← België

Arrest 200562 - Tucht (openbaar ambt) - 08/02/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.562 Rolnummer: A. 175219/IX-5380 Zaak: Arrest 200562 - Tucht (openbaar ambt) - 08/02/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-18 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-02 08:42 Fiche Arrest nr 200.562 van 8 februari 2010 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 200.562 van 8 februari 2010 in de zaak A. 175.219/IX-5380 In zake : Luc HERTOGHE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGP/DPS gevestigd te Brussel Fritz Toussaintstraat 47 --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 25 juli 2006, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 30 mei 2006 van de waarnemend directeur-generaal van de Bestuurlijke Politie der Federale Politie, waarbij aan Luc Hertoghe de zware tuchtstraf van inhouding van wedde van 10 % gedurende één maand wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. IX-5380-1/7 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 januari
  3. Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. Adviseur Ruben Goosens, die verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De verzoeker is inspecteur van politie bij de Federale Politie, Wegpolitie Brabant. Op 10 juni 2005 dienen de korpschef en de voorzitter van het politiecollege van de lokale politiezone Ternat, Affligem, Roosdaal, Liedekerke (hierna: de politiezone TARL) bij de directeur-coördinator adjunct (DirCo Adj) van de Federale Politie, Coördinatie en Steundienst, klacht in omtrent feiten die zich afgespeeld hebben in de nacht van 7 op 8 juni 2005 de interventieploeg van de politiezone TARL op het grondgebied Affligem een groot aantal personen van vreemde origine heeft aangetroffen. Uit hun verhoor blijkt dat zij eerder die nacht reeds onderschept en opgepakt waren door een andere politiedienst op een parking in Groot-Bijgaarden, buiten het grondgebied van de lokale politiezone TARL. De laatstgenoemde politiedienst waarvan de verzoeker deel uitmaakte heeft deze personen met een celwagen op het grondgebied van de politiezone TARL gedropt. Over deze feiten wordt een informatierapport opgesteld ter attentie van directeur van de Algemene Directie Bestuurlijke Politie (Dir DAC), die in zijn hoedanigheid van gewone tuchtoverheid op 20 juni 2005 beslist dat een voorafgaand onderzoeker moet worden aangesteld. IX-5380-2/7 3.
  6. Op 10 oktober 2005 finaliseert de voorafgaand onderzoeker haar eindverslag waarin zij besluit dat de verzoeker aan zijn beroepsplichten tekort gekomen is. 3.
  7. Op 17 oktober 2005 beslist de DirDAC, als gewone tuchtoverheid van de verzoeker, de hogere tuchtoverheid te vatten, dit is de directeur-generaal van de Algemene Directie Bestuurlijke Politie (DGA). 3.
  8. Op 30 november 2005 stelt hoofdcommissaris H. Bliki, als “waarnemend directeur-generaal”, lastens de verzoeker een inleidend verslag op waarin voorgesteld wordt om de verzoeker de tuchtstraf van inhouding van 10 % van de wedde gedurende twee maanden op te leggen. De verzoeker dient hiertegen een verweerschrift in, waarin hij onder meer aanvoert dat uit geen enkele akte blijkt dat HCP H. Bliki als waarne- mend directeur-generaal werd aangesteld en dat het inleidend verslag uitgaat van een onbevoegde overheid. 3.
  9. Op 10 januari 2006 beslist HCP Herman Bliki als “waarnemend directeur-generaal” lastens de verzoeker het voorstel van de zware tuchtstraf van inhouding van 10 % van de wedde gedurende twee maanden uit te spreken. Inzonderheid wat betreft zijn bevoegdheid om in de plaats van de directeur-generaal te handelen stelt hij: “Het ambt van directeur-generaal van bestuurlijke politie (DGA) is momenteel vacant. De heer Bliki werd door de Minister van Binnenlandse Zaken aangesteld als adjunct-directeur-generaal. Gelet op de niet-invulling van het ambt van directeur-generaal neemt de heer Bliki als adjunct DGA het ambt van DGA tijdelijk waar. In die functie heeft hij dan ook alle bevoegdheden die aan dit ambt zijn verbonden, waaronder deze van hogere tuchtoverheid.” 3.
