← België

Arrest 200636 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 09/02/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.636 Rolnummer: A. 194506/XII-6019 Zaak: Arrest 200636 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 09/02/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-17 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-07-02 08:43 Fiche Arrest nr 200.636 van 9 februari 2010 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 200.636 van 9 februari 2010 in de zaak A. 194.506/XII-6019 In zake: Christ’l DE LANDTSHEER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Christian De Ganck en Marie-Charlotte Vandermeulen kantoor houdend te Gent Koning Leopold II-laan 95 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de UNIVERSITEIT ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jim Deridder kantoor houdend te Antwerpen Mechelsesteenweg 210 A bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 4 november 2009, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van : - “de beslissing van de faculteitsraad Politieke en Sociale Wetenschappen [...] van de Universiteit Antwerpen van 12 november 2008 om het advies van de Facultaire Evaluatiecommissie [...] van de Universiteit Antwerpen te volgen en aan de verzoekster de beoordeling ‘gunstig met opmerkingen’ te geven”; - “de beslissing van de faculteitsraad PSW van de Universiteit Antwerpen van 27 april 2009 waarbij aan de verzoekster de beoordeling ‘gunstig’ werd toegekend ‘met inbegrip van het persoonlijk ontwikkelingsplan’”; - “de beslissing van de Centrale Beoordelingscommissie van de Universiteit Antwerpen van 7 juli 2009 [...] waarbij haar beroep tegen de beslissing van de faculteit PSW van de Universiteit Antwerpen van 27 april 2009 ‘niet-ontvankelijk’ werd verklaard”; - “de beslissing van het Bestuurscollege van de Universiteit Antwerpen van 4 september 2009 [...]”. XII-6019-1\9 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Auditeur Jurgen Neuts heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 januari
  3. Staatsraad Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Marie-Charlotte Vandermeulen, die verschijnt voor verzoekster, en advocaat Jim Deridder, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoekster is voltijds hoogleraar aan de faculteit politieke en sociale wetenschappen (hierna: faculteit PSW) van de Universiteit Antwerpen (hierna ook: UA). 3.
  6. Op 12 november 2008 beslist de faculteitsraad van de faculteit PSW aan het bestuurscollege van de UA voor te leggen verzoekster te evalueren als “gunstig met opmerkingen”. Dit is de eerste bestreden beslissing. XII-6019-2\9 3.
  7. Na bezwaar vanwege verzoekster, komt de centrale beoordelingscommissie op 19 januari 2009 tot volgende conclusie: “De Centrale Beoordelingscommissie komt unaniem tot het besluit dat de beslissing van de faculteit PSW best ingetrokken wordt, daar het eindresultaat van de evaluatie in strijd is met het Decreet betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap en het ZAP-statuut, die enkel voorzien in de beoordelingen ‘gunstig’, ‘ondermaats’ en ‘onvoldoende’. De Centrale Beoordelingscommissie verzoekt de faculteit PSW dan ook de evaluatie van Prof. Christ’l De Landtsheer ab ovo te hernemen waarbij de FEC een afdoend gemotiveerd advies formuleert volgens de geijkte decretale terminologie, dat nadien ter bekrachtiging aan de faculteit wordt voorgelegd. Tevens wijst de Centrale Beoordelingscommissie de faculteit PSW erop dat alle documenten van het evaluatiedossier die relevant zijn voor de besluitvorming ter inzage aan betrokkene dienen te worden voorgelegd. De faculteit PSW zal ook verzocht worden om een overzicht van de aandachtspunten, de nieuwe taakafspraken en de gestelde objectieven voor de komende periode op te nemen in het evaluatieverslag en deze met betrokkene te bespreken tijdens een officieel evaluatiegesprek waarvan het verslag ter ondertekening aan alle partijen wordt voorgelegd. De aandachtspunten, nieuwe taakafspraken en gestelde objectieven zullen geëvalueerd worden bij een volgend evaluatiemoment. Voor de goede orde wordt aan de faculteit PSW gevraagd om het bovenstaande onverwijld recht te zetten en de rector hiervan zo spoedig mogelijk op de hoogte te brengen.” Op 18 maart 2009 adviseert de facultaire evaluatiecommissie om verzoekster “globaal de evaluatie ‘gunstig’ toe te kennen [...], onverminderd de vastgestelde verbeterpunten die het voorwerp uitmaken van een in de bijlage aan dit advies toegevoegd persoonlijk ontwikkelingsplan, dat er tegelijk integraal deel van uitmaakt”. Op 27 april 2009 beslist de faculteitsraad om “de door de FEC aan [verzoekster] toegekende evaluatie ‘gunstig’ met inbegrip van het persoonlijk ontwikkelingsplan, aan het Bestuurscollege ter beslissing voor te leggen”. Dit is het tweede voorwerp van voorliggend beroep. 3.
