan kleven. De beroepstermijn is voldoende ruim om een verzoeker toe te laten verder kennis te nemen van de volledige inhoud van de bestreden beslissingen om met voldoende kennis van zaken een beroep in te stellen. IX-5510-10/14 Bovendien kan hij zijn verzoekschrift in de loop van de rechtspleging aanvullen met nieuwe middelen indien hij die pas uit het administra- tief dossier kon puren. De verwerende partij voert aan dat zij de lijst van de erkende producenten heeft bekendgemaakt. Dit betwist de verzoekende partij niet. Uit de samenlezing van de brief van de raadsman van de verzoekende partij van 20 oktober 2006, met de brief van dezelfde datum van de Administratie der Douane en Accijnzen blijkt dat de verzoekende partij op 20 oktober 2006 wist dat de toekenning van de opdracht is gebeurd aan drie andere operatoren, zijnde de thans tussenkomende partijen. In zijn brief van 20 oktober 2006 preciseert de raadsman van de verzoekende partij immers wat volgt: “Via de pers mochten wij gisteren (dus op 19 oktober 2006) vernemen dat de toekenning van de opdracht is gebeurd aan 3 andere operatoren.” Het staat bijgevolg vast dat de verzoekende partij op 19 oktober 2006 wist dat zij het voorwerp uitmaakte van een weigeringsbeslissing. Bovendien blijkt uit het administratief dossier dat met een krantenbericht van 16 november 2006 de verzoekende partij in de pers bekend maakte dat zij een klacht zou indienen bij de Raad van State. In datzelfde krantenbericht leest men dat: “De federale regering vorige week de lijst bekend maakte van bedrijven die accijnsvrije bio-brandstoffen mogen produceren.” Uit wat voorafgaat volgt dat de Raad van State het aannemelijk acht dat de verzoekende partij uiterlijk op 15 november 2006, kennis had of behoorde te hebben van de formele erkenning van de drie operatoren door de Administratie der Douane en Accijnzen, alsook van hun identiteit. Aldus had zij ten laatste op dat ogenblik een voldoende en zekere kennis van het bestaan, de aard en de draagwijdte van de bestreden beslissingen. IX-5510-11/14 4.3.
  30. Het beroep in de zaak A. 181.251/IX-5572 is onontvankelijk ratione temporis en de exceptie van de verwerende partij is gegrond. B. De zaak A. 179.486/IX-5510 5.
  31. De verwerende partij werpt op dat de verzoekende partij geen belang heeft bij het bestrijden van de beslissing van 17 oktober 2006 van de Ministerraad, nu de erkenning door de administratie der douane en accijnzen van de drie andere operatoren blijft bestaan en verder uitwerking heeft. 5.
  32. De verzoekende partij repliceert dat zij de erkenning van de andere operatoren bestrijdt in de zaak A. 181.251/IX-
  33. Voorts stelt zij dat wanneer haar vijfde middel, waarin zij de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet aanvoert, gegrond zal worden verklaard, meteen zal komen vast te staan dat het contingenteren van bio-ethanol ten voordele van een beperkt aantal producenten onwettig is. Dit zal er volgens haar toe leiden dat naast de drie uitverkoren kandidaten ook andere producenten, zoals zij, erkend zullen worden om bio-ethanol op de markt te brengen. Beoordeling 5.3.
  34. Wat het beroep tot nietigverklaring gericht tegen de beslissing van 17 oktober 2006 van de Ministerraad betreft, is de verzoekende partij in haar laatste memorie van oordeel dat in het auditoraatsverslag ten onrechte bij wege van exceptie tot de niet-ontvankelijkheid van het beroep wegens gebrek aan belang wordt besloten. De verzoekende partij argumenteert dat, zelfs indien de individuele toekenningsbeslissingen voor de productie van bio-ethanol niet meer zouden kunnen worden aangevochten wegens laattijdigheid, zij toch nog haar belang behoudt bij de aanvechting van de beslissing van de Ministerraad omdat, indien deze beslissing vernietigd zou worden op grond van een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet (vijfde middel), zal blijken dat het contingenteren van bio-ethanol ten voordele van een beperkt aantal partijen onwettig is. In dat geval zouden meer partijen dan de drie uitverkorenen op de markt kunnen komen met bio-ethanol. IX-5510-12/14 In haar verzoekschrift had de verzoekende partij in haar vijfde middel gevraagd om aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen over de grondwettigheid van artikel 6, § 3, van de wet van 10 juni 2006 betreffende de biobrandstoffen, waar in deze bepalingen is voorzien dat het recht om met accijnsvermindering bio-ethanol te produceren bestemd voor de vermenging met brandstoffen op de Belgische markt, wordt beperkt tot twee en maximum vier deelnemers. Zelfs in het geval het Grondwettelijk Hof zou oordelen dat die beperking ongrondwettig is, wordt vastgesteld dat de drie individuele erkennings- beslissingen niet tijdig werden aangevochten, zodat deze definitief zijn geworden. Door deze drie erkenningsbeslissingen werd het wettelijk maximaal toe te bedelen volume (1.485.500.000 liter) reeds verdeeld. Zelfs indien zou blijken dat de toekenning aldus niet beperkt mag worden tot vier deelnemers, zullen er geen bijkomende deelnemers kunnen erkend worden, aangezien het wettelijk toe te bedelen volume werd bereikt. 5.3.
  35. Bovendien blijkt de verzoekende partij ook geen belang te hebben bij het middel waarbij zij van oordeel is dat de beperking van het aantal deelnemers tot vier, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zou schenden, nu de verzoekende partij zelf als vierde kandidaat was geselecteerd. Het feit dat de verzoekende partij niet werd erkend was geen gevolg van het beperken van het aantal deelnemers tot vier, maar van de wettelijke beperking van het toe te kennen volume tot 1.485.500.000 liter, vastgelegd in artikel 4, § 5, van de wet van 10 juni 2006 betreffende de biobrandstoffen en het feit dat de eerste drie geselecteerde kandidaten een minimumvolume vroegen, waardoor het wettelijk te verdelen volume reeds was uitgeput door de tussenkomende partijen. 5.3.
  36. Bijgevolg doet de verzoekende partij niet langer blijken van het rechtens vereiste belang in de zaak 179.486/IX-
  37. Dienvolgens is het beroep niet ontvankelijk en is de exceptie gegrond. IX-5510-13/14 BESLISSING
  38. De Raad van State verwerpt het beroep.
  39. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vorderingen tot schorsing en van de beroepen tot nietigverklaring, begroot op 700 euro. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 625 euro, elk voor hun deel. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 8 februari 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-5510-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.558 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.