id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.574 Rolnummer: A. 124627/IX-3439 Zaak: Arrest 200574 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 08/02/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-16 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-07-02 08:42 Fiche Arrest nr 200.574 van 8 februari 2010 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 200.574 van 8 februari 2010 in de zaak A. 124.627/IX-3439 In zake : François SCHOETERS die woonplaats kiest te Merksplas Beersedreef 2 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Patrick Hofströssler en Wendy Depester kantoor houdend te Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 29 juli 2002, strekt tot de nietigverklaring van het koninklijk besluit van 29 april 2002 waarbij Johan Demuynck met ingang van 1 juli 2001 wordt bevorderd tot de graad van eerstaanwezend directeur bij de buitendiensten van het Directoraat-generaal Strafinrichtingen. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 1 februari
- IX-3439-1/14 Staatsraad Daniël Moons heeft verslag uitgebracht. Advocaat Wendy Depester die verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoeker is op het ogenblik van het bestreden besluit als directeur gedetacheerd bij de strafinrichting te Dendermonde. 3.
- Op 18 juni 2001 worden bij de buitendiensten van het Directoraat- generaal Strafinrichtingen vier betrekkingen van eerstaanwezend directeur (rang 13) vacant verklaard, namelijk te Mechelen, Sint-Gillis, Vorst en Wortel. De betrekkin- gen zijn te begeven door verhoging in graad. Bij de oproep tot de kandidaten is een profielbeschrijving van de vacante betrekkingen gevoegd. 3.
- De verzoeker stelt zich kandidaat voor de vacante betrekkingen van eerstaanwezend-directeur bij de gevangenissen te Wortel (eerste keuze) en te Mechelen (tweede keuze). 3.
- Tijdens de vergadering van 5 september 2001 onderzoekt de directieraad van de Federale Overheidsdienst Justitie de kandidaturen. De directeur-generaal van het Directoraat-generaal Strafinrichtin- gen schetst het functieprofiel van de vacante betrekking en geeft vervolgens een overzicht van de kandidaturen. IX-3439-2/14 Wat de verzoeker betreft, verklaart hij na een overzicht van zijn diploma’s en loopbaan het volgende: “De heer Schoeters is in dienst vanaf 1985 als adjunct-directeur bij de gevangenis te Merksplas na een kort parcours in de gevangenis te Antwerpen en te Turnhout. Vanaf september 2000 werd hij gedetacheerd als dd. inrichtingshoofd bij de gevangenis te Dendermonde dit in vervanging van de heer Mentens gede- tacheerd naar de gevangenis te Antwerpen. Bij het functioneren in de gevangenis te Merksplas was de heer Schoeters verantwoordelijk voor de geïnterneerden later zaakvoerder van de nijverheids- dienst en verantwoordelijk voor de discipline afdeling. Later ook voor de tewerkstelling van de gedetineerden in de inrichting te Merksplas. De heer Schoeters heeft steeds op een correcte manier gefunctio- neerd zonder werkelijk uit te blinken. De betrekking van dd. inrichtingshoofd te Dendermonde was dan ook een uitdaging voor hem. Het dient gezegd dat hij in Dendermonde gedurende het afgelopen jaar zonder probleem gefunctioneerd heeft als inrichtingshoofd. Hij heeft dan ook blijk gegeven over de nodige vaardigheden te beschikken en de heer Van Belle wil hem dan ook aanbevelen voor een betrekking rang
- Hij is kandidaat voor de betrekking van e.a. directeur te Wortel en te Mechelen.” Over Johan Demuynck stelt hij het volgende: “De heer Demuynck is kandidaat voor de betrekking van e.a. directeur te Wortel. De heer Demuynck is in dienst vanaf 1983 en werd directeur benoemd in
