id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.560 Rolnummer: A. 176502/IX-5422 Zaak: Arrest 200560 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 08/02/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-18 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 08:42 Fiche Arrest nr 200.560 van 8 februari 2010 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 200.560 van 8 februari 2010 in de zaak A. 176.502/IX-5422 In zake : Eric VAN PARYS wonende te Brugge Diamantslijpersstraat 7/4 alwaar woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jean-François De Bock kantoor houdend te Brussel Waterloosesteenweg 612 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 6 september 2006, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 18 juli 2006 van de voorzitter van het directiecomité van de FOD Sociale Zekerheid waarbij de vermelding “onvoldoende” in het beschrijvend evaluatieverslag van 8 februari 2006 behouden wordt als eindevaluatie van Eric VAN PARYS. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld. De verzoeker en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De verzoeker heeft ook een aanvullende memorie ingediend. IX-5422-1/17 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 november
- Staatsraad Daniël Moons heeft verslag uitgebracht. De verzoeker en advocaat Joy Moens, die loco advocaat Jean- François De Bock verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Melissa Celis heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoeker is sinds 1 september 2002 in dienst bij het Bestuur van de Sociale Inspectie van de FOD Sociale Zekerheid - cel legistiek. Met ingang van 1 maart 2003 is hij in vast dienstverband benoemd tot de graad van technisch deskundige. Zijn taken bij de cel legistiek worden omschreven als volgt:
- het dagelijks opvolgen van het Belgisch Staatsblad voor het bijwerken van de site van de sociale inspectie en het voorbereiden van wetteksten voor publicatie op de site, alsook het verzamelen van andere mogelijke interes- sante teksten voor publicatie op de site,
- vertalingen van het Frans naar het Nederlands,
- vanaf april 2005: de behandeling van dossiers “borgstellingen sociale secretariaten”,
- een beurtrol in het documentatiebeheer van de cel legistiek,
- het beantwoorden van eenvoudige vragen om inlichtingen in overleg met de juristen,
- de deelname op vrijwillige basis aan het project kennismanagement. IX-5422-2/17 3.
- Met betrekking tot de evaluatieperiode van 1 januari 2005 tot 31 december 2005, wordt een dossier “Ontwikkelingsopvolging” bijgehouden, dat is onderverdeeld in volgende delen: I. een functiebeschrijving, II. het takenpakket + timing, III. indicatoren, IV. een persoonlijk ontwikkelingsplan. Dit wordt aan de verzoeker op 24 februari 2005 ter kennis gebracht. Tevens omvat dit dossier een logboek, waarin ondermeer zowel positieve als kritische functioneringsmomenten door de chef dienen te worden genoteerd. Dit logboek vermeldt dat op 24 februari 2005 een functioneringsgesprek heeft plaatsgevonden met een bespreking van de aangepaste functieomschrijving en aangepaste indicatoren. Voorts worden in dit logboek de op 8 augustus 2005 gedane en hierna vernoemde vaststellingen -welke zijn besproken met de verzoeker- opgenomen : - de verzoeker toont een grote interesse in zijn werk en is gemotiveerd, - hij slaagt erin om op een zelfstandige manier zijn werk uit te voeren, waar nodig in samenwerking en overleg met zijn chef en collega’s, - hij heeft oog voor de gebruiksvriendelijkheid en de correctheid van de intranetsite van de sociale inspectie. Wat deze vaststellingen betreft, worden volgende opmerkingen vermeld : - de verzoeker toont zijn interesse door zijn deelname aan het project “kennisbe- heer” dat moet toelaten tot een beter beheer te komen van de documentatie in papieren vorm en elektronische vorm en van de kennis die op een andere wijze aanwezig is binnen onze dienst, - op de periodieke vergaderingen van de cel legistiek zal hij waar mogelijk voorstellen formuleren ter verbetering van de samenwerking en voor een vlotter verloop van de werkzaamheden binnen de cel legistiek. Zo doet hij bijvoorbeeld voorstellen tot verbetering van de intranetsite van de sociale inspectie, - hij houdt nauwgezet de bijwerkingen en aanvullingen voor de intranetsite van de sociale inspectie bij. 3.
