id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.609 Rolnummer: A. 195405/IX-6708 Zaak: Arrest 200609 - Penitentiair recht - 08/02/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-09 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-02 08:43 Fiche Arrest nr 200.609 van 8 februari 2010 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 200.609 van 8 februari 2010 in de zaak A. 195.405/IX-6708 In zake : Carl DE SCHUTTER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Mathieu Langerock kantoor houdend te Sint-Kruis (Brugge) Dampoortstraat 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 3 februari 2010, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van 29 januari 2010 van de gevangenisdirecteur van de strafinrichting te Brugge, waarbij aan Carl De Schutter de volgende tuchtstraf wordt opgelegd : “1 maand bezoek achter glas van 30/01/2010 tot en met 29/02/
- Aanvang tuchtsanctie: 30/01/2010”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 februari 2010, om 11.15 uur. Staatsraad Daniël Moons heeft verslag uitgebracht. Advocaat Mathieu Langerock, die verschijnt voor de verzoeker, en attaché Jorn Brewaeys, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. IX-6708-1/7 Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op het tijdstip van de bestreden beslissing zit de verzoeker zijn straf uit in het penitentiair complex te Brugge. 3.
- Op 25 januari 2010 rond 17.15 uur redigeert een penitentiair beambte een rapport aan de directeur lastens de verzoeker. De penitentiair beambte stelt het volgende vast : “Bij terugkeer ongestoord bezoek zijn bij (De Schutter, Carl) 5 DVD’s samen geplakt met tape gevonden. Deze waren verstopt in zijn onderbroek. Deze persoon bleef rustig en beleefd”. 3.
- Op 28 januari 2010 om 10.04 uur vindt de hoorzitting plaats nadat op 26 januari 2010 de gevangenisdirecteur meedeelde aan de verzoeker dat een tuchtprocedure wordt opgestart. Uit voornoemde hoorzitting blijkt dat de verzoeker de feiten niet betwist, maar dat zijn raadsman aanvoert dat “er een opdracht nodig is voor een naaktfouille, waarbij de beslissing dient bekend gemaakt te worden omtrent het al dan niet doorvoeren van de naaktfouille. Bij deze is de procedure niet correct verlopen (...)”. 3.
- Op 29 januari 2010 komt de bestreden beslissing tussen, die op dezelfde datum aan de verzoeker wordt ter kennis gebracht. IV. Onderzoek van de vordering Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging IX-6708-2/7 bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerleg- ging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat de zaak hoogdringend is. 4.
- Wat de eerste voorwaarde betreft, voert de verzoeker in een enig middel de schending aan van artikel 108, § 2, van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden. Nadat hij de tekst van dit artikel citeert in zijn verzoekschrift, voert de verzoeker aan dat “uit het administratief dossier dat tijdens de tuchtzitting werd meegedeeld niet kon worden uitgemaakt of er inzake een afzonderlijke beslissing van de directeur werd genomen. Er kan op de zitting geen afzonderlijke beslissing worden voorgelegd. De raadsman vroeg dit te laten akteren”. 4.
- De verwerende partij, die geen nota indient, antwoordt in essentie ter zitting dat er een afzonderlijke beslissing voorligt, dat het enig middel niet ernstig is en dat aan de voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet is voldaan. Beoordeling 5.
- Het administratief dossier dat de verwerende partij indient, bestaat uit 8 stukken. Het eerste stuk is de “beslissing (tot) fouille op het lichaam (met) bijzondere reden”, genomen op 25 januari
- Dit stuk werd ondertekend door een personeelslid van het penitentiair complex te Brugge, in opdracht van de gevangenisdirecteur. De handtekening, geplaatst onderaan de beslissing tot fouillering is onleesbaar. Vóórdat de zaak werd aangevat op 8 februari 2010 kon de raadsman van de verzoeker het volledig dossier inkijken. Het staat vast, aldus de raadsman van de verzoeker dat voormeld stuk niet werd voorgelegd door de verwerende partij tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting en dat het stuk blijkbaar niet voorhanden was tijdens deze zitting. IX-6708-3/7 5.
- In het kader van het “prima facie” onderzoek, dat het voornaamste kenmerk uitmaakt van een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, komt het de Raad van State toe snel en efficiënt te beslissen, rekening houdend met de stukken die voorliggen en met de standpunten van de partijen. Uiteraard moet het te wijzen arrest juridisch zo correct mogelijk zijn, rekening houdend de beperkte tijd waarover de geadiëerde magistraat beschikt om te oordelen. Op het tijdstip van het te vellen arrest, stelt de Raad van State vast dat de beslissing tot fouillering op het lichaam van 25 januari 2010, genomen namens de gevangenisdirecteur bestaat, en bijgevolg is opgenomen in het rechtsverkeer. Uit de debatten blijkt dat geen klacht werd ingediend door de verzoeker op strafrechtelijk gebied en dat evenmin een burgerlijke procedure tot inschrijving wegens valsheid werd overwogen. Hieruit volgt dat voornoemd stuk niet alleen bestaat maar dat het ook geldt, wat het negotium betreft, tot bewijs van het tegendeel. Dit tegenbewijs wordt niet geleverd. Hierbij kan worden gewezen op het beginsel van “le privilège du préalable”, dat impliciet, op het eerste gezicht terecht, wordt ingeroepen door de verwerende partij. 5.
