id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.570 Rolnummer: A. 114301/IX-3153 Zaak: Arrest 200570 - Accountants en Belastingconsulenten - 08/02/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-16 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-07-02 08:42 Fiche Arrest nr 200.570 van 8 februari 2010 Beroepen - Accountants en Belastingconsulenten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 200.570 van 8 februari 2010 in de zaak A. 114.301/IX-3153 In zake : Freddy VANDER PAELT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Eddy Debusschere kantoor houdend te Kortrijk President Rooseveltplein 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het INSTITUUT VAN DE ACCOUNTANTS EN DE BELASTINGCONSULENTEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Martin Lebbe kantoor houdend te Brussel Louizalaan 106 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 18 december 2001, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de commissie van beroep van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten van 18 oktober 2001, waarbij het beroep van Freddy Vander Paelt tegen de weigering van de raad van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten van 3 juli 2000 om hem de hoedanigheid van belastingconsulent te verlenen, ongegrond wordt verklaard en hem de voornoemde hoedanigheid niet wordt verleend. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Luc Vermeire heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. IX-3153-1/23 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 1 februari
- Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Katrien Depoorter, die loco advocaat Eddy Debusschere verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Pieter Callebaut, die loco advocaat Martin Lebbe verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Luc Vermeire heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Wettelijk kader 3.
- De wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen (hierna: de wet van 22 april 1999) strekt er luidens de memorie van toelichting toe om, “enerzijds, de uitoefening van het fiscaal beroep te reglemente- ren, en, anderzijds, de toenadering te bevorderen tussen de verscheidene structuren waarin de economische beroepen georganiseerd zijn”. 3.
- Artikel 34 van de wet van 22 april 1999 omschrijft de functie van accountant als volgt: “De werkzaamheden van accountant bestaan erin, in privé-onderneming- en, openbare instellingen of voor rekening van elke belanghebbende persoon of instelling, de volgende opdrachten uit te voeren: 1/ alle boekhoudstukken nazien en corrigeren; 2/ zowel privé- als gerechtelijke expertise met betrekking tot de boek- houdkundige organisatie van ondernemingen alsook de analyse met boekhoudtechnische procédés, van de positie en werking van ondernemingen vanuit het oogpunt van hun kredietwaardigheid, rentabiliteit en risico’s; 3/ boekhoudkundige en administratieve diensten bij ondernemingen organiseren en advies verstrekken inzake boekhoudkundige en administratieve organisatie bij ondernemingen; 4/ de boekhouding van derden organiseren en voeren; 5/ de in artikel 38 bedoelde werkzaamheden, met uitzondering van de in artikel 38, 3/, bedoelde werkzaamheden voor ondernemingen waarin hij opdrachten bedoeld in 6/ en in artikel 37, eerste lid, 2/, verricht; IX-3153-2/23 6/ de opdrachten andere dan deze bedoeld in 1/ tot 5/ en waarvan de uitvoering hem bij of krachtens de wet is voorbehouden.” Artikel 38 van de voornoemde wet omschrijft de functie van belastingconsulent als volgt: “De functie van belastingconsulent bestaat erin: 1/ advies te verstrekken in alle belastingaangelegenheden; 2/ belastingplichtigen bij te staan bij de nakoming van hun fiscale ver- plichtingen; 3/ belastingplichtigen te vertegenwoordigen.” 3.
- Artikel 2 van de wet van 22 april 1999 richt het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten (hierna: het IAB) op. Dit instituut, dat in de rechten en verplichtingen van het door de wet van 21 februari 1985 tot hervorming van het bedrijfsrevisoraat opgerichte Instituut der Accountants treedt, heeft in het bijzonder als opdracht “toe te zien op de opleiding, en de permanente organisatie van een korps van specialisten te verzekeren die bekwaam zijn om de functies van accountant en belastingconsulent uit te oefenen, waarvan het Instituut de organisatie kan controleren en bijsturen, met alle noodzakelijke waarborgen qua bekwaamheid, onafhankelijkheid en professionele rechtschapenheid”. Het IAB verleent aan de natuurlijke persoon die hierom verzoekt, de hoedanigheid van accountant en/of belastingconsulent, indien hij aan de voorwaarden bepaald in artikel 19 voldoet, waaronder onder meer Belg zijn of zijn woonplaats in België hebben, in het bezit zijn van het vereiste diploma, de stage beëindigd hebben, geslaagd zijn voor het bekwaamheidsexamen en, bij inschrijving op de deellijst van de externe accountants of belastingconsulenten, de eed afgelegd hebben. 3.
- Artikel 60 van de wet van 22 april 1999 machtigt de Koning om, voor de periodes waarvan hij de duur bepaalt en die samen een duur van drie jaar vanaf de inwerkingtreding van de wet (op 29 juni 1999) niet mogen overschrijden, op grond van criteria die rekening houden met de diploma’s en/of de beroepserva- ring van de kandidaat, toegangsvoorwaarden tot de titel van belastingconsulent te bepalen die afwijken van de wet (§ 1), alsook om de voorwaarden te bepalen waaronder vennootschappen die de diensten van belastingconsulent vóór 1 januari 1999 leverden, de titel van belastingconsulent mogen dragen gedurende een periode van maximum drie jaar na de inwerkingtreding van de wet (§ 2). Tijdens deze IX-3153-3/23 periodes neemt de raad van het IAB de individuele beslissingen betreffende het toekennen van de hoedanigheid van belastingconsulent op advies van een commissie die het instituut opricht en waarvan het de samenstelling en de werking bepaalt en die moet nagaan of de kandidaat de voorwaarden vervult die door de Koning bepaald zijn voor de toegang tot de titel van belastingconsulent (§ 3). 3.
