id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.559 Rolnummer: A. 175034/IX-5376 Zaak: Arrest 200559 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 08/02/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-18 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-07-02 08:42 Fiche Arrest nr 200.559 van 8 februari 2010 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. IXe KAMER nr. 200.559 van 8 februari 2010 in de zaak A. 175.034/IX-5376 In zake : Yves DECEUNINCK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nathalie De Clercq kantoor houdend te Brugge Gerard Davidstraat 46 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Butenaerts kantoor houdend te Brussel Leopold II-laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 18 juli 2006, strekt tot de nietigverklaring van : - de beslissing van 29 april 2005 van het bestuur van Veiligheid van de Staat, waarbij aan de verzoeker het verlof voor opdracht van algemeen belang werd geweigerd. - de beslissing van 8 februari 2005 van de Minister van Justitie, waarbij aan de verzoeker het verlof voor opdracht van algemeen belang werd geweigerd. - het koninklijk besluit van 16 maart 2006, waarbij de verzoeker vanaf 29 april 2005 ontheven wordt uit zijn functie van commissaris bij het Bestuur van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-5376-1/23 Adjunct-auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld. De verzoeker en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 oktober
- Staatsraad Daniël Moons heeft verslag uitgebracht. Advocaat Nathalie De Clercq, die verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Stijn Butenaerts, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Melissa Celis heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoeker is met ingang van 1 februari 2002 benoemd in de graad van commissaris van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat. 3.
- Bij ministerieel besluit van 16 mei 2002 wordt aan de verzoeker een afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden toegekend voor een periode van twee jaar ingaande op 1 mei
- Deze afwezigheid wordt niet vergoed en de verzoeker bevindt zich in de administratieve stand non-activiteit. Hij mag tijdens dit verlof een bezoldigde activiteit uitoefenen op voorwaarde dat deze activiteit verenigbaar is met zijn functies. 3.
- Met een brief van 12 december 2003 wordt de verzoeker door de Veiligheid van de Staat gevraagd mee te delen of hij reeds vast benoemd is in zijn nieuwe functie bij de Raad van de Europese Unie, omdat deze tweede benoeming in vast dienstverband een einde zou stellen aan zijn functies bij de Veiligheid van de Staat. IX-5376-2/23 3.
- Met een brief van 25 maart 2004 vraagt de verzoeker aan de Veiligheid van de Staat verlof aan voor opdracht van algemeen belang voor een periode van twee jaar ingaande op 1 mei
- Met een brief van 20 april 2004 antwoordt de administrateur- generaal van de Veiligheid van de Staat dat enkel de ambtenaar die zich in dienstactiviteit bevindt verlof voor opdracht kan krijgen overeenkomstig artikel 102 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel (hierna: het koninklijk besluit van 2 oktober 1937) en dat de verzoeker zich in de administratieve stand non-activiteit bevindt. Met een brief van 29 april 2004 geeft de minister van Ambtena- renzaken nadere toelichting met betrekking tot het verlof voor opdracht. De minister stelt dat de ambtenaar zich tijdens de afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden in de administratieve stand non-activiteit bevindt, dat een tweede vaste benoeming in vast dienstverband in een andere overheidsdienst - wat dient te worden begrepen als een nationale overheidsdienst en niet in een internationale organisatie- tot ambtsneerlegging aanleiding geeft en dat een geldige aanvraag tot het bekomen van een opdracht voor algemeen belang slechts kan worden ingediend indien de ambtenaar zich in de administratieve stand dienstactivi- teit bevindt. Voorts wijst de minister erop dat iedere minister, met instemming van de betrokkene, een ambtenaar die onder hem ressorteert met de uitvoering van een opdracht kan belasten, dat het verlof voor opdracht voor de niet in artikel 105, § 1, van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en de afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen (hierna: het koninklijk besluit van 19 november 1998), bedoelde internationale opdrachten kan worden toegestaan door de minister onder wie de ambtenaar ressorteert en dat de minister tevens het karakter van algemeen belang kan erkennen indien de opdracht geacht wordt van overwegend belang te zijn hetzij voor het land, hetzij voor de federale regering of de federale administratie. Dit schrijven van de minister wordt aan de verzoeker overgemaakt met een brief van 3 mei
- 3.
- Met een brief van 16 juni 2004, ditmaal gericht aan de minister van Justitie, vraagt de verzoeker verlof voor opdracht van algemeen belang voor een IX-5376-3/23 periode van twee jaar, ingaande op 15 augustus
- De verzoeker beschrijft hierin bondig zijn specifieke functie bij de Raad van de Europese Unie. Met een brief van 22 juli 2004 antwoordt de minister van Justitie op basis van de haar overgemaakte gegevens niet in de mogelijkheid te zijn te oordelen of de huidige functie van de verzoeker kan worden gekwalificeerd als een opdracht van algemeen belang in de zin van artikel 105, § 2, van voornoemd koninklijk besluit van 19 november
- De minister wijst er tevens op dat de verzoeker, in afwachting van haar beslissing, zijn functie bij de Veiligheid van de Staat dient te hervatten, daar zijn afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden voor een periode van twee jaar verstreken is. 3.
- Per e-mail maakt de verzoeker op 28 juli 2004 bijkomende informatie over in verband met zijn verzoek tot verlof voor opdracht. Dit betreft een meer uitgebreide beschrijving van zijn functie en een nota van de Raad van de Europese Unie met betrekking tot het inspectieprogramma voor
- Met een e-mail van 3 augustus 2004 wordt de verzoeker gevraagd zijn functiebeschrijving mee te delen en te preciseren of hij al dan niet vast benoemd is. Met een brief van 19 oktober 2004, gericht aan de administrateur- generaal van de Veiligheid van de Staat, maakt de verzoeker een verklaring over van het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie, waaruit blijkt dat hij thans ambtenaar in vaste dienst is. 3.
