id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.595 Rolnummer: Zaak: Arrest 200595 - Monumenten en Landschappen - 08/02/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-18 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-07-02 08:43 Fiche Arrest nr 200.595 van 8 februari 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 200.595 van 8 februari 2010 in de zaken A. 152.965/X-11.944 (I) A. 169.917/X-12.684 (II). In zake: I. + II.
- Gerald DE BRUYN
- Jean-Norbert DE BRUYN
- Philippe DE BRUYN
- Pascale VAN CUTSEM-DE BRUYN
- Anne-Marie DE BRUYN-van DIONANT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Luc Van Hout kantoor houdend te 2590 BERLAAR Markt 78 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: I. + II. het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Olivier Onghena kantoor houdend te 2000 ANTWERPEN Tavernierkaai 2 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 21 juni 2004, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 14 januari 2004 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken houdende vaststelling van een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten, waarbij “Hof ter Beuken”, een villa met park en aanhorigheden, gelegen aan de Priorijlaan 31 te Schoten, kadastraal bekend sectie D, nrs. 162/e8 en 162/t4, als monument op deze lijst wordt opgenomen (A. 152.965). Het beroep, ingesteld op 2 februari 2006, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 17 oktober 2005 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening waarbij “Hof ter Beuken”, een X-11.944-12.684-1/10 villa met park en aanhorigheden, gelegen aan de Priorijlaan 31 te Schoten, kadastraal bekend sectie D, nrs. 162/e8 en 162/t4, als monument wordt beschermd omwille van de historische waarde (A. 169.917). II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft in beide zaken een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben in beide zaken een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld in beide zaken. De verzoekende partijen hebben in beide zaken een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 september
- Staatsraad Jeroen Van Nieuwenhove heeft verslag uitgebracht in beide zaken. Advocaat Marijke Van Der Hasselt, die loco advocaat Olivier Onghena verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Auditeur Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- X-11.944-12.684-2/10 III. Feiten
- De verzoekende partijen zijn de onverdeelde eigenaars (1e tot 4e verzoekende partij) respectievelijk vruchtgebruiker (5e verzoekster) van “Hof ter Beuken”, een villa met parktuin, gelegen aan de Priorijlaan 31 te Schoten, kadastraal bekend sectie D, nrs. 162/e8, 162/f8 en 162/t
- Bij besluit van 14 januari 2004 stelt de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten vast waarin de voornoemde villa met parktuin wordt opgenomen.
- Bij brieven van 20 april 2004 en 29 april 2004 wordt een afschrift van het voorlopig beschermingsbesluit verstuurd naar de verzoekende partijen en naar de betrokken besturen. Het besluit wordt tevens bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 juni
- Dit is het bestreden besluit in de zaak A. 152.
- Op 23 november 2004 dienen de verzoekende partijen een bezwaarschrift in bij de gouverneur van de provincie Antwerpen. De dienst Monumenten en Landschappen van de afdeling ROHM-Antwerpen maakt op 24 januari 2005 een verslag op waarin de bezwaren van de verzoekende partijen als volgt worden besproken: “II. WAT DE BEZWAREN VAN DE VERZOEKENDE PARTIJEN BETREFT
- Op 21 juni 2004 werd door de eigenaars een verzoekschrift tot nietigverklaring bij de Raad van State ingediend tegen het besluit dd. 14 januari 2004 waarbij het Hof ter Beuken werd ondergebracht in het ontwerp van lijst van de voor bescherming vatbare monumenten. Deze procedure is nog hangende. Voornoemde proceduregeschriften worden in dit bezwaarschrift hernomen.
- Er wordt gesteld dat het ontwerp van lijst geen enkel concreet gegeven bevat waaruit op afdoende wijze zou zijn aangetoond dat de villa met tuin en aanhorigheden zowel vanuit historisch oogpunt als vanuit architectonisch historisch oogpunt in concreto van algemeen belang zouden (moeten) worden geacht.
- Volgens de eigenaars blijkt uit de door het Vlaamse Gewest neergelegde memorie van antwoord dat de voorlopige bescherming van het Hof ter Beuken niet werd ingegeven door het wettelijk vereiste algemeen belang, maar wel dat er ‘(...) werd geopteerd de bescherming van dit landhuis los te koppelen van de volledige lijst gezien de tijdsdruk van de lopende beroepsprocedures tegen de weigering voor de verkaveling (...). Men concludeert hieruit dat de bescherming geenszins werd getroffen omwille van het algemeen belang, maar wel ter wille van ondersteuning van X-11.944-12.684-3/10 de weigering van een verkavelingsaanvraag, hetwelk enkel maar kan worden gekwalificeerd als ‘machtsafwending’. 4.
