id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.596 Rolnummer: A. 154798/X-12020 Zaak: Arrest 200596 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 08/02/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-18 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-02 08:43 Fiche Arrest nr 200.596 van 8 februari 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 200.596 van 8 februari 2010 in de zaak A. 154.798/X-12.
- In zake:
- Gerald DE BRUYN
- Jean-Norbert DE BRUYN
- Philippe DE BRUYN
- Pascale VAN CUTSEM-DE BRUYN
- Anne-Marie DE BRUYN-van DIONANT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Luc Van Hout kantoor houdend te 2590 BERLAAR Markt 78 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Willem Slosse kantoor houdend te 2018 ANTWERPEN Brusselstraat 59 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 17 augustus 2004, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 15 juni 2004 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie houdende verwerping van het beroep van de verzoekende partijen ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen aangaande hun verkavelingsaanvraag met betrekking tot de percelen gelegen aan de Priorijlaan 31 te Schoten, kadastraal bekend sectie D, nrs. 162/e8, 162/f8 en 162/t
- II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. X-12.020-1/7 Auditeur Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 september
- Staatsraad Jeroen Van Nieuwenhove heeft verslag uitgebracht. Advocaat Anneleen Claes, die loco advocaat Willem Slosse verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Auditeur Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Op 3 mei 2002 (datum van het ontvangstbewijs) dient Jan Stokmans, beëdigd landmeter-expert, namens de verzoekende partijen bij het college van burgemeester en schepenen een aanvraag in tot het verkavelen van enkele percelen grond gelegen aan de Priorijlaan 31 te Schoten, kadastraal bekend sectie D, nrs. 162/e8, 162/f8 en 162/t
- De aanvraag beoogt het opdelen van een terrein in drie loten links en rechts van een bestaande woning. Deze woning bevindt zich in het centrale gedeelte van het oorspronkelijke domein, dat buiten de verkaveling wordt gehouden.
- De percelen zijn volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Antwerpen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979, gelegen in een woonpark. De betrokken percelen zijn niet gelegen binnen de grenzen van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan, noch binnen het gebied van een behoorlijk vergunde, niet-vervallen verkaveling. X-12.020-2/7
- Bij schrijven van 17 oktober 2002 stelt Jan Stokmans, beëdigd landmeter-expert, namens de verzoekende partijen beroep in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen tegen het uitblijven van een beslissing van het college van burgemeester en schepenen.
- Op 25 oktober 2002 vraagt de bestendige deputatie advies aan de afdeling Monumenten en Landschappen. Op 12 november 2002 brengt de afdeling Monumenten en Landschappen een ongunstig advies uit, dat luidt als volgt: “In antwoord op uw vraag van 25/10/02 kunnen wij u meedelen dat er vanuit het oogpunt van de monumentenzorg een ongunstig advies wordt uitgebracht over in rand vermelde verkavelingsaanvraag. Het domein en de villa bezitten voldoende cultuur-historische waarde om in aanmerking te komen voor een bescherming als monument. Wij verwijzen hiervoor naar ons schrijven van 09/10/00 aan de gemeente Schoten. Het beschermingsvoorstel zal in 2003 worden opgemaakt en ter ondertekening worden voorgelegd”.
- Wegens het uitblijven van een beslissing van de bestendige deputatie stelt de landmeter-expert op 22 januari 2003 beroep in bij de bevoegde Vlaamse minister.
- Op 14 januari 2004 beslist de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken de betrokken villa “Hof ter Beuken” met park en aanhorigheden, gelegen aan de Priorijlaan 31 te Schoten, op een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten te plaatsen. Tegen dit voorlopige beschermingsbesluit wordt door de verzoekende partijen een annulatieberoep ingediend bij de Raad van State (A.152.965/X-11.944). Bij arrest nr. 200.595 van 8 februari 2010 wordt het beroep van de verzoekende partijen in die zaak verworpen.
- Bij het bestreden besluit van 15 juni 2004 wordt het beroep van de verzoekende partijen bij de Vlaamse minister tegen het uitblijven van een beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen verworpen. X-12.020-3/7
- Op 17 oktober 2005 beslist de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening “Hof ter Beuken” als monument te beschermen omwille van de historische waarde. Tegen dit beschermingsbesluit wordt door de verzoekende partijen een annulatieberoep ingesteld bij de Raad van State (A.169.917/X-12.684). Bij arrest nr. 200.595 van 8 februari 2010 wordt het beroep van de verzoekende partijen in die zaak verworpen. IV. Samenhang
- De verzoekende partijen vragen in hun memorie van wederantwoord om de voorliggende zaak samen te voegen met de zaak gekend onder nummer A.152.965/X-11.