- Met een brief van 3 december 2004 meldt de minister van Justitie aan de verzoeker dat hij nog steeds zijn functie bij de Veiligheid van de Staat niet heeft hervat en vraagt zij verduidelijking in verband met het statuut van de verzoeker en meer bepaald of de verzoeker dient te worden beschouwd als volwaardig ambtenaar bij de Raad van de Europese Unie. Met een brief van 14 januari 2005 maakt de verzoeker de informatie in verband met zijn huidige functie bij de Raad van de Europese Unie over aan de minister van Justitie en verwijst hij voor zijn juridisch statuut naar de brief van de minister van Ambtenarenzaken. IX-5376-4/23 3.
- Met een brief, vermoedelijk van 8 februari 2005, stelt de minister van Justitie nog steeds niet in de mogelijkheid te zijn het juridisch statuut van de verzoeker te beoordelen. Zij verwijst naar haar schrijven van 3 december 2004 en voegt daaraan toe dat zij verzoekers brief van 14 januari 2005 betreffende zijn aanvraag tot verlof voor opdracht goed heeft ontvangen. Zij ziet in deze brief hoofdzakelijk een pleidooi voor de toekenning van een verlof voor het vervullen van een opdracht van algemeen belang. Zij wijst er op dat het haar in deze omstandighe- den en gelet op haar brief van 22 juli 2004 waarin de verzoeker expliciet werd verzocht zijn functie bij de Veiligheid van de Staat te hervatten, daar zijn afwezigheid wegens persoonlijke aangelegenheden verstreken was, niet mogelijk lijkt om aan de verzoeker verlof voor opdracht toe te kennen. Zij verzoekt de verzoeker contact op te nemen met de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat teneinde de modaliteiten van zijn diensthervatting te bespreken. Dit is de tweede bestreden beslissing. 3.
- Met een brief van 3 juni 2005 van het directoraat-generaal Rechterlijke Organisatie van de verwerende partij wordt de verzoeker er op gewezen dat hij, gelet op het feit dat de minister hem geen verlof voor opdracht heeft toegestaan en dat hij zijn dienst bij de Veiligheid van de Staat niet heeft hernomen, overeenkomstig artikel 112, § 2, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937, als ambtenaar die onderdaan is van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die zonder geldige reden zijn post verlaat en meer dan tien werkdagen afwezig blijft en die behoorlijk en vooraf verwittigd en om opheldering verzocht is, ambtshalve en zonder opzegging de hoedanigheid van rijksambtenaar verliest. In deze brief wordt vermeld dat dit als een verwittiging geldt die behoorlijk en vooraf is gebeurd, wordt de verzoeker om opheldering gevraagd en wordt hem een periode van tien werkdagen toegekend om zijn eventuele bemerkingen schriftelijk over te maken. 3.
- Met een brief van 8 augustus 2005 vraagt de verzoeker aan de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat een verlof voor twee jaar aan in het kader van een internationale opdracht met ingang op 1 mei 2004 en dit teneinde de huidige situatie te regulariseren. In die brief wijst de verzoeker er op naar aanleiding van de brief van 3 juni 2005 contact te hebben opgenomen met het directoraat-generaal Rechterlijke Organisatie. IX-5376-5/23 Op diezelfde datum maakt de verzoeker een brief over aan het directoraat-generaal Rechterlijke Organisatie met verwijzing naar het onderhoud betreffende de regularisatie van zijn administratieve toestand dat zou hebben plaatsgevonden op 14 juli 2005 en met als bijlage voormelde aanvraag voor een verlof van twee jaar. Met een brief van 27 september 2005 verwijst de minister van Justitie naar haar schrijven van 8 februari 2005 en naar de brief van 3 juni 2005 van het directoraat-generaal Rechterlijke Organisatie, die een verwittiging inhield. De minister stelt dat de verzoeker niet schriftelijk heeft gereageerd op laatstgenoemde brief, noch enige opheldering heeft gegeven. Zij concludeert dat geen andere elementen werden aangebracht die haar toelaten haar standpunt te herzien. Met een brief van 17 oktober 2005 antwoordt de verzoeker persoonlijk contact te hebben opgenomen met het directoraat-generaal Rechterlijke Organisatie en na het onderhoud van 14 juli 2005 een aanvraag te hebben ingediend teneinde zijn situatie te regulariseren. Hij stelt ook contact te hebben opgenomen met de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat en aldus te hebben aangetoond zijn situatie te willen regulariseren. 3.
- Bij koninklijk besluit van 16 maart 2006 wordt de verzoeker met ingang van 29 april 2005 ontheven uit zijn functie van commissaris bij het Bestuur van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat. Dit is de derde bestreden beslissing. Zij is als volgt gemotiveerd: “Gelet op artikel 107, tweede lid van de grondwet; Gelet op het koninklijk besluit van 02 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel; Overwegende dat de heer Yves DECEUNINCK, geboren te Brugge op 23 januari 1966, commissaris bij de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat, zijn dienst niet heeft hervat na een afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden voor een periode van twee jaar vanaf 01 mei 2002, hem toegekend bij ministerieel besluit van 16 mei 2002; Overwegende dat de heer Yves DECEUNINCK een aanvraag heeft ingediend voor een verlof voor opdracht van algemeen belang vanaf 01 mei 2004 en dat dit verlof hem, na alle onderzoeken te hebben gedaan dat leidde tot IX-5376-6/23 een definitieve beslissing, werd geweigerd op datum van 29 april 2005 door het bestuur van (de) Veiligheid van de Staat en op datum van 08 februari 2005 door de Minister van Justitie; Overwegende dat bij verscheidene brieven en een aangetekend schrijven van 03 juni 2005 aan betrokkene gevraagd werd zijn toestand in orde te brengen en de dienst te vervoegen; Overwegende dat de heer Yves DECEUNINCK kennis heeft genomen van deze brieven en dat hij geen elementen heeft aangebracht om zijn toestand te regulariseren en zijn functies niet heeft hervat; Overwegende dat betrokkene aldus onwettig afwezig is sinds 29 april 2005”. Een voor eensluidend verklaard afschrift van dat besluit wordt aan de verzoeker overgemaakt met een brief van 18 mei
- IV. Ontvankelijkheid van het beroep 4.
