id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.571 Rolnummer: A. 129180/IX-3577 Zaak: Arrest 200571 - Accountants en Belastingconsulenten - 08/02/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-16 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-07-02 08:42 Fiche Arrest nr 200.571 van 8 februari 2010 Beroepen - Accountants en Belastingconsulenten Beslissing : heropening debatten prejudiciële vraag Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 200.571 van 8 februari 2010 in de zaak A. 129.180/IX-3577 In zake : Stefaan TORFS die woonplaats kiest te Schilde Kortvoortbaan 4 tegen : het INSTITUUT VAN DE ACCOUNTANTS EN DE BELASTINGCONSULENTEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Martin Lebbe kantoor houdend te Brussel Louizalaan 106 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 12 november 2002, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de commissie van beroep van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten van 11 september 2002, waarbij het hoger beroep van Stefaan Torfs tegen de beslissing van de raad van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten van 4 maart 2002, bevestigd op 25 maart 2002 met de juiste motivering, waarbij hem de hoedanigheid van belastingconsulent wordt geweigerd, ontvankelijk maar ongegrond wordt verklaard. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Luc Vermeire heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 1 februari 2010. IX-3577-1/13 Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Verzoeker, en advocaat Pieter Callebaut, die loco advocaat Martin Lebbe verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Luc Vermeire heeft een advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Wettelijk kader 3.1. De wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen (hierna: de wet van 22 april 1999) strekt er luidens de memorie van toelichting toe om, “enerzijds, de uitoefening van het fiscaal beroep te reglemente- ren, en, anderzijds, de toenadering te bevorderen tussen de verscheidene structuren waarin de economische beroepen georganiseerd zijn”. 3.2. Artikel 34 van de wet van 22 april 1999 omschrijft de functie van accountant als volgt: “De werkzaamheden van accountant bestaan erin, in privé-onderneming- en, openbare instellingen of voor rekening van elke belanghebbende persoon of instelling, de volgende opdrachten uit te voeren: 1/ alle boekhoudstukken nazien en corrigeren; 2/ zowel privé- als gerechtelijke expertise met betrekking tot de boek- houdkundige organisatie van ondernemingen alsook de analyse met boekhoudtechnische procédés, van de positie en werking van ondernemingen vanuit het oogpunt van hun kredietwaardigheid, rentabiliteit en risico’s; 3/ boekhoudkundige en administratieve diensten bij ondernemingen organiseren en advies verstrekken inzake boekhoudkundige en administratieve organisatie bij ondernemingen; 4/ de boekhouding van derden organiseren en voeren; 5/ de in artikel 38 bedoelde werkzaamheden, met uitzondering van de in artikel 38, 3/, bedoelde werkzaamheden voor ondernemingen waarin hij opdrachten bedoeld in 6/ en in artikel 37, eerste lid, 2/, verricht; 6/ de opdrachten andere dan deze bedoeld in 1/ tot 5/ en waarvan de uitvoering hem bij of krachtens de wet is voorbehouden.” Artikel 38 van de wet van 22 april 1999 omschrijft de functie van belastingconsulent als volgt: IX-3577-2/13 “De functie van belastingconsulent bestaat erin: 1/ advies te verstrekken in alle belastingaangelegenheden; 2/ belastingplichtigen bij te staan bij de nakoming van hun fiscale verplichtingen; 3/ belastingplichtigen te vertegenwoordigen.” 3.3. Artikel 2 van de wet van 22 april 1999 richt het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten (hierna: het IAB) op. Dit instituut, dat in de rechten en verplichtingen van het door de wet van 21 februari 1985 tot hervorming van het bedrijfsrevisoraat opgerichte Instituut der Accountants treedt, heeft in het bijzonder als opdracht “toe te zien op de opleiding, en de permanente organisatie van een korps van specialisten te verzekeren die bekwaam zijn om de functies van accountant en belastingconsulent uit te oefenen, waarvan het Instituut de organisatie kan controleren en bijsturen, met alle noodzakelijke waarborgen qua bekwaamheid, onafhankelijkheid en professionele rechtschapenheid”. Het IAB verleent aan de natuurlijke persoon die hierom verzoekt, de hoedanigheid van accountant en/of belastingconsulent, indien hij aan de voorwaarden bepaald in artikel 19 van de wet van 22 april 1999 voldoet, waaronder onder meer Belg zijn of zijn woonplaats in België hebben, in het bezit zijn van het vereiste diploma, de stage beëindigd hebben, geslaagd zijn voor het bekwaamheids- examen en, bij inschrijving op de deellijst van de externe accountants of belasting- consulenten, de eed afgelegd hebben. 