- Op 26 januari 2006 vindt het evaluatiegesprek plaats met betrekking tot de evaluatieperiode van 1 januari 2005 tot en met 31 december
- In het beschrijvend evaluatieverslag van 8 februari 2006 worden tekortkomingen in hoofde van de verzoeker vastgesteld op het vlak van de kwaliteit IX-5422-3/17 van het geleverde werk, de kwantiteit van het geleverde werk en de samenwerking met de collega’s en de algemene attitude. Op basis van deze vaststellingen wordt de beoordeling “onvoldoende” toegekend. 3.
- Met een brief van 17 februari 2006 tekent de verzoeker beroep aan tegen die beoordeling bij de departementale raad van beroep. Tijdens zijn zitting van 14 juli 2006 geeft de departementale raad van beroep volgend advies aan het directiecomité: “A. Wat betreft de procedure: Overwegende dat het beroep wat betreft de klager naar de vorm correct werd ingediend binnen de gestelde termijnen en dus ontvankelijk is, Overwegende dat de klager geen opmerkingen heeft geformuleerd bij de samenstelling van de Raad van Beroep, noch assessoren heeft wensen te wraken, Overwegende dat alle assessoren bevestigen het dossier ontvangen te hebben zoals het werd verstuurd per post op datum van 7 juli 2006, echter een aantal assessoren opmerken dat de nota van Van Parys in verband met het verzoeningsvoorstel en dat aanvullend verstuurd werd per post op 11 juli 2006 niet door alle assessoren ontvangen is, maar ter zitting bijkomende kopies aan alle leden zijn verstrekt met akkoord van de klager, Overwegende dat de stellingen van de klager zoals ontwikkeld tijdens de zitting betreffende de procedure een grond vinden in de artikelen 20 en 21 van het Koninklijk besluit van 2 augustus 2002 tot invoering van een evaluatie- cyclus in de federale overheidsdiensten, Overwegende dat de stukken van het dossier een onvoldoende logische en coherente grond vormen voor de eindconclusie “onvoldoende”, B. Wat betreft de grond van de zaak: Overwegende dat de klager de eindevaluatie betwist op basis van volgende elementen die ter zitting werden ter kennis gebracht van de raad: - dat hij een grote interesse vertoont in zijn werk en gemotiveerd is; - dat hij erin slaagt op zelfstandige manier zijn werk uit te voeren, waar nodig in samenwerking en overleg met zijn chef en collega’s, Overwegende dat de tekortkomingen vastgesteld door de hiërarchische meerdere zoals beschreven in het beschrijvend evaluatierapport op drie vlakken werden vastgesteld: - op het vlak van de kwaliteit van het geleverde werk; - op het vlak van de kwantiteit van het geleverde werk; - op het vlak van de samenwerking met de collega’s en de algemene attitude. IX-5422-4/17 Overwegende dat de bovenvermelde vastgestelde tekortkomingen over het geheel van het jaar 2005 in het evaluatierapport in strijd zijn met de positieve vermeldingen in het logboek en nergens wordt aangegeven hoe dit komt, Overwegende dat een aantal van de taken over het geheel van het jaar blijkbaar tot voldoening werden uitgevoerd, Overwegende dat over de laatste vier maanden van 2005 grote verwarring bestaat die noch door de elementen van het dossier, noch door de betrokkene tijdens de zitting worden uitgeklaard, Overwegende dat in het evaluatieverslag op de pagina’s 10 en 11 verwezen wordt naar de negatieve inschrijving en het functioneringsgesprek van december 2005 en dat in het verslag een aantal citaten worden opgenomen, maar dat verder in het dossier hiervan geen enkele feitelijke aanduidingen zijn terug te vinden en deze elementen bovendien betwist worden door betrokkene, Om deze redenen, Gelet op de artikelen 22, 24 en 25 van het Koninklijk besluit van 2 augustus 2002 tot invoering van een evaluatiecyclus in de federale overheidsdiensten, De Departementale Raad van Beroep inzake Ontwikkelcirkels bij de FOD Sociale Zekerheid belast om kennis te nemen van de beroepen betreffende de evaluatie komt na beraadslaging en geheime stemming tot het volgende advies: Met 10 stemmen tegen 3 stemmen dat de eindevaluatie onvoldoende niet gerechtvaardigd is en bijgevolg dient geschrapt te worden.” 3.
