id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.597 Rolnummer: A. 190155/XIV-30625 Zaak: Arrest 200597 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 08/02/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-26 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-07-02 08:43 Fiche Arrest nr 200.597 van 8 februari 2010 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 200.597 van 8 februari 2010 in de zaak A. 190.155/XIV-30.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat H. DE PONTHIERE, kantoor houdende te 8900 IEPER, Veemarkt 5 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Migratie- en Asielbeleid, thans de staatssecretaris voor Migratie- en Asielbeleid. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, staatloos, op 29 oktober 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 16.676 van 29 september 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 3495 van 4 november 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 6 juli 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 oktober 2009; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-30.625-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die loco advocaat H. DE PONTHIERE verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat C. DECORDIER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur R. VAN DEN EECKHOUT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1.
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 21 april 2005 en zich op dezelfde dag vluchteling verklaart; dat de minister van Binnenlandse Zaken op 15 juni 2005 beslist tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten; dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op 5 september 2005 deze beslissing bevestigt; dat het beroep tot nietigverklaring tegen deze weigeringsbeslissing met ‘s Raads arrest nr. 195.668 van 31 augustus 2009 wordt verworpen; 1.
- Overwegende dat op 13 november 2006 een bevel om het grondgebied te verlaten met beslissing tot terugleiding naar de grens en beslissing tot vrijheidsberoving te dien einde aan de verzoekende partij ter kennis wordt gebracht; 1.
- Overwegende dat de verzoekende partij op 30 november 2006 via de burgermeester van de Stad Roeselare een aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdeling- enwet) indient; dat deze aanvraag op 11 juni 2007 wordt aangevuld; dat de minister van Binnenlandse Zaken op 5 juni 2008 de aanvraag om machtiging tot verblijf niet-ontvankelijk verklaart; Overwegende dat op 16 juni 2008 een bevel om het grondgebied te verlaten aan de verzoekende partij ter kennis wordt gebracht; Overwegende dat de verzoekende partij op 15 juli 2008 tegen de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 5 juni 2008 en het bevel van 16 juni 2008 beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aantekent; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep met een arrest van 29 september 2008 verwerpt; dat dit het bestreden arrest is; XIV-30.625-2/7 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Schending van artikel 149 van de Grondwet, van de artikelen 9, 3de lid (oud) en 62 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, van artikel 569 van het Gerechtelijk Wetboek, van art. 3 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, schending van artikelen 1 van het Verdrag betreffende de Status van Staatlozen en Bijlagen, ondertekend op 28 september 1954 te New York en goedgekeurd bij wet van 12 mei 1960; Doordat, Het bestreden arrest als volgt werd gemotiveerd: (...) terwijl; artikel 569 van het Gerechtelijk wetboek weliswaar de Rechtbank van 1 ste aanleg aanwijst als de bevoegde Rechtbank ten einde geschillen op te lossen die betrekking hebben op de staat van personen en dat niet betwist wordt dat de vraag of iemand aangezien dient te worden als een staatloze, een dergelijke vordering is, maar dat dit artikel geenszins belet dat andere rechtbanken, incidenteel kunnen geroepen worden, om de vraag te beoordelen of een persoon al dan niet staatloos is; Dat een Rechter op grond van het declaratieve karakter van het statuut van staatloosheid, steeds een uitspraak kan doen en moet doen over de eventuele staatloosheid, als die beoordeling noodzakelijk blijkt voor een uitspraak ten gronde, zoals in casu; Dat immers krachtens het art. 1, lid 1 van het Staatlozenverdrag, staatloze is, ieder, die