3.4. Artikel 60 van de wet van 22 april 1999 machtigt de Koning om, voor de periodes waarvan hij de duur bepaalt en die samen een duur van drie jaar vanaf de inwerkingtreding van de wet (op 29 juni 1999) niet mogen overschrijden, op grond van criteria die rekening houden met de diploma’s en/of de beroepserva- ring van de kandidaat, de toegangsvoorwaarden tot de titel van belastingconsulent te bepalen die afwijken van de wet (§ 1), alsook om de voorwaarden te bepalen waaronder vennootschappen, die de diensten van belastingconsulent vóór 1 januari 1999 leverden, de titel van belastingconsulent mogen dragen gedurende een periode van maximum drie jaar na de inwerkingtreding van de wet (§ 2). Tijdens deze periodes neemt de raad van het IAB de individuele beslissingen betreffende het toekennen van de hoedanigheid van belastingconsulent op advies van een commissie die het instituut opricht en waarvan het de samenstelling en de werking bepaalt en die moet nagaan of de kandidaat de voorwaarden vervult die door de Koning bepaald zijn voor de toegang tot de titel van belastingconsulent (§ 3). IX-3577-3/13 3.5. Het koninklijk besluit van 4 mei 1999 betreffende het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten (hierna: het koninklijk besluit van 4 mei 1999) regelt in de artikelen 2 tot 5 de toekenning van de hoedanigheid van belastingconsulent aan natuurlijke personen gedurende een overgangsperiode. Aldus stelt artikel 2, in uitvoering van artikel 60 van de wet van 22 april 1999, vrij van de bij artikel 19, 3/, 4/ en 5/, van die wet vastgestelde voorwaarden inzake diploma, stage en bekwaamheidsexamen, elke persoon die binnen een termijn van acht- tien maanden, te rekenen vanaf de inwerkingtreding van de wet, zijn kandidatuur stelt en die hetzij aan de in artikel 2 bepaalde voorwaarden van beroepservaring voldoet en ingeschreven is op de lijst van de accountants, hetzij aan de in artikel 2 bepaalde voorwaarden van beroepservaring en diploma voldoet. IV. Feiten 4.1. De verzoeker is ten tijde van het bestreden besluit zowel accountant als bedrijfsrevisor. In het kader van de overgangsregeling bedoeld in artikel 60, § 1, van de wet van 22 april 1999 en het koninklijk besluit van 4 mei 1999, dient de verzoeker op 20 december 2000 bij het IAB een toetredingsaanvraag in, teneinde ingeschreven te worden op de lijst van de externe belastingconsulenten. In deze aanvraag verwijst hij onder meer naar zijn lidmaatschap van het Instituut der Accountants en van het Instituut der Bedrijfsrevisoren. 4.2. Met een brief van 23 augustus 2001 deelt het IAB aan de verzoeker mee dat zijn dossier eerstdaags zal worden overgemaakt aan de erkenningscommissie. Voorts wordt de verzoeker gewezen op het feit dat “zoals omschreven in artikel 19, 6/, in fine, van de wet van 22 april 1999 [lees telkens: artikel 19, derde lid, van de wet van 22 april 1999], de hoedanigheid van bedrijfsre- visor lid van het IBR niet verenigbaar is met de hoedanigheid van belastingconsulent lid van het IAB”. 4.3. Op 30 oktober 2001 beslist de erkenningscommissie dat de verzoeker gehoord moet worden om bijkomende toelichting te verschaffen met betrekking tot de onverenigbaarheid van zijn hoedanigheid van bedrijfsrevisor met zijn toetredingsaanvraag voor belastingconsulent, in het bijzonder met betrekking tot de bepalingen van “artikel 19, 6/, in fine, van de wet van 22 april 1999”, alsook om toelichtingen te verschaffen met betrekking tot zijn professionele ervaring inzake IX-3577-4/13 fiscale aangelegenheden zoals voorzien in de artikelen 2 en 3 van het koninklijk besluit van 4 mei 1999. Op 19 februari 2002 brengt de erkenningscommissie, na de verzoeker gehoord te hebben, een negatief advies uit over zijn aanvraag om de hoedanigheid van extern belastingconsulent te verkrijgen, omdat “overeenkomstig de wet (artikel 19, 6/, in fine, van de wet van 22 april 1999) een onverenigbaarheid tussen de hoedanigheid van bedrijfsrevisor en de hoedanigheid van belastingconsu- lent bestaat” en omdat “de vaststelling daarentegen dat [hij] eveneens accountant IAB is, hetgeen wel verenigbaar is met de titel van belastingconsulent, geenszins het voormelde verbod [kan] opheffen”. 