  8. Verzoekster stelt daartegen beroep in bij de centrale beoordelings- commissie van de UA. In haar zitting van 2 juli 2009 “komt [de centrale beoordelings- commissie] unaniem tot de conclusie dat [verzoekster] geen belang heeft om in beroep te gaan tegen haar evaluatie ‘gunstig’ en besluit dan ook tot de niet- ontvankelijkheid van het ingediende beroep”. XII-6019-3\9 Dit is de derde bestreden beslissing. 3.
  9. Op 25 augustus 2009 “neemt [het bestuurscollege van de UA] kennis van de beslissing van de faculteitsraad PSW van 27.04.2009 met betrekking tot de gunstige evaluatie, waar het persoonlijk ontwikkelingsplan [...] deel van uitmaakt, van de prestaties en de wijze van functioneren van [verzoekster] [...], en beslist, op grond van elementen uit het advies van de facultaire evaluatiecommissie PSW d.d. 18.03.2009 en de evaluatie van de faculteitsraad PSW d.d. 27.04.2009, op grond van art. 33 van het ZAP-statuut dat stelt dat elk ZAP-lid ten minste om de vijf jaar moet worden geëvalueerd en dus ook sneller kan worden geëvalueerd, en op grond van art. 36, §2, van het ZAP-statuut dat stelt [dat] de evaluatie voor het ZAP- lid een sturend karakter moet hebben en een leidraad moet vormen bij de verdere uitbouw van zijn/haar loopbaan, de vooruitgang op het vlak van het gestelde ontwikkelingsperspectief zoals opgenomen in het persoonlijk ontwikkelingsplan voorwerp te laten uitmaken van een evaluatie, zoals bedoeld in art. 106bis van het universiteitendecreet, na een periode van twee jaar en vóór 31 december 2011”. Dit is de vierde bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid van het beroep
  10. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zou alleen nodig zijn indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. De schorsingsvoorwaarden
  11. Krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. XII-6019-4\9 VI. Beoordeling van de tweede schorsingsvoorwaarde
  12. Verzoekster voert in haar verzoekschrift aan dat de omvang van de morele schade kan worden bepaald door de graad van immoraliteit waarvan de aangeklaagde onwettigheden getuigen, dat de “in de middelen aangehaalde opgestapelde onwettelijkheden en onzorgvuldigheden van de verwerende partij [...] verzoekster kennelijk in haar belangen [schaadt]”, dat zij “[in] strijd met de bepalingen van het ZAP-statuut [...] bij gebrek aan schorsing van de maatregel, vóór 31 december 2011 een nieuwe evaluatie [zal] dienen te ondergaan [...], waardoor [zij] zich in een ongelijke situatie zal bevinden” tot alle andere collega’s die “gunstig” werden geëvalueerd, dat zij “zich thans in een toestand [bevindt] welke binnen de faculteit laat uitschijnen dat zij niet competent zou zijn”, dat zij “vreest dat de aangevochten beslissingen [...] haar bevorderingskansen zullen beïnvloeden, hetgeen niet meer kan worden goedgemaakt door een later annulatiearrest”, dat “deze vrees terecht is”, hetgeen zou blijken “uit de vaststelling dat wat betreft het aspect ‘onderwijs’ en het aspect ‘onderzoeksvlak’ het advies van de Commissie Academisch Personeel [...] nagenoeg een kopie is van het advies van de FEC in het evaluatiedossier”, dat hetzelfde geldt “wat betreft de kansen van de verzoekster om tot decaan of vice-decaan te worden aangesteld” en dat “[het] door de verzoekster geleden morele nadeel dan ook niet zondermeer [zal] kunnen worden goedgemaakt door een later annulatiearrest. Verzoeksters evaluatie, mede gelet op de omstandigheden waarin deze plaatsvond, [wordt] door haarzelf ervaren als een ‘openbare blaam’, hetgeen een dermate ongunstige toestand uitmaakt, welke verzoekster niet zou moeten dulden tot een eventueel later tussen te komen annulatiearrest haar gelijk geeft”.