- Op 18 juli 2006 neemt de voorzitter van het directiecomité volgende beslissing: “Gelet op het Koninklijk besluit van 2 augustus 2002 tot invoering van een evaluatiecyclus in de federale overheidsdiensten, inzonderheid op artikel 25, § 4, Gelet op het Koninklijk Besluit van 1 april 2004 waardoor het koninklijk besluit van 2 augustus 2002 voor de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid in werking is getreden op 1 december 2003, Gelet op het Ministerieel Besluit van 5 mei 2003 tot instelling van een Raad van Beroep bij de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid, Gelet op het Ministerieel Besluit van 22 mei 2006 tot aanwijzing of erkenning van de leden van de departementale Raad van Beroep van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid belast om kennis te nemen van de beroepen betreffende de evaluatie, Gelet op het gemotiveerd advies, dat de departementale Raad van Beroep van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid belast om kennis te nemen van de beroepen betreffende de evaluatie, heeft gegeven in zijn zitting van 14 juli 2006, advies dat me op diezelfde dag werd overgemaakt, IX-5422-5/17 Overwegende dat, zoals de Raad van Beroep stelt in zijn gemotiveerd advies, het dossier ‘Ontwikkelingsopvolging’ van de heer Eric Van Parys inderdaad enkele gebreken van eerder formele aard vertoont, zoals het feit dat de negatieve vaststellingen niet opgenomen zijn in het logboek, Overwegende dat hieruit evenwel niet mag afgeleid worden dat betrokkene niet voldoende zou zijn ingelicht door zijn functionele chef over zijn functione- ringstekorten, zoals blijkt uit de opgave op de bladzijden 13 en 14 van het beschrijvend evaluatieverslag van de talrijke zowel individuele als teamge- sprekken hierover, Overwegende dat uit het beschrijvend evaluatieverslag en zijn bijlagen genoegzaam blijkt dat de prestaties van de heer Eric Van Parys manifest ondermaats zijn, zowel op het vlak van de kwaliteit en de kwantiteit van het geleverde werk, als inzake samenwerking met de collega’s en algemene attitude, Overwegende dat aldus voldaan is aan de bepalingen van artikel 20 van het Koninklijk Besluit van 2 augustus 2002 tot invoering van een evaluatiecyclus in de federale overheidsdiensten, waarin de voorwaarden voor de eindvermel- ding ‘onvoldoende’ worden bepaald, Beslis ik dat de eerste vermelding onvoldoende als eindevaluatie voor de heer Eric Van Parys, technisch deskundige tewerkgesteld bij de Directiegene- raal Sociale Inspectie, in het beschrijvend evaluatieverslag d.d. 8 februari 2006 dient behouden te worden.” Dit is de bestreden beslissing. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
- De verwerende partij ontving door middel van een aangetekend schrijven met ontvangstbewijs uitgaande van de griffie een afschrift van het verzoekschrift. Uit het bericht van ontvangst blijkt duidelijk dat de verwerende partij dit schrijven op 4 oktober 2006 heeft ontvangen, en niet op 6 oktober 2006, zoals zij in haar laatste memorie en ter zitting beweert. De memorie van antwoord en het administratief dossier werden door de verwerende partij ingediend op 5 december
- Aldus werden de memorie van antwoord en het administratief dossier laattijdig ingediend. Bijgevolg dient de memorie van antwoord overeenkom- stig artikel 21, vijfde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State uit de debatten te worden geweerd. Voorts worden, overeenkomstig artikel 21, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de door de verzoeker aangehaalde feiten bewezen geacht, nu zij niet kennelijk onjuist blijken te zijn. IX-5422-6/17
- Door de verzoeker werd op 28 september 2009, buiten de voorziene termijn om een laatste memorie in te dienen, een aanvullende memorie ingediend. Vermits in het indienen van dergelijk stuk niet voorzien is in het algemeen procedurereglement, dient deze aanvullende memorie uit de debatten te worden geweerd. V. Ontvankelijkheid van het beroep 6.
- In haar laatste memorie werpt de verwerende partij op dat de verzoeker een gebrek aan belang vertoont bij het onderhavige beroep. Zij schrijft dat overeenkomstig artikel 21 van het koninklijk besluit van 2 augustus 2002 de afdankingsprocedure slechts kan worden opgestart indien binnen drie jaar na de eerste vermelding “onvoldoende” een tweede vermelding “onvoldoende” volgt. Volgens haar is die periode van drie jaar volgend op de bestreden beslissing verstreken, zodat die beslissing geen aanleiding meer kan geven tot het ontslag van de verzoeker. 6.