- De verwerende partij werpt als eerste exceptie op dat de eerste bestreden beslissing geen voor vernietiging vatbare handeling is. Zij houdt voor dat een beslissing van 29 april 2005 van het Bestuur van de Veiligheid van de Staat waarbij het verlof voor opdracht van algemeen belang aan de verzoeker wordt geweigerd, niet terug te vinden is in het dossier. Voor zover in de derde bestreden beslissing wordt verwezen naar een dergelijke weigering op 29 april 2005, meent zij dat het om een materiële vergissing gaat. Vermits de FOD Justitie slechts op één ogenblik standpunt heeft ingenomen aangaande de aanvraag van 25 maart 2004 van de verzoeker tot het bekomen van verlof voor opdracht van algemeen belang, is het volgens haar dan ook duidelijk dat met de beslissing van 29 april 2005 eigenlijk het schrijven van 20 april 2004 vanwege de FOD Justitie wordt bedoeld. Voorts betoogt zij dat een verlof voor opdracht van algemeen belang enkel kan worden toegekend door de minister onder wie de ambtenaar ressorteert, zodat de brief van 20 april 2004 van de FOD Justitie enkel kan worden beschouwd als een loutere inlichting. 4.
- De verzoeker repliceert dat de stelling van de verwerende partij niet te rijmen valt met de bewoordingen van de derde bestreden beslissing. Hierin IX-5376-7/23 wordt immers niet enkel een beslissing van 29 april 2005 vermeld, maar wordt deze datum tevens als aanvang van de onwettige afwezigheid beschouwd. Beoordeling van de eerste exceptie 4.
- Uit geen enkel stuk blijkt dat op 29 april 2005 het Bestuur van de Veiligheid van de Staat een beslissing zou hebben genomen waarbij het verlof voor opdracht van algemeen belang aan de verzoeker werd geweigerd. Daargelaten de vraag of het schrijven van 20 april 2004 van de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat wordt bedoeld, lijkt de verzoeker met de eerste bestreden beslissing in elk geval een beslissing te willen aanvechten van het Bestuur van de Veiligheid van de Staat met betrekking tot de toekenning van het verlof voor opdracht van algemeen belang. 4.
- Overeenkomstig artikel 105, § 2, van het koninklijk besluit van 19 november 1998 kan, behoudens voor een aantal internationale opdrachten, andere dan die welke de verzoeker ten tijde van de bestreden beslissingen uitoefende, het verlof voor opdracht worden toegestaan door de minister onder wie de ambtenaar ressorteert (in casu: de minister van Justitie) en kan die minister tevens het karakter van algemeen belang erkennen. Artikel 8, eerste lid, 1/, van dat besluit bepaalt immers dat het verlof voor opdracht van algemeen belang wordt toegekend door de minister onder wie de ambtenaar ressorteert. Bijgevolg is het Bestuur van de Veiligheid van de Staat geenszins bevoegd om een beslissing te nemen met betrekking tot de toekenning van het verlof voor opdracht van algemeen belang. Gelet op die onbevoegdheid, dient alle communicatie die uitgaat van dat bestuur en die betrekking heeft op het verlof voor opdracht van algemeen belang dan ook als louter informatief te worden beschouwd en zonder rechtsgevolgen. Aldus is de eerste bestreden beslissing geen voor vernietiging vatbare rechtshandeling en is het beroep, voor zover het gericht is tegen die beslissing, onontvankelijk. Bijgevolg is de eerste exceptie gegrond. IX-5376-8/23 5.
- In een tweede exceptie voert de verwerende partij aan dat de verzoeker geen belang heeft bij het behoud van zijn functie als commissaris, nu hij vast benoemd is bij de Raad van de Europese Unie. Overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 46 van 10 juni 1982 betreffende de cumulaties van beroepsactiviteiten in sommige openbare diensten mag een ambtenaar immers geen beroepsactiviteiten cumuleren. Door voor een vaste benoeming te kiezen bij een internationale instelling en te volharden in die keuze, ondanks diverse aanmaningen om zijn functie bij de Belgische Staat terug op te nemen, heeft de verzoeker volgens de verwerende partij duidelijk te kennen gegeven die laatste functie niet te willen behouden. Aldus geeft hij volgens haar geen blijk van het vereiste belang bij het aanvechten van de bestreden beslissingen. 5.
- De verzoeker repliceert dat hij wel degelijk aangetoond heeft nog belangstelling te hebben voor zijn functie bij de Belgische Staat, nu hij duidelijk getracht heeft die functie te behouden, door onder meer een afwezigheid van lange duur aan te vragen en verlof voor de periode van tewerkstelling in de internationale organisatie. Het systeem van detachering of verlof is er volgens hem precies op gericht om een functie te behouden die men voor een bepaalde periode niet uitoefent. Vermits hij om meerdere redenen kan worden ontslagen uit de internatio- nale organisatie, meent hij belang te hebben bij het behoud van zijn Belgische functie. Voorts stelt hij dat de verwerende partij er ten onrechte van uitgaat dat hij verschillende beroepsactiviteiten zou cumuleren, aangezien hij zijn Belgische functie niet uitoefent. 5.
