id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.806 Rolnummer: A. 194364/IX-6557 Zaak: Arrest 200806 - Beroepsordes en gereglementeerde beroepen - 15/02/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-22 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-02 08:49 Fiche Arrest nr 200.806 van 15 februari 2010 Economische zaken - Beroepsordes en gereglementeerde beroepen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 200.806 van 15 februari 2010 in de zaak A. 194.364/IX-6557 In zake: Roland SMETS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Jan Beleyn kantoor houdend te Kortrijk President Kennedypark 6/24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het BEROEPSINSTITUUT VAN ERKENDE BOEKHOUDERS EN FISCALISTEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Luc Wynant kantoor houdend te Brussel Louizalaan 221 en advocaat Dirk Lindemans kantoor houdend te Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 21 oktober 2009, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de Nationale Raad van het Beroepsinstituut voor Erkende Boekhouders en Fiscalisten (hierna: het BIBF) van 28 augustus 2009 waarbij de verzoeker als voorzitter van de Nationale Raad van het BIBF wordt afgezet en de eerdere afzettingsbeslissing van 23 januari 2009 wordt ingetrokken. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een verslag opgesteld. IX-6557-1/33 Met toepassing van artikel 90, § 1, vierde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, is de zaak verwezen naar een kamer met drie leden. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 januari
- Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jan Beleyn, die verschijnt voor de verzoeker, en advocaten Dirk Lindemans en Luc Wynant, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Wettelijk kader
- Bij wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen werd het BIBF opgericht. Het BIBF heeft als wettelijke opdracht “toe te zien op de opleiding en de permanente organisatie van een korps van specialisten te verzekeren, die bekwaam zijn de in artikel 49 van de wet bepaalde werkzaamheden uit te voeren met alle vereiste waarborgen inzake bekwaamheid, onafhankelijkheid en professionele rechtschapenheid”. Het ziet er tevens op toe “dat de aan zijn leden [...] toevertrouw- de opdrachten, behoorlijk worden uitgevoerd” (artikel 44). Artikel 45, eerste lid, van de wet van 22 april 1999 bepaalt dat de organisatie en de werking van het BIBF worden geregeld door de artikelen 6, §§ 2 tot 4, 7, 8, 9 en 14 van de kaderwet van 1 maart 1976 tot reglementering van de bescherming van de beroepstitel en van de uitoefening van de dienstverlenende intellectuele beroepen en door de bepalingen van het koninklijk besluit van IX-6557-2/33 27 november 1985 tot bepaling van de regels inzake de organisatie en de werking van de beroepsinstituten die voor de dienstverlenende intellectuele beroepen zijn opgericht. Overeenkomstig artikel 7, § 3, van de kaderwet van 3 augustus 2007 betreffende de dienstverlenende intellectuele beroepen beschikt elk beroepsinstituut over een Nationale Raad samengesteld uit een gelijk aantal Nederlandstalige en Franstalige leden die voor vier jaar verkozen worden door de personen die op het tableau van de beoefenaars zijn ingeschreven. De artikelen 32 en 33 van het koninklijk besluit van 27 november 1985 tot bepaling van de regels inzake de organisatie en de werking van de beroepsinstituten die voor de dienstverlenende intellectuele beroepen zijn opgericht regelen de verkiezing van een voorzitter, een ondervoorzitter en een penningmees- ter van de Nationale Raad. Die artikelen luiden als volgt: “Art.
- Na verloop van de termijn bepaald bij artikel 30 voor het indienen van beroep tegen de verkiezing van de Raad en ten minste acht dagen vóór het verstrijken van het mandaat van het uittredend bureau, vergadert de nieuwe Raad op initiatief en onder voorzitterschap van de uittredende voorzitter. Art.
- Tijdens deze vergadering kiest de Raad onder zijn leden een voorzitter, een ondervoorzitter en een penningmeester. De voorzitter behoort, voor de duur van het mandaat van de leden van de Raad, om beurten tot de Nederlandstalige en de Franstalige taalgroep. De ondervoorzitter behoort tot een andere taalgroep dan de voorzitter. De stemming is geheim; op straffe van nietigheid mag op de stembrief slechts voor één kandidaat worden gekozen per te begeven mandaat. De kandidaat met de meeste stemmen wordt verkozen voor het te begeven mandaat. Bij staking van stemmen, wordt een tweede stemronde georganiseerd waaraan enkel deze kandidaten deelnemen die het grootste aantal stemmen behaalden tijdens de vorige stemronde. Bij staking van stemmen in de tweede stemronde wordt voorrang verleend in de volgende orde: 1/ aan de oudste kandidaat in jaren die de leeftijd van zestig jaar niet heeft bereikt; 2/ aan de jongste in jaren van de kandidaten die de leeftijd van zestig jaar hebben bereikt.” De voorzitter, de ondervoorzitter en de penningmeester vormen het bureau van de Nationale Raad. Het bureau is belast met het dagelijks beheer van het Instituut. De voorzitter leidt de werkzaamheden van de Nationale Raad en van het bureau. IX-6557-3/33 IV. Feiten 4.