- Sinds 1990 heeft hij gefunctioneerd als adjunct-directeur in het PSC te Hoogstraten en vanaf september 1999 werd hij aangewezen als dd. inrichtingshoofd bij de strafinrichting te Wortel. Vanaf 1992 was hij te Hoogstraten verantwoordelijk voor de zaakvoerderij wat in deze inrichting een veel omvattende taak is met haar talrijke werkplaat- sen en het landbouwbedrijf. Hier heeft hij zich tevens beziggehouden met het personeel en de organisatie en opleiding van het personeel. Sinds 1993 is hij ook aangesteld als lesgever in het VIPK te Merksplas en sinds 1995 is hij lesgever in de basisopleiding voor penitentiaire beambten. Kort na zijn aanduiding als wnd directeur te Wortel heeft hij een beleidsplan opgesteld voor deze inrichting. Ook heeft hij gedurende de afgelopen 2 jaren verschillende initiatieven genomen wat betreft het regime van de gedetineerden. Het mag dan ook gesteld worden dat de heer Demuynck beantwoordt aan het profiel en in aanmerking komt voor een betrekking van rang 13.” De directeur-generaal Strafinrichtingen stelt vervolgens voor de volgende shortlist van vier van de zeven kandidaten (in alfabetische volgorde) te behouden voor de vacante betrekking te Wortel: Ivan David, Johan Demuynck, François Schoeters en Willy Van Den Bergh. De directieraad gaat eenparig akkoord met dit voorstel. IX-3439-3/14 De directeur-generaal stelt voor om deze kandidaten als volgt te rangschikken : 1) Johan Demuynck, 2) Willy Van Den Bergh, 3) François Schoeters, 4) Ivan David. Hij motiveert die rangschikking als volgt: “Op de eerste plaats de heer Demuynck omwille van het feit dat hij blijk gegeven heeft van zin voor initiatief, goed contact met het personeel en managementkwaliteiten. Hij heeft goede communicatieve en grote deontologi- sche kwaliteiten en integriteit en verantwoordelijkheidsbesef. Alhoewel de heer Van Den Bergh zeker in staat mag geacht worden een gevangenis te leiden wordt hij op de tweede plaats geklasseerd (cfr. Mechelen). De heer Schoeters komt op de derde plaats omwille van het feit dat hij minder scoort op gebied van organisatie - communicatie en management. De heer David op de vierde plaats omdat hij minder scoort op gebied van organisatie - communicatie en leiding geven.” De directieraad gaat eenparig akkoord met dit voorstel van rangschikking. 3.
- Bij schrijven van 4 december 2001 dient de verzoeker bezwaar in tegen deze rangschikking. 3.
- Op 19 februari 2002 wordt de verzoeker door de directieraad gehoord. De verzoeker houdt voor dat de rangschikking subjectief is en onvoldoen- de is gemotiveerd, dat geen rekening werd gehouden met zijn grotere graadanciënni- teit en dat het criterium van de evaluatie ten onrechte niet meer wordt gehanteerd, in het bijzonder nu de individuele kwaliteiten van de kandidaten evenmin werden vergeleken aan de hand van selectietesten. Als antwoord op de vraag om zijn verwezenlijkingen toe te lichten, verwijst de verzoeker naar de werking met de geïnterneerden, het contact met de psychiaters en de uitbouw van de nijverheids- dienst. De directieraad beslist eenparig het bezwaarschrift van de verzoeker te verwerpen. De directieraad is van oordeel dat er een onderscheid is tussen de evaluatie, die deel uitmaakt van het verleden, en het vooropgestelde profiel, dat de anciënniteit niet doorslaggevend is, dat in de bestaande voorschriften geen selectietesten zijn voorzien en dat de verzoeker, in vergelijking met Johan Demuynck, gelijkaardige mogelijkheden had om zich te manifesteren en niet aangeeft waarom hij beter zou scoren inzake management. IX-3439-4/14 3.
- Bij koninklijk besluit van 29 april 2002 wordt Johan Demuynck met ingang van 1 juli 2001 bevorderd door verhoging in graad tot de graad van eerstaanwezend directeur bij de buitendiensten van het Directoraat-generaal Strafinrichtingen. Dit besluit wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 21 juni
- IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 4.