- De stelling van de verwerende partij kan niet worden bijgevallen. De verzoeker behoudt immers op zijn minst nog een moreel belang bij de vernietiging van de beslissing waarbij hem een ongunstige evaluatie wordt toegekend. VI. Onderzoek van de middelen A. Vierde middel Standpunt van de partijen 7.
- In een vierde middel voert de verzoeker de schending aan van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshan- delingen. De verzoeker houdt voor dat de motivering van de bestreden beslissing afwijkt van het advies van de raad van beroep en geenszins afdoende is. Met name wordt in de motivering erkend dat zijn evaluatie aangetast is door procedurefouten, die volgens de voorzitter van het directiecomité evenwel van formele aard zijn en niet zwaar genoeg doorwegen, terwijl volgens de raad van IX-5422-7/17 beroep deze procedurefouten wel voldoende zwaar wegen om de negatieve evaluatie te schrappen. De verzoeker stelt vast dat de voorzitter niet motiveert waarom het feit dat er in het opvolgingsdossier geen negatieve vermelding is opgenomen, niet voldoende zwaar doorweegt. Wat de verwijzing in de bestreden beslissing betreft naar de bladzijden 13 en 14 van het beschrijvend evaluatieverslag, en dus tevens naar de vergaderingen waar hij naar zijn zeggen gekraakt werd, is de verzoeker van oordeel dat deze motivering niets te maken heeft met zijn functioneren als technisch deskundige, maar enkel met de houding van zijn functionele chef ten opzichte van hem. De voorzitter heeft zich bij het bevestigen van de negatieve evaluatie volgens de verzoeker dan ook gebaseerd op motieven die niets te maken hebben met zijn functioneren en die door de raad van beroep niet werden weerhouden. Verder houdt de verzoeker voor dat ook zijn oorspronkelijke evaluatie van 8 februari 2006 niet afdoende is gemotiveerd. Met name bestaat de motivatie uit subjectieve gegevens die niet meetbaar zijn en die geëvalueerd worden op basis van dubieuze niet afgesproken meetinstrumenten. De verzoeker wijst voorts op de in het logboek op 8 augustus 2005 opgenomen positieve vermeldingen en stelt dat niet wordt gemotiveerd waarom hij vijf maanden later plots zeer negatief scoort. De verzoeker is dan ook van oordeel dat noch de beslissing van de voorzitter, noch het beschrijvend evaluatieverslag voldoende gemotiveerd zijn. 7.
- In zijn memorie van wederantwoord stelt de verzoeker dat bij problemen tijdens de evaluatieperiode de mogelijkheid van een functioneringsge- sprek is voorzien, dat volgens een afspraak op de FOD Sociale Zekerheid, opgenomen dient te worden in het logboek. Volgens de verzoeker heeft in de loop van de evaluatieperiode één functioneringsgesprek plaatsgevonden en wordt er verder enkel verwezen naar individuele vergaderingen waarop hij niet aanwezig was en die volgens hem zelfs niet hebben plaatsgevonden en naar teamvergaderingen. De verzoeker is van oordeel dat zijn vermeend slecht functioneren had moeten worden meegedeeld tijdens de functioneringsgesprekken, die dienden gevoerd te worden onder de vorm van een dialoog en opgenomen te worden in het logboek. Nu dit niet gebeurd is, faalt volgens hem de motivatie. IX-5422-8/17 Wat het advies van de raad van beroep betreft, kan dat volgens de verzoeker bezwaarlijk als vaag worden beschouwd. Met name leest de verzoeker in dit advies dat hij een zeer grote motivatie en interesse vertoont in zijn werk, dat hij op zelfstandige basis kan uitvoeren. Vermits dit vermeld staat in het logboek van zijn evaluatiedossier, betreft dit volgens hem een louter objectieve vaststelling van de raad van beroep. De overweging van de raad van beroep dat hij het er niet zo slecht van afgebracht heeft, blijkt volgens hem eveneens uit het evaluatiedossier. De verzoeker is van oordeel dat de raad van beroep naar de geest van het evaluatiever- slag verwees, waaruit blijkt dat de evaluator alles zeer negatief bekijkt. De verwerende partij daarentegen bekijkt volgens hem het evaluatieverslag letterlijk en volgt blindelings de eenzijdige, negatieve (en foutieve) vaststellingen van de evaluator. De verzoeker meent dat de raad van beroep zijn advies motiveert op basis van enkele concrete gegevens en een aantal objectieve feiten, die niet voorkomen in de motivering van de bestreden beslissing. Met name stelt de raad van beroep vast dat de negatieve vermeldingen in strijd zijn met de vermeldingen in het evaluatiedossier. De voorzitter van het directiecomité doet dit volgens de verzoeker af als zijnde van formele aard, zonder te motiveren waarom deze objectieve vaststelling van formele aard zou zijn. Voorts stelt de raad van beroep vast dat uit het evaluatieverslag blijkt dat een aantal taken tot voldoening van de verwerende partij werden uitgevoerd, terwijl de voorzitter volgens de verzoeker niet motiveert waarom dit niet relevant is en evenmin de motivatie van de raad van beroep herneemt. Tevens stelt de raad van beroep vast dat de laatste vier maanden van de evaluatieperiode grote verwarring bestaat die noch door de elementen van het dossier, noch door de verzoeker zelf kunnen worden uitgeklaard, terwijl de voorzitter dit volgens de verzoeker zelfs niet vermeldt en dit dus niet weerlegt noch motiveert waarom dit niet ter zake doet. 7.
