← België

Arrest 200575 - Arbeids- en beroepskaarten - 08/02/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.575 Rolnummer: A. 189252/IX-6001 Zaak: Arrest 200575 - Arbeids- en beroepskaarten - 08/02/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-16 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-07-02 08:42 Fiche Arrest nr 200.575 van 8 februari 2010 Economische zaken - Arbeids- en beroepskaarten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 200.575 van 8 februari 2010 in de zaak A. 189.252/IX-6001 In zake : Omar BEGIC bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pierre Lydakis kantoor houdend te Luik Quai de la Dérivation 53/052 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk De Greef kantoor houdend te Zellik Noorderlaan 30 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 4 augustus 2008, strekt tot de nietigver- klaring van het besluit van 3 juni 2008 van de Vlaamse minister van Werk, waarbij aan Omar Begic de uitgifte wordt geweigerd van een werkvergunning model C. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 188.503 van 4 december 2008 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-6001-1/8 Adjunct auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 1 februari
  3. Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Helen Van Nijverseel, die loco advocaat Pierre Lydakis verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Matthias Hertegonne, die loco advocaat Dirk De Greef verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De verzoeker dient op 22 september 2005 een asielaanvraag in. Die aanvraag wordt door de Dienst Vreemdelingenzaken op 10 oktober 2005 onontvankelijk verklaard. De verzoeker stelt op 11 oktober 2005 hiertegen dringend beroep in bij de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen. Nu wordt de asielaanvraag op 27 december 2005 wel ontvankelijk verklaard, maar op 27 maart 2006 beslist de Commissaris-generaal de asielaanvraag als ongegrond te verwerpen. De verzoeker stelt beroep in bij de Vaste Beroepscommissie voor de Vluchtelingen. Dat beroep wordt verworpen op 27 maart
  6. De verzoeker heeft op 20 april 2007 een aanvraag ingediend tot machtiging tot een verblijf van meer dan drie maanden op grond van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, IX-6001-2/8 het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Daarover was op het ogenblik van het bestreden besluit nog geen uitspraak gedaan. 3.
  7. De verzoeker dient op 15 februari 2006 een aanvraag in tot het verkrijgen van een arbeidskaart C van beperkte duur omdat zijn aanvraag om als kandidaat-vluchteling erkend te worden, ontvankelijk werd verklaard. De kaart wordt hem verleend. Zij wordt vervolgens verlengd tot 14 maart
  8. 3.
  9. De verzoeker dient op 21 februari 2008 een aanvraag in tot hernieuwing van zijn arbeidskaart C. Hij stelt dat zijn aanvraag als kandidaat- vluchteling nog ontvankelijk is. 3.
  10. De verwerende partij weigert op 2 april 2008 de arbeidskaart C op grond van volgende overwegingen: “Na onderzoek van uw aanvraag blijkt dat om de volgende redenen de gevraagde arbeidskaart model C, overeenkomstig artikel 34,1/, van het voormeld KB, wordt geweigerd: - u bent niet langer gemachtigd in België te verblijven in de hoedanigheid van ontvankelijk verklaarde kandidaat-vluchteling conform art. 17, 1/, van voormeld KB; - u beantwoordt niet aan één van de andere toekenningsvoorwaarden, opgenomen in art. 17, die recht geven op een arbeidskaart C;” 3.
  11. Bij brief van 30 april 2008 stelt de verzoeker conform artikel 10 van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, administratief beroep in tegen de weigeringsbeslissing. De administratie van het Vlaams Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie brengt een negatief advies uit omtrent de grond van de zaak. 3.
  12. De Vlaamse minister van Werk verwerpt bij beslissing van 3 juni 2008 het beroep van de verzoeker. Deze weigeringsbeslissing, die het voorwerp uitmaakt van het onderhavig beroep, is gesteund op de volgende overwegingen: “
  13. Een aanvraag om (een) arbeidskaart C in toepassing van artikel 17,1/ van het KB van 9/6/1999 = een kandidaat vluchteling wiens aanvraag nog ontvankelijk is werd goedgekeurd van 21/02/2006 tot 20/02/2007 en van 15/03/2007 tot 14/03/
  14. De huidige aanvraag betreft de verlenging van de arbeidskaart C van beperkte duur in toepassing van artikel 17,1/ = een kandidaat vluchteling wiens aanvraag nog ontvankelijk is, van het KB van 9/6/
  15. IX-6001-3/8
  16. De aanvraag werd op 02/04/2008 geweigerd om de volgende redenen: - u bent niet langer gemachtigd in België te verblijven in de hoedanigheid van ontvankelijk verklaarde kandidaat-vluchteling conform art. 17, 1/ van voormeld KB; - u beantwoordt niet aan één van de andere toekenningsvoorwaarden, opgenomen in art. 17, die recht geven op een arbeidskaart C.
