id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.745 Rolnummer: A. 118719/VII-37434 Zaak: Arrest 200745 - Monumenten en Landschappen - 11/02/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-19 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-07-02 08:46 Fiche Arrest nr 200.745 van 11 februari 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 200.745 van 11 februari 2010 in de zaak A. 118.719/VII-37.
- In zake:
- Hélin DE BURBURE DE WEZEMBEEK
- Solange DE BURBURE DE WEZEMBEEK
- Stéphane DE BURBURE DE WEZEMBEEK
- Finarette NASTA-STONAIOVICI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Alain Verriest en Patrik De Maeyer kantoor houdend te Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 26 maart 2002, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Buitenlands Beleid van 21 december 2001 waarbij het kasteelpark van Wezembeek-Domein de Burbure definitief als dorpsgezicht wordt beschermd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. VII-37.434-1/7 Adjunct-auditeur-generaal Patrik De Wolf heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 januari
- Kamervoorzitter Luc Hellin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Patrik De Maeyer, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Pieter-Jan Staelens, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur-generaal Patrik De Wolf heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoekende partijen zijn mede-eigenaars van het kasteelpark de Burbure, gelegen te Wezembeek-Oppem, Kraainem en Zaventem. Bij ministerieel besluit van 15 oktober 1984 wordt het kasteelpark de Burbure als landschap beschermd. Op 26 mei 1986 vordert de eerste verzoeker bij de Raad van State de nietigverklaring van dit ministerieel besluit en bij arrest nr. 83.772 van 1 december 1999 wordt voornoemd ministerieel besluit vernietigd. 3.
- In een nota van 9 november 2000 stelt de afdeling Monumenten en Landschappen voor om het kasteelpark van Wezembeek-Domein de Burbure te beschermen als dorpsgezicht omwille van zijn historisch, artistiek en wetenschappelijk belang. VII-37.434-2/7 3.
- Op 22 december 2000 beslist de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport om het kasteelpark van Wezembeek-Domein de Burbure te Zaventem, Kraainem en Wezembeek-Oppem als dorpsgezicht op te nemen op een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten. Een afschrift van dit voorlopig beschermingsbesluit wordt op 7 januari 2001 naar de betrokken openbare besturen en op 17 en 18 januari 2001 naar de betrokken eigenaars verstuurd. Het besluit wordt vermeld in het Belgisch Staatsblad van 31 januari
- 3.
- Op 13 februari 2001 dienen de consorten de Burbure de Wezembeek een bezwaarschrift in tegen de voorgenomen bescherming bij de administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten & Landschappen Vlaams-Brabant. 3.
- Alle bezwaren en opmerkingen worden door de afdeling Monumenten en Landschappen uiteengezet en besproken in haar verslag. 3.
- De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen verleent op 8 november 2001 een gunstig advies. 3.
- Op 21 december 2001 neemt de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Buitenlands Beleid het thans bestreden besluit waarbij het kasteelpark van Wezembeek-Domein de Burbure definitief als dorpsgezicht wordt beschermd. Een afschrift van het bestreden besluit wordt op 25 en 29 januari 2002 aangetekend naar de betrokken eigenaars en openbare besturen verstuurd. IV. Onderzoek van de middelen Eerste middel, eerste onderdeel Standpunt van de partijen
- De verzoekende partijen roepen in een eerste middel, eerste onderdeel, de schending in van de artikelen 33 en 105 van de Grondwet, van artikel 78 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en van de artikelen 5 en 7 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten. Zij voeren eveneens de onwettigheid aan VII-37.434-3/7 van het besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 2001 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering, alsook van het - opgeheven - besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 1999 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering en stellen ten slotte dat de auteur van het bestreden besluit onbevoegd is. De verzoekende partijen stellen dat de Vlaamse regering en elk van haar leden geen andere macht hebben dan die welke hen door de Grondwet, de wet of het decreet uitdrukkelijk wordt toegekend en dat op grond van artikel 5 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten deze bevoegdheid uitdrukkelijk aan de Vlaamse regering is toegekend, zodat de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Buitenlands Beleid onbevoegd was het bestreden besluit te nemen.
- De verwerende partij antwoordt dat in een decreet zelf geen bevoegdheid kan worden verleend aan een lid van de Vlaamse regering en dat de Vlaamse regering haar eigen werkzaamheden kan organiseren. Met verwijzing naar de doctrine en de legisprudentie van de afdeling wetgeving van de Raad van State, stelt de verwerende partij dat enkel de Vlaamse regering kan voorzien in de nodige delegatiebesluiten.