- In een eerste middel voert de verzoeker de schending aan van het gelijkheidsbeginsel en van de artikelen 23 en 26, § 1, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het Rijkspersoneel (hierna: het koninklijk besluit van 7 augustus 1939). Hij zet uiteen dat de rangschikking van de kandidaten moet steunen op een objectieve vergelijking van de titels en de verdiensten van de kandidaten en dat de directieraad zijn advies moet motiveren, wat te dezen niet gebeurd is. Uit de notulen van de vergadering van de directieraad blijkt immers dat de administrateur-generaal eerst is overgegaan tot het opstellen van een klassement van de kandidaten en pas nadien een motivatie heeft gegeven voor dit klassement. Bovendien is er volgens de verzoeker geen vergelijking gebeurd van de kandidaten. Zo stelt de verzoeker zich de vraag waarom Willy Van Den Bergh slechts als tweede wordt gerangschikt, alhoewel hij zeker in staat mag worden geacht om een gevangenis te leiden en hoe het onderscheid wordt gemaakt tussen de derde en de vierde plaats, nu enkel wordt vermeld dat de verzoeker en Ivan David minder scoren op het vlak van organisatie, communicatie en management. Voorts betoogt de verzoeker dat hij veruit de grootste graad- anciënniteit heeft van de onderscheiden kandidaten, maar dat daarmee, zonder enige motivering, geen rekening werd gehouden. Wanneer verschillende kandidaten kwalitatief evenwaardig zijn, kan het criterium van de anciënniteit volgens hem niet als ongeschikt worden afgedaan. IX-3439-5/14 Hij stelt dat evenmin rekening werd gehouden met het criterium van de evaluatie. 4.
- De verwerende partij antwoordt dat uit de notulen van de vergadering van de directieraad geenszins blijkt dat eerst een klassement van de kandidaten en pas nadien een motivatie voor dit klassement zou zijn opgesteld. Integendeel heeft de directeur-generaal een uitdrukkelijk gemotiveerd voorstel van rangschikking geformuleerd, waarover nadien is gestemd door de leden van de directieraad. Zij is bovendien van oordeel dat de directieraad de titels en de verdiensten van de kandidaten op basis van wettige, objectieve en duidelijke criteria heeft vergeleken. Tegenover het argument dat de verzoeker de grootste anciënniteit heeft, stelt de verwerende partij dat dit gegeven gerelativeerd moet worden, aangezien de anciënniteit van de kandidaten niet in die mate verschilt dat dit een doorslaggevend criterium had moeten zijn. Volgens de verwerende partij stelt de verzoeker overigens ten onrechte dat de kandidaten “kwalitatief evenwaardig” zouden zijn. Bij de afweging en de beoordeling op basis van het profiel, dat onder meer leidinggevende capaciteiten, communicatieve vaardigheden en zin voor initiatief vereist, kwam de directieraad immers tot de vaststelling dat de benoemde kandidaat beter scoorde dan de verzoeker, dat eerstgenoemde kandidaat blijk heeft gegeven van zin voor initiatief, goed contact met het personeel en managementskwaliteiten en dat hij goede communicatieve en deontologische kwaliteiten, integriteits- en verantwoor- delijkheidsbesef heeft. Wat het argument betreft dat geen rekening werd gehouden met de evaluatie van de kandidaten, meent de verwerende partij dat de directieraad terecht kon oordelen dat dit criterium niet pertinent is. Bij een evaluatie wordt immers het functioneren van de betrokkene in zijn huidige functie beoordeeld, terwijl het bij de toekenning van een vacante functie gaat om de beoordeling van de betrokkene met het oog op een eventueel in de toekomst uit te oefenen functie. IX-3439-6/14 4.
- De verzoeker repliceert dat de directeur-generaal een voorstel van klassement heeft gedaan en dat pas nadien een motivatie is gegeven, waarbij telkens degene die als eerste was voorgedragen door de directeur-generaal ook als eerste werd voorgedragen door de directieraad bij eenparigheid van stemmen. Hieruit blijkt volgens de verzoeker dat het volledige initiatief voor de voordracht uitging van de directeur-generaal en dat geen discussie heeft plaatsgevonden tussen de verschillen- de leden van de directieraad. Voorts meent de verzoeker dat de verwerende partij geen volledig overzicht gaf van alle functievereisten, dat de kandidaten niet volgens dezelfde criteria beoordeeld werden daar het gewicht van de verschillende criteria varieerde naargelang de kandidaat en dat de directieraad gebruik maakte van “louter stijlformules, en vage verwijten die met geen enkel concreet gegeven worden gestaafd”. Hij is van oordeel dat de anciënniteit weliswaar niet automatisch voorrang geeft, maar dat dit wel een beoordelingscriterium moet zijn, aangezien het wel degelijk om evenwaardige kandidaten gaat. 4.