  17. Artikel 17,1/ van het KB van 9/6/1999 bepaalt dat de arbeidskaart C wordt toegekend aan de buitenlandse onderdanen die gemachtigd werden te verblijven in de hoedanigheid van ontvankelijk verklaarde kandidaat- vluchteling door de Minister die de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onder zijn bevoegdheid heeft of diens gemachtigde, of, ingeval van beroep, door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen, of in geval van beroep, door de Vaste Beroepscommissie voor de Vluchtelingen. Uit de verblijfshistoriek (zie punt 1) blijkt dat betrokkene niet meer de status van ontvankelijk verklaarde asielzoeker bezit, en derhalve niet meer in aanmerking komt voor een arbeidskaart C op basis van artikel 17,1/ van het KB van 9/6/
  18. Artikel 17,3/ van het KB van 9/6/1999 bepaalt dat de arbeidskaart C wordt toegekend aan de buitenlandse onderdanen die gemachtigd of toegelaten werden tot een verblijf van beperkte duur wanneer de mogelijkheid tot een verblijf voor onbepaalde duur uitdrukkelijk wordt voorzien door een wettelijke of reglementaire bepaling of een richtlijn van de Minister die de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onder zijn bevoegdheid heeft of diens gemachtigde, behalve als die verblijfsvergunning afgeleverd werd met het oog op de uitoefening van een zelfstandig beroep. Eventuele toekenning op individuele basis (dus op basis van onder andere artikel 9, derde lid van het KB van 9/6/1999) wordt expliciet uitgesloten van deze mogelijkheid (zie ook het Verslag aan de Koning bij het wijzigend Koninklijk Besluit van 6.2.2003 Belgisch Staatsblad van 27/2/2003). Betrokkene kan derhalve op basis van artikel 17,3/ van het KB van 9/6/1999 geen aanspraak maken op een arbeidskaart C.
  19. Artikel 17,4/ van het KB van 9/6/1999 bepaalt dat de arbeidskaart C wordt toegekend aan de buitenlandse onderdanen die tot een verblijf gemachtigd werden in toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15/12/1980, voor zover de verlenging van de machtiging tot verblijf afhankelijk wordt gemaakt van tewerkstelling, behalve als het buitenlandse onderdanen betreft die een verblijfsvergunning toegekend kregen nadat een werkgever voor hen een aanvraag om arbeidsvergunning had ingediend. In casu werd enkel een aanvraag tot regularisatie van verblijf ingediend, en werd door de Dienst Vreemdelingenzaken van het Ministerie van Binnenlandse Zaken nog geen beslissing genomen. Betrokkene kan derhalve op basis van artikel 17,4/ van het KB van 9/6/1999 evenmin aanspraak maken op een arbeidskaart C.
  20. Betrokkene voldoet ook niet aan de andere bepalingen tot het bekomen van een arbeidskaart C, opgenomen in artikel 17 van het KB van 9/6/
  21. IX-6001-4/8
  22. Met betrekking tot de arbeidskaart C kan de bevoegde overheid geen afwijking toestaan om sociale of economische redenen (zie art. 38, §2 van het KB van 9/6/1999).” IV. Onderzoek van het enig middel Standpunt van de partijen
  23. De verzoeker voert de schending aan van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de algemene zorgvuldigheidsplicht en van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Volgens hem neemt de verwerende partij aan dat hij illegaal op het Belgisch grondgebied verbleef op het ogenblik van zijn aanvraag om een arbeidsvergunning C te verkrijgen omdat hem een bevel was betekend om het grondgebied te verlaten. Dit bevel werd evenwel ingetrokken omdat het werd betekend na de indiening van de aanvraag tot machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden. Hij stelt dat hij nog steeds wettig op het Belgische grondgebied verblijft, aangezien hij nog steeds over een inschrijvingsbewijs model A beschikt dat hem werd uitgereikt in het kader van zijn asielprocedure en hij sindsdien geen nieuw bevel ontvangen heeft om het grondgebied te verlaten.