- De verzoeker wordt op 16 maart 2007 verkozen tot lid van de Nationale Raad van het BIBF. Op 4 mei 2007 wordt hij verkozen tot voorzitter van de Nationale Raad. Blijkens de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van 11 mei 2007 gaat het om een mandaat van vier jaar dat aanvangt op 17 mei
- 4.
- Bij koninklijk besluit van 19 september 2008 tot wijziging van het koninklijk besluit van 27 november 1985 tot bepaling van de regels inzake de organisatie en de werking van de beroepsinstituten die voor de dienstverlenende intellectuele beroepen zijn opgericht, wordt met ingang van 1 januari 2009 een beperking ingevoerd op het vlak van de zitpenningen die aan de mandaathouders bij de beroepinstituten worden betaald. Artikel 1 van dit besluit bepaalt dat voor de leden van het bureau van de Nationale Raad de zitpenning voor een halve dag prestatie van minimum drie uur wordt vastgelegd op 250 euro, met een maximum van 6000 euro per maand voor de voorzitter. Zij kunnen geen andere vergoedingen of zitpenningen ontvangen vanwege het beroepsinstituut. 4.
- In een addendum bij het verslag van de bureauvergadering van 29 december 2008 maakt Maria Ploumen, de ondervoorzitter van de Nationale Raad, melding van een voorstel van de verzoeker om zijn “factuur” van zitpenningen voor de maand december 2008 aan te dikken (“gonfler”), om zo de minderontvangsten van januari, februari en maart 2009 te compenseren. De ondervoorzitter verklaart dat zij met dergelijk voorstel nooit akkoord zal gaan. 4.
- Met een e-mail van 6 januari 2009 stelt de ondervoorzitter van de Nationale Raad de regeringscommissaris bij het BIBF in kennis van dit addendum. Dezelfde dag bevestigt de penningmeester in een e-mail aan de regeringscommissaris “dat de voorzitter van ons instituut wel degelijk heeft gevraagd zijn factuur aan te dikken, zoals wordt gemeld in de notulen die mevrouw Maria Ploumen u gestuurd heeft.” (vertaling) IX-6557-4/33 4.
- Met een e-mail van 9 januari 2009 reageert de verzoeker als volgt: “Ik ben ten zeerste ontdaan, verontwaardigd door de manier van voorstellen en de inhoud van het addendum aan de vergadering van 5 januari
- In eerste instantie gebeurde dit gesprek na de afsluiting van de vergade- ring. Ik zie dan ook geen enkele reden om dit addendum als een officieel stuk te beschouwen. In tweede instantie en dit ten gronde geeft dit addendum een totaal verkeerde voorstelling van de feiten. In de voorliggende tekst staat dat ik mijn zitpenningen voor de maand december kunstmatig zou opdrijven om mijn verlies aan inkomen na de inwerkingtreding van het KB van 19 september 2008, gepubliceerd op 19 december 2008 te compenseren. Dit was geenszins de bedoeling en zeker niet de vraag. De vraag luidde tekstueel: “Hebben de ondervoorzitter en de penning- meester van het Instituut er een probleem mee dat ik een aantal zitpenningen inschrijf voor de maanden december en dat ik deze slechts presteer in de maanden januari en februari 2009 ?” 4.