- In zijn laatste memorie voert de verzoeker aan dat niet de directeur-generaal, maar wel de directieraad de verdiensten van de kandidaten tegen elkaar moet afwegen en moet motiveren waarom de ene kandidaat boven de andere wordt verkozen. Het kan immers niet de bedoeling zijn dat het enkel de visie van de directeur-generaal is waarbij de leden van de directieraad zich aansluiten, maar wel dat verschillende personen hun oordeel uitbrengen vanuit verschillende oogpunten teneinde deze visies te vergelijken en te motiveren wie waarom verkozen wordt. De verzoeker geeft voorts toe geen belang te hebben bij het opwerpen dat Willy Van Den Bergh en Ivan David ten onrechte niet als eerste respectievelijk derde zouden zijn gerangschikt, maar verduidelijkt, met dit argument te hebben willen aantonen dat de verwerende partij onzorgvuldig is geweest bij haar besluitvorming en dus geen grondige en correcte vergelijking van de verschillende kandidaten heeft doorgevoerd. Verder stelt de verzoeker dat wel degelijk rekening moest worden gehouden met de anciënniteit, vermits het oordeel van de directeur-generaal dat hij minder geschikt was op het vlak van organisatie, communicatie en management niet IX-3439-7/14 volstaat om te oordelen dat het niet om min of meer evenwaardige kandidaten zou gaan. Minstens diende volgens de verzoeker te worden aangegeven waarom met zijn aanzienlijk grotere anciënniteit geen rekening werd gehouden. Beoordeling 4.5.
- Luidens artikel 26, § 1, eerste en tweede lid, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939, zoals van toepassing ten tijde van het bestreden besluit, wordt voor iedere bevordering door verhoging in weddeschaal die afhankelijk gesteld is van de vacature van een betrekking, een voorstel gedaan door de directieraad in de gevallen waarin dit college op grond van de artikelen 23 of 67 van voormeld koninklijk besluit een met redenen omkleed advies dient te geven. In dat geval bevat het voorstel ten hoogste vijf kandidaten per vacante betrekking. Luidens artikel 23, eerste lid, van dit koninklijk besluit, zoals van toepassing ten tijde van het bestreden besluit, worden bevorderingen door verhoging in weddeschaal in rang 13 die afhankelijk gesteld zijn van de vacature van een betrekking verleend, na een met redenen omkleed advies van de directieraad. 4.5.
- In de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht kan de Raad van State zich voor de beoordeling van de titels en de verdiensten niet in de plaats stellen van de bevoegde administratieve overheid. De Raad van State is slechts bevoegd om na te gaan of de benoemende overheid de haar ter zake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij deze correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. 4.5.
- Het advies van de directieraad, waarbij de benoemende overheid zich aansluit en waarnaar zij verwijst ter motivering van het benoemingsbesluit, moet de redenen vermelden waarom de ene kandidaat boven de andere wordt verkozen. Uit de notulen van de vergadering van de directieraad van 5 september 2001 blijkt dat de directieraad van oordeel was dat zowel de verzoeker als de benoemde kandidaat geschikt waren voor de vacante betrekking. Beiden hadden reeds gefunctioneerd als waarnemend inrichtingshoofd, de verzoeker gedurende één jaar, de benoemde kandidaat gedurende twee jaar. Voorafgaand aan die detachering had de verzoeker vijftien jaar gefunctioneerd als adjunct-directeur, IX-3439-8/14 waarbij hij verantwoordelijk was voor de geïnterneerden, voor de discipline-afdeling en voor de tewerkstelling van de gedetineerden en was hij zaakvoerder van de nijverheidsdienst. De verzoeker heeft zijn taken steeds op een correcte manier uitgeoefend “zonder werkelijk uit te blinken”. Ook zijn taak als waarnemend inrichtingshoofd heeft hij zonder problemen volbracht. De benoemde kandidaat was voorafgaand aan zijn functie als waarnemend inrichtingshoofd negen jaar adjunct- directeur, waarbij hij belast was met de “veel omvattende taak” van zaakvoerder van een inrichting met talrijke werkplaatsen en een landbouwbedrijf, zich bezig hield met de organisatie en opleiding van het personeel en aangesteld was als lesgever, onder meer in de basisopleiding voor penitentiaire beambten. Reeds kort na zijn aanstelling als waarnemend directeur had hij een beleidsplan opgesteld en heeft hij in die functie verschillende initiatieven genomen wat betreft het regime van de gedetineerden. Op grond van deze opsomming van de verdiensten van de beide kandidaten kon de directieraad in redelijkheid oordelen dat de benoemde kandidaat blijk gaf van “zin voor initiatief, goed contact had met het personeel en management- kwaliteiten”, alsmede van “goede communicatieve en grote deontologische kwaliteiten en integriteit en verantwoordelijkheidsbesef” en dat hij bijgevolg de voorkeur verdiende op de verzoeker die, in vergelijking met de benoemde kandidaat, “minder scoort op gebied van organisatie - communicatie en management”. Aldus blijkt op voldoende wijze uit de voormelde notulen om welke redenen de benoemde kandidaat verkozen werd boven de verzoeker voor de te begeven betrekking. 4.5.