- Het koninklijk besluit van 4 mei 1999 betreffende het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten (hierna: het koninklijk besluit van 4 mei 1999) regelt in de artikelen 2 tot 5 de toekenning van de hoedanigheid van belastingconsulent aan natuurlijke personen gedurende een overgangsperiode. Aldus stelt artikel 2, in uitvoering van artikel 60 van de voornoemde wet van 22 april 1999, vrij van de bij artikel 19, 3/, 4/ en 5/, van die wet vastgestelde voorwaarden inzake diploma, stage en bekwaamheidsexamen, elke persoon die binnen een termijn van achttien maanden, te rekenen vanaf de inwerkingtreding van de wet, zijn kandidatuur stelt en die hetzij aan de in artikel 2 bepaalde voorwaarden van beroepservaring voldoet en ingeschreven is op de lijst van de accountants, hetzij aan de in artikel 2 bepaalde voorwaarden van beroepservaring en diploma voldoet. 3.
- Artikel 5 van de wet van 22 april 1999 betreffende de beroeps- tucht voor accountants en belastingconsulenten (hierna: de tuchtwet van 22 april 1999) bepaalt welke tuchtstraffen kunnen worden opgelegd aan accountants en belastingconsulenten (§ 1). Het regelt eveneens de te volgen procedure en bepaalt de wijze waarop eerherstel kan worden verkregen (§§ 2 tot 6). Artikel 4 van de voornoemde wet bepaalt: “Art.
- Tuchtstraffen kunnen worden opgelegd aan accountants en belastingconsulenten : 1/ die in de uitoefening van hun opdrachten als accountant en belastingcon- sulent, tekort gekomen zijn aan hun beroepsverplichtingen; 2/ die de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid die aan het beroep ten grondslag liggen, hebben geschonden; 3/ die de rechten van de Schatkist manifest schenden of misbruik maken van de fiscale procedures bij de uitoefening van de activiteiten bedoeld in artikel 38 van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen.” IX-3153-4/23 IV. Feiten 4.
- De verzoeker stelt reeds meer dan dertig jaar te werken als zelfstandig boekhouder, later als accountant, lid van het toenmalige Instituut der Accountants. 4.
- Op 9 januari 1996 beslist de tuchtcommissie van het toenmalige Instituut der Accountants om verzoekers hoedanigheid van accountant definitief in te trekken wegens het afleggen van valse verklaringen, het schenden van het beginsel van onafhankelijkheid, het waarnemen van een bestuursmandaat in een commerciële vennootschap, het creëren van een verwarrende situatie (met betrekking tot zijn kantoor en de aldaar gevestigde vennootschappen) en het opmaken van controleverslagen die niet voldoen aan de wettelijke vereisten. Op 27 juni 1996 verwerpt de commissie van beroep van het toenmalige Instituut der Accountants het door de verzoeker ingestelde beroep tegen die beslissing van de tuchtcommissie. 4.
- Met een brief van 10 mei 2001 dient de verzoeker overeenkomstig artikel 5, § 6, 2/, van de tuchtwet van 22 april 1999 een aanvraag tot eerherstel in bij de commissie van beroep van het IAB. Op 18 oktober 2001 verklaart de commissie van beroep de vordering tot eerherstel van de verzoeker ongegrond. Zij is van mening dat er op het disciplinaire vlak een onvoldoende morele verbetering in hoofde van de verzoeker merkbaar is en dat er “individuele en sociale risico’s op herhaling blijven bestaan”. Tegen deze beslissing stelt de verzoeker bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring in (zaak A. 114.302/IX-3154). In zijn arrest nr. 198.894 van 15 december 2009 heeft de Raad van State dit beroep verworpen. 4.
- Op grond van de overgangsregeling bedoeld in artikel 60, § 1, van de wet van 22 april 1999 en het koninklijk besluit van 4 mei 1999, dient de verzoeker bij het IAB een op 21 september 1999 ondertekende toetredingsaanvraag in, teneinde ingeschreven te worden op de lijst van de externe belastingconsulenten. IX-3153-5/23 Ter staving van zijn aanvraag legt hij verscheidene diplomagetuig- schriften neer, alsook een organigram van de activiteiten die hij reeds meer dan 25 jaar uitoefent. Hij vermeldt ook dat hij sedert 1 januari 1971 de functie van belastingconsulent uitoefent. 4.
- Met een brief van 2 december 1999 meldt het IAB ontvangst van de aanvraag en deelt het mee dat de verwerving van de titel van belastingconsulent noodzakelijk een verzaking aan de titel van erkend boekhouder zal meebrengen. Teneinde het dossier te kunnen voorleggen aan de erkenningscommissie wordt gevraagd om binnen de maand een aantal ontbrekende stukken mee te delen, waaronder een kopie van het diploma hoger onderwijs, een bewijs van vijf jaar beroepservaring en kopieën van de facturen van geraadpleegde publicaties inzake fiscaliteit. 4.
- Met een brief van 14 januari 2000 maakt de raadsman van de verzoeker onder meer een getuigschrift van goed gedrag en zeden, een kopie van een kwaliteitscertificaat, een organigram en verscheidene kopieën van facturen van geraadpleegde publicaties inzake fiscaliteit over. 4.
- Met een aangetekende brief van 9 februari 2000 deelt het IAB aan de verzoeker mee dat zijn dossier nog niet volledig is. Het wijst op de vereiste omstandige toelichting met betrekking tot de professionele werkzaamheden, de samenstelling en de organisatie van het kantoor en de werkmethodes. Het herhaalt dat nog geen diploma van hoger onderwijs werd overgemaakt. 4.
- Met een brief van 13 maart 2000 bezorgt de raadsman van de verzoeker een kopie van de diploma’s die reeds eerder waren neergelegd, het organigram dat reeds was gevoegd bij zijn brief van 14 januari 2000 en een omschrijving van de werkzaamheden van de verzoeker. 4.
- Met een brief van 16 maart 2000 meldt het IAB de ontvangst van deze stukken. Er wordt ook meegedeeld dat het dossier zo spoedig mogelijk aan de erkenningscommissie zal worden voorgelegd. 4.