door geen enkele staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd; Dat een dergelijke incidentele uitspraak zal gelden "inter partes" (Walleyn Luc en Torfs Dirk, Staatloosheid in het Belgisch Recht", noot onder Brussel, 28 april 1995, T.V.R., 1995, 284 en Delange Mireille, "Les Etrangers non-européens en droit de sécurité sociale belge: les regimes contributifs", R.D.E., 2004, nr. 129, 363 noot 54); Dat Uw Raad weliswaar oordeelde dat een vreemdeling zich pas op het beschermingsstatuut van de staatloze kan beroepen, als eerst bewezen is dat betrokkene geen nationaliteit bezit, maar Uw Raad zegde niet dat als bewijs een formele erkenning als staatloze (dus door de Rechtbank van 1n` aanleg) voorhanden dient te zijn (Raad van State, nr. 15.941, 26 juni 1973, Arr. R.v.St., 1973, 579; Raad van State, nr. 22.119, 12 maart 1982, Arr. R. v. St., 1982, 522 en Raad van State, nr. 39.041, 20 maart 1992, onuitgegeven maar vermeld in Van de Putte Mieke en Clement Jan, Nationaliteit XV Algemene Praktische Rechtsverzameling, Story-Scientia, Antwerpen, 1998, 8); Dat door het Declaratieve karakter van het staatlozenverdrag te miskennen, het arrest het art. 1 van het staatlozenverdrag schendt en tevens aan art. 569 van het Gerechtelijk Wetboek een draagwijdte geeft, die niet verenigbaar is met de tekst van de wet; Dat tevens art. 149 van de Grondwet wordt geschonden, in die mate dat de verzoekende partij het declaratief karakter van het staatlozenstatuut had ontwikkeld in het inleidende verzoekschrift, stellende dat in casu de verzoekende partij staatloos was geworden door het uiteenvallen van de Sovjet-Unie in verschillende Republieken met elk een eigen wetgeving; En terwijl, In de oorspronkelijke beslissing van 5 juni 2008, de verzoekende partij door de Dienst Vreemdelingenzaken beschouwd wordt als zijnde van Armeense nationaliteit en in het Arrest wordt toegegeven dat zich in het dossier een stuk bevindt, waaruit blijkt dat de Armeense autoriteiten, de verzoekende partij niet als een Armeens staatsburger beschouwen en hem bijgevolg geen laisser- passer afleveren; Dat alleen reeds om die reden, de verzoekende partij diende aangezien te worden als van onbepaalde nationaliteit; XIV-30.625-3/7 Dat verder de verzoekende partij in zijn regularisatieaanvraag uitdrukkelijk had verwezen naar het feit dat hij het grondgebied van wat nu Azerbeidzjan is, was ontvlucht nog voor het tot stand komen van deze Republiek, zodat hij in deze Republiek Met geregistreerd werd; Dat de Rechtbank van 1' aanleg van Mechelen overigens niet betwistte dat Azerbeidzjan de verzoekende partij niet als haar staatsburger beschouwde; Dat de verzoekende partij verder aanhaalde dat hij in de Russische Federatie illegaal heeft verbleven in de steden, die hij heeft aangeduid en dat een illegaal verblijf in de Russische Federatie geen grondslag kan vormen voor het bekomen van de Russische nationaliteit. En terwijl, Artikel 3 van het E.V.R.M. verbiedt dat mensen zouden onderworpen worden aan een onmenselijke of een vernederende behandeling en de Raad van State reeds geoordeeld heeft dat het bevel geven aan iemand met een onbepaalde nationaliteit om het land te verlaten, een inbreuk is op het voormelde artikel van het E.V.R.M., nu er geen enkel land ter wereld bestaat waar de verzoekende partij op een legale wijze naartoe kan (R.v.St. nr. 75.896, 23/9/1998); Dat het Hof van Beroep van Antwerpen totnogtoe geen arrest heeft geveld in de zaak die de verzoekende partij aanhangig heeft gemaakt ter erkenning van zijn staatloosheid; Dat de staatloosheid een materie is van openbare orde die dus in elke stand van een geding mag worden opgeworpen.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het volgende toevoegt: “
- De verzoekende partij is het volstrekt niet eens met het standpunt van de verwerende partij, met name dat hij eerst zou moeten worden erkend als staatloze, alvorens staatloos te zijn.
- De staatloosheid is immers declaratief van aard en men wordt staatloze, op het ogenblik dat het feit zich heeft voorgedaan, waardoor men staatloos wordt, in casu het verdwijnen van de Sovjet-Unie als staat en de opsplitsing van de Sovjet-Unie in 15 verschillende Republieken, met elk een eigen nationaliteitswetgeving, waardoor de verzoekende partij door geen enkele van de opvolgende Republieken als een staatsburger wordt beschouwd.