- De verzoeker stelt voorts dat de directieraad eerst een rangschik- king en pas daarna een motivering voor die rangschikking heeft opgesteld. Die bewering berust op een onnauwkeurige lezing van de notulen van de directieraad. Zoals bij het feitenrelaas werd uiteengezet, heeft de directeur- generaal van het Directoraat-generaal Strafinrichtingen na een afzonderlijke bespreking van alle kandidaturen, een alfabetische shortlist van vier kandidaten voorgesteld. De directieraad ging unaniem met deze shortlist akkoord. IX-3439-9/14 Vervolgens stelde de directeur-generaal een rangschikking van die vier kandidaten voor. Hij gaf tevens een motivering voor die rangschikking. De directieraad ging unaniem akkoord met dit gemotiveerd voorstel. Hij heeft zich aldus de door de directeur-generaal voorgestelde motivering eigen gemaakt. De bewering dat eerst een rangschikking werd opgesteld en pas daarna een motivering werd gegeven, mist feitelijke grondslag. Ter motivering van zijn advies kan de directieraad trouwens volstaan met het zich aansluiten bij de zienswijze van de directeur-generaal. 4.5.
- In zover het middel steunt op het argument dat Willy Van Den Bergh “pas op de tweede plaats komt, alhoewel hij zeker in staat mag worden geacht om een gevangenis te leiden”, moet worden opgemerkt dat de verzoeker er geen belang bij heeft aan te voeren dat een andere kandidaat ten onrechte niet als eerste maar slechts als tweede kandidaat werd voorgedragen. Hetzelfde geldt voor het argument dat Ivan David als vierde en niet als derde kandidaat werd voorgedragen. Zelfs wanneer de verzoeker terecht zou stellen dat deze argumenten aantonen dat de verwerende partij geen zorgvuldige vergelijking van de titels en de verdiensten van de verschillende kandidaten heeft doorgevoerd, doet dit geen afbreuk aan de vaststelling, dat de verdiensten van de verzoeker en van de benoemde kandidaat op voldoende wijze met elkaar vergeleken werden. Vermits de verzoeker enkel de benoeming van Johan Demuynck aanvecht, is het slechts de vergelijking van de titels en de verdiensten van deze twee kandidaten die relevant is voor het onderhavige beroep. 4.5.
- De verzoeker stelt verder dat de directieraad rekening had moeten houden met de anciënniteit omdat het om “kwalitatief evenwaardige kandidaten” ging. De voordracht van vier kandidaten houdt in dat de directieraad ieder van die kandidaten geschikt acht om in de betrekking benoemd te worden. De directeur-generaal van het Directoraat-generaal Strafinrichtingen stelde overigens dat de verzoeker “blijk gegeven (heeft) over de nodige vaardigheden te beschikken” en IX-3439-10/14 de vier kandidaten werden door de directeur-generaal aanbevolen voor een betrekking van rang
- Dit betekent evenwel niet dat de vier voorgedragen kandidaten “kwalitatief evenwaardig” zouden zijn. De directieraad heeft immers een rangschik- king vastgesteld, waarbij werd geoordeeld dat de verzoeker minder geschikt was “op gebied van organisatie - communicatie en management”. Het argument dat rekening moest worden gehouden met de anciënniteit omdat het om “kwalitatief evenwaardige kandidaten” ging, mist derhalve feitelijke grondslag. Bovendien beschikt de overheid bij benoemingen en bevorderin- gen naar keuze over een discretionaire bevoegdheid om de beoordelingscriteria en het gewicht dat aan de verschillende criteria moet worden gehecht, te bepalen. De Raad van State mag zich desbetreffend niet in de plaats van de overheid stellen, door bijvoorbeeld één criterium als doorslaggevend te beschouwen. De grotere graad- anciënniteit van de verzoeker sluit bijgevolg niet uit dat de directieraad bij de vergelijking van de kandidaten rekening kan houden met andere criteria en de voorkeur kan geven aan een kandidaat die naar zijn oordeel grotere managements- kwaliteiten heeft en beter scoort op het gebied van organisatie en communicatie. Een dergelijke beoordeling kan niet als kennelijk onredelijk worden aangemerkt. 4.5.