- Op 2 mei 2000 beslist de erkenningscommissie dat de verzoeker moet worden gehoord om bijkomende toelichting te verschaffen over zijn IX-3153-6/23 professionele ervaring inzake fiscale aangelegenheden, de organisatie en de werkmethodes van zijn kantoor en zijn beroepsdocumentatie. Op 15 juni 2000 brengt de erkenningscommissie, na de verzoeker te hebben gehoord, een negatief advies uit over zijn aanvraag om de hoedanigheid van extern belastingconsulent te verkrijgen. De commissie stelt dat de verzoeker niet beschikt over een diploma dat in aanmerking komt voor de overgangsregeling. Zij vermeldt voorts dat het punt van de toetredingsaanvraag dat betrekking had op de professionele ervaring onbeantwoord is gebleven, ondanks het aandringen van de interne diensten van het IAB. 4.
- Op 3 juli 2000 wijst de raad van het IAB de vraag van de verzoeker tot erkenning als extern belastingconsulent af op grond dat “de kandidaat [...] niet het bewijs [levert] houder te zijn van een diploma, bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 4 mei 1999 betreffende het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten”. Deze beslissing wordt met een aangetekende brief van 24 juli 2000 aan de verzoeker betekend. 4.
- Tegen deze beslissing stelt de verzoeker op 18 augustus 2000 beroep in bij de commissie van beroep van het IAB. Hij voert onder meer aan dat de voorgelegde diploma’s en de aangetoonde praktijkervaring wel voldoen aan de wettelijke vereisten. 4.
- Met een aangetekende brief van 15 september 2000 wordt de verzoeker uitgenodigd om op 26 oktober 2000 voor de commissie van beroep te verschijnen. De zitting van de commissie wordt op vraag van de verzoeker uitgesteld tot 23 november
- Intussen vraagt de secretaris van de commissie van beroep met een brief van 30 oktober 2000 aan de Hogere Leergangen voor Technisch Onderwijs van het Gemeenschapsonderwijs te Roeselare of het Rijksinstituut voor Technisch Onderwijs, waarvan de verzoeker een diploma uit 1973 voorlegt, dezelfde school is en of het desbetreffende diploma een graduaatsdiploma of een “B1” is. Het IX-3153-7/23 antwoordt van 13 november 2000 luidt dat het kwestieuze diploma noch een graduaatsdiploma, noch een “B1” is, maar wel een diploma dat het dichtst aanleunt bij een “B1”, namelijk een diploma van het korte type voor sociale promotie. Met een brief van 17 november 2000 deelt de raadsman van de verzoeker zijn verweerschrift mee waarin hij stelt dat er over de professionele werkzaamheden van de verzoeker bezwaarlijk discussie kan zijn, aangezien de verzoeker reeds dertig jaar werkt als zelfstandig boekhouder, en dat ook het voorgelegde diploma overeenstemt met hetgeen door de reglementering wordt vereist. 4.
- Op 23 november 2000 wordt de verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, gehoord door de commissie van beroep, die de zaak in voortzetting stelt. Na een nieuwe hoorzitting op 22 februari 2001 sluit de commissie van beroep de debatten en neemt ze de zaak in beraad voor uitspraak op 5 april
- 4.
- Op 5 april 2001 beslist de commissie van beroep ambtshalve tot de heropening van de debatten, aangezien de verzoeker het voorwerp uitmaakt van een definitieve intrekking van de hoedanigheid van accountant, zonder reeds de gunst van eerherstel te hebben verkregen. Volgens de commissie van beroep rijst in dat verband de vraag of de verzoeker in de mogelijkheid is om de hoedanigheid van belastingconsulent te verkrijgen, in het bijzonder wanneer rekening wordt gehouden met het geheel van de bepalingen van de wet van 22 april 1999, de tuchtwet van dezelfde datum en het koninklijk besluit van 4 mei
- De commissie van beroep overweegt dienaangaande het volgende: “[...] 4.- Overwegende dat de betrokkene zijn verzoek tot het verlenen van de hoedanigheid van belastingconsulent heeft ingediend met de mededeling dat hij niet is ingeschreven op de lijst van de accountants bedoeld in art. 5 van de Wet van 22 april 1999; dat uit het dossier, dat aan de Commissie van Beroep wordt voorgelegd, evenwel blijkt dat de betrokkene ingeschreven geweest is op de lijst van de accountants onder nr. 7196 2N 51, maar daarvan werd geschrapt bij beslissing van de Tuchtcommissie d.d. 9 januari 1996, bevestigd door de Commissie van Beroep op 27 juni 1996; dat deze schrapping overigens ter sprake kwam tijdens de debatten in de huidige rechtspleging, waar de betrokkene verklaarde dat hij eerlang een verzoek tot eerherstel zal indienen (cfr. art. 5, § 6, 2/ W. 22 april 1999 betreffende de beroepstucht voor accountants en belastingconsulenten); IX-3153-8/23 5.- Overwegende dat de Commissie van Beroep zich tijdens het beraad ambtshalve de vraag heeft gesteld of de toestand van de betrokkene kan gelijkgesteld worden met deze die bedoeld is in art 19 W. 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen, samengelezen met art. 2, tweede item, K.B. 4 mei 1999 betreffende het instituut van de accountants en de belastingconsulenten; dat de betrokkene inderdaad het voorwerp uitmaakt van een ‘definitieve in- trekking van de hoedanigheid van accountant’ volgens art. 92 W. 21 februari 1985; dat deze straf lijkt overeen te stemmen met de ‘schrapping’ bedoeld in art. 5, § 1, eerste lid, e) W. 22 april 1999 betreffende de beroepstucht voor accountants en belastingconsulenten; dat een schrapping, naar luid van art. 5, § 1, derde lid van dezelfde wet het verbod inhoudt om het beroep van accountant of belastingconsulent in België nog uit te oefenen; dat zij het voorwerp kan zijn van het hierboven reeds vermelde eerherstel; Overwegende dat terzake nog dient verwezen te worden naar de intrekking van de hoedanigheid van accountant volgens art. 76 W. 21/2/1985, wat de doorhaling meebrengt uit het register van de externe accountants, en naar de in- trekking van de hoedanigheid van accountant en/of belastingconsulent in art. 22 W. 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen; dat deze laatste intrekking de weglating tot gevolg heeft op ‘het tableau’, dat, naar luid van art. 5 W. 22/4/1999, de lijst bevat van de accountants en van de belastingconsulenten; dat de intrekking van ‘de hoedanigheid van accountant en/of belastingconsu- lent’ de herinschrijving op het tableau niet verhindert volgens de daartoe voorziene procedure (cfr. art. 13 K.B. 2 maart 1989 en art. 22, tweede lid, W. 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen); 6.- Overwegende dat het in deze omstandigheden behoort de debatten te heropenen teneinde aan de betrokkene de gelegenheid te geven zijn middelen voor te dragen omtrent het hierboven vermelde en ambtshalve ingeroepen middel; [...]” 4.