- Ten slotte wordt verwezen naar artikel 108, § 2, van voornoemde basiswet die als volgt luidt: “Indien er individuele aanwijzingen zijn dat het onderzoek aan de kledij van de gedetineerde niet volstaat om het doel, zoals omschreven in § 1, tweede lid te bereiken, kan de directeur, bij afzonderlijke beslissing, een fouillering op het lichaam bevelen, zo nodig met ontkleding en het uitvoerig schouwen van de openingen en de holten van het lichaam.” Op 15 januari 2007 trad voornoemd artikel in werking. Dit artikel preciseert niet wanneer een beslissing tot fouillering aan de betrokkene moet ter kennis worden gebracht. IX-6708-4/7 De laattijdige kennisgeving, -in voorliggend geval tijdens de procedure voor de Raad van State- vitieert op het eerste gezicht, de rechtmatigheid van de bestreden beslissing niet. Voornoemd artikel bevat geen sanctie op een laattijdige kennisgeving. De beslissing tot fouillering die nu voorligt maakt het de verzoeker mogelijk (nog) tijdig de regelmatigheid van de gevolgde procedure te verifiëren en te betwisten, zodat zijn rechten van verdediging zijn gevrijwaard. Belangrijk is dat de verzoeker de materialiteit van de feiten niet betwist en dat hij vrijwillig de 5 DVD’s heeft overhandigd aan de penitentiair beambte, die fijntjes opmerkte, dat de verzoeker rustig en beleefd bleef. Dit betekent concreet dat de fouillering op het lichaam van de verzoeker een beperkte draagwijdte had, gelet op de plaats waar de verzoeker de DVD’s had verborgen, zodat op het eerste gezicht geen grondrecht van de verzoeker werd geschonden, wat hij trouwens ook niet aanvoert. 5.
- Bijgevolg is het enig middel niet ernstig en is niet voldaan aan de eerste cumulatieve voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en
- 5.
- Wat de tweede voorwaarde betreft, schrijft de verzoeker wat volgt: “De beslissing van de directie van de gevangenis te Brugge dd. 29-01-2010 werd onmiddellijk ten uitvoer gelegd en beperkt de rechten van verzoeker in sterke en onherstelbare mate. Een tuchtsanctie van 1 maand bezoek achter glas werd opgelegd. Op deze wijze werd aan verzoeker ook het intiem bezoek ontnomen. Verzoeker heeft 3x/maand intiem bezoek in de gevangenis te Brugge met K.V.. Verder benut K.V. 1x/maand het gewoon bezoek. Verzoeker blijft op deze wijze verstoken van een normale affectieve relatie met K.V.. Verder krijgt verzoeker 2x/maand gewoon bezoek van E., 2x/maand gewoon bezoek van V. IX-6708-5/7 Tenslotte merkt verzoeker op dat hij in het verleden geen enkele tuchtsanc- tie opliep. In de gegeven omstandigheden en het concrete verloop van de tuchtproce- dure indachtig, is duidelijk dat de tenuitvoerlegging van de bestreden tuchtsanctie een moeilijk te herstellen ernstig nadeel uitmaakt”. Beoordeling 5.6.
- Het staat vast dat de verzoeker wist dat het verboden is om goederen de gevangenis binnen te “smokkelen”, via een bezoek van een derde. In voorliggend geval kan in redelijkheid gesteld worden dat het nadeel dat de verzoeker inroept te wijten is aan zijn eigen toedoen. Wat er gebeurd is, kon hij immers perfect vermijden. Bovendien is het ingeroepen nadeel eerder te kwalificeren als een ongemak, vermits het bezoek van drie dames aan de verzoeker gewoon doorgaat, weliswaar achter “glas”. Het ontberen door de verzoeker van intiem contact met zijn vriendin, gedurende één maand is een ongemak van voorbijgaande aard dat evenmin kan gekwalificeerd worden als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. De bestreden beslissing overweegt op het eerste gezicht terecht, gelet op wat er gebeurd is, dat de opgelegde tuchtsanctie het “best moet aansluiten bij de aard van de overtreding, (zodat) een maand glasbezoek de meest passende sanctie is”. 5.6.
- Bijgevolg is evenmin voldaan aan de tweede cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17, §§ 1 en
- BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op 175 euro. IX-6708-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 8 februari 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Daniël Moons, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts Daniël Moons IX-6708-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.609 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div