- De verzoekende partijen repliceren dat het decreet van 22 februari 1995 tot wijziging van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten niet in de mogelijkheid voorziet om de bevoegdheid tot het vaststellen van de ontwerplijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten te delegeren en dat die delegatie tegen de wil van de wetgever indruist. Zij wijzen er op dat het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten vóór de wijziging - bij decreet van 22 februari 1995 - bepaalde dat het ontwerp van lijst door de minister bevoegd voor monumentenzorg werd opgesteld, terwijl het definitieve beschermingsbesluit tot de bevoegdheid van de Koning behoorde, en dat dit onderscheid niet meer bestaat, zodat alle beschermingsbesluiten door de Vlaamse regering moeten worden genomen. Zij betogen dat de artikelen 11, 8/, 14 en 15, § 1 en § 2, van het besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 2001 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing moeten worden verklaard, wegens strijdigheid VII-37.434-4/7 met het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten.
- De verzoekende partijen verzoeken in hun laatste memorie dat, indien de artikelen 68 en 69 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen in die zin kunnen worden geïnterpreteerd dat ze een onbeperkte delegatiemogelijkheid inhouden in hoofde van de Vlaamse regering voor alle bevoegdheden die haar op welke wijze dan ook werden toegewezen, de volgende prejudiciële vraag gesteld wordt aan het Grondwettelijk Hof : "Schenden de artikelen 68, 69 en 87, § 1, van de Bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde grondwet indien zij aldus worden geïnterpreteerd dat zij aan de Vlaamse Regering een onbeperkte delegatiemogelijkheid zouden toekennen voor alle bevoegdheden die aan voormelde Regering door de wet werden toegewezen, zonder de nodige waarborgen voor de aan die regeling onderworpen rechtsonderhorigen, terwijl de federale uitvoerende macht niet over zulke onbeperkte mogelijkheid beschikt voor de aan haar toegewezen bevoegdheden en terwijl de rechtsonderhorigen die aan de regels van de Vlaamse regering onderworpen zijn in tegenstelling tot de rechtsonderhorigen die aan de federale overheid onderworpen zijn aldus niet over de waarborgen beschikken die hen tegen willekeur beschermen ?".
- De verwerende partij stelt in haar laatste memorie dat de prejudiciële vraag van de verzoekende partijen een nieuw middel uitmaakt dat niet voor het eerst kan worden aangevoerd in de laatste memorie en daarom onontvankelijk is.
- Ter terechtzitting van 7 januari 2010 verwijzen de verzoekende partijen naar het arrest van de Raad van State nr. 196.639 van 5 oktober 2009 waarin volgens hen een gelijkaardige prejudiciële vraag wordt gesteld aan het Grondwettelijk Hof. Beoordeling
- De vraag die de verzoekende partijen wensen gesteld te zien aan het Grondwettelijk Hof betreft de bevoegdheid van de regering om te delegeren. Deze vraag raakt bijgevolg de openbare orde. De in het voornoemde arrest nr. 196.639 van 5 oktober 2009 aan het Grondwettelijk Hof gestelde prejudiciële vraag luidt als volgt : VII-37.434-5/7 "Schenden de artikelen 68 en 69 van de Bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet indien zij aldus worden geïnterpreteerd dat zij aan de Vlaamse regering een onbeperkte delegatiemogelijkheid zouden toekennen voor alle bevoegdheden die aan voormelde regering door de wet werden toegewezen, zonder de nodige waarborgen voor de aan die regeling onderworpen rechtsonderhorigen, terwijl de federale uitvoerende macht niet over zulke onbeperkte mogelijkheid beschikt voor de aan haar toegewezen bevoegdheden en terwijl de rechtsonderhorigen die aan de regels van de Vlaamse regering onderworpen zijn in tegenstelling met de rechtsonderhorigen die aan de federale overheid onderworpen zijn aldus niet over de waarborgen beschikken die hen tegen willekeur beschermen ?". Deze vraag is gelijkluidend aan de vraag die de verzoekende partijen wensen gesteld te zien.
- Het antwoord van het Grondwettelijk Hof op die vraag is bijgevolg rechtstreeks bepalend voor het gegrond bevinden van het hier besproken middelonderdeel. Om die reden wordt de uitspraak in de onderhavige zaak uitgesteld tot na de ontvangst van het antwoord van het Grondwettelijk Hof op de prejudiciële vraag. BESLISSING
- De Raad van State heropent de debatten.
- De Raad van State stelt de uitspraak in onderhavige zaak uit tot de ontvangst van het antwoord van het Grondwettelijk Hof op de prejudiciële vraag gesteld in het arrest van de Raad van State nr. 196.639 van 5 oktober
- Het antwoord van het Grondwettelijk Hof wordt aan de partijen in onderhavige zaak betekend.
- De Raad van State gelast vervolgens het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat met het verder onderzoek van de zaak, na de ontvangst van het antwoord van het Grondwettelijk Hof en van de bemerkingen die de partijen hieromtrent aan de Raad van State kunnen bezorgen binnen de termijn die de auditeur-verslaggever bepaalt. VII-37.434-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van elf februari tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-37.434-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.745 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.976 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div