4.4. Op 4 maart 2002 wijst de raad van het IAB de vraag van de verzoeker tot erkenning als extern belastingconsulent af op grond van “de wettelijke onverenigbaarheid tussen de hoedanigheid van belastingconsulent en die van bedrijfsrevisor (cfr. art. 19, in fine, wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoud- kundige en fiscale beroepen)” en omdat “de omstandigheid dat de hoedanigheid van accountant wel cumuleerbaar is met de hoedanigheid van belastingconsulent [...] hieraan geen afbreuk [doet]”. De verzoeker wordt met een aangetekende brief van 12 maart 2002 in kennis gesteld van de beslissing om hem de hoedanigheid van belastingconsulent niet toe te kennen. Deze brief vermeldt de volgende motivering: “De kandidaat levert niet het bewijs gedurende ten minste vijf jaar professionele werkzaamheden te hebben uitgeoefend, waarin hij voldoende vorming heeft verworven om de functie van belastingconsulent, zoals omschreven in artikel 38 van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen, uit te oefenen.” Met een aangetekende brief van 4 april 2002 deelt het IAB aan de verzoeker mee dat de raad op 25 maart 2002 heeft besloten hem de hoedanigheid van belastingconsulent niet toe te kennen en dat hiermee de negatieve beslissing van 4 maart 2002 wordt bevestigd, maar dat de oorspronkelijke motivering wordt vernietigd en vervangen. De nieuwe motivering luidt als volgt: “Het verzoek tot erkenning als extern belastingconsulent van de heer Stefaan Torfs wordt, na eensluidend negatief advies van de Erkenningscommissie d.d. 19 februari 2002, afgewezen op grond van de wettelijke onverenigbaarheid tussen de hoedanigheid van belastingconsulent en die van bedrijfsrevisor (cfr. IX-3577-5/13 art. 19, in fine, Wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen). De omstandigheid dat de hoedanigheid van accountant wel cumuleerbaar is met de hoedanigheid van belastingconsulent doet hieraan geen afbreuk.” 4.5. Tegen deze beslissing stelt de verzoeker op 23 april 2002 beroep in bij de commissie van beroep van het IAB. Hij argumenteert in essentie dat artikel 19 van de wet van 22 april 1999 duidelijk is in zoverre het bepaalt dat eenzelfde persoon niet de hoedanigheid van bedrijfsrevisor en belastingconsulent kan bezitten, dat een beperkende interpretatie van dit artikel er echter toe noopt te concluderen dat alleen de personen die slechts de hoedanigheid van bedrijfsrevisor bezitten, zonder tevens accountant te zijn, worden beoogd, en dat een andere interpretatie een wijziging zou impliceren van de voormelde wetsbepaling. De verzoeker besluit dat “iemand die accountant is per definitie toegang moet kunnen krijgen tot de hoedanigheid van belastingconsulent”. In een aangetekende brief van 30 mei 2002 aan de commissie van beroep van het IAB herneemt de verzoeker de argumentatie van zijn beroepschrift. Aanvullend wijst hij er nog op dat zijns inziens “geen enkele reden [bestaat] waarom men iemand met de hoedanigheid van extern accountant wel de hoedanigheid van belastingconsulent zou kunnen toekennen en waarom men iemand met de hoedanigheid van extern accountant die tevens bedrijfsrevisor is niet de hoedanig- heid van belastingconsulent zou kunnen toekennen. Deontologisch is het immers verboden als bedrijfsrevisor bepaalde werkzaamheden uit te oefenen voor ondernemingen waar zij revisorale opdrachten uitoefenen”. 