- Met een brief van 14 januari 2009, waarvan een kopie aan de verzoeker werd gezonden, meldt de regeringscommissaris bij het BIBF de feiten aan de procureur des Konings te Brussel. Die brief luidt als volgt: “Met toepassing van artikel 29 van het Wetboek van strafvordering deel ik u de volgende feiten mee: Ik ben regeringscommissaris bij de Nationale Raad van het Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten (B.I.B.F.), opgericht bij de wet van 22 april
- Het koninklijk besluit van 19/9/08 (B.S. 19/12/08) heeft met ingang van 1/1/09 een beperking ingevoerd op het vlak van zitpenningen, o.a. van de leden van het bureau van het B.I.B.F. Met haar e-mail van 6 januari 2009, waarvan kopie in bijlage, heeft mevrouw Maria Ploumen, ondervoorzitster van het Beroepsinstituut, mij de notulen gestuurd van de vergadering van 29 december 2008 van het bureau, waarin de voorzitter, de heer Roland SMETS, haar en de penningmeester heeft voorgesteld om zijn factuur van zitpenningen van december 2008 aan te dikken (‘gonfler’), om zo zijn te missen ontvangsten van januari, februari en maart 2009 te compenseren. Met een e-mail van dezelfde dag (kopie hierbij), heeft de penningmeester, de heer Jean-Marie Conter, mij de woorden van mevrouw [Pl.] bevestigd. De Voorzitter heeft de feiten zelf toegegeven in een e-mail van 9 januari: ‘Hebben de ondervoorzitter en de penningmeester van het Instituut er een probleem mee dat ik een aantal zitpenningen inschrijf voor de maand december en dat ik deze slechts presteer in de maanden januari en februari 2009 ?’” IX-6557-5/33 4.
- Op 15 januari 2009 verzoekt de regeringscommissaris, op vraag van het kabinet van de minister van Middenstand, het volgende punt op de agenda van de eerstkomende vergadering van de Nationale Raad te plaatsen: “Verslag van de regeringscommissaris betreffende de bureauvergadering van het BIBF van 29 december 2008 en het vervolg.” 4.
- Tijdens de vergadering van 23 januari 2009 van de Nationale Raad brengt de regeringscommissaris verslag uit in verband met het voorstel van de voorzitter om voor december 2008 zitpenningen in te schrijven voor prestaties die hij pas de volgende maanden zou leveren. Hij stelt dat de voorzitter aldus een voorstel heeft gedaan om valsheid in geschrifte te plegen en dat hij overeenkomstig artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering verplicht aangifte heeft gedaan bij de procureur des Konings te Brussel. Verschillende leden dringen aan op het ontslag van de voorzitter. De penningmeester geeft een opsomming van een aantal feiten “die het disfunctioneren van de Voorzitter aantonen”. Hij maakt onder meer melding van het feit dat de voorzitter zijn ledenbijdrage laattijdig heeft betaald en dat hij op een “zwarte lijst” van de banken staat. De penningmeester besluit “dat er niet meer verder gewerkt kan worden met de heer R. Smets als voorzitter”. De Raad beslist om wegens het dringend karakter ervan het punt “afzetting van de Voorzitter R. Smets” aan de dagorde toe te voegen. Bij de bespreking van dit agendapunt wijst de regeringscommissa- ris erop dat “er een ernstige vertrouwensbreuk is tussen het kabinet en de Voorzit- ter” en dat “[h]et kabinet heeft meegedeeld dat zij een reactie van de Raad verwachten”. Op voorstel van de verzoeker wordt de zitting gedurende 45 minuten geschorst, waarna de voorzitter meedeelt dat de vergadering onder voorbehoud wordt verdergezet. De Nationale Raad beslist vervolgens met 10 stemmen voor, 3 stemmen tegen en 4 onthoudingen/blanco stemmen om de verzoeker als voorzitter af te zetten. IX-6557-6/33 De Nationale Raad beslist tevens om op 13 februari 2009 een nieuwe voorzitter te verkiezen. 4.
- Op 6 februari 2009 dagvaardt de verzoeker de verwerende partij voor de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, teneinde haar te laten te veroordelen “onder verbeurte van een eenmalige dwangsom van 250.000 euro, een nieuwe vergadering van de Nationale Raad te beleggen betreffende de beoogde afzetting van concluant, waarbij de tenlasteleggingen hem op voorhand bekend worden gemaakt, de daarop betrekking hebbende stukken hem vooraf (met een redelijke termijn) worden meegedeeld, hem een voldoende voorbereidingstijd wordt gegund om zich te verdedigen en hem het recht wordt gegeven om zich te laten bijstaan door een advocaat”. Ingevolge die dagvaarding wordt de verkiezing van een voorzitter tot een latere datum uitgesteld. Op 24 maart 2009 verklaart de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de vordering van de verzoeker ontvankelijk, maar ongegrond. 4.
- Op 2 maart 2009 dient de verzoeker bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing in tegen de beslissing van de Nationale Raad van het BIBF van 23 januari 2009 waarbij hij als voorzitter wordt afgezet (zaak A.191.662/IX-6254). 4.
- Tijdens de vergadering van de Nationale Raad van het BIBF van 24 april 2009 wordt Etienne Verbraeken tot nieuwe voorzitter verkozen. 4.