  10. Tegen deze beslissing dient de verzoeker een verzoek tot heroverweging in bij de tuchtraad. 3.
  11. Op 24 maart 2006 beveelt de tuchtraad een bijkomend onderzoek. Op 19 mei 2006 geeft de tuchtraad zijn definitief advies: hij stelt voor om aan de verzoeker de inhouding van 10 % van wedde gedurende één maand op te leggen. IX-5380-3/7 3.
  12. Op 30 mei 2006 beslist HCP H. Bliki als “waarnemend directeur- generaal”, in overeenstemming met het advies van de tuchtraad aan de verzoeker de zware tuchtstraf van inhouding van 10 % van zijn wedde gedurende één maand op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het vierde middel Standpunt van de partijen
  13. De verzoeker voert in zijn vierde middel de onbevoegdheid van de hogere tuchtoverheid, schending van artikel 20 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna: de tuchtwet) en schending van artikel 3 van het koninklijk besluit van 26 november 2001 tot uitvoering van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna: het uitvoeringsbesluit) aan. Hij stelt dat, overeenkomstig artikel 20 van de tuchtwet de hogere tuchtoverheid in zijn geval de directeur-generaal Ph. Warny was, maar deze is op geen enkel ogenblik in de procedure opgetreden, terwijl H. Bliki als “waarnemend” directeur-generaal in zijn plaats een aantal handelingen heeft gesteld. De verzoeker heeft in zijn verweer- schrift tegen het inleidend verslag uitdrukkelijk gevraagd enerzijds naar de rechtsgrond waarop waarnemend directeur-generaal Bliki zich steunde om op te treden als hogere tuchtoverheid, en anderzijds op welke rechtsgrond zijn aanwijzing als waarnemend directeur-generaal is gesteund. In het voorstel tot zware tuchtstraf is daarop geantwoord dat het ambt van directeur-generaal momenteel vacant was, dat de heer Bliki aangesteld was als adjunct-directeur-generaal, waardoor hij tijdelijk het ambt van directeur-generaal zou waarnemen en waardoor hij ook alle bevoegdheden die aan dit ambt verbonden zijn zou kunnen uitoefenen. Van de aanstelling tot waarnemend directeur-generaal wordt evenwel geen enkel bewijs geleverd. Indien al een dergelijke akte zou bestaan is ze bovendien niet in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt en dus niet aan de verzoeker tegenstelbaar. De bevoegdheidsregels raken de openbare orde en moeten strikt geïnterpreteerd worden. Dat H. Bliki zich feitelijk opwerpt als waarnemend directeur-generaal levert geen bewijs dat hij als waarnemend directeur-generaal is aangesteld. Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 66bis van de tuchtwet blijkt dat er niemand werd aangewezen om tijdelijk het ambt van directeur-generaal van de bestuurlijke politie uit te oefenen. Zodoende is er geen titularis van het ambt van directeur- generaal terwijl nochtans alleen hij de tuchtbevoegdheid tegen de verzoeker kon IX-5380-4/7 uitoefenen. Aangezien H. Bliki het inleidend verslag heeft opgesteld, is de verdere tuchtprocedure en de bestreden beslissing nietig.