- Het goed behoort momenteel in onverdeeldheid toe aan de heer en mevr. G. De Bruyn - Desgain en aan de erfgenamen van wijlen de heer (N.) De Bruyn. Men wil het goed verkavelen om zo uit onverdeeldheid te kunnen treden. 4.
- Het eigendom werd geklasseerd zonder het minste openbaar onderzoek op enkelvoudig advies van de ambtenaar van de gemeente Schoten waarbij de kennis van gemeentelijk ambtenaar in vraag wordt gesteld. 4.
- Schending van artikel 10 van de grondwet waarbij verondersteld wordt dat elke (B)elg gelijk behandeld wordt, wordt eveneens aangehaald. In het thans voorgelegde dossier wordt slechts één woning voorgesteld voor bescherming. Met verwondering wordt vastgelegd dat het klaarblijkelijk niet de bedoeling is huize Iepenburg, als ziel van het domein bestempeld, te klasseren maar ernaast een reeks appartementen te bouwen. Er wordt gesteld dat Iepenburg een veel grotere historische waarde heeft dan het Hof ter Beuken. 4.
- Hof ter Beuken is gelegen in een waterwinningsgebied. Sinds meer dan 40 jaar is uiterst zelden water te vinden in de vijver. 4.
- Het huis is niet toegankelijk voor rolstoelgebruikers. Aanpassingen zullen niet mogelijk zijn zonder aan de geklasseerde delen te raken. 8.2 Bespreking In verband met het verzoekschrift tot nietigverklaring werd door raadsman Hugo Schiltz een memorie van antwoord opgesteld. Weerlegging van het middel:
- De motivering van het besluit is ‘afdoende’ gezien de motivering in rechte evenredig is aan het gewicht van de beslissing en de omvang van de motivering in verhouding staat tot het belang, de aard en het voorwerp van de beslissing.
- In casu wordt in art. 2 van het beschermingsbesluit uitdrukkelijk gemotiveerd waarom de bescherming van het Hof ter Beuken als monument beschermenswaardig en van algemeen belang wordt gekwalificeerd als representatief voorbeeld van een villadomein in villatuinwijk welke teruggaat naar de 18de eeuwse (parkaanleg) van het voormalige kloosterdomein ‘Schotenhof’. De concrete redenen waarom het beschermenswaardig wordt geacht, zijn aangegeven. Het administratief dossier geeft bijkomend nadere details omtrent de deelaspecten van Hof ter Beuken die beschermenswaardig zijn, te weten het gebouw aan de binnen en buitenkant alsook het park. Deze gegevens zijn van die aard dat ze de motivering van het besluit mee ondersteunen. 8.
- Voorgesteld advies Er wordt derhalve voorgesteld de bescherming van het Hof ter Beuken verder te zetten”.
- Bij besluit van 25 maart 2005 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening wordt ter uitvoering van artikel 5, § 7 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, de geldigheidsduur van het voormelde ministerieel besluit van 14 januari 2004 houdende ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten en stads- en dorpsgezichten, verlengd met een termijn van zes maanden. X-11.944-12.684-4/10 De aanhef van dit besluit vermeldt als reden dat de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen nog geen advies heeft kunnen uitbrengen.
- Op 12 mei 2005 verleent de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen een gunstig advies voor de bescherming van de voormelde villa “Hof ter Beuken” met park en aanhorigheden.
- Op 17 oktober 2005 beslist de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening de voornoemde villa met park en aanhorigheden te beschermen omwille van de stedenbouwkundig historische waarde en architectuurhistorische waarde. Dit is het bestreden besluit in de zaak A.169.