- Op 8 mei 2001 dient de verzoeker een nota in waarin hij aanvoert dat de debatten werden heropend opdat zou kunnen worden nagegaan of hij niet voldoet aan de eerste hypothese van artikel 2 van het koninklijk besluit van 4 mei 1999, namelijk gedurende ten minste vijf jaar professionele werkzaamheden hebben verricht waarin hij voldoende vorming heeft verworven om de functie van belastingconsulent uit te oefenen en ingeschreven zijn op de lijst van de accountants. Hij stelt dat dit laatste het geval zou zijn indien hij eerherstel zou verkrijgen, aangezien hij dan opnieuw zou moeten worden opgenomen in de lijst van de accountants. Indien daarentegen het eerherstel zou worden geweigerd, dan zou de IX-3153-9/23 tweede hypothese van het voornoemde artikel gelden, namelijk gedurende ten minste vijf jaar professionele werkzaamheden hebben verricht waarin voldoende vorming werd verworven om de functie van belastingconsulent uit te oefenen, en houder zijn van een voldoende diploma. 4.
- Op 14 juni 2001 beveelt de commissie van beroep dat het volledige tuchtdossier bij het dossier zou worden gevoegd, opdat zij zou kunnen nagaan of de lastens de verzoeker geformuleerde tuchtfeiten van die aard zijn dat ze, zolang hij geschrapt is als accountant, zijn inschrijving op de lijst van belastingcon- sulenten verhinderen. 4.
- Op 18 oktober 2001 beslist de commissie van beroep dat het beroep van de verzoeker niet gegrond is “in die zin dat aan de betrokkene, ingevolge de door hem bij beslissingen van 9 januari en 27 juni 1996 opgelopen tuchtstraf, niet de hoedanigheid van belastingconsulent kan worden verleend”. Dit is de bestreden beslissing. Ze is als volgt gemotiveerd: “1.- Overwegende dat de Raad van het IAB op 3 juli 2000 unaniem het negatief advies bevestigde van de Erkenningscommissie omtrent de betrokkene; dat de Raad overwoog: ‘De kandidaat levert niet het bewijs houder te zijn van een diploma, bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 4 mei 1999 betreffende het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten.’ 2.- Overwegende dat de Commissie van Beroep op 5 april 2001, op het hoger beroep van de betrokkene tegen de beslissing van 3 juli 2000, dit rechtsmiddel ontvankelijk verklaarde en vaststelde dat de zaak, zoals deze voor de Raad was gebracht, ook aanhangig werd gemaakt bij de Commissie van Beroep; dat zij vervolgens oordeelde te moeten onderzoeken of de betrokkene voldeed aan alle voorwaarden om de hoedanigheid van belastingconsulent te verkrijgen; dat zij ambtshalve vaststelde: • dat de betrokkene het voorwerp uitmaakt van de definitieve intrekking van de hoedanigheid van accountant zonder reeds de gunst te hebben genoten van een eerherstel in de zin van art. 5, § 6, 2/ van de Wet van 22 april 1999 betreffende de beroepstucht voor accountants en belasting- consulenten; IX-3153-10/23 • dat bijgevolg de vraag moet worden gesteld naar de mogelijkheid voor hem om de hoedanigheid te verwerven van belastingconsulent, gelet op het geheel van de bepalingen van de wetten van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen en betreffende de beroepstucht voor accountants en belastingconsulenten, samengelezen met het K.B. betreffende het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten; dat zij om die reden de heropening der debatten heeft bevolen; Overwegende dat de zaak opnieuw werd behandeld ter zitting van 17 mei 2001, waar zij ab ovo werd hernomen, gelet op de gewijzigde samenstelling van de zetel; 3.- Overwegende dat de Commissie van Beroep in de daarop volgende beslissing van 14 juni 2001 vaststelde dat op 27 juni 1996 de beslissing d.d. 9 januari 1996 van de Tuchtcommissie werd bevestigd waarbij aan de betrokkene als tuchtstraf de definitieve intrekking werd opgelegd van de hoedanigheid van accountant; dat zij in de vermelde beslissing van 14 juni 2001 van oordeel was dat moest worden nagezien voor welke precieze feiten de betrokkene op 9 januari en 27 juni 1996 exact werd veroordeeld teneinde te kunnen beslissen of deze feiten van die aard zijn dat zij, zolang de betrokkene geschrapt is als accoun- tant, ook zijn inschrijving verhinderen op de lijst van de belastingconsulenten; dat zij daarom de voeging beval van het volledige dossier 540N 95, voorwerp van de beslissingen van 9 januari en 27 juni 1996; 4.- Overwegende dat blijkt uit het gevoegde dossier 540N 95 dat op 9 januari 1996 door de Tuchtcommissie van het Instituut der Accountants lastens Freddy Vander Paelt de definitieve intrekking werd bevolen van de hoedanigheid van accountant; dat deze veroordeling gesteund was op vijf tenlasteleggingen:
- het afleggen van valse verklaringen, onder meer omtrent de samenwer- kingsverbanden tussen de erkende accountantsvennootschap van Freddy Vander Paelt en de vennootschappen die op hetzelfde adres gevestigd waren;
- het schenden van het beginsel van de onafhankelijkheid, zowel bij het uitoefenen van bijzondere mandaten (controleverslagen voor vennoot- schappen waarvoor hijzelf of zijn vennootschap de boekhouding deed), als bij het uitoefenen van het beroep van accountant in het algemeen;
- het waarnemen van een bestuursmandaat in een commerciële vennoot- schap;