- Te dezen is een behoorlijke rechtsbedeling evenwel niet gediend door een samenvoeging. De voorliggende zaak heeft betrekking op een verkavelingsaanvraag, terwijl de zaak gekend onder nummer A. 152.965/X-11.944 een voorlopig beschermingsbesluit als voorwerp heeft. De beide zaken zijn niet dermate verknocht dat zij in één arrest moeten worden behandeld. Het verzoek tot samenvoeging wordt dan ook niet ingewilligd. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- In een eerste middel voeren de verzoekende partijen, met toepassing van artikel 159 van de Grondwet, de schending aan van artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, in samenhang met artikel 2.2 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, alsook van het motiveringsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. De verzoekende partijen voeren aan dat het bestreden besluit steun vindt in het voorlopig beschermingsbesluit dat op zijn beurt aangetast is door onwettigheid. Die onwettigheid bestaat erin dat de motivering in het bestreden besluit betrekking heeft op de villatuinwijk “Schotenhof” in haar geheel en niet in concreto en op afdoende wijze aantoont om welke redenen de bescherming van de villa met tuin en aanhorigheden van algemeen belang zou zijn. X-12.020-4/7 In de memorie van wederantwoord voegen de verzoekende partijen daar nog aan toe dat de gevraagde verkavelingsvergunning enkel werd geweigerd omwille van de voorlopige bescherming van de betrokken onroerende goederen. Dit blijkt ook uit de memorie van antwoord van de verwerende partij in de zaak gekend onder het nummer A.152.965/X-11.944, waarin wordt gesteld dat ervoor wordt geopteerd de bescherming van het betrokken landhuis los te koppelen van de volledige lijst, “gezien de tijdsdruk van de lopende beroepsprocedures tegen de weigering voor de verkaveling”. Beoordeling
- Het voorlopige beschermingsbesluit bezit essentieel een individueel karakter en heeft zodoende geen normatieve waarde. De formulering van het artikel 9 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten leidt niet tot een andere conclusie. Het bedoelde beschermingsbesluit heeft krachtens die decretale bepaling “verordenende” kracht, maar dit moet begrepen worden als “(ver)bindende kracht”. Aangezien bij arrest nr. 200.595 van 8 februari 2010 het tegen het voorlopige beschermingsbesluit ingestelde annulatieberoep werd verworpen, kan de regelmatigheid van deze definitief geworden individuele beslissing niet meer betwist worden, ook niet bij wege van een op artikel 159 van de Grondwet gesteunde exceptie van onwettigheid. Het eerste middel is bijgevolg onontvankelijk. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- In hun tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 193, § 2 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, in samenhang met artikel 53, § 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, alsook de schending van artikel 111, § 5 van voornoemd decreet van 18 mei 1999 en van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. De verzoekende partijen stellen dat de verwerende partij het advies van de afdeling Monumenten en Landschappen ten onrechte als een bindend advies heeft beschouwd en bijgevolg verkeerdelijk heeft gesteld dat er geen X-12.020-5/7 wettelijke mogelijkheid overbleef om de vergunning te verlenen. Daardoor mist het door de verwerende partij ingeroepen motief pertinentie in rechte. Er werd geen advies ingewonnen door de Vlaamse minister. Enkel het ongunstige advies van de afdeling Monumenten en Landschappen, gericht aan de bestendige deputatie, werd in overweging genomen. In die omstandigheden kan geen sprake zijn van een bindend advies, zoals in het bestreden besluit ten onrechte wordt voorgehouden. Er valt immers niet in te zien hoe een advies uit een voorafgaande procedurele fase, die resulteerde in een stilzwijgende weigering, bindend zou kunnen zijn. In hun laatste memorie beklemtonen de verzoekende partijen nog dat het tweede middel alleszins geen betrekking heeft op een overtollig motief. Indien het eerste middel, dat betrekking heeft op het onwettig karakter van het voornoemde voorlopig beschermingsbesluit, gegrond wordt verklaard, is het bindend advies immers het enige en onwettige motief waarin het bestreden besluit steun vindt. Beoordeling
- Het bestreden besluit is onder meer als volgt gemotiveerd: “Overwegende dat de aanvraag strekt tot het verkavelen van een terrein met een oppervlakte van 10.000m², waarbij 3 loten met een oppervlakte van elk 2.000 à 3.000m² zouden worden afgesplitst van het oorspronkelijke domein, terwijl het centrale deel met de villa uit de verkaveling wordt gesloten; dat het betreffende goed een cultuurhistorisch waardevolle woning bevat in koloniale stijl; dat bovendien het domein een waardevol Engels landschapspark is met rododendronmassieven, een vijver, volwassen solitaire hoogstammen en boomgroepen; dat deze cultuurhistorische en landschappelijke waarde van het geheel tot op heden zeer goed bewaard gebleven is; (...) Overwegende dat (de) voorlopige bescherming bevestigt dat het domein in kwestie een grote cultuurhistorische en landschappelijke waarde heeft die onherroepelijk verloren zou gaan indien het terrein zou worden opgedeeld; dat tevens artikel 111, §5 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals later gewijzigd, bepaalt dat voor aanvragen met betrekking tot voorlopig beschermde monumenten voor advies moeten worden voorgelegd aan de administratie, bevoegd voor monumenten en landschappen; (...) dat dit advies momenteel bindend is, zodat er geen wettelijke mogelijkheid blijft tot het verlenen van de vergunning; Overwegende dat uit het voorgaande blijkt dat het gevraagde de goede plaatselijke ordening in het gedrang brengt, vermits een waardevol domein verloren zou gaan, terwijl er tevens een bindend negatief advies werd gegeven door de afdeling monumenten en landschappen, zodat het beroep van de particulier dient verworpen”. X-12.020-6/7 Hieruit blijkt dat de bestreden weigeringsbeslissing is gesteund op twee motieven, met name enerzijds dat de goede ruimtelijke ordening in het gedrang wordt gebracht, en anderzijds dat een bindend negatief advies van de afdeling Monumenten en Landschappen voorligt. Het door de verzoekende partijen aangevoerde tweede middel viseert enkel het tweede weigeringsmotief, dat is gesteund op een bindend geacht ongunstig advies van de afdeling Monumenten en Landschappen. Het eerste weigeringsmotief, dat is gesteund op de onverenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening, mede gelet op de grote cultuurhistorische en landschappelijke waarde, volstaat op zich om de weigering van de gevraagde verkavelingsvergunning te dragen. Het eventueel gegrond bevinden van het middel dat is gericht tegen een overtollig motief, kan in die omstandigheden niet tot de vernietiging van het bestreden besluit leiden. Het tweede middel is niet ontvankelijk. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 875 euro, ieder voor een vijfde. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht februari 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jeroen Van Nieuwenhove, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Roger Stevens X-12.020-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.596 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div