- In haar laatste memorie betwist de verwerende partij dat de verzoeker tot augustus 2005 steeds positief beoordeeld is, vermits uit zijn persoonlijk ontwikkelingsplan van 22 februari 2005 blijkt dat hij ingevolge zijn IX-5422-9/17 evaluatie eind 2004 voor de tweede maal de interne opleiding diende te volgen met betrekking tot de wetgevingen waarvoor de sociale inspectie bevoegd is. Volgens de verwerende partij wijst dit er op dat zijn werkprestaties reeds in 2004 niet voldeden. Zij benadrukt dat het uiterst ongewoon is dat een technisch deskundige dergelijke opleiding voor de tweede maal dient te volgen. Voorts merkt de verwerende partij op dat zelfs indien zijn prestaties tot 8 augustus 2005 steeds positief beoordeeld zouden zijn, zij daarna achteruit kunnen zijn gegaan en op die wijze de eindbeoordeling “onvoldoende” kunnen verantwoorden. Bovendien stelt de verwerende partij dat de zwakheden van de prestaties van de verzoeker van die aard waren dat zij slechts eind 2005 aan het licht kwamen, naar aanleiding van een beoordeling van het geheel van zijn prestaties in
- Dat de zwakke prestaties zich uitstrekken over het hele jaar 2005, blijkt volgens de verwerende partij uit de bijlagen 24 tot en met 29 van het evaluatiever- slag, die voorbeelden bevatten van voorbereidingen gemaakt door de verzoeker in januari, mei, juni en juli 2005 met miskenning van de afgesproken werkmethodie- ken, alsook uit de volgende vaststellingen in het gedetailleerde evaluatierapport: - het optrekken van het vergaderritme in verband met de werking van de site van maandelijks naar wekelijks, omdat het maandelijks vergaderritme niet volstond voor de verzoeker, - een voorbeeld van een fout begaan door de verzoeker vóór 8 augustus 2005 bij het wijzigen van een wettekst, - het sterk verminderen in de tweede helft van 2005 van de vraag aan de verzoeker om vertaalwerk te verrichten. De verwerende partij is van mening dat de voorzitter van het directiecomité zonder meer kon verwijzen naar het uiterst gedetailleerde beschrij- vend evaluatierapport, zonder de inhoud ervan in extenso te moeten overnemen. Dit verslag was immers reeds ter kennis gebracht aan de verzoeker, is op zichzelf voldoende gemotiveerd en is in overeenstemming met de bestreden beslissing. Bovendien houdt de verwerende partij voor dat in de bestreden beslissing zelf gemotiveerd wordt waarom het evaluatieverslag wordt gevolgd en waarom de kritiek van de raad van beroep met betrekking tot het gebrek aan negatieve vermeldingen in het logboek niet van die aard is om de beoordeling te wijzigen. IX-5422-10/17 Beoordeling 7.4.
- De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen verplichten de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op een “afdoende” wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, derwijze dat blijkt, of minstens kan worden nagegaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die gegevens correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Deze redengeving moet des te concreter en preciezer zijn wanneer de beslissing afwijkt van een voorafgaand advies, ook al is dit niet bindend, dat op duidelijke en concrete elementen is gesteund. In een dergelijk geval mag de overheid zich niet beperken tot een niet gemotiveerd tegenspreken van het advies, maar moet zij integendeel duidelijk maken waarom zij van oordeel is de argumenten waarop de adviesverlenende instantie steunt niet te kunnen volgen. Hoewel de overheid er niet toe gehouden is het advies punt voor punt te weerleggen, dient uit de beslissing niettemin duidelijk te blijken op grond van welke motieven de overheid oordeelt te moeten afwijken van het advies. 7.4.