- het creëren of/en instandhouden van een verwarringstichtende situatie (bij het cliënteel en bij het publiek de indruk doen ontstaan dat zijn kantoor één geheel vormt met de op zijn adres gevestigde vennoot- schappen);
- het opmaken van controleverslagen die niet voldoen aan de voorwaar- den; dat het hoger beroep tegen deze veroordeling ongegrond werd verklaard op 27 juni 1996; dat er tegen de beslissing in hoger beroep geen rechtsmiddel werd ingesteld; IX-3153-11/23 dat ook geen eerherstel werd verleend met toepassing van art. 5, § 6 W. 22 april 1999 betreffende de beroepstucht voor accountants en belastingcon- sulenten; 5.- Overwegende dat het Instituut van de Accountants en de Belastingcon- sulenten aan een natuurlijke persoon die hierom verzoekt de hoedanigheid verleent van belastingconsulent, indien hij voldoet aan de voorwaarden vermeld in art. 19 W. 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen, voorwaarden die tijdens de overgangsperiode worden aangepast volgens de regels van art. 2 K.B. 4 mei 1999 betreffende het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten (B. St. 29.06.1999, ed. 2, p. 24461); dat het Instituut daarbij niet ontheven is van de verplichting, na te gaan of de kandidaat-belastingconsulent voldoet aan alle garanties die moeten uitmonden in een belastingconsulent die zijn beroepsverplichtingen nakomt en de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid naleeft die aan het beroep van belastingconsulent ten grondslag liggen; Overwegende dat gebleken is uit het onderzoek van alle aan de Commissie van Beroep voorgelegde elementen en stukken dat de betrokkene deze garanties niet vervult; dat in de beslissing van 9 januari 1996 overigens werd vastgesteld dat de betrokkene ernstig in gebreke was gebleven en dat hij ongetwijfeld de bekwaamheid miste en niet was ingesteld om het beroep van accountant uit te oefenen; dat de schrapping als accountant in de beslissing van 27 juni 1996 werd gemotiveerd door de vaststelling dat er geen hoop overbleef dat de betrokkene ooit in alle onafhankelijkheid, loyaal tegenover zijn tuchtoverheid en met een voldoende beroepskennis en zin voor verantwoordelijkheid, het belangrijke ambt van accountant zou kunnen uitoefenen; dat bij gebreke aan eerherstel voor deze zware tekortkomingen als accountant, aan de betrokkene bijgevolg niet de hoedanigheid van belastingcon- sulent kan worden verleend; [...].” V. Samenvoeging
- In zijn laatste memorie vraagt de verzoeker de samenvoeging van de voorliggende zaak met de zaak A. 114.302/IX-
- De Raad van State heeft evenwel met zijn arrest nr. 198.894 van 15 december 2009 reeds een einduitspraak gedaan over de laatstgenoemde zaak, zodat die zaak definitief is afgesloten en er geen grond meer is om de voorliggende zaak met die zaak samen te voegen. IX-3153-12/23 VI. Kwalificatie van het beroep
- De verzoeker kwalificeert zijn beroep bij de Raad van State als een administratief cassatieberoep en verwijst naar artikel 14, § 2, van de gecoördi- neerde wetten op de Raad van State. De commissie van beroep van het IAB treedt echter niet op als een administratief rechtscollege wanneer zij uitspraak doet over een verzoek tot toekenning van de hoedanigheid van belastingconsulent, doch als een administratieve overheid. Het voorliggende beroep is dan ook te beschouwen als een gewoon annulatieberoep ingesteld op grond van artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. VII. Ontvankelijkheid van het beroep
- De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit een gebrek aan belang in hoofde van de verzoeker. Zij voert aan dat de verzoeker zijn belang steunt op de stelling dat hij zich ingevolge de bestreden beslissing in de onmogelijkheid bevindt om opdrachten uit te voeren waarvoor de hoedanigheid van belastingconsulent vereist is. Volgens de verwerende partij kan die stelling niet worden bijgevallen, nu de wet van 22 april 1999 een bescherming van de titel van belastingconsulent invoert, zonder evenwel te voorzien in een monopolie ten aanzien van bepaalde taken, die uitsluitend door belastingconsulenten zouden mogen worden uitgevoerd. De verwerende partij betoogt dat de bestreden beslissing niet impliceert dat de verzoeker in de volstrekte onmogelijkheid verkeert om taken uit te voeren waarvoor de hoedanigheid van belastingconsulent vereist is, maar dat zij wel tot gevolg heeft dat hij die taken dient uit te voeren zonder de titel van belastingconsulent te kunnen dragen.
- De verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord dat het dragen van de titel van belastingconsulent wijst op een bepaald diploma en op een zekere beroepservaring en ten aanzien van het cliënteel het bewijs levert van vakkundigheid, specialisatie en beroepservaring. Hij stelt dat het dragen van de titel een materieel en moreel belang heeft en hij zoekt daarvoor een bevestiging in de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 april 1999, luidens dewelke geen IX-3153-13/23 monopolie werd ingevoerd omdat een bescherming van de titel en vooral het eraan verbonden deontologische toezicht reeds voldoende garanties bieden.