- De verzoekende partij ziet niet in waarom hij de schending door het bestreden Arrest van het artikel 569 van het Gerechtelijk Wetboek niet zou mogen inroepen. Dit artikel werd immers niet geschonden door de oorspronkelijke administratieve beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken, maar wel door het bestreden Arrest. Artikel 569 van het Gerechtelijk wetboek wijst weliswaar de Rechtbank van l' aanleg aan als de bevoegde Rechtbank ten einde geschillen op te lossen die betrekking hebben op de staat van personen en het wordt niet betwist dat de vraag of iemand aangezien dient te worden als een staatloze, een dergelijke vordering is, maar dit artikel geenszins belet dat andere rechtbanken, incidenteel kunnen geroepen worden, om de vraag te beoordelen of een persoon al dan niet staatloos is; Een Rechter kan en moet op grond van het declaratieve karakter van het statuut van staatloosheid, steeds een uitspraak doen over de eventuele staatloosheid, als die beoordeling noodzakelijk blijkt voor een uitspraak ten gronde, zoals in casu; Krachtens het art. 1, lid 1 van het Staatlozenverdrag, is staatloze, ieder, die door geen enkele staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd; Een dergelijke incidentele uitspraak zal gelden "inter partes" (Walleyn Luc en Torfs Dirk, Staatloosheid in het Belgisch Recht", noot onder Brussel, 28 april 1995, T.V.R., 1995, 284 en Delange Mireille, "Les Etrangers non-européens en droit de sécurité sociale belge: les regimes contributifs", R.D.E., 2004, nr. 129, 363 noot 54); Uw Raad oordeelde weliswaar dat een vreemdeling zich pas op het beschermingsstatuut van de staatloze kan beroepen, als eerst bewezen is dat betrokkene geen nationaliteit bezit, maar Uw Raad zegde niet dat als bewijs een formele erkenning als staatloze (dus door de Rechtbank van 15" aanleg) voorhanden dient te zijn (Raad van State, nr. 15.941, 26 juni 1973, Arr. R.v.St, 1973, 579; Raad van State, nr. 22.119, 12 maart 1982, Arr. R. v. St., 1982, 522 en Raad van State, nr. 39.041, 20 maart 1992, onuitgegeven maar vermeld in Van de Putte Mieke en Clement XIV-30.625-4/7 Jan, Nationaliteit XV Algemene Praktische Rechtsverzameling, Story-Scientia, Antwerpen, 1998, 8); Overigens is thans, een dergelijk bewijs aanwezig, vermits de verzoekende partij bij Arrest van 19/11/2008 gewezen door de 3de kamer van het Hof van Beroep van Antwerpen, als staatloze werd erkend. Door het Declaratieve karakter van het Staatlozenverdrag te miskennen, schendt het arrest het art. 1 van het Staatlozenverdrag en geeft het tevens aan art. 569 van het Gerechtelijk Wetboek een draagwijdte, die niet verenigbaar is met de tekst van de wet; Tevens wordt art. 149 van de Grondwet geschonden, in die mate dat de verzoekende partij het declaratief karakter van het staatlozenstatuut had ontwikkeld in het inleidende verzoekschrift, stellende dat in casu de verzoekende partij staatloos was geworden door het uiteenvallen van de Sovjet-Unie in verschillende Republieken met elk een eigen wetgeving;
- Artikel 9, 3de lid (oud) van de Vreemdelingenwet, wordt geschonden, in die mate dat door het Arrest wordt voorgehouden, dat het feit van onbepaalde nationaliteit te zijn en dus onverwijderbaar, niet wordt aangezien als een buitengewone omstandigheid in de zin van de wet;
- Het is volstrekt onjuist dat de verzoekende partij aan de Raad van State zou vragen zich omtrent de feiten uit te spreken of nog zich in de plaats te stellen van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Uw Raad als Cassatierechter kan wel degelijk nagaan of op grond van de feiten, die door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen werden vastgesteld, de juiste juridische conclusies werden getrokken; In de oorspronkelijke beslissing van 5 juni 2008, wordt de verzoekende partij door de Dienst Vreemdelingenzaken beschouwd als zijnde van Armeense nationaliteit en in het Arrest wordt toegegeven dat zich in het dossier een stuk bevindt, waaruit blijkt dat de Armeense autoriteiten, de verzoekende