  13. Voorzover verzoekster de ernst van de middelen betrekt op het moeilijk te herstellen ernstig nadeel, dient erop gewezen dat het om twee afzonderlijke -en dus in beginsel ook afzonderlijk te beoordelen- voorwaarden gaat waaronder de schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing kan worden bevolen. Zelfs aangenomen dat van dit principe in uitzonderlijke omstandigheden mag worden afgeweken, toont verzoekster -behoudens een vage verwijzing naar de “in de middelen aangehaalde opgestapelde onwettelijkheden en onzorgvuldigheden”- niet concreet aan waarom dat in haar geval precies zo zou moeten zijn. XII-6019-5\9 Hetzelfde geldt wat betreft de door haar aangevoerde schending van het gelijkheidsbeginsel, die zij trouwens aanvoert in haar derde middel. Op het eerste gezicht bespeurt de Raad van State noch in de aangevoerde middelen, noch in de bewoordingen van de bestreden beslissingen, een zo verregaande “graad van immoraliteit”, dat uitzonderlijk het onderzoek van de middelen met dat van het nadeel verbonden zou moeten worden. Met deze elementen levert verzoekster derhalve niet het noodzakelijke bewijs van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel.
  14. Wat betreft de door het bestuurscollege van de UA met zijn beslissing van 25 augustus 2009 opgelegde evaluatie vóór 31 december 2011, toont verzoekster niet met concrete gegevens aan in welke mate dit een nadeel, laat staan een ernstig nadeel voor haar vormt. Geëvalueerd te worden met regelmaat lijkt immers een vast onderdeel van de taakbelasting te zijn geworden voor ieder lid van het academisch personeel, zoals ook het geval is in vele andere sectoren. Het betoog van verzoekster overtuigt de Raad van State niet om een evaluatie in het algemeen, noch de hier opgelegde evaluatie, als een ernstig nadeel te bestempelen. Dit aspect van verzoeksters betoog overtuigt dus evenmin.
  15. Verzoekster voert tevens aan dat zij “zich thans in een toestand [bevindt] welke binnen de faculteit laat uitschijnen dat zij niet competent zou zijn” en dat zij haar evaluatie ervaart als een “openbare blaam”. Daargelaten de vraag hoe een gunstige evaluatie gepaard met een versnelde evaluatie als een openbare blaam te begrijpen valt, kaart verzoekster daarmee een moreel nadeel aan. Daarvan neemt de Raad van State, in beginsel, aan dat het steeds herstelbaar is, met name door de morele genoegdoening van de gebeurlijk uit te spreken nietigverklaring met terugwerkende kracht. Het staat desgevallend aan verzoekster om aan te tonen dat het te dezen anders zou zijn. Dat bewijs levert zij evenwel niet. XII-6019-6\9
  16. Verzoekster “vreest dat de aangevochten beslissingen [...] haar bevorderingskansen zullen beïnvloeden, hetgeen niet meer kan worden goedgemaakt door een later annulatiearrest”, dat “deze vrees terecht is”, hetgeen zou blijken “uit de vaststelling dat wat betreft het aspect ‘onderwijs’ en het aspect ‘onderzoeksvlak’ het advies van de Commissie Academisch Personeel [...] nagenoeg een kopie is van het advies van de FEC in het evaluatiedossier” en dat “[h]etzelfde geldt wat betreft de kansen van de verzoekster om tot decaan of vice-decaan te worden aangesteld”. Daarmee verwijst verzoekster naar een recente bevorderingsronde binnen de faculteit waarvan zij deel uitmaakt. Verzoekster heeft haar kandidatuur ingediend om te worden bevorderd tot gewoon hoogleraar. De commissie academisch personeel van de faculteit PSW heeft daarover op 10 juni 2009 negatief advies uitgebracht “omdat [verzoekster] [...] vooralsnog niet beantwoordt aan de profielvereisten van een gewoon hoogleraar”. Daarbij wordt uitgebreid ingegaan op verzoeksters titels en verdiensten op het vlak van “onderwijs”, “onderzoek” en “dienstverlening”, waarbij de eindconclusie luidt: “Van een gewoon hoogleraar wordt verwacht dat het gaat om een lesgever met didactische kwaliteiten en een brede onderwijservaring die uitmunt op het vlak van wetenschappelijk onderzoek. Wat het deelfacet onderwijs betreft, kan Christ’l DE LANDSTHEER bogen op een brede ervaring, in zoverre zij tijdens de afgelopen vijf jaar meerdere nieuwe opleidingsonderdelen voor haar rekening heeft genomen. Voorts betoont zij zich ook op een hoger echelon zeer betrokken bij het onderwijs, meer bepaald bij de Masteropleiding in de Politieke Communicatie, waar ze veel tijd en energie in investeert. Haar didactische kwaliteiten op hun beurt halen niet het beoogde niveau. Hoewel er een lichte verbetering merkbaar is, tonen de onderwijsevaluaties aan dat ze op doceerstijl maar matig scoort. Een uitstekend onderzoeker die ruime erkenning geniet in zijn of haar