4.6. Nadat de verzoeker op 10 juni 2002 voor de Nederlandstalige kamer van de commissie van beroep van het IAB is verschenen, beslist deze kamer op 11 september 2002 dat het beroep van de verzoeker, ontvankelijk maar ongegrond is. Dit is het bestreden besluit. Ze is als volgt gemotiveerd: “3. Overwegende dat de betrokkene ingeschreven is op de lijst van de accountants bedoeld in art. 5 van de Wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen (lidnummer 8459.2N.60); dat hij tevens lid is van het Instituut der Bedrijfsrevisoren (1989.N.01171); dat hij moet voldoen aan de voorwaarden van art. 19 van dezelfde Wet en aanspraak maakt op de overgangsregeling bedoeld in art. 60, § 1 ervan; IX-3577-6/13 dat deze overgangsregeling werd uitgewerkt in de art. 2 tot 5 van het K.B. van 4 mei 1999 betreffende het Instituut van de Accountants en de Belasting- consulenten; Overwegende dat art. 2 van het vermelde K.B. slechts afwijkingen voorziet van art. 19, eerste lid, 3/, 4/ en 5/, van de Wet van 22 april 1999 omtrent het diploma, de stage en het bekwaamheidsexamen; dat de art. 3, 4 en 5 van het K.B. van 4 mei 1999 betrekking hebben op de samenstelling van het dossier dat door de kandidaat-belastingconsulent tijdens de overgangsperiode wordt ingediend en over de rechtspleging voor de Raad en voor de Erkenningscommissie aan wie een adviesbevoegdheid wordt verleend; 4. Overwegende dat art. 19, derde lid van de besproken wet voorschrijft dat eenzelfde persoon niet de hoedanigheid van bedrijfsrevisor en belastingconsu- lent kan bezitten; dat het vierde lid van ditzelfde artikel de mogelijkheid verleent aan een bedrijfsrevisor om ook de hoedanigheid van accountant te verwerven, met dien verstande dat personen met de hoedanigheid van bedrijfsrevisor de in art. 38, 3/ van dezelfde Wet bedoelde werkzaamheden -dit is: belastingplichtigen vertegenwoordigen- niet mogen uitoefenen voor ondernemingen waarin zij revisorale opdrachten uitoefenen; Overwegende dat de bepalingen van dit vierde lid moeten gelezen worden tegen de achtergrond: • van het advies van de Hoge Raad voor het Bedrijfsrevisoraat gevolgd door de beslissing van de Raad van het Instituut van de Bedrijfsrevisoren uit 1987, die oordelen dat de gelijktijdige inschrijving op het tableau van het Instituut der Bedrijfsrevisoren en op het tableau van het Instituut der Accountants niet kon worden toegelaten; • van de beslissing van de Raad van het Instituut der Bedrijfsrevisoren d.d. 24 januari 1992 om deze gelijktijdige inschrijving toch toe te laten; • van de deontologische verbodsbepaling voor de bedrijfsrevisoren, daterend uit 1961, om een onderneming tegenover de belastingoverheid te vertegenwoordigen, ook al oefent de bedrijfsrevisor daarbij geen enkele revisorale opdracht uit; • het hierna vermelde art. 12, § 2, van het K.B. van 10 januari 1994 betreffende de plichten van de bedrijfsrevisoren, waarin de vertegenwoor- digingsbevoegdheid van de bedrijfsrevisor nader wordt omschreven; 5. Overwegende dat de Wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkun- dige en fiscale beroepen tot doel heeft een bescherming van de titel tot stand te brengen en vooral het eraan verbonden deontologisch toezicht; dat zij geen monopolie instelt; dat zij in de geciteerde leden 3 en 4 van art. 19 uitdrukkelijk toelaat dat een persoon gelijktijdig ingeschreven is op het tableau van de bedrijfsrevisoren en op dat van de accountants en bovendien het aan de bedrijfsrevisoren opgelegde verbod, belastingplichtigen te vertegenwoordigen, beperkt tot de vertegenwoor- diging van ondernemingen waarin de bedrijfsrevisor revisorale opdrachten uitoefent; 6. Overwegende dat deze laatste beperking door het Instituut der Bedrijfsre- visoren in overeenstemming wordt geacht met het reeds vermelde K.B. van 10 januari 1994 betreffende de plichten van de bedrijfsrevisoren, art. 12, § 2: ‘Met uitzondering van de vertegenwoordiging in het kader van andere wettelijke opdrachten, of van opdrachten die onvermijdelijk gepaard gaan met zijn revisorale opdracht of die eruit voortvloeien, mag de bedrijfsrevisor geen andere functie, mandaat of opdracht aanvaarden die hem ertoe zou IX-3577-7/13 brengen zich in te laten met het beheer van de onderneming of de onderne- ming te vertegenwoordigen in welke hoedanigheid dan ook. Deze regel is van toepassing op de leden van zijn personeel en op zijn stagiairs.’ dat het vertegenwoordigen van belastingplichtigen door een bedrijfsrevisor bijgevolg, in de zin van art. 12, § 2, van het K.B. van 10 januari 1994, geen opdracht is ‘die onvermijdelijk gepaard gaa(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.