- De verzoeker wordt door de bestreden beslissing rechtstreeks en ongunstig in zijn belangen geraakt. Deze beslissing impliceert immers dat hij de beschermde titel van belastingconsulent niet kan dragen. Dit volstaat voor de verzoeker als belang om tegen die beslissing op te komen. De exceptie kan niet worden aangenomen. VIII. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
- De verzoeker voert in het middel de schending aan van de artikelen 19 en 60 van de wet van 22 april 1999, de artikelen 2 tot 5 van het koninklijk besluit van 4 mei 1999, het legaliteitsbeginsel en het motiveringsbeginsel, doordat de commissie van beroep oordeelt dat, niettegenstaande hij voldoet aan alle voorwaarden van artikel 19 van de wet van 22 april 1999, moet worden nagegaan of hij ook wel de nodige garanties van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid biedt, terwijl het genoemde artikel 19 duidelijk stelt dat de hoedanigheid van belastingconsulent wordt verleend aan diegenen die aan de in dat artikel bepaalde voorwaarden voldoen. Volgens de verzoeker behoort het voldoen aan garanties van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid niet tot de aldus bepaalde voorwaarden en houdt de bestreden beslissing er dienvolgens op een onwettige wijze rekening mee. Zelfs indien wordt aangenomen dat met de voormelde bijkomende voorwaarde wél wettig rekening kan worden gehouden, moet volgens de verzoeker worden vastgesteld dat de commissie van beroep haar weigeringsbeslissing te dezen op generlei wijze motiveert, aangezien zij enkel verwijst naar een tuchtsanctie die de verzoeker meer dan vijf jaar vóór het indienen van zijn aanvraag heeft opgelopen, terwijl de wet van 22 april 1999 erin voorziet dat na vijf jaar eerherstel kan worden gevraagd, zodat met een tuchtsanctie na vijf jaar geen rekening meer mag worden gehouden. IX-3153-14/23
- De verwerende partij antwoordt dat de commissie van beroep niet heeft geoordeeld dat de verzoeker aan de vereisten van diploma en ten minste vijf jaar professionele werkzaamheden voldoet. Zij stelt dat de commissie zich daarover niet heeft uitgesproken en zich daarover niet moest uitspreken, nu de hoedanigheid van belastingconsulent wordt geweigerd op grond van de tuchtbeslissing die op 9 januari 1996 ten aanzien van de verzoeker werd genomen, die na beroep werd bevestigd en waarvoor de verzoeker geen eerherstel heeft verkregen. De verwerende partij laat gelden dat de bedoelde tuchtsanctie, te weten de definitieve intrekking van de hoedanigheid van accountant, tot gevolg had dat de verzoeker geen lid meer was of kon worden van het toenmalige Instituut der Accountants. De omstandigheid dat de wet van 22 april 1999 de titel van belasting- consulent heeft ingevoerd en het IAB heeft opgericht, brengt niet met zich mee dat de verzoeker, ondanks de opgelopen tuchtstraf, opnieuw lid zou kunnen worden van het IAB, dat de rechtsopvolger van het Instituut der Accountants is. Gelet op de omstandigheid dat krachtens artikel 4 van de tuchtwet van 22 april 1999 tuchtsanc- ties kunnen worden opgelegd zowel aan accountants als aan belastingconsulenten die “de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid die aan het beroep ten grondslag liggen” hebben geschonden, is het voor iemand die onder de toepassing van de wet van 21 februari 1985 tot hervorming van het bedrijfsrevisoraat een tuchtsanctie heeft opgelopen zonder daarvoor eerherstel te hebben verkregen, onmogelijk om de hoedanigheid van belastingconsulent te verkrijgen, zelfs indien zou zijn voldaan aan de voorwaarden van artikel 19 van de wet van 22 april
- Zulks geldt volgens de verwerende partij des te meer, gelet op de ratio legis van de wet van 22 april 1999 om de belastingplichtigen zowel op kwalitatief als op deontologisch vlak beter te beschermen. De verwerende partij besluit dat zij geenszins nieuwe voorwaar- den heeft opgelegd voor het verkrijgen van de hoedanigheid van belastingconsulent, maar dat zij integendeel de wet heeft toegepast.
- De verzoeker herhaalt in zijn memorie van wederantwoord dat hij voldoet aan alle wettelijke en reglementaire voorwaarden om de hoedanigheid van belastingconsulent te verkrijgen en dat de commissie van beroep een bijkomende vereiste oplegt. Zij stelt dat deze vereiste niet wettelijk is, aangezien ze aan de IX-3153-15/23 verwerende partij de algehele vrijheid laat om kandidaten te weigeren, ook al voldoen zij aan de voorwaarden inzake diploma en beroepservaring. De verzoeker voert voorts nog aan dat de overgangsregeling van het koninklijk besluit van 4 mei 1999 tot doel heeft niet alleen accountants, maar ook ervaren boekhouders toe te laten de hoedanigheid van belastingconsulent te verwerven. Hij laat gelden dat hem als boekhouder nooit enige tuchtsanctie werd opgelegd, zodat de beslissing om hem de titel van belastingconsulent niet te verlenen op grond van een tuchtsanctie die hem als accountant werd opgelegd, hem discrimineert ten aanzien van boekhouders die nooit accountant waren en dus ook nooit een tuchtsanctie konden oplopen. Beoordeling
- De verzoeker maakt in het middel bezwaar tegen het feit dat de commissie van beroep zijn aanvraag tot toekenning van de hoedanigheid van belastingconsulent afwijst op grond dat, gelet op de definitieve intrekking van zijn hoedanigheid van accountant in 1996, waarvoor geen eerherstel werd verleend, hij niet de nodige garanties biedt inzake de eisen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid, die aan het beroep van belastingconsulent ten grondslag liggen. Volgens de verzoeker wordt aldus een bijkomende voorwaarde opgelegd om de hoedanigheid van belastingconsulent te verkrijgen en kan zijn tuchtrechtelijke veroordeling hoe dan ook geen deugdelijk motief zijn voor de bestreden beslissing aangezien ze meer dan vijf jaar oud is.
- Artikel 19 van de wet van 22 april 1999 bepaalt onder meer het volgende: “Art.