- Op 7 mei 2009 dient de verzoeker bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing in tegen de beslissing van 24 april 2009 van de Nationale Raad waarbij Etienne Verbraeken tot voorzitter van het BIBF wordt verkozen (zaak A.192.485/IX-6351). 4.
- Bij arrest nr. 194.327 van 18 juni 2009 wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging bevolen van de beslissing van de Nationale Raad van het BIBF van 23 januari 2009 waarbij de verzoeker als voorzitter van het BIBF wordt afgezet. De Raad van State oordeelt dat het middel waarin de schending van de hoorplicht wordt aangevoerd, ernstig is om de volgende redenen: IX-6557-7/33 “4.3.
- De hoorplicht is een beginsel van behoorlijk bestuur op grond waarvan, in afwezigheid van enige wettelijke bepaling terzake, tegen niemand een maatregel kan worden genomen die is gegrond op zijn persoonlijk gedrag en die zijn belangen zwaar kan treffen, zonder dat hem vooraf de gelegenheid wordt gegeven zijn standpunt uiteen te zetten en op nuttige wijze voor zijn belangen op te komen. In dergelijk geval moet de betrokkene de gelegenheid krijgen zich uit te spreken, niet alleen over het bestaan en de ernst van de feiten die aan de basis liggen van de voorgenomen maatregel, maar ook over de noodzaak om die maatregel te nemen. Dit impliceert dat aan de betrokkene vooraf wordt medegedeeld welke maatregel tegen hem wordt overwogen en welke feiten en grieven tegen hem worden ingebracht. Daarenboven moet aan de betrokkene een redelijke termijn worden verleend om zijn verweer voor te bereiden. 4.3.
- De verwerende partij betwist niet dat de bestreden beslissing een maatregel is die onder de hoorplicht valt. Het gaat inderdaad om een maatregel die genomen werd op grond van feiten die verzoeker als een tekortkoming worden aangerekend en die hem een ernstig nadeel kan berokkenen. 4.3.
- Op 14 januari 2009 heeft de regeringscommissaris aan verzoeker een kopie toegestuurd van zijn brief van dezelfde datum, waarbij hij bij de procureur des Konings te Brussel klacht indient in verband met het voorstel van verzoeker om in de maand december 2008 zitpenningen in te schrijven voor prestaties die in de maanden januari, februari en maart 2009 zouden worden geleverd. Verzoeker had daardoor vooraf kennis van de grieven die daaromtrent tijdens de vergadering van de Nationale Raad van 23 januari 2009 tegen hem worden ingebracht. Tijdens voornoemde vergadering worden tegen verzoeker nog een aantal andere feiten aangevoerd ‘die het disfunctioneren van de Voorzitter aantonen’ en waaruit zou blijken ‘dat er niet meer verder gewerkt kan worden met R. Smets als Voorzitter’. De penningmeester maakt aldus melding van het feit dat verzoeker zijn ledenbijdrage en verzekeringspremie laattijdig heeft betaald en dat hij op een ‘zwarte lijst’ van de banken staat. Er blijkt niet dat verzoeker vooraf van die grieven op de hoogte was. 4.3.
- Tijdens de vergadering van de Nationale Raad deelt verzoeker mee ‘dat hij 6 pagina’s had voorbereid over moties die hij op voorhand verwachtte’. Uit die verklaring kan evenwel niet worden afgeleid dat verzoeker in de mogelijkheid was om zich nuttig tegen zijn afzetting als voorzitter te verweren. De afzetting van verzoeker als voorzitter was immers niet vooraf geagendeerd, maar werd slechts tijdens de vergadering aan de dagorde toegevoegd. Uit niets blijkt dat verzoeker wist of kon weten dat hij tijdens de vergadering met een voorstel om hem als voorzitter af te zetten zou worden geconfronteerd. 4.3.
- Uit de notulen van de vergadering van de Nationale Raad blijkt dat tijdens de behandeling van het punt over zijn afzetting als voorzitter op voorstel van verzoeker een pauze van vijfenveertig minuten wordt ingelast. IX-6557-8/33 Daarna wordt de vergadering verdergezet. De notulen van de vergadering vermelden daarover: ‘Na de pauze deelt de Voorzitter mee dat hij de vergadering verderzet onder voorbehoud. De Voorzitter stelt voor om over te gaan tot het agendapunt dat door de Raad op de dagorde werd toegevoegd : 'afzetting van de Voorzitter R. Smets'. Dit zal gebeuren via een geheime stemming.’ Een pauze van vijfenveertig minuten kan op het eerste gezicht niet beschouwd worden als een redelijke termijn om een nuttig verweer voor te bereiden. Verzoeker heeft overigens slechts ‘onder voorbehoud’ beslist en blijkt dus niet met een dergelijke uiterst korte voorbereidingstijd te hebben ingestemd om de vergadering voort te zetten. Verzoeker verkoos om niets meer te zeggen, omdat alles wat hij zou zeggen, tegen hem gebruikt zou kunnen worden.” 4.