- In haar laatste memorie schrijft de verwerende partij dat overeenkomstig artikel 113 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 een tweede voltijdse benoeming in vast dienstverband in een andere overheidsinstantie aanleiding geeft tot ambtsneerlegging en dat niet kan worden ontkend dat de Raad van de Europese Unie een overheidsinstantie is. Voorts wijst de verwerende partij er op dat de verzoeker heeft nagelaten om in 2006 een nieuwe aanvraag in te dienen voor verlof wegens opdracht van algemeen belang, zodat hij minstens vanaf 1 mei 2006 onwettig afwezig was, nu hij zich evenmin vanaf die datum bij haar heeft aangediend. Aldus zou een eventueel annulatiearrest hem geen voordeel meer kunnen verschaffen. IX-5376-9/23 Bovendien argumenteert de verwerende partij dat de verzoeker zich op het ogenblik van zijn aanvraag tot het bekomen van verlof wegens opdracht van algemeen belang in een administratieve toestand van non-dienstactiviteit bevond en dat, zoals blijkt uit het schrijven van de minister van Ambtenarenzaken, verlof wegens opdracht van algemeen belang enkel kan worden aangevraagd door een personeelslid dat zich in de administratieve stand van dienstactiviteit bevindt. Aldus kan dit verlof volgens haar nooit aan de verzoeker worden toegekend en heeft hij geen belang bij het onderhavige beroep. Beoordeling van de tweede exceptie 5.
- Het voordeel van een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing om hem een verlof te weigeren, bestaat er voor de verzoeker in dat hem alsnog verlof voor opdracht van algemeen belang kan worden toegekend voor de periode van 1 mei 2004 tot en met 30 april
- In dat geval wordt de verzoeker geacht gedurende die periode in verlof te zijn geweest, zodat hij niet meer uit zijn functie van commissaris ontheven kan worden op grond van onwettige afwezigheid tijdens die periode. Het verlof wegens opdracht is er op gericht een ambtenaar toe te laten een andere betrekking te bekleden, terwijl hij zijn oorspronkelijk ambt behoudt zonder dit uit te oefenen. Aldus is er geen sprake van cumulatie van beroepsactiviteiten. De verzoeker heeft voortdurend zijn belangstelling getoond voor het behoud van zijn functie van commissaris met het oog op een eventuele terugkeer naar die functie, precies door te volharden in zijn aanvraag voor verlof voor opdracht van algemeen belang en dit ondanks zijn functie bij de Raad van de Europese Unie. De verwerende partij merkt terecht op dat luidens artikel 113 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 een tweede voltijdse benoeming in vast dienstverband in een andere overheidsdienst aanleiding geeft tot ambtsneerlegging. De minister van Ambtenarenzaken stelt echter zelf in zijn schrijven van 29 april 2004 dat onder een tweede benoeming in vast dienstverband in een andere overheidsdienst een benoeming in een nationale overheidsdienst moet worden begrepen en niet een benoeming in een internationale organisatie. De benoeming van de verzoeker bij de Raad van de Europese Unie kan dan ook niet op grond van voormelde bepaling aanleiding geven tot ambtsneerlegging. IX-5376-10/23 Voorts kan het feit dat de verzoeker geen aanvragen heeft ingediend voor verlof voor opdracht van algemeen belang voor de perioden vanaf 1 mei 2006, zijn belang bij het onderhavige beroep niet aantasten. De verzoeker is namelijk uit zijn functie van commissaris ontheven bij koninklijk besluit van 16 maart 2006, zodat hem niet kan worden verweten geen verlof voor opdracht meer te hebben aangevraagd voor de perioden vanaf 1 mei
- De afwezigheid van de verzoeker vanaf 1 mei 2006 is het gevolg van het koninklijk besluit van 16 maart 2006, en niet van het ontbreken van een verlofaanvraag vanaf die datum. Verder schrijft de verwerende partij terecht dat de verzoeker zich op 25 maart 2004, zijnde de datum van zijn aanvraag voor verlof voor opdracht van algemeen belang, in de administratieve stand non-dienstactiviteit bevond. Aan de verzoeker was immers voor de periode van 1 mei 2002 tot en met 30 april 2004 een afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden toegekend en overeenkomstig artikel 115 van het koninklijk besluit van19 november 1998 bevindt de ambtenaar zich tijdens die afwezigheid in de administratieve stand non-activiteit. Na het verstrijken van die periode en dus vanaf 1 mei 2004 bevond de verzoeker zich opnieuw in de administratieve stand dienstactiviteit. Immers, luidens artikel 99 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 wordt de rijksambtenaar voor de vaststelling van zijn administratieve stand altijd geacht in actieve dienst te zijn, behoudens uitdrukkelijke bepaling die hem hetzij van rechtswege, hetzij bij beslissing van de bevoegde overheid in een andere administratieve stand plaatst. Artikel 102, 9/, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 luidt als volgt: “Onder door Ons bepaalde voorwaarden krijgt de ambtenaar in dienstacti- viteit verlof wegens opdracht.” Uit deze bepaling blijkt dat een ambtenaar zich in de administratieve stand dienstactiviteit moet bevinden om verlof wegens opdracht te kunnen krijgen. Vermits de verzoeker zich vanaf 1 mei 2004 in de stand dienstactiviteit bevond, kon hem voor een periode, die aanving op die datum, verlof voor opdracht van algemeen belang worden toegekend. De verwerende partij meent ten onrechte dat een ambtenaar zich “op het ogenblik van zijn aanvraag” in de administratieve stand dienstactiviteit moet bevinden teneinde verlof wegens opdracht te kunnen krijgen. Dit volgt niet uit voormeld artikel
- De exceptie kan niet worden aangenomen. IX-5376-11/23 6.
- In een derde exceptie voert de verwerende partij een gebrek aan samenhang aan tussen de bestreden beslissingen, waardoor ze in afzonderlijke verzoekschriften dienen te worden bestreden, zodat de vordering enkel - hypothetisch- ontvankelijk is voor zover ze gericht is tegen de eerste bestreden beslissing. Zij betoogt dat de eerste en de tweede bestreden beslissing betrekking hebben op de vraag van de verzoeker om verlof voor opdracht van algemeen belang, terwijl de derde bestreden beslissing zijn ontheffing betreft uit de functie van commissaris. Aldus zou de eventuele vernietiging van de eerste en de tweede bestreden beslissing volgens haar geen gevolgen hebben voor de rechtsgel- digheid van de derde bestreden beslissing, aangezien de verzoeker dan nog steeds onwettig afwezig zou zijn geweest sedert 1 mei
- Zij ziet evenmin enige samenhang tussen de eerste en de tweede bestreden beslissing, vermits deze uitgaan van verschillende instanties en, wat de eerste bestreden beslissing betreft, de vraag zich zelfs aandient of deze voor vernietiging vatbaar is. Beoordeling van de derde exceptie 6.