  24. De verwerende partij antwoordt dat het feit of al dan niet een bevel om het grondgebied te verlaten werd betekend, geen afbreuk doet aan de vaststelling dat de verzoeker niet langer gemachtigd is om in België te verblijven in de hoedanigheid van ontvankelijk verklaarde kandidaat-vluchteling. De asielaanvraag werd immers ongegrond verklaard op 27 maart
  25. De beslissing is dan ook naar recht gemotiveerd. Bovendien mag niet uit het oog worden verloren dat de formele motiveringsplicht geen op straffe van nietigheid voorgeschreven regel is, maar een substantieel vormvoorschrift dat in geval van gebonden bevoegdheid -wat hier het geval is- niet kan leiden tot een nietigverklaring.
  26. De verzoeker stelt in zijn repliek dat hij nog steeds wettig in België verblijft en dat het bevel om het grondgebied te verlaten werd ingetrokken. Hij voegt daaraan toe dat er hem geen enkel nieuw bevel tot het verlaten van het grondgebied betekend werd. De verzoeker heeft wel om de voortzetting van de procedure gevraagd, maar hij heeft zijn argumentatie niet verder ontwikkeld. IX-6001-5/8 Beoordeling
  27. Artikel 5 van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers bepaalt dat de buitenlandse werknemer die arbeid wil verrichten vooraf een arbeidskaart moet hebben verkregen van de bevoegde overheid. Hij mag deze arbeid enkel verrichten binnen de perken van deze arbeidskaart. De wet is uitgevoerd door het koninklijk besluit van 9 juni 1999 betreffende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers (hierna het koninklijk besluit van 9 juni 1999). Onder meer heeft de Koning aldus bepaald aan welke voorwaarden moet worden voldaan om een arbeidskaart te verkrijgen. Voor deze zaak zijn de volgende bepalingen van artikel 17 relevant: “De arbeidskaart C wordt toegekend: 1/ aan de buitenlandse onderdanen die gemachtigd werden te verblijven in de hoedanigheid van ontvankelijk verklaarde kandidaat-vluchtelingen (...) 2/ (...) 3/ aan de buitenlandse onderdanen die gemachtigd of toegelaten werden tot een verblijf van beperkte duur wanneer de mogelijkheid voor een machtiging tot verblijf voor onbepaalde duur uitdrukkelijk wordt voorzien door een wettelijke of reglementaire bepaling of een richtlijn van de minister die de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onder zijn bevoegdheden heeft of van diens gemachtigde, behalve als die verblijfsvergunning afgeleverd werd met het oog op de uitoefening van een zelfstandig beroep; 4/ aan de buitenlandse onderdanen die tot een verblijf gemachtigd werden in toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980, voorzover de verlenging van de machtiging tot verblijf afhankelijk wordt gemaakt van tewerkstelling, behalve als het buitenlandse onderdanen betreft die een verblijfsvergunning toegekend kregen nadat een werkgever in België voor hen een aanvraag om arbeidsvergunning had ingediend;”
  28. In de bestreden beslissing wordt nagegaan of de verzoeker voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, 1/, 3/ en 4/, van het koninklijk besluit van 9 juni
  29. Er wordt telkens aangegeven waarom de aanvrager niet voldoet aan de betrokken voorwaarde. De verzoeker kreeg in het verleden een arbeidskaart C omdat zijn asielaanvraag ontvankelijk werd verklaard. Toen het beroep van de verzoeker gericht tegen de ongegrondverklaring van de asielaanvraag door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen, op 27 maart 2007 werd IX-6001-6/8 verworpen door de Vaste Beroepscommissie voor de Vluchtelingen, voldeed de verzoeker niet langer meer aan de voorwaarde bepaald in artikel 17, 1/, van het koninklijk besluit van 9 juni
  30. Daarom werd de toekenning van de arbeidskaart C niet meer verlengd.
  31. De verzoeker stelt dat de verwerende partij er verkeerdelijk vanuit gaat dat hij onwettig verblijft op het Belgische grondgebied omdat zijn bevel om het grondgebied te verlaten werd ingetrokken en hij nog over een inschrijvingsbewijs model A beschikt. De intrekking van het bevel om het grondgebied te verlaten en het inschrijvingsbewijs model A brengen evenwel niet met zich dat de verzoeker voldoet aan de gestelde voorwaarden van artikel 17, 1/, 3/ en 4/, van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 om in aanmerking te komen voor een arbeidskaart C.
  32. De verzoeker laat voorts ook na aan te tonen dat de minister een verkeerde voorstelling van de feiten had toen hij het bestreden besluit nam en dat hij zodoende onzorgvuldig gehandeld zou hebben.
  33. Het enig middel is niet gegrond. BESLISSING
  34. De Raad van State verwerpt het beroep.
  35. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. IX-6001-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 8 februari 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-6001-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.575 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.503 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.