partij niet als een Armeens staatsburger beschouwen en hem bijgevolg geen laisser-passer afleveren; Alleen reeds om die reden, diende de verzoekende partij aangezien te worden als van onbepaalde nationaliteit; Verder had de verzoekende partij in zijn regularisatieaanvraag uitdrukkelijk verwezen naar het feit dat hij het grondgebied van wat nu Azerbeidzjan is, was ontvlucht nog voor het tot stand komen van deze Republiek, zodat hij in deze Republiek niet geregistreerd werd; De Rechtbank van 1' aanleg van Mechelen betwistte overigens niet dat Azerbeidzjan de verzoekende partij niet als haar staatsburger beschouwde en uiteraard werd zulks thans bevestigd door het Hof van Beroep; De verzoekende partij haalde verder aan dat hij in de Russische Federatie illegaal heeft verbleven in de steden, die hij heeft aangeduid en dat een illegaal verblijf in de Russische Federatie geen grondslag kan vormen voor het bekomen van de Russische nationaliteit;
- Artikel 3 van het E.V.R.M. verbiedt dat mensen zouden onderworpen worden aan een onmenselijke of een vernederende behandeling en Uw Raad oordeelde reeds dat het bevel geven aan iemand met een onbepaalde nationaliteit om het land te verlaten, een inbreuk is op het voormelde artikel van het E.V.R.M., nu er geen enkel land ter wereld bestaat waar de verzoekende partij op een legale wijze naartoe kan (R.v.St. nr. 75.896, 23/9/1998); Dit is des te meer het geval voor een staatloze; De staatloosheid is een materie van openbare orde die dus in elke stand van een geding mag worden opgeworpen; Het middel is gegrond.”; 2.
- Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als administratief rechtscollege jurisdictionele beslissingen uitspreekt; dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet niet van toepassing is op zijn arresten; dat de verzoekende partij wel de schending van artikel 9, 3de lid (oud) van de Vreemdelingenwet opwerpt, doch in het middel XIV-30.625-5/7 niet uiteenzet hoe die bepaling zou zijn geschonden; dat het enige middel in die mate niet- ontvankelijk is; Overwegende dat in het bestreden arrest wordt opgemerkt dat ingevolge artikel 569 van het Gerechtelijk Wetboek de erkenning van de status van staatloze tot de exclusieve bevoegdheid behoort van de rechtbank van eerste Aanleg, dat de rechtbank van eerste aanleg van Mechelen bij vonnis van 26 juni 2008 de vordering tot het erkennen van de staatloosheid ongegrond heeft verklaard en dat de verzoekende partij dit niet betwist; dat, gezien het gewijsde van het vonnis van 26 juni 2008 en niettegenstaande het declaratieve karakter van het statuut van de staatloosheid, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kon besluiten dat de verzoekende partij, ten tijde van het bestreden arrest, geen staatloze was en de verzoekende partij aldus geen schending van artikel 1 van het Verdrag betreffende de status van staatlozen, ondertekend te New York, op 28 september 1954, en goedgekeurd bij wet van 12 mei 1960 aannemelijk maakt; dat, wat betreft de vermeende schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955, de verzoekende partij aanvoert dat deze bepaling geschonden is “nu er geen enkel land ter wereld bestaat waar de verzoekende partij op een legale wijze naartoe kan”; dat in het bestreden arrest echter wordt vastgesteld dat de verzoekende partij sedert haar geboorte tot 1989 in Azerbeidjan en sedertdien tot haar vertrek naar België in de Russische Federatie heeft verbleven en zij op geen enkele wijze aantoont dat zij in deze staten geen verblijfsrecht kan genieten; dat het bestreden arrest dan ook aan de motiveringsplicht als vormvereiste voor jurisdictionele beslissingen voldoet; dat het enige middel in die mate ongegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-30.625-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht februari tweeduizend en tien, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-30.625-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.597 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.