- Zoals reeds gesteld, is het onderhavige beroep onontvankelijk voor zover het gericht is tegen de eerste bestreden beslissing. Bijgevolg dient enkel de samenhang tussen de tweede en de derde bestreden beslissing te worden onderzocht. De tweede bestreden beslissing, zijnde de weigering om aan de verzoeker voor de periode van 1 mei 2004 tot en met 30 april 2006 verlof voor opdracht van algemeen belang toe te kennen, heeft geleid tot de vaststelling dat de verzoeker onwettig afwezig was “sinds 29 april 2005”. Op grond van die onwettige afwezigheid is het derde bestreden besluit genomen, met name de ontheffing van de verzoeker uit zijn functie van commissaris. Aldus zijn de tweede bestreden beslissing en het derde bestreden besluit onlosmakelijk met elkaar verbonden. De eventuele vernietiging van de tweede bestreden beslissing zou immers noodzakelij- kerwijze leiden tot de vernietiging van het derde bestreden besluit. Met name zou ingevolge de vernietiging van de tweede bestreden beslissing de verwerende partij een nieuwe beslissing moeten nemen inzake het gevraagde verlof. Op dat ogenblik zou geen sprake meer zijn van voormelde onwettige afwezigheid, waardoor het derde bestreden besluit zijn grondslag zou verliezen. IX-5376-12/23 De exceptie kan niet worden aangenomen. V. Onderzoek van de middelen A. Derde middel Standpunt van de partijen 7.
- In een derde middel voert de verzoeker de schending aan van de materiële motiveringsplicht, van het zorgvuldigheidsbeginsel, van het redelijkheids- beginsel, van de artikelen 99 tot en met 112 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen (hierna: het koninklijk besluit van 19 november 1998), van de artikelen 112, § 3, 5/, en 113, 3/, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel (hierna: het koninklijk besluit van 2 oktober 1937), machtsafwending en machtsoverschrijding. 7.1.
- In een eerste onderdeel betwist hij het motief van de tweede bestreden beslissing dat de minister niet zou beschikken over voldoende gegevens met betrekking tot zijn statuut. De verzoeker is van oordeel dat uit de artikelen 102 en 105 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 volgt dat het ambt dat hij waarneemt bij het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie kan worden erkend door de minister van Justitie als een opdracht van algemeen belang. De verzoeker wijst er op dat in voornoemde bepalingen niet kan worden gelezen dat een opdracht niet kan worden toegekend omwille van een bepaald statuut waaronder de opdracht wordt vervuld. Evenmin kan volgens hem op grond van artikel 113 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 het verlof voor de opdracht worden geweigerd, wat blijkt uit het schrijven van 29 april 2004 van de minister van Ambtenarenzaken. Onder welk precies statuut hij de opdracht zou vervullen, is volgens de verzoeker dan ook irrelevant voor de toekenning van de opdracht. Bovendien stelt de verzoeker informatie te hebben bezorgd met betrekking tot zijn statuut in het ambt dat hij waarnam bij de Europese Unie en dit reeds naar aanleiding van een eerder verzoek van de minister van Justitie, waarna de verzoeker een verklaring heeft bezorgd van het secretariaat-generaal van de IX-5376-13/23 Europese Unie, waaruit blijkt dat hij in dienst was sinds 1 mei 2002 en op het ogenblik van de verklaring, met name 5 oktober 2004, ambtenaar in vaste dienst was. Vermits hij steeds alle mogelijke informatie heeft bezorgd, ondanks de onduidelijkheid, betreffende de aard van de gevraagde informatie, stelt de verzoeker zich de vraag over welke informatie de minister van Justitie nog wenste te beschikken en waarom. Voorts betwist de verzoeker het motief van de tweede bestreden beslissing dat hij zijn vroegere dienst niet opnieuw zou hebben vervoegd, ondanks het verzoek hiertoe van de verwerende partij in haar schrijven van 22 juli
- Dat op grond van dit argument het verlof niet wordt toegekend, vat de verzoeker op als een sanctie. Indien het doel van het weigeren van het verlof er in bestaat hem te sanctioneren voor een gedraging, houdt dit geen verband met zijn aanvraag, en is er volgens de verzoeker sprake van machtsafwending. Bovendien meent hij dat het verzoek van 22 juli 2004 onredelijk is. Vier maanden na het indienen van zijn aanvraag op 25 maart 2004 zou hij immers -in afwachting van een beslissing met betrekking tot het gevraagde verlof- zijn vroegere dienst moeten vervoegen. Eens die beslissing zou zijn genomen, zou hij weer kunnen terugkeren naar zijn internationale opdracht. Dit is volgens de verzoeker kennelijk onredelijk, in het bijzonder gelet op de termijn waarover de minister reeds beschikte om een beslissing te nemen. Dat een einde was gekomen aan de toegekende afwezigheid, was volgens de verzoeker enkel te wijten aan de minister van Justitie, die er niet in was geslaagd een beslissing te nemen binnen een termijn van vier maanden. 7.1.