vakgebied, zowel nationaal als internationaal, met duidelijk uitgesproken kwaliteiten in het leiden van onderzoek, is de tweede profielvereiste voor een gewoon hoogleraar. Christ’l DE LANDTSHEER betoont zich op het vlak van aantal publicaties, vooral bestaande uit boekhoofdstukken, een productief onderzoeker op het niveau van hoogleraar. Als het aankomt op het beoordelen van de (inter)nationale erkenning in het vakgebied, laten de externe experts zich vrij kritisch uit; zij delen met elkaar de mening dat het wetenschappelijk onderzoek van Christ’l DE LANDTSHEER als voldoende of gemiddeld dient te worden gekwalificeerd. Dit doet de CAP ertoe besluiten dat de kandidate vooralsnog geen uitstekend onderzoeker is zoals van een gewoon hoogleraar wordt verwacht. Duidelijk uitgesproken kwaliteiten in het leiden van onderzoek vallen actueel niet uit het dossier af te leiden. Positief is dat onder het promotorschap van Christ’l DE LANDTSHEER tijdens de voorbije vijf jaar 1 proefschrift werd verdedigd. Voor het overige stelt de commissie vast dat sinds begin 2008 geen enkel onderzoeksproject onder haar promotorschap loopt, dat de betrokken kandidate momenteel geen enkele doctoraatstudent begeleidt en dat zij binnen XII-6019-7\9 haar onderzoeksgroep leiding geeft aan 1,15 VTE. Het komt de CAP dan ook voor dat Christ’l DE LANDTSHEER op dit ogenblik niet voldoet aan het onderzoeksprofiel van een gewoon hoogleraar. Het beschikken over leidinggevende kwaliteiten en het opnemen van academische verantwoordelijkheid, alleen of samen met anderen, voor de wetenschappelijke en bestuurlijke leiding van een departement, afdeling of andere academische eenheid, is een laatste toetssteen om voor bevordering tot gewoon hoogleraar in aanmerking te komen. Binnen de faculteit PSW rijzen er aan de hand van een reeks aantoonbare incidenten tussen de kandidate en collega’s uit de diverse geledingen, ernstige twijfels bij haar leidinggevende kwaliteiten. Christ’l DE LANDTSHEER is altijd bereid om haar kandidatuur te stellen met het oog op het opnemen van de bestuurlijke leiding van een academische entiteit. Tot hiertoe heeft Christ’l DE LANDTSHEER echter geen bestuursmandaat uitgeoefend als departementsvoorzitter of -ondervoorzitter en geen deel uitgemaakt van het faculteitsbestuur. Tijdens de voorbije vijf jaren heeft Christ’l DE LANDTSHEER haar deel gedaan in de representatie van de faculteit in de hogere universitaire bestuursorganen en met veel inzet als voorzitter, c.q. ondervoorzitter van een opleidingscommissie, in casu van de Master in de Politieke Communicatie. Hiermee onderscheidt ze zich niet van de andere ZAP-leden van de faculteit die - ook op het niveau van docent of hoofddocent - zonder onderscheid vrijwel allemaal een vergelijkbare bijdrage hebben geleverd of hebben moeten leveren. De CAP besluit dat Christ’l DE LANDTSHEER niet volledig voldoet aan de profielvereisten voor een gewoon hoogleraar en adviseert om haar niet te rangschikken voor bevordering tot deze graad”. Hieruit kan op het eerste gezicht niet worden afgeleid dat verzoeksters evaluatie -die overigens “gunstig” is- tot het geciteerde advies omtrent de beoordeling van verzoeksters kandidatuur voor bevordering tot gewoon hoogleraar heeft geleid. Overigens dateert de beslissing van het bestuurscollege over verzoeksters evaluatie van nadien. Hoe dan ook is dit aspect van het aangevoerde nadeel niet moeilijk te herstellen, nu verzoekster bij de Raad van State de schorsing en nietigverklaring kan vorderen van de bevorderingen waar zij naast grijpt, al dan niet ingevolge de door haar als negatief ervaren evaluatie - zoals zij het ondertussen ook hééft gedaan met het beroep ingeschreven onder rolnummer A.195.
  17. Verder toont verzoekster niet met concrete gegevens aan dat en hoe de aanstelling tot decaan of vice-decaan beïnvloed kan worden door de bestreden beslissingen.
  18. Wat voorafgaat doet besluiten dat er niet is voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op XII-6019-8\9 de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. Die vaststelling volstaat ook om niet te moeten ingaan op de vraag van verzoekster om de behandeling van deze zaak uit te stellen totdat uitspraak kan worden gedaan over de vordering tot schorsing van de beslissing die is bestreden met het voormelde beroep A.195.
  19. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 9 februari 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren XII-6019-9\9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.636 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.970 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.