- Ingevolge dit arrest drukt de verzoeker de wens uit om zijn functie als voorzitter van de Nationale Raad terug op te nemen. Een door de verzoeker aangezochte gerechtsdeurwaarder acteert hierover de volgende verklaring van de algemeen directeur van het BIBF: “Deze situatie situeert zich in een juridisch vacuüm dat niet wordt opgevangen door wet of reglement; het BIBF acht het niet opportuun dat Roland Smets zijn functie als voorzitter terug opneemt; het BIBF wil een serene en constructieve oplossing voor dit juridisch vacuüm.” In een e-mail van 1 juli 2009 deelt de algemeen directeur aan de leden van het bureau het volgende mee : “Als gevolg van het arrest van de Raad van State is vandaag een juridisch vacuüm ontstaan waardoor het Instituut momenteel de facto twee voorzitters telt. In het belang van de goede werking van het Instituut hebben de Heer Etienne Verbraeken en ikzelf de noodzaak van een sereen en constructief overleg benadrukt. Gezien de Heer Roland Smets van zijn zijde nadrukkelijk heeft gemeld het conflict niet te zullen opzoeken hebben de Heer Etienne Verbraeken en ikzelf vervolgens de Heer Roland Smets verzocht om diens functie als voorzitter niet op te nemen, en dit in afwachting van de uiteindelij- ke beslissing door de Nationale Raad.” 4.
- Met een brief van 23 juli 2009 dringen twee leden van de Nationale Raad via hun raadsman aan op de correcte uitvoering van het arrest van de Raad van State. Zij vragen dat de Nationale Raad zo spoedig mogelijk zou bijeenkomen opdat de leden van de Nationale Raad correct zouden worden geïnformeerd over de gevolgen van het arrest. IX-6557-9/33 4.
- Met een brief van 10 augustus 2009 wordt de verzoeker uitgenodigd voor de vergadering van de Nationale Raad die zal worden gehouden op 28 augustus
- De dagorde van de vergadering vermeldt als eerste drie punten: “
- Stand van zaken procedures van R. Smets tegen het BIBF.
- Horen/Verweer van de Heer R. Smets betreffende de feiten die hem ten laste worden gelegd als Voorzitter van de Nationale Raad van het BIBF en die opgenomen zijn in bijgevoegd verslag.
- Beraadslaging en beslissing aangaande het mandaat van de heer Ronald Smets als Voorzitter van de Nationale Raad van het BIBF en de eerder genomen beslissing van de Nationale Raad d.d. 23/01/2009 terzake (geheime stemming).” Er wordt eveneens meegedeeld dat de punten 2 en 3 op de dagorde werden geplaatst op aanvraag van één derde van de raadsleden. In een afzonderlijk schrijven van dezelfde dag worden de verzoeker en zijn raadsman ervan in kennis gesteld dat de verzoeker op de vergadering van de Nationale Raad zal worden gehoord over de hem ten laste gelegde feiten. Beide brieven zijn ondertekend door Etienne Verbraeken, in de hoedanigheid van voorzitter. Bij de tweede brief is een verslag voor de Nationale Raad gevoegd “inzake de tenlasteleggingen ten aanzien van Roland Smets in zijn hoedanigheid van voorzitter van het BIBF”. In dat verslag worden de feiten die aan de verzoeker worden ten laste gelegd als volgt samengevat: “1) het formuleren van een voorstel ten aanzien van Mevrouw Maria Ploumen, Ondervoorzitter BIBF, en de Heer Jean-Marie Conter, Penningmeester BIBF tijdens de bureauvergadering van 29 december 2008 om het KB van 19 september 2008 (B.S., 19 december 2008) tot wijziging van het KB van 27 november 1985 tot bepaling van de regels inzake de organisatie en de werking van de beroepsinstituten die voor de dienstverlenende intellectuele beroepen zijn opgericht, te omzeilen; 2) het zich bevinden op de “zwarte lijst” van de banken waardoor hij onder meer geen creditkaart op naam van het BIBF kon krijgen en in het bijzonder het niet regulariseren van deze situatie ondanks een belofte dienaangaande t.a.v. de penningmeester, de Heer Jean-Marie Conter; 3) het meermaals niet tijdig betalen van zijn ledenbijdrage BIBF alsook de verzekeringspremie voor de verplichte verzekering burgerlijke beroeps- aansprakelijkheid die hij afsloot via de modelpolis van het BIBF; 4) het disfunctioneren van de Heer Roland Smets als Voorzitter van de Nationale Raad van het BIBF.” IX-6557-10/33 4.