- In een tweede onderdeel houdt de verzoeker voor dat de onwettigheid van de tweede bestreden beslissing, uiteengezet in het eerste onderdeel, ook het derde bestreden besluit, dat op de tweede bestreden beslissing gesteund is, vitieert. Voorts betoogt de verzoeker dat het derde bestreden besluit de toepassing betreft van artikel 112, § 3, 5/, van het koninklijk besluit van 2 oktober IX-5376-14/23
- Hij meent evenwel dat uit artikel 107 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 blijkt dat het vervullen van een opdracht, zonder dat deze wordt erkend als zijnde van algemeen belang, niet een ambtshalve verlies van de hoedanigheid van ambtenaar met zich meebrengt. Het vervullen van een opdracht kan volgens hem dan ook niet gelijkgesteld worden met een onwettige afwezigheid. Dat er evenmin aanleiding is tot ambtsneerlegging wanneer een voltijds vast ambt wordt waargenomen in een internationale instelling, blijkt volgens de verzoeker uit de verduidelijking door de minister van Ambtenarenzaken betreffende artikel 113, 3/, van het koninklijk besluit van 2 oktober
- Verder vat de verzoeker de in het derde bestreden besluit veruitwendigde motieven samen als volgt: - hij heeft zijn dienst niet hervat na de afwezigheid van lange duur; - hij heeft een aanvraag ingediend voor verlof voor opdracht van algemeen belang, die hem definitief geweigerd werd; - hij werd verzocht zijn toestand in orde te brengen en de dienst te vervoegen, wat hij niet deed; - hij is dus onwettig afwezig sinds 29 april
- De verzoeker betwist zijn post te hebben verlaten “zonder geldige reden” conform artikel 112, § 3, 5/, van het koninklijk besluit van 2 oktober
- Hij stelt zijn post te hebben verlaten op grond van de hem toegekende afwezigheid van lange duur. Vier maanden vóór het verstrijken van deze afwezigheid diende hij vervolgens een aanvraag in tot het bekomen van een verlof voor opdracht van algemeen belang. Daarna werd hij “tijdelijk” teruggeroepen naar zijn dienst tot een beslissing zou worden genomen omtrent het verlof. Volgens de verzoeker kan hem niet worden verweten dat de minister ruim de tijd nam om een beslissing te nemen. Hij wijst er op dat hij steeds de nodige inlichtingen heeft verstrekt en voor opheldering heeft gezorgd wanneer hij hierom werd verzocht en dat de minister de reden van zijn afwezigheid kende en over alle mogelijke informatie beschikte. Gelet op het voorgaande, is de verzoeker van oordeel dat de veruitwendigde motieven in het derde bestreden besluit ondeugdelijk zijn en kennelijk onredelijk. IX-5376-15/23 7.2.
- Wat het eerste onderdeel betreft, antwoordt de verwerende partij dat de verzoeker geen belang heeft bij een eventuele vernietiging van de tweede bestreden beslissing, daar dit hem geen enkel voordeel zal opleveren. Dit onderdeel is dan ook niet ontvankelijk volgens de verwerende partij. Voorts stelt de verwerende partij dat, behoudens specifieke gevallen waarin de verzoeker zich niet bevindt, de minister over een discretionaire bevoegdheid beschikt om al dan niet verlof voor opdracht van algemeen belang toe te kennen. Zij wijst er op dat te dezen de minister beslist heeft geen verlof toe te kennen, omwille van de redenen aangehaald in de tweede bestreden beslissing. Zij is van oordeel dat die beslissing geenszins één van de door de verzoeker aangehaal- de beginselen of reglementaire bepalingen schendt. Volgens de verwerende partij kan de verzoeker enkel de schending van het redelijkheidsbeginsel aanvoeren tegen de tweede bestreden beslissing. Zij meent evenwel dat de verzoeker nalaat om ook maar een begin van bewijs dienaangaande te leveren. De beslissing van de minister om geen verlof te verlenen aan de verzoeker, daar hij niet heeft aangetoond dat een verlof voor opdracht van algemeen belang gerechtvaardigd was en daar hij weigert zijn post opnieuw in te nemen, is volgens de verwerende partij absoluut niet kennelijk onredelijk. Bovendien stelt zij dat de verwijzing naar het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 irrelevant is. 7.2.
- Wat het tweede onderdeel betreft, antwoordt de verwerende partij dat de rechtsgeldigheid van de tweede bestreden beslissing van geen belang is voor de rechtsgeldigheid van het derde bestreden besluit, daar artikel 112, § 3, 5/, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 bepaalt dat de ambtenaar die meer dan tien werkdagen zonder geldige reden zijn post verlaat “ambtshalve” en zonder vooropzeg zijn hoedanigheid van ambtenaar verliest. Verder schrijft zij dat artikel 107 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 irrelevant is, aangezien de verzoeker nooit een opdracht in de zin van die bepaling heeft uitgeoefend. De verzoeker heeft volgens haar enkel een afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden toegekend gekregen voor een periode van twee jaar ingaande op 1 mei
- IX-5376-16/23 Ook meent de verwerende partij dat het derde bestreden besluit geen toepassing maakt en kan maken van artikel 113, 3/, van het koninklijk besluit van 2 oktober
- Volgens de verwerende partij kan de verzoeker er dan ook niet omheen dat hij gedurende meer dan tien werkdagen zonder geldige reden zijn post heeft verlaten, dat hij meermaals aangemaand werd zijn post opnieuw te bekleden zonder daaraan gevolg te geven en dat dit het ambtshalve ontslag met zich meebrengt. Bijgevolg is het derde bestreden besluit volgens de verwerende partij volkomen rechtsgeldig. 7.