- Te dezen wijkt de bestreden beslissing af van het advies van de departementale raad van beroep. In dat advies stelt de raad van beroep onder meer vast dat de door de hiërarchische meerdere van de verzoeker in het beschrijvend evaluatierapport beschreven tekortkomingen over het geheel van het jaar 2005 in strijd zijn met de IX-5422-11/17 positieve vermeldingen in het logboek en dat niet wordt aangegeven hoe dit komt. In de bestreden beslissing wordt erkend dat het dossier “Ontwikkelingsopvolging” enkele gebreken vertoont, zoals het feit dat de negatieve vaststellingen niet opgenomen zijn in het logboek, maar wordt overwogen dat die gebreken eerder van formele aard zijn. De verzoeker zou immers op voldoende wijze ingelicht zijn over zijn functioneringstekorten. Waar de raad van beroep aldus belang lijkt te hechten aan het formeel optekenen van positieve of negatieve vaststellingen in het logboek wanneer deze zich voordoen, minimaliseert de voorzitter van het directiecomité deze taak, zonder evenwel te verduidelijken waarom de raad van beroep ten onrechte teveel waarde zou hechten aan het logboek. Evenmin geeft de voorzitter een verklaring voor het gebrek aan negatieve vermeldingen in het logboek. In zijn advies stelt de raad van beroep ook vast dat een aantal taken over het geheel van het jaar blijkbaar tot voldoening van de verwerende partij werden uitgevoerd. In de bestreden beslissing wordt verwezen naar het beschrijvend evaluatieverslag met bijlagen waaruit genoegzaam zou blijken dat de prestaties van de verzoeker manifest ondermaats zijn. Het “manifest” ondermaats zijn van de prestaties van de verzoeker staat lijnrecht tegenover de bevinding van de raad van beroep dat een aantal taken over het geheel van het jaar blijkbaar tot voldoening van de verwerende partij werden uitgevoerd. Deze bevinding van de raad van beroep wordt in de bestreden beslissing evenwel niet weerlegd. Er wordt door de voorzitter van het directiecomité zelfs met geen woord gerept over taken die tot voldoening zouden zijn uitgevoerd, noch over enige “positieve vermelding” met betrekking tot de verzoeker. Voorts stelt de raad van beroep in zijn advies vast dat over de laatste vier maanden van 2005 grote verwarring bestaat , die noch door de elementen van het dossier, noch door de betrokkene tijdens de zitting wordt uitgeklaard. Hoewel deze vaststelling door de raad van beroep in zeer algemene termen wordt geformuleerd en niet wordt verduidelijkt waarover precies verwarring bestaat, wordt dit in de bestreden beslissing niet tegengesproken door de voorzitter van het directiecomité, die volledig voorbijgaat aan deze vaststelling. Bovendien stelt de raad van beroep in zijn advies vast dat in het evaluatieverslag verwezen wordt naar de negatieve inschrijving en het functione- ringsgesprek van december 2005 en dat een aantal citaten daaruit in dat verslag zijn opgenomen, maar dat verder in het dossier daarvan geen enkele feitelijke IX-5422-12/17 aanduiding terug te vinden is en deze elementen tevens betwist worden door de verzoeker. In de bestreden beslissing wordt verwezen naar het evaluatieverslag waaruit het bestaan zou blijken van talrijke zowel individuele- als teamgesprekken omtrent verzoekers functioneringstekorten. Aldus lijkt de raad van beroep te willen benadrukken dat de loutere vermelding in het evaluatieverslag niet volstaat als bewijs van een functioneringsgesprek, wanneer geen verdere feitelijke aanwijzingen van dat gesprek zijn terug te vinden in het dossier. De voorzitter van het directieco- mité gaat evenwel opnieuw voorbij aan deze overweging van de raad van beroep, door louter te verwijzen naar het evaluatieverslag en de opsomming daarin van de talrijke gesprekken, om aan te tonen dat de verzoeker voldoende ingelicht werd over zijn functioneringstekorten. Bijgevolg is de motivering van de bestreden beslissing niet “afdoende” in de zin van de wet van 29 juli
- 7.4.
- Het middel is in die mate gegrond. B. Vijfde middel Standpunt van de partijen 8.