  14. De verwerende partij verwijst naar het voorstel tot tuchtstraf waarin het optreden van H. Bliki verantwoord wordt en betoogt dat de tuchtraad in zijn advies ter zake geen opmerkingen gemaakt heeft, zodat zij niet anders kon besluiten dan dat er zich op procedureel vlak geen probleem stelde, laat staan dat er een fundamenteel bezwaar zou zijn waardoor de hogere tuchtoverheid zou moeten afzien van verdere vervolging. Beoordeling
  15. De verzoeker voert aan dat het inleidend verslag ondertekend is door adjunct-directeur-generaal H. Bliki, terwijl enkel Ph. Warny die bevoegdheid had omdat hij de directeur-generaal is die als hogere tuchtoverheid voor de verzoeker fungeert. Volgens hem vitieert die onregelmatigheid ook de eindbeslis- sing. Uit het sub 3.5 geciteerd antwoord van H. Bliki op de bemerking van de verzoeker blijkt duidelijk dat het ambt van directeur-generaal van bestuurlij- ke politie op het ogenblik van het inleidend verslag vacant was en dat H. Bliki, aangesteld als adjunct-directeur-generaal, in de tuchtzaak van de verzoeker de bevoegdheden van de directeur-generaal uitgeoefend heeft zonder formeel aangesteld te zijn om de functie waar te nemen. Hij ging er derhalve vanuit dat zijn aanstelling als adjunct-directeur-generaal op zich volstond om de bevoegdheden van de directeur-generaal bij diens afwezigheid uit te oefenen.
  16. De aanwijzing, in artikel 20, 2/, a, van de tuchtwet, van de directeur-generaal als hogere tuchtoverheid, is een toegewezen bevoegdheid. Het is de directeur-generaal zelf die het in artikel 38 van de tuchtwet bedoeld inleidend verslag moet opstellen. Er bestaat geen beslissing waarbij H. Bliki aangewezen werd voor het waarnemen van het hoger ambt van directeur-generaal, zoals dat mogelijk gemaakt is door artikel VI.II.77 en volgende RPPol en dat hem de volheid van bevoegdheden verleend zou hebben. Daargelaten de vraag of een toewezen bevoegdheid, inzonderheid in tuchtaangelegenheden, kan gedelegeerd worden, wordt te dezen vastgesteld dat IX-5380-5/7 dergelijke delegatie niet bestaat. Een delegatie van bevoegdheden wordt ook niet verondersteld. En de mogelijkheid om te voorzien in de vervanging van de directeur-generaal -artikel 66bis van de tuchtwet- is slechts ingevoerd met de wet van 23 december 2005, terwijl het inleidend tuchtverslag dagtekent van 30 november 2005 en er in ieder geval geen dergelijke vervangingsbeslissing overgelegd wordt.
  17. De loutere hoedanigheid van aangewezen adjunct-directeur- generaal -aanwijzing die gebeurde nadat zijn benoeming in die graad door het arrest nr. 146.859 van 28 juni 2005 was vernietigd- verleende H. Bliki niet de bevoegdheid om de bevoegdheden van de directeur-generaal te assumeren. En zoals de Raad van State in het arrest nr. 198.352 van 30 november 2009 inzake Vandewalle heeft beslist, kan de theorie van de feitelijke ambtenaar niet nuttig worden aangevoerd wanneer het bestuur de mogelijkheid heeft om op grond van een statutaire bepaling te voorzien in een leemte bij de werking van het bestuur. Die redenering geldt ook voor de onderhavige zaak.
  18. De verwerende partij toont niet aan dat adjunct-directeur-generaal H. Bliki regelmatig de tuchtbevoegdheden van de afwezige directeur-generaal kon uitoefenen. Het inleidend verslag, dat door hem ondertekend is, is onregelmatig. Dit vitieert de gehele tuchtprocedure tot en met de eindbeslissing.
  19. Het middel is gegrond. BESLISSING
  20. De Raad van State vernietigt de beslissing van 30 mei 2006 van de waarne- mend directeur-generaal van de Bestuurlijke Politie der Federale Politie, waarbij aan Luc Hertoghe de zware tuchtstraf van inhouding van wedde van 10 % gedurende één maand wordt opgelegd.
  21. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. IX-5380-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 8 februari 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-5380-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.562 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.