- In haar laatste memorie houdt de verwerende partij voor dat het tot haar discretionaire bevoegdheid behoort om de gunstmaatregel van het verlof voor opdracht van algemeen belang toe te kennen en om te oordelen of een aanvrager afdoende gegevens heeft aangedragen om dergelijk verzoek te schragen. Zij voegt daaraan toe dat het indienen van een aanvraag tot verlof geen enkel recht doet ontstaan in hoofde van de aanvrager en dat de verzoeker op 1 mei 2004 dan ook opnieuw zijn taken bij de verwerende partij had moeten opnemen. De verzoeker had van deze verplichting volgens haar reeds kennis op 20 april 2004, wanneer hem meegedeeld werd dat zijn aanvraag ontoelaatbaar was gelet op zijn administratieve stand van non-activiteit. Volgens de verwerende partij doet het feit dat de verzoeker een maand voordien een ongeldige aanvraag tot verlof had ingediend bij een onbevoegde instantie geen afbreuk aan die verplichting. Zolang er geen positieve beslissing is genomen inzake een aanvraag tot verlof, moet de aanvrager aanwezig zijn en zijn ambtstaken blijven vervullen. De verwerende partij wijst er op dat de verzoeker te dezen niet enkel zijn taken niet opnieuw heeft opgenomen op 1 mei 2004, maar bovendien gewacht heeft tot 16 juni 2004 om een geldige aanvraag tot verlof voor opdracht van algemeen belang in te dienen bij de minister van Justitie. Zij vindt het dan ook niet meer dan correct dat het verlof geweigerd werd omdat de verzoeker sedert 1 mei 2004 onterecht afwezig is gebleven van de dienst en dit ondanks herhaalde aanmaningen. IX-5376-17/23 Beoordeling 7.4.
- Wat het eerste onderdeel betreft, heeft de verzoeker wel degelijk belang bij de eventuele vernietiging van de tweede bestreden beslissing. Die vernietiging zou er immers toe leiden dat de verwerende partij een nieuwe beslissing moet nemen inzake de toekenning van het gevraagde verlof, wat, zoals reeds overwogen in randnummer 6.2, de nodige gevolgen zou hebben voor het derde bestreden besluit. De verwerende partij houdt terecht voor dat de minister, behoudens specifieke gevallen, over een discretionaire bevoegdheid beschikt om al dan niet verlof voor opdracht van algemeen belang toe te kennen. Luidens artikel 105, § 2, van het koninklijk besluit van 19 november 1998 kan het verlof voor opdracht voor de niet in § 1 van die bepaling bedoelde internationale opdrachten worden toegestaan door de minister onder wie de ambtenaar ressorteert. De minister kan tevens het karakter van algemeen belang erkennen indien de opdracht geacht wordt van overwegend belang te zijn hetzij voor het land, hetzij voor de federale regering of de federale administratie. De minister van Justitie heeft haar weigeringsbeslissing, vermoedelijk van 8 februari 2005, om aan de verzoeker het verlof voor opdracht van algemeen belang toe te kennen, gesteund op de volgende twee overwegingen: - ondanks haar brief van 3 december 2004 waarin zij de verzoeker om verduidelij- king verzocht omtrent zijn statuut bij het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie, heeft de verzoeker in zijn brief van 14 januari 2005 hoofdzake- lijk gepleit voor de toekenning van een verlof voor het vervullen van een opdracht van algemeen belang, waardoor zij nog steeds niet in de mogelijkheid is het juridisch statuut van de verzoeker te beoordelen - haar brief van 22 juli 2004 waarin de verzoeker expliciet wordt verzocht zijn functie bij de Veiligheid van de Staat te hervatten daar zijn afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden verstreken is. Uit de stukken van het dossier blijkt dat de verzoeker in zijn schrijven van 16 juni 2004, gericht aan de minister van Justitie, voor het eerst toelicht, weliswaar bondig, wat zijn functie bij de Raad van de Europese Unie specifiek inhoudt. Met een mail van 28 juli 2004 reageert de verzoeker op de vaststelling van de minister in haar brief van 22 juli 2004 dat zijn opdracht niet kan IX-5376-18/23 worden beoordeeld op basis van de overgemaakte gegevens. Bij deze mail voegt de verzoeker een meer uitgebreide beschrijving van zijn functie en een nota van de Raad van de Europese Unie met betrekking tot het inspectieprogramma voor
- Naar aanleiding van een mail op 3 augustus 2004 waarin hem gevraagd wordt zijn functiebeschrijving mee te delen en te preciseren of hij vast benoemd is, maakt de verzoeker vervolgens met een brief van 19 oktober 2004 een verklaring over van 5 oktober 2004 van het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie, waaruit blijkt dat hij thans ambtenaar in vaste dienst is. Met een brief van 3 december 2004, waaruit blijkt dat zij de nota met betrekking tot het inspectiepro- gramma en de verklaring van 5 oktober 2004 heeft ontvangen, vraagt de minister nogmaals verduidelijking omtrent verzoekers statuut. Meer bepaald stelt zij de vraag of de verzoeker dient te worden beschouwd als een volwaardig ambtenaar bij de Raad van de Europese Unie. Met een brief van 14 januari 2005 maakt de verzoeker opnieuw een functiebeschrijving over aan de minister. Uit het voorgaande blijkt dat de verzoeker, telkens de minister daarom verzoekt, steeds inlichtingen heeft verschaft betreffende zijn functie en statuut bij de Raad van de Europese Unie. Hoewel deze inlichtingen volgens de minister niet volstonden, blijkt niet uit het dossier welke inlichtingen de verzoeker nog had dienen te verschaffen om de minister in de mogelijkheid te stellen haar discretionaire bevoegdheid betreffende het al dan niet toestaan van verlof voor een opdracht van “algemeen belang”, met kennis van zaken uit te oefenen. Er wordt ook niet ingezien waarom de minister een overwegend belang zou kunnen hechten aan de juridische toestand van de verzoeker, aangezien het voor het toekennen van het verlof blijkbaar van geen belang is in welk verband de opdracht van algemeen belang wordt uitgeoefend. Er kan niet worden ingezien waarom de door de verzoeker verstrekte informatie niet volstond voor de minister om verzoekers opdracht bij de Raad van de Europese Unie te kunnen beoordelen. Bovendien verwijst de minister in haar beslissing van 8 februari 2005 enkel naar de brief van de verzoeker van 14 januari 2005 en lijkt zij de reeds eerder door de verzoeker versterkte inlichtingen omtrent zijn functie en statuut bij de Raad van de Europese Unie uit het oog te verliezen. IX-5376-19/23 In die zin is haar beslissing niet gesteund op een afweging van alle aspecten van de zaak. In zoverre de tweede bestreden beslissing verwijst naar de brief van 22 juli 2004 waarin de verzoeker expliciet wordt verzocht zijn functie bij de Veiligheid van de Staat te hervatten, daar zijn afwezigheid wegens persoonlijke aangelegenheden voor een periode van twee jaar verstreken was, wordt vastgesteld dat het verstrijken van die afwezigheid wegens persoonlijke aangelegenheden niet is toe te schrijven aan de verzoeker. De verzoeker heeft immers tijdig, op 25 maart 2004, ruim een maand vóór dat zijn afwezigheid wegens persoonlijke aangelegen- heden verstreek op 30 april 2004, zijn aanvraag tot verlof voor opdracht van algemeen belang ingediend bij de Federale Overheidsdienst Justitie - Veiligheid van de Staat. Slechts op 22 juli 2004 heeft de minister van Justitie, zijnde de bevoegde instantie om zich over dat verlof uit te spreken, vastgesteld de opdracht van de verzoeker niet te kunnen beoordelen op basis van de haar overgemaakte elementen. Aldus heeft de verwerende partij vier maanden laten verstrijken sedert de aanvraag van de verzoeker. Dat de afwezigheid wegens persoonlijke aangelegenheden was verstreken, is dan ook te wijten aan de verwerende partij zelf. Zij heeft nagelaten vóór het beëindigen van deze afwezigheid de nodige informatie in te winnen en een beslissing te nemen omtrent de aanvraag tot verlof voor opdracht. Uit het voorgaande volgt dat de tweede bestreden beslissing niet op deugdelijke motieven berust. Het eerste onderdeel is gegrond. 7.4.