- Voor zover de verzoeker aanvoert dat geen rekening werd gehouden met “het criterium van de evaluatie”, dient te worden opgemerkt dat hij niet aantoont en zelfs niet eens beweert dat de bevindingen van de directieraad onverenigbaar zijn met de evaluatie die aan de kandidaten was toegekend. 4.5.
- Het middel is niet gegrond. B. Tweede middel Standpunt van de partijen 5.
- In een tweede middel voert de verzoeker de schending aan van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. IX-3439-11/14 Hij stelt dat met “een vage of nietszeggende motivering” niet aan de motiveringsplicht voldaan wordt, en dat wanneer verwezen wordt naar een voorafgaand advies, dit stuk zelf afdoende gemotiveerd moet zijn. Hij betwijfelt of aan die vereiste is voldaan. 5.
- De verwerende partij antwoordt in hoofdorde dat het middel niet ontvankelijk is, aangezien de verzoeker enkel aangeeft dat een bepaling werd geschonden, zonder aan te tonen hoe die bepaling werd geschonden. In ondergeschikte orde argumenteert zij dat in het bestreden besluit wordt verwezen naar het voorafgaand advies van de directieraad dat ter kennis werd gebracht van de verzoeker en dat afdoende is gemotiveerd. 5.
- De verzoeker repliceert dat het middel duidelijk stelt dat het benoemingsbesluit strijdig is met de formele motiveringswet, omdat in de akte zelf de juridische en feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen niet worden vermeld. De verwijzing in de motivering naar een voorbereidende handeling, zoals het advies van de directieraad, is volgens hem slechts afdoende als motivering, indien het stuk waarnaar wordt verwezen zelf afdoende gemotiveerd is. Een benoemingsbesluit, gebaseerd op het advies van de directieraad dat niet voldoende gemotiveerd is, dient volgens hem te worden vernietigd. Beoordeling 5.4.
- Opdat een middel ontvankelijk zou worden aangevoerd, moet een voldoende duidelijke omschrijving worden gegeven van de overtreden rechtsregel of van het overtreden rechtsbeginsel en van de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden handeling werd geschonden. In de onderhavige zaak blijkt dat het middel voldoende duidelijk werd omschreven opdat de verwerende partij er zich tegen zou kunnen verweren en de Raad van State de gegrondheid ervan zou kunnen onderzoeken. Het middel is derhalve ontvankelijk. 5.4.
- Artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen verplicht de administratieve overheid ertoe IX-3439-12/14 in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen en dit op een “afdoende” wijze. Een bestuurshandeling mag met een verwijzing naar een ander stuk worden gemotiveerd, indien de inhoud van het stuk waarnaar wordt verwezen aan de betrokkene bekend is en dit stuk zelf afdoende is gemotiveerd. In de aanhef van het bestreden besluit wordt verwezen naar “het voorstel van de Directieraad van 5 september 2001 waarbij de benoemde kandidaat bij geheime stemming éénparig op de eerste plaats werd gerangschikt voor de vacante betrekking van eerstaanwezend directeur bij de strafinrichting te Wortel”. Uit het onderzoek van het eerste middel is gebleken dat het voorstel van de directieraad waarbij de benoemde kandidaat op de eerste plaats werd gerangschikt afdoende gemotiveerd is. De verwijzing naar het gemotiveerd voorstel van de directieraad, dat door de verzoeker gekend is, volstaat dan ook om het bestreden besluit te motiveren. Het middel is niet gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverkla- ring, begroot op 175 euro. IX-3439-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 8 februari 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-3439-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.574 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div