- Met een brief van 19 augustus 2009 vraagt de verzoeker om hem dringend de volgende stukken mee te delen: “
- Alle verslagen van het bureau sinds 1 januari 2009;
- De identiteit van de nationale raadsleden die om een vergadering hebben verzocht;
- De schriftelijke vraag vanwege de onder 2 bedoelde Nationale raadsle- den tot agendering van de punten één tot en met drie [...]
- De identiteit van degene die het “verslag voor de Nationale Raad inzake de tenlasteleggingen ten aanzien van Roland Smets in zijn hoedanigheid van voorzitter van het BIBF” heeft opgemaakt;
- Het verslag van de vergadering die heeft beslist tot voortzetting van de annulatieprocedure tegen mijn afzetting die inmiddels geschorst is.” 4.
- Met een brief van 24 augustus 2009 antwoordt de algemeen directeur van het BIBF aan de verzoeker wat volgt: “[...] Wat de door u opgevraagde stukken betreft is het niet steeds duidelijk welk verband er is tussen deze stukken en de vergadering van 28 augustus. Dat geldt met name voor uw vraag om een kopie te ontvangen van alle bureauvergaderingen sinds 1 januari
- Wat betreft de identiteit van de raadsleden die een nieuwe vergadering hebben gevraagd, kunnen wij u mededelen dat deze elementen aan bod (kunnen) komen op de vergadering van 28 augustus a.s. Voor zoveel als nodig bevestigen wij U dat het schriftelijk verslag betreffende de feiten, reeds besproken in de Nationale Raad van 23 januari 2009, opgemaakt werd door de secretaris van de Nationale Raad. Wat betreft uw vraag om kennis te krijgen van het verslag van de vergadering die tot voortzetting heeft beslist, ontgaat het u blijkbaar dat het zelfs niet nodig is dat er zo’n formele beslissing bestaat, zoals uit vele arresten van de Raad van State blijkt. Dit neemt natuurlijk niet weg dat er terzake overleg tussen het Instituut en zijn raadslieden is geweest. [...]” 4.
- Met een brief van 25 augustus 2009 dringt de verzoeker nogmaals aan op de mededeling van de gevraagde stukken. Hij vraagt eveneens dat de vergadering van 28 augustus 2009 van de Nationale Raad zou worden uitgesteld. 4.
- Op 28 augustus 2009 dient de verzoeker een gemotiveerd verzoekschrift in tot wraking van zes leden van de Nationale Raad. Hij dient eveneens een verweerschrift in. Daarin herhaalt hij zijn verzoek tot uitstel. 4.
- In zijn vergadering van 28 augustus 2009 verwerpt de Nationale Raad verzoekers vraag tot wraking. Voorts beslist de Nationale Raad, na de verzoeker en zijn raadsman te hebben gehoord, met 12 stemmen voor en 4 stemmen tegen, om het IX-6557-11/33 mandaat van de verzoeker als voorzitter van de Nationale Raad te beëindigen en de beslissing dienaangaande van 23 januari 2009 in te trekken. Die beslissing wordt als volgt gemotiveerd: “- de feiten die het vertrouwen van leden van de Nationale Raad hebben ondergraven, en die tot de beslissing van 23 januari 2009 hebben geleid, zijn door de heer Smets zelf als eerste gesitueerd in de sfeer van ‘tenlaste- leggingen’. Meer bepaald heeft hij in zijn verzoekschrift voor de Raad van State een schending van de hoorplicht aangevoerd, waarin hij stelde dat ‘aan de betrokkene moet worden meegedeeld welke tekortkomingen hem ten laste worden gelegd’ (verzoekschrift p. 10, randnummer 5). De Raad van State heeft dit middel ernstig geacht en de schorsing van die beslissing bevolen. De Nationale Raad werd er dan ook toe gebracht om die feiten, aanvankelijk betrokken op de vertrouwenspositie van de voorzitter, te gaan behandelen als ‘tekortkomingen die hem (versta: de Heer Smets) werden ten laste gelegd’. Het valt dan ook niet in te zien welk argument de Heer Smets wil ontlenen aan de vaststelling dat er sprake is van ‘tenlasteleggingen’. - de Nationale Raad stelt dat het niet noodzakelijk is dat wettelijk een afzettingsprocedure is voorzien om te kunnen oordelen over de afzetting, nu het mandaat van voorzitter van de Nationale Raad hoe dan ook herroepbaar is en het beginsel van het parallellisme van vormen en bevoegdheden de verantwoording