- Het Instituut verleent aan een natuurlijke persoon die hierom verzoekt, de hoedanigheid van accountant en/of belastingconsulent, indien hij aan de volgende voorwaarden voldoet: 1/ Belg zijn of woonplaats hebben in België. 2/ Niet beroofd zijn geweest van zijn politieke en burgerlijke rechten, niet in staat van faillissement verklaard zijn geweest zonder eerherstel te hebben verkregen en geen zelfs voorwaardelijke gevangenisstraf van ten minste drie maanden hebben opgelopen voor een van de misdrijven vermeld in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 waarbij aan bepaalde veroordeelden en aan de gefailleerden verbod wordt opgelegd bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen en waarbij aan de rechtbanken van koophandel de bevoegdheid wordt toegekend dergelijk verbod op te leggen, voor een inbreuk op de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, voor een inbreuk op de gecoördineerde wetten op de IX-3153-16/23 handelsvennootschappen, op de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen en haar uitvoeringsbesluiten, of op de fiscale wetgeving. 3/ In het bezit zijn van een Belgisch universitair diploma of een Belgisch diploma van hoger onderwijs van universitair niveau, afgegeven na ten minste vier jaar studie in een van de door de Koning te bepalen disciplines, of van een diploma van hoger economisch onderwijs, afgegeven door een door de Koning daartoe erkende instelling, of van een diploma van gegradueerde, uitgereikt door een hogeschool binnen het studiegebied handelswetenschappen en bedrijfskunde van één cyclus of voldoen aan de door de Koning vastgestelde voorwaarden inzake diploma en/of ervaring. In het buitenland afgegeven diploma’s in dezelfde disciplines worden aanvaard mits hun gelijkwaardigheid vooraf door de bevoegde Belgische overheid werd erkend. De Koning kan de Raad van het Instituut machtigen in individuele gevallen de gelijkwaardigheid van de in het buitenland afgegeven diploma’s te aanvaarden. 4/ De bij het stagereglement ingerichte stage hebben beëindigd. 5/ Geslaagd zijn voor een bekwaamheidsexamen waarvan het programma, de voorwaarden en de examenjury door de Koning worden vastgesteld en die zijn afgestemd op de hoedanigheid van accountant en belastingconsulent, waarbij in voorkomend geval de ervaring als lid van het Instituut wordt gevaloriseerd. 6/ Bij de inschrijving op de deellijst van externe accountants en/of externe belastingconsulenten van het Instituut, voor de rechtbank van koophandel van zijn woonplaats, de volgende eed afleggen: ‘Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgische volk, en ik zweer de opdrachten die mij worden toevertrouwd, in eer en geweten getrouw te vervullen’. Personen van vreemde nationaliteit leggen voor de rechtbank van koophan- del van hun woonplaats in België de volgende eed af : ‘ Ik zweer de opdrachten die mij worden toevertrouwd, in eer en geweten, getrouw en volgens de voorschriften van de Belgische wet te vervullen.’ [...]” Met de verzoeker moet worden vastgesteld dat artikel 19 van de wet van 22 april 1999 niet uitdrukkelijk als voorwaarde stelt dat diegene die de hoedanigheid van belastingconsulent wil verkrijgen garanties moet bieden inzake waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid. Ook de overgangsregeling van artikel 60, § 1, van de wet van 22 april 1999 en het koninklijk besluit van 4 mei 1999 maakt van een dergelijke voorwaarde geen gewag. De voorwaarden van artikel 19 van de wet van 22 april 1999 betreffen evenwel onder meer het niet beroofd zijn geweest van zijn politieke of burgerlijke rechten, niet in staat van faillissement verklaard zijn geweest zonder eerherstel te hebben verkregen, en geen zelfs voorwaardelijke gevangenisstraf van ten minste drie maanden hebben opgelopen voor de in het eerste lid, 2/, bedoelde misdrijven. Aldus heeft de wetgever wél voorwaarden van moraliteit opgelegd. IX-3153-17/23
- Blijkens de memorie van toelichting bij het ontwerp van wet dat de wet van 22 april 1999 is geworden, was het de bedoeling van de wetgever om via de bescherming van de titel van onder meer belastingconsulent kwaliteitswaarborgen te bieden (Parl. St. Kamer 1998-1999, nr. 1923/1 en nr. 1924/1, 1-3). Artikel 3 van de wet van 22 april 1999, zoals van toepassing ten tijde van de bestreden beslissing, bepaalt in verband met de opdracht van het IAB: “Art.
- Het Instituut heeft als opdracht toe te zien op de opleiding, en de permanente organisatie van een korps van specialisten te verzekeren die bekwaam zijn om de functies van accountant en belastingconsulent uit te oefenen, waarvan het Instituut de organisatie kan controleren en bijsturen, met alle noodzakelijke waarborgen qua bekwaamheid, onafhankelijkheid en professionele rechtschapenheid. Het Instituut ziet er eveneens op toe dat de aan zijn leden toevertrouwde opdrachten, behoorlijk worden uitgevoerd.” Het IAB heeft derhalve als wettelijk opdracht onder meer te waken over de onafhankelijkheid en professionele rechtschapenheid van haar leden.
- De samenlezing van de artikelen 3 en 19 van de wet van 22 april 1999 brengt de Raad van State ertoe aan te nemen dat de raad van het IAB en, na beroep, de commissie van beroep van het IAB kunnen beslissen dat aan een persoon die aan alle voorwaarden van artikel 19 van de wet van 22 april 1999 voldoet, maar die niet de noodzakelijke waarborgen van onafhankelijkheid en professionele rechtschapenheid biedt, niet de hoedanigheid van belastingconsulent kan worden toegekend. Aldus wordt, in tegenstelling tot wat de verzoeker aanvoert, geen onwettige, bijkomende voorwaarde voor het verlenen van de hoedanigheid van belastingconsulent opgelegd.