- IV. Samenhang
- In hun laatste memories vragen de verzoekende partijen om de zaken A. 152.965/X-11.944 en A. 169.917/X-12.684 te voegen. De beide zaken zijn dermate met elkaar verbonden dat er grond is om dit verzoek in te willigen. V. Ontvankelijkheid van het beroep in de zaak A.152.965
- Krachtens artikel 7 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten (hierna: het monumentendecreet) vervalt de inschrijving op de ontwerpen van lijst van rechtswege indien de besluiten niet zijn genomen binnen de in artikel 5, § 7 van hetzelfde decreet bepaalde termijn die te dezen werd verlengd door het voormelde besluit van 25 maart
- Door het definitieve beschermingsbesluit (het tweede bestreden besluit) heeft het voorlopig beschermingsbesluit van 14 januari 2004 waarvan de duur van de voorlopige bescherming met een termijn van zes maanden werd verlengd door het voornoemde besluit van 25 maart 2005, geen rechtsgevolgen meer. Zelfs indien het tweede bestreden besluit zou worden vernietigd, hetgeen te dezen, zoals hierna zal blijken, niet het geval is, kan het voorlopige beschermingsbesluit van 14 januari 2004 overeenkomstig artikel 5, § 7 van het monumentendecreet geen uitwerking meer hebben. De verzoekende partijen hebben geen actueel belang meer bij de nietigverklaring van het eerste bestreden besluit. X-11.944-12.684-5/10 VI. Onderzoek van de middelen in de zaak A. 169.917 A. Eerste middel Standpunt van de partijen
- De verzoekende partijen voeren in een eerste middel, met toepassing van artikel 159 van de Grondwet, de onwettigheid aan van het ministerieel besluit van 25 maart 2005 waarbij de geldingsduur van het voorlopig beschermingsbesluit van 14 januari 2004 wordt verlengd. Verder voeren zij nog de schending aan van artikel 5, § 7 van het monumentendecreet en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Tevens voeren zij bevoegdheidsoverschrijding aan in hoofde van de minister die het ministerieel besluit heeft opgemaakt. De verzoekende partijen stellen dat het ministerieel besluit van 25 maart 2005 door de voltallige Vlaamse regering moest worden genomen en niet alleen door de minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening. Door deze onwettigheid van het verlengingsbesluit kon het definitief beschermingsbesluit evenmin wettig worden uitgevaardigd. Ten slotte argumenteren de verzoekende partijen nog dat het voor de verlenging ingeroepen motief niet beantwoordt aan de wettelijke motiveringsplicht.
- De verwerende partij repliceert dat het middel onontvankelijk is, vermits het verlengingsbesluit een van het definitieve beschermingsbesluit losstaand besluit is dat op zich vatbaar is voor een beroep tot vernietiging. De beweerde onwettigheid van het verlengingsbesluit kan niet voor het eerst met goed gevolg worden aangevoerd ter ondersteuning van het annulatieberoep tegen het beschermingsbesluit, vermits de beroepstermijn voor een annulatieberoep tegen het verlengingsbesluit reeds verstreken is.
- De verzoekende partijen dupliceren dat het verlengingsbesluit een louter voorbereidende beslissing is van het ministerieel besluit van 25 maart 2005 en dat het als onderdeel van een complexe rechtshandeling mee kan worden betrokken in het wettigheidsonderzoek van de uiteindelijke griefhoudende beslissing. Een voorbeslissing kan, maar moet niet worden aangevochten, zodat de onwettigheid ervan nog kan worden opgeworpen tegen een latere beslissing. X-11.944-12.684-6/10 Beoordeling
- De verzoekende partijen betwisten in dit middel de wettigheid van het besluit houdende termijnverlenging van 25 maart
- Een besluit houdende termijnverlenging van een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- of dorpsgezichten, is een zelfstandige, van het beschermingsbesluit losstaande, bestuurshandeling met eigen rechtsgevolgen die, onafhankelijk van elke vordering tegen de latere bescherming, vatbaar is voor nietigverklaring door de Raad van State. Artikel 4, derde lid van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State schrijft voor dat een beroep tot nietigverklaring van een individuele administratieve rechtshandeling die dient te worden betekend, zoals het ministerieel besluit van 25 maart 2005, binnen een termijn van zestig dagen moet worden ingediend, op straffe van niet-ontvankelijkheid wegens laattijdigheid. De verzoekende partijen hebben het verlengingsbesluit van 25 maart 2005 niet aangevochten door middel van een annulatieberoep. De aangevoerde onwettigheid van het besluit houdende termijnverlenging kan, gelet op het voorgaande, niet voor het eerst met goed gevolg worden ingeroepen ter ondersteuning van een annulatieberoep tegen het beschermingsbesluit. Het eerste middel is niet ontvankelijk. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- In een tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, in samenhang met de artikelen 2.2 en 5, § 2, 2/ van het monumentendecreet, van het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel, alsook van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van het gelijkheidsbeginsel. De verzoekende partijen stellen dat de bezwaren die zijn opgeworpen naar aanleiding van het openbaar onderzoek niet in het bestreden besluit zijn opgenomen en evenmin werden beantwoord. De bezwaren bevinden zich overigens ook niet in het administratief dossier. Van de bezwaren wordt enkel gewag gemaakt in het verslag van 24 januari 2005 van de dienst Monumenten en Landschappen van de afdeling ROHM-Antwerpen. De weerlegging van de X-11.944-12.684-7/10 bezwaren is daarin beperkt tot het louter hernemen van de overwegingen die hebben geleid tot het voorlopig beschermingsbesluit. Voorts wordt in het bestreden besluit niet op afdoende wijze gemotiveerd om welke redenen de woning met tuin en aanhorigheden van algemeen belang zou zijn en om welke redenen het naburige “Huize Iepenburg” niet wordt beschermd. Dit wijst volgens de verzoekende partijen op een ongelijke en discriminerende behandeling. Er kan enkel met de in het bestreden besluit vermelde redengeving rekening worden gehouden, zodat niet kan worden volstaan met een loutere verwijzing naar een motiveringsnota die niet wordt overgenomen of aangehaald en die evenmin als bijlage bij het besluit wordt gevoegd. In hun memorie van wederantwoord voeren de verzoekende partijen nog aan dat het bestreden besluit niet werd uitgevaardigd omwille van het algemeen belang, maar ter ondersteuning van de weigering van de door de verzoekende partijen ingediende verkavelingsaanvraag. Uit de context van het dossier, alsook uit de inhoud van het verslag van 24 januari 2005 van de dienst Monumenten en Landschappen van de afdeling ROHM-Antwerpen blijkt dat het bestreden besluit is aangetast door machtsafwending. Beoordeling
- Het recht om bezwaar in te dienen brengt voor de overheid de verplichting mee om de regelmatig ingediende bezwaren en opmerkingen te onderzoeken en te beoordelen. Uit de stukken van het dossier blijkt dat de bezwaren van de verzoekende partijen werden onderzocht en weerlegd in het verslag van 24 januari 2005 van de dienst Monumenten en Landschappen van de afdeling ROHM- Antwerpen. Dit verslag werd opgenomen op de agenda van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen zodat het, met de ingediende bezwaren en de weerlegging ervan, deel uitmaakte van de beraadslaging van de Commissie. Dat de weerlegging van de bezwaren van de verzoekende partijen in hoofdzaak de redengeving bevat die tevens in het bestreden besluit voorkomt, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat de overheid de bezwaren heeft onderzocht en weerlegd.
- Wanneer de overheid een onroerend goed als monument beschermt, moet zij, om te voldoen aan de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, in het besluit zelf de X-11.944-12.684-8/10 juridische en feitelijke overwegingen vermelden waarop het is gesteund. Het is niet vereist dat in het besluit zelf de bezwaren en opmerkingen worden beantwoord die tijdens de voorafgaande procedure, met name tijdens het openbaar onderzoek, werden ingediend. Het volstaat dat het besluit opgeeft om welke redenen van artistieke, wetenschappelijke, historische, volkskundige, industrieelarcheologische of andere sociaal-culturele waarde het bestuur van oordeel is dat het beschermde onroerend goed van algemeen belang is. Het bestreden besluit motiveert het algemeen belang van het beschermde goed als volgt: “Art.
- Het algemeen belang dat de bescherming verantwoordt, wordt door het uitzonderlijke karakter van volgende intrinsieke waarde gemotiveerd: De historische, meer bepaald stedenbouwkundig historische waarde: als representatief voorbeeld van een villadomein uit XXa in de villatuinwijk Schotenhof welke ontstaan is in het begin van de 20ste eeuw toen de immobiliënmaatschappij ‘Domaines de Schootenhof’ werd opgericht door Antwerpse kooplieden met als hoofddoel het creëren van buitenverblijven voor de gegoede klasse. Deze villatuinwijk wordt gekenmerkt door een stervormig stratenpatroon welke teruggaat naar de 18de eeuwse parkaanleg van het voormalige kloosterdomein ‘Schotenhof’. De historische, meer bepaald architectuurhistorische waarde: als gaaf bewaard eclectisch landhuis met cottage invloeden opgericht tussen 1919 en 1930 en gaaf bewaard interieur met invloeden van de arts and craftsbeweging”. Het bestreden besluit vermeldt in concreto de motieven waarom de betrokken villa “Hof ter Beuken” omwille van het algemeen belang, gevormd door haar stedenbouwkundig historische en architectuurhistorische waarde, wordt beschermd. De verwijzing naar de villatuinwijk is bepalend voor de bescherming van de parktuin bij de villa. De architectuurhistorische waarde heeft specifiek betrekking op de betrokken villa zelf. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen voorhouden, blijkt niet dat deze redengeving onvoldoende concreet of deugdelijk zou zijn. De door de verzoekende partijen aangevoerde schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel, met name voor wat betreft de niet-bescherming van “Huize Iepenburg” wordt niet met concrete gegevens ondersteund en kan bijgevolg niet in aanmerking worden genomen. Eerst in de memorie van wederantwoord en dus op onontvankelijke wijze, voeren de verzoekende partijen aan dat het bestreden besluit is aangetast door machtsafwending. Het tweede middel is niet gegrond. X-11.944-12.684-9/10 BESLISSING
- De zaken A. 152.965/X-11.944 en A. 169.917/X-12.684 worden gevoegd.
- De Raad van State verwerpt de beroepen.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van de beroepen tot nietigverklaring, begroot op 1750 euro, ieder voor een vijfde. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht februari 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jeroen Van Nieuwenhove, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Roger Stevens X-11.944-12.684-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.595 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div