inhoudt voor die afzettingsbevoegdheid. Dit werd trouwens bevestigd in het verslag van de auditeur van de Raad van State; - de Nationale Raad werd bijeengeroepen door de voorzitter van de Nationale Raad mede op verzoek van zes leden van de Nationale Raad; dat niet valt in te zien hoe die oproeping anders had kunnen zijn indien de Heer Smets die oproeping had verzonden in zijn hoedanigheid van voorzitter; - dat met betrekking tot een aantal ‘tekortkomingen’ in zijn functie als Voorzitter met de Heer Smets kan aanvaard worden dat deze op zich alleenstaand niet zwaar genoeg wegen om een vertrouwensbreuk te verantwoorden; dat evenwel het eerste feit en het derde feit onmiskenbaar van die aard zijn om de voorbeeldfunctie die van een voorzitter moet uitgaan, te ondergraven; dat de omstandigheden betreffende het tweede feit -zoals thans voor het eerst toegelicht door de Heer Smets- dit feit in een ander daglicht plaatsen, en niet meer wordt in aanmerking genomen; het weze verder herhaald dat wat betreft het vierde feit de elementen op zich alleenstaand gebeurlijk onvoldoende zijn om te besluiten tot een beëindiging van het mandaat maar in concreto en als een geheel genomen de vaststelling van het disfunctioneren verantwoorden en grond kunnen geven voor een beëindiging. De Nationale Raad oordeelt aldus dat de weerhouden feiten van die aard zijn dat de Heer Roland Smets als gevolg hiervan onvoldoende geloof- waardig is en over onvoldoende moreel gezag en vertrouwen beschikt om zijn (voorbeeld)functie van Voorzitter van de Nationale Raad van het BIBF verder te zetten.” Dit is de bestreden beslissing. Zij wordt met een aangetekende brief van 3 september 2009 aan de verzoeker ter kennis gebracht. IX-6557-12/33 4.
- Bij arrest nr. 196.377 van 24 september 2009 beveelt de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de Nationale Raad van het BIBF van 24 april 2009 waarbij Etienne Verbraeken als voorzitter van het BIBF wordt verkozen. Het middel waarin de verzoeker laat gelden dat deze verkiezing gevitieerd is door zijn onwettige afzetting d.d. 23 januari 2009, wordt ernstig bevonden. V. Rechtsmacht van de Raad van State 5.
- De verwerende partij stelt vast dat met de bestreden beslissing een einde wordt gemaakt aan het mandaat dat de leden van de Nationale Raad in maart 2007 aan de verzoeker hebben gegeven. Dit mandaat is een contract: de leden van de Nationale Raad kiezen een persoon waaraan zij de opdracht geven (“contract van lastgeving”) om namens de Raad handelingen te stellen die het koninklijk besluit van 27 november 1985 toevertrouwt aan de voorzitter, al dan niet samen met de ondervoorzitter en de penningmeester, verenigd in het bureau van de Raad. De verwerende partij voegt daaraan toe dat de functie van voorzitter niet in de wet zelf is bepaald. Het voormelde koninklijk besluit voorziet in de functie van voorzitter van de Nationale Raad en niet in die van voorzitter van het Instituut. De functie van voorzitter is geen benoeming door een externe overheid, maar is te begeven via verkiezing door de Raad. De kwalificatie als een contract is dan ook onontkoombaar. De verwerende partij besluit dat contractuele geschillen tot de exclusieve bevoegdheid van hoven en rechtbanken behoren, met uitsluiting van de Raad van State. 5.
- De verwerende partij werpt bovendien op dat de verzoeker niet uitlegt hoe de schorsing van een beslissing van de verwerende partij als rechtsgevolg zou kunnen hebben dat het contract van lastgeving tussen hem en de leden van de Nationale Raad volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek zou herleven. De verzoeker heeft dan ook geen belang bij zijn vordering. Beoordeling IX-6557-13/33 6.
- Een identieke exceptie werd door de verwerende partij opgewor- pen in de zaken A.191.662/IX-6254 en A.192.485/IX-
- Het arrest nr. 194.327 van 18 juni 2009 over verzoekers vordering tot schorsing in de eerstgenoemde zaak heeft deze exceptie op grond van de volgende overwegingen niet aangenomen: “3.3.