- In een vijfde middel voert de verzoeker de schending aan van artikel 20 van het koninklijk besluit van 2 augustus 2002 tot invoering van een evaluatiecyclus in de federale overheidsdiensten (hierna: het koninklijk besluit van 2 augustus 2002). Uit deze bepaling en uit de toelichting bij deze bepaling in het Verslag aan de Koning, blijkt volgens de verzoeker duidelijk dat een manifest slecht functioneren vastgesteld moet worden over de volledige evaluatieperiode om de beoordeling “onvoldoende” te kunnen toekennen. Bovendien schrijft de verzoeker dat vóór de negatieve evaluatie een remediëring moet zijn opgesteld en dat uit de functioneringsgesprekken moet blijken dat deze remediëring niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. Volgens de verzoeker blijkt te dezen uit het verslag van het functioneringsgesprek van 8 augustus 2005 dat niets wordt aangemerkt op zijn IX-5422-13/17 functioneren. Integendeel blijkt uit het beschrijvend evaluatieverslag dat hij een aantal van de hem toegewezen taken correct uitvoert. De verzoeker is dan ook van oordeel dat het “manifest ondermaats functioneren” gedurende het jaar 2005 niet kan worden vastgesteld op basis van het beschrijvend evaluatieverslag. 8.
- In zijn memorie van wederantwoord schrijft de verzoeker dat uit het evaluatiedossier niet blijkt dat er sprake is van een manifest ondermaats functioneren, nu een aantal taken tot voldoening werden uitgevoerd, het evaluatie- verslag op zijn minst gezegd dubieus is en uit het logboek blijkt dat op 8 augustus 2005 enkel met lof over zijn functioneren werd geschreven. Volgens de verzoeker wordt dit bijgetreden door de raad van beroep, die motiveert dat een aantal taken over het geheel van het jaar tot voldoening werden uitgevoerd. Dit laatste blijkt volgens de verzoeker ook uit het evaluatieverslag. 8.
- In haar laatste memorie voert de verwerende partij aan dat artikel 20 van het koninklijk besluit van 2 augustus 2002 niet letterlijk bepaalt dat de betrokken ambtenaar over de mogelijkheid moet beschikken om zijn zwakheden te remediëren, vooraleer hem een negatieve beoordeling kan worden toegekend. Zij ziet de evaluatie op zich als een waarschuwing voor de ambtenaar om zich te verbeteren, in het bijzonder nu er volgens genoemd besluit slechts een voorstel tot afdanking kan worden gedaan indien binnen de drie jaar een tweede vermelding “onvoldoende” volgt. Wat de verwijzing in de bestreden beslissing naar het beschrijvend evaluatieverslag betreft, merkt de verwerende partij op dat uit dat verslag afdoende blijkt dat de werkprestaties van de verzoeker onder het te verwachten niveau blijven, wat volgens haar betekent dat wel degelijk voldaan is aan de voorwaarde van voormeld artikel
- Beoordeling 8.4.
- Luidens artikel 20, eerste lid, van het koninklijk besluit van 2 augustus 2002 kan een evaluatieverslag slechts een eindvermelding “onvoldoen- de” vermelden wegens manifest ondermaats functioneren van de geëvalueerde. IX-5422-14/17 In het Verslag aan de Koning waarin deze bepaling wordt toegelicht, wordt geschreven dat de toekenning van een vermelding “onvoldoende” dient voorafgegaan te worden door formele of informele waarschuwingen aan de geëvalueerde. 8.4.