- Krachtens artikel 4, 1/ en 2/, van de tuchtwet van 22 april 1999 kunnen tuchtstraffen worden opgelegd aan accountants en belastingconsulenten die in de uitoefening van hun opdrachten als accountant en belastingconsulent te kort zijn gekomen aan hun beroepsverplichtingen of die de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid die aan het beroep ten grondslag liggen, hebben geschonden. IX-3153-18/23 De omstandigheid dat de verzoeker vóór de tuchtwet van 22 april 1999 bij tuchtmaatregel definitief de hoedanigheid van accountant werd ontnomen, vergelijkbaar met de tuchtsanctie van de schrapping bedoeld in artikel 5, §1, van de voornoemde wet, is een wettig motief voor het niet verlenen van de hoedanigheid van belastingconsulent, te meer nu blijkt dat die tuchtmaatregel steunde op feiten die als strijdig kunnen worden beschouwd met de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid, die zowel aan het beroep van accountant als aan het beroep van belastingconsulent ten grondslag liggen. Te dezen was de definitieve intrekking van de hoedanigheid van accountant in hoofde van de verzoeker immers gebaseerd op de wijze waarop controleverslagen werden opgesteld, maar ook op het afleggen van valse verklaringen, het schenden van het beginsel van de onafhank- elijkheid bij het uitoefenen van bijzondere mandaten en van het beroep van accountant in het algemeen, en het creëren en/of instandhouden van een verwar- ringstichtende situatie met betrekking tot het kantoor van de verzoeker en de aldaar gevestigde vennootschappen. De commissie van beroep vermocht uit die tuchtmaatregel dan ook af te leiden dat de verzoeker niet de noodzakelijke waarborgen van onafhank- elijkheid en professionele rechtschapenheid biedt. De enkele omstandigheid dat de desbetreffende feiten dateren van meer dan 5 jaar geleden, toont op zich niet aan dat de definitieve intrekking van de hoedanigheid van accountant waarmee ze werden gesanctioneerd, geen wettig motief kan zijn voor het afwijzen van verzoekers toetredingsaanvraag als belasting- consulent, nu voor deze feiten en de opgelegde tuchtsanctie geen eerherstel werd verleend en verzoekers beroep tot nietigverklaring van de beslissing van de commissie van beroep van 18 oktober 2001 houdende de afwijzing van zijn aanvraag tot eerherstel werd verworpen bij arrest van de Raad van State, nr. 198.894 van 15 december
- Voor zover de verzoeker laat gelden dat hij wordt gediscrimineerd ten aanzien van boekhouders die geen accountant waren en geen tuchtstraf konden oplopen, moet erop worden gewezen dat hij aldus voorbijgaat aan het feit dat de eis van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid geldt ongeacht of al dan niet een tuchtsanctie werd opgelegd. Er kan dus niet worden aangenomen dat deze eis alleen het verlenen van de hoedanigheid van belastingconsulent in de weg zou staan wanneer tuchtsancties werden opgelegd. IX-3153-19/23
- Het eerste middel is niet gegrond. IX-3153-20/23 B. Tweede middel Standpunt van de partijen
- De verzoeker voert in het middel de schending aan van artikel 92 van de wet van 21 februari 1985 tot herziening van het bedrijfsrevisoraat, artikel 5, § 6, 2/, van de tuchtwet van 22 april 1999, het legaliteitsbeginsel en het motiverings- beginsel, doordat de commissie van beroep oordeelt dat de tuchtsanctie die hij in 1996 heeft opgelopen als accountant impliceert dat hij als belastingconsulent wordt geschrapt, terwijl zulks onmogelijk is, aangezien hij de hoedanigheid van belastingconsulent toen nog niet had en dit zou inhouden dat de destijds uitgespro- ken tuchtstraf wordt verzwaard. Volgens de verzoeker stelt de commissie van beroep artikel 92 van de wet van 21 februari 1985 tot herziening van het bedrijfsrevisoraat, dat enkel de definitieve intrekking van de hoedanigheid van accountant betreft, ten onrechte gelijk met artikel 5, § 6, 2/, van de tuchtwet van 22 april 1999, dat zowel in de schrapping van accountants als van belastingconsulenten voorziet. De verzoeker voegt hieraan nog toe dat zijn schrapping als accountant in ieder geval geen rol mag spelen bij de beoordeling van zijn aanvraag tot het verkrijgen van de hoedanigheid van belastingconsulent, aangezien deze schrapping dateert van meer dan vijf jaar geleden en gesteund werd op feiten die zich situeerden in de uitoefening van het beroep van accountant en niet van belastingconsulent.
- De verwerende partij antwoordt dat de commissie van beroep niet aanneemt dat een definitieve intrekking van de hoedanigheid van accountant eveneens een schrapping als belastingconsulent inhoudt of met zich meebrengt of dat die intrekking gelijkstaat met de tuchtstraf van de schrapping als belastingconsu- lent, maar wel dat een vroegere schrapping als accountant wegens miskenning van de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid, die aan het beroep van accountant ten grondslag liggen, gevolgen heeft voor de mogelijkheid om de hoedanigheid van belastingconsulent te verkrijgen, te meer daar de tuchtwet van 22 april 1999 de accountants en de belastingconsulenten onderwerpt aan dezelfde beroepstucht. IX-3153-21/23 De verwerende partij stelt voorts dat geen tuchtstraf werd opgelegd waarin niet door de wet is voorzien, aangezien de commissie van beroep zich enkel heeft uitgesproken over de gevolgen van een als accountant opgelopen tuchtstraf op de mogelijkheid om de titel van belastingconsulent te verkrijgen.
- De verzoeker benadrukt in zijn memorie van wederantwoord dat het feit dat accountants en belastingconsulenten thans onderworpen zijn aan dezelfde beroepstucht niet relevant is, aangezien het gaat om twee aparte hoedanigheden waarbij een tuchtsanctie als accountant kan worden opgelopen, zonder dat deze noodzakelijk doorwerkt naar de hoedanigheid van belastingconsulent. In elk geval wordt de als accountant opgelopen tuchtstraf volgens de verzoeker verzwaard, doordat ze thans verhindert dat de titel van belastingconsulent, die in 1996 nog niet bestond, wordt verkregen. Beoordeling
- Uit de bestreden beslissing blijkt dat de commissie van beroep de verzoeker niet als belastingconsulent heeft geschrapt, maar enkel het gegeven dat hem in 1996 definitief de hoedanigheid van accountant is ontnomen op grond van feiten die toelaten aan te nemen dat de verzoeker niet voldoende garanties biedt op het vlak van onafhankelijkheid en professionele rechtschapenheid, heeft betrokken bij haar beoordeling van verzoekers aanvraag tot het verkrijgen van de hoedanigheid van belastingconsulent. De commissie van beroep heeft aldus aan de verzoeker geen tuchtstraf opgelegd, noch de in 1996 opgelegde tuchtstraf verzwaard. Bij de beoordeling van het eerste middel werd reeds besloten dat de door de verzoeker in 1996 opgelegde tuchtstraf, waarvoor geen eerherstel werd verkregen, een wettig motief vormt voor de bestreden beslissing. Het tweede middel is evenmin gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverkla- ring, begroot op 173,53 euro. IX-3153-22/23 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 8 februari 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-3153-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.570 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.