- Wat het tweede onderdeel betreft, volgt uit het gegrond bevinden van het eerste onderdeel dat gericht is tegen de tweede bestreden beslissing, noodzakelijkerwijze de onwettigheid van het derde bestreden besluit. Beide handelingen zijn immers onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dit blijkt uit randnummer 6.
- Voorts wordt in het derde bestreden besluit vermeld dat de verzoeker geen elementen heeft aangebracht om zijn toestand te regulariseren en hij zijn functie niet heeft hervat, ondanks het feit dat hij hierom werd verzocht in verscheidene brieven en met een aangetekend schrijven van 3 juni
- IX-5376-20/23 Wat de verwijzing naar “verscheidene brieven” betreft, mag worden aangenomen dat de brieven van 22 juli 2004 en 3 december 2004 worden bedoeld. Zoals reeds aangegeven, heeft de verzoeker deze brieven telkens beantwoord en daarbij de inlichtingen verstrekt die volgens hem werden gevraagd. Wat de verwijzing naar het aangetekend schrijven van 3 juni 2005 betreft, stelt de verzoeker in zijn brief van 8 augustus 2005 aan de administrateur- generaal van de Veiligheid van de Staat naar aanleiding van het schrijven van 3 juni 2005 contact te hebben opgenomen met het Directoraat-generaal Rechterlijke Organisatie. In zijn brief van dezelfde datum aan het Directoraat-generaal Rechterlijke Organisatie verwijst de verzoeker naar een onderhoud met betrekking tot de regularisatie van zijn toestand dat zou hebben plaatsgevonden op 14 juli
- Dit blijkt evenwel niet uit het dossier. Wel heeft de verzoeker in zijn brief van 8 augustus 2005 aan de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat verlof gevraagd, in het kader van een internationale opdracht met ingang van 1 mei 2004 en dit teneinde zijn situatie te regulariseren. Er kan dan ook niet worden voorgehouden dat de verzoeker geen elementen zou hebben aangebracht om zijn toestand te regulariseren. Verder kan niet worden ingezien waarom de onwettige afwezig- heid van de verzoeker een aanvang zou hebben genomen op 29 april
- De verwerende partij lijkt deze datum te steunen op de definitieve weigeringsbeslissing omtrent het verlof voor opdracht van algemeen belang uitgaande van het bestuur van de Veiligheid van de Staat. Het blijkt evenwel geenszins dat op 29 april 2005 een beslissing omtrent het verlof voor opdracht van algemeen belang zou zijn genomen door het bestuur van de Veiligheid van de Staat. In zoverre het schrijven van 20 april 2004 van de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat of het schrijven van 29 april 2004 van de minister van Ambtenarenzaken wordt bedoeld, waren deze niet bevoegd om de beslissing te nemen inzake de toekenning van het verlof voor opdracht van algemeen belang, omdat dit toekwam aan de minister van Justitie, en kon er op dat ogenblik nog geen sprake zijn van het verlaten van zijn post door de verzoeker zonder geldige reden, daar zijn afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden, die slechts op 30 april 2004 zou eindigen, nog niet was verstreken. IX-5376-21/23 Ten overvloede kan erop worden gewezen dat het ontslag van ambtswege steunt op de gedachte dat de ambtenaar die zijn post heeft verlaten en zonder geldige reden meer dan tien dagen afwezig blijft, geacht wordt vrijwillig uit dienst te zijn getreden. Het bestuur mag derhalve enkel tot dit ambtshalve ontslag overgaan, wanneer, gelet op de concrete omstandigheden van de zaak, het vermoeden dat de ambtenaar niet langer in dienst wenst te blijven, gewettigd voorkomt. Te dezen blijkt dat de verwerende partij niet mocht uitgaan van het vermoeden dat de verzoeker de bedoeling zou hebben gehad om uit dienst te treden. Uit het voorgaande volgt ook dat de derde bestreden beslissing niet gesteund is op deugdelijke motieven. Het tweede onderdeel is gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt - de beslissing, vermoedelijk van 8 februari 2005, van de minister van Justitie waarbij de verzoeker het verlof voor opdracht van algemeen belang wordt geweigerd - het koninklijk besluit van 16 maart 2006 waarbij de verzoeker vanaf 29 april 2005 ontheven wordt uit zijn functie van commissaris bij het Bestuur van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat. De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. IX-5376-22/23 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 8 februari 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniel Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-5376-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.559 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div