- In het dossier “Ontwikkelingsopvolging” voor de periode van 1 januari 2005 tot 31 december 2005 is uitdrukkelijk vermeld dat de chef in het logboek zowel positieve (zoals opvallende prestaties) als kritische functionerings- momenten (feiten of gedrag) noteert, evenals zijn of haar interventies en dat kritische aantekeningen steeds besproken dienen te worden tussen de chef en de medewerker en dienen ondertekend door beiden. In het logboek is op 8 augustus 2005 opgetekend dat de verzoeker een grote interesse toont in zijn werk en gemotiveerd is, dat hij erin slaagt om zijn werk op een zelfstandige wijze uit te voeren, waar nodig in samenwerking en overleg met zijn chef en collega’s en dat hij oog heeft voor de gebruiksvriendelijk- heid en de correctheid van de intranetsite van de sociale inspectie. Er zijn geen negatieve vaststellingen opgetekend in het logboek. Uit het beschrijvend evaluatieverslag blijkt op omstandige wijze dat het functioneren van de verzoeker problematisch is voor een aantal taken. Andere hem opgelegde taken heeft hij naar behoren uitgevoerd. Zo blijkt er tevredenheid over de wijze waarop hij de dossiers “borgstellingen sociale secretaria- ten” afhandelt, voert hij zijn beurtrol in het documentatiebeheer van de cel legistiek met de nodige inzet uit, en beantwoordt hij de eenvoudige vragen om inlichtingen op correcte wijze. Blijkens het beschrijvend evaluatieverslag bestond aanvankelijk ten onrechte de indruk dat de verzoeker behoorlijk functioneerde. Naar aanleiding van feedback van zijn collega’s aan zijn chef begin september 2005, werd zijn problematisch functioneren echter vastgesteld. Toch komt het onredelijk voor het functioneren van de verzoeker als manifest ondermaats te beschouwen. In het logboek, dat er precies toe dient alle positieve en negatieve bevindingen met betrekking tot zijn functioneren vast te stellen, is immers geen negatieve connotatie terug te vinden. Integendeel blijkt uit het logboek dat het functioneren van de verzoeker op 8 augustus 2005 nog als IX-5422-15/17 uitsluitend positief werd ervaren. Indien zijn functioneren in 2005 daadwerkelijk manifest ondermaats zou zijn geweest, valt trouwens moeilijk in te zien waarom zijn chef pas in september 2005 hiervan lucht kreeg. 8.4.
- Blijkens het beschrijvend evaluatierapport is de verzoeker in de loop van de evaluatieperiode aangesproken over zijn problematisch functioneren, enerzijds op informele wijze, met een reeks individuele gesprekken op 7 en 15 september, 12 en 25 oktober en 17 en 29 november 2005 en ook naar aanleiding van verschillende teamvergaderingen over de werking van de site op 21 februari, 26 april, 24 mei, 7 juli, 29 september, 5 oktober, 29 november en 5, 12 en 19 december 2005, anderzijds op formele wijze, met een formeel functioneringsge- sprek op 12 december 2005 waarvan een gedetailleerd verslag zou zijn genoteerd in het dossier Ontwikkelingsopvolging. Wat de informele individuele gesprekken betreft, dient te worden vastgesteld dat deze geen steun vinden in het dossier. De verzoeker ontkent bovendien dat deze “individuele vergaderingen” zouden hebben plaatsgevonden. Met uitzondering van de vergaderingen van 21 februari, 26 april en 7 juli 2005, blijkt niet uit het dossier dat voormelde teamvergaderingen hebben plaatsgevonden. Minstens blijkt niet dat de verzoeker tijdens deze vergaderingen effectief zou zijn aangesproken over zijn problematisch functioneren, nu deze vergaderingen volgens het evaluatieverslag “betrekking hebben op de werking van de site”. De teamvergaderingen van 21 februari, 26 april en 7 juli 2005 dateren van vóór september 2005, datum waarop luidens het evaluatieverslag verzoekers chef voor het eerst kennis kreeg van zijn problematisch functioneren. Wat het formeel functioneringsgesprek van 12 december 2005 betreft, blijkt niet dat dit is opgenomen in het logboek. Wel bevindt zich een omstandig verslag van dat functioneringsgesprek, geparafeerd door de verzoeker, in het administratief dossier en wordt door de verzoeker niet ontkend dat dit gesprek heeft plaatsgevonden. Aldus blijkt dat de verzoeker voorafgaand aan de toekenning van de eindvermelding “onvoldoende” wel degelijk op formele wijze is aangespro- ken over zijn problematisch functioneren. Het functioneringsgesprek van 12 december 2005 kan evenwel niet worden beschouwd als een formele “waarschu- wing” voorafgaand aan de toekenning van de vermelding “onvoldoende”, nu dit IX-5422-16/17 gesprek dermate laat in de evaluatieperiode heeft plaatsgevonden dat het geen remediëring meer toeliet. 8.4.
- Uit het voorgaande volgt dat artikel 20 van het koninklijk besluit van 2 augustus 2002 is geschonden. Het middel is gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt de beslissing van 18 juli 2006 van de voorzitter van het directiecomité van de FOD Sociale Zekerheid waarbij Eric VAN PARYS voor het jaar 2005 de eindevaluatie onvoldoende krijgt.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 8 februari 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-5422-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.560 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div