- In het arrest Joye, nr. 59.902, van 5 juni 1996 oordeelde de Raad van State als volgt in verband met het onderzoek van excepties inzake de ontvankelijkheid of bevoegdheid in het kader van de schorsingsprocedure: ‘Overwegende dat in een kort geding de Raad van State maar een beperkt onderzoek kan wijden aan excepties van onbevoegdheid of van onontvank- elijkheid; dat echter vooral de verzoekende partij er zich minder behoorlijk tegen in bescherming kan nemen dan in de procedure ten gronde; dat het aan de verzoekende partij is dat de wetgever het recht op een kort geding heeft verleend; dat het dan ook past dat, tenzij wanneer zijn beperkt onderzoek uitwijst dat de exceptie een hoge graad van ernst vertoont, de Raad van State de exceptie veeleer zou verwerpen dan aannemen; dat daarbij komt dat de schade die de Raad van State toebrengt door in de fase van het kort geding een beroep onontvankelijk te verklaren dat achteraf, in de definitieve fase van het proces, toch ontvankelijk blijkt te zijn, groter is dan de schade die hij berokkent in het tegenovergestelde geval: in het eerste geval kan het moeilijk te herstellen ernstig nadeel zich voltrokken hebben, in het tweede geval zal ten hoogste voor zes maanden een administratieve beslissing zonder reden geschorst zijn.’ In casu dient bijgevolg nagegaan te worden of de ingeroepen exceptie van gebrek aan rechtsmacht voor de Raad van State een zo hoge graad van ernst vertoont dat de Raad er gevolg moet aan geven. 3.3.
- De verwerende partij verwijst voor haar stelling dat het mandaat van de voorzitter van de Nationale Raad een contractuele relatie zou doen ontstaan naar bepaalde rechtsleer die de bestuurdersfunctie in een vennootschap als een contract van lastgeving kwalificeert. Dit wordt door andere rechtsleer betwist. 3.3.
- De verwerende partij is evenwel geen vennootschap, maar een publiekrechtelijke rechtspersoon. In dit verband oordeelde de Raad van State in het arrest nr. 167.203, van 29 januari 2007, De Handschutter, in een vergelijkbare zaak, dat de verkiezing door de algemene vergadering van het Instituut der Accoun- tants en Belastingconsulenten van een ondervoorzitter een handeling van een administratieve overheid is. Niets wijst er op het eerste gezicht op dat ingevolge de verkiezing van de voorzitter, een contractuele band ontstaat, tussen hem en de leden van de Nationale Raad. IX-6557-14/33 3.3.
- Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de exceptie niet de hoge graad van ernst vertoont die zou maken dat zij in de huidige stand van het geding kan worden aanvaard. De bestreden beslissing lijkt integendeel te moeten worden aangemerkt als een akte die door de verwerende partij als administratieve overheid is genomen in de uitoefening van haar publiekrechtelijke opdracht, die aldus met toepassing van artikel 14, § 1, van de Raad van State-wet door de Raad van State kan worden nietigverklaard en waarvan bijgevolg ook de tenuitvoerlegging kan worden geschorst. Het feit dat de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel beslist heeft dat hij rechtsmacht heeft over de zaak die hem is voorgelegd, doet aan die conclusie geen afbreuk.” Het arrest nr. 196.377 van 24 september 2009 over verzoekers vordering tot schorsing in de zaak A. 192.485/IX-6351 luidt in dezelfde zin. 6.
- De verwerende partij voert geen nieuwe argumenten aan. De Raad van State ziet dan ook geen reden om in de thans voorliggende zaak anders te oordelen. De exceptie kan in de huidige stand van de rechtspleging niet worden aangenomen. VI. Onderzoek van de vordering
- Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Ernst van de middelen
- Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoeker voert in het middel de schending aan van de artikelen 5, 32, 33 en 49 tot 61 van het koninklijk besluit. van 27 november 1985 tot IX-6557-15/33 bepaling van de regels inzake de organisatie en de werking van de beroepsinstituten die voor de dienstverlenende intellectuele beroepen zijn opgericht (hierna: het koninklijk besluit van 27 november 1985), van het besluit van de Nationale Raad van het BIBF van 4 mei 2007 waarbij de verzoeker tot voorzitter van het BIBF werd verkozen, zoals bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 11 mei 2007, en van het rechtszekerheidsbeginsel. De verzoeker betoogt dat hij bij besluit van de Nationale Raad van het BIBF van 4 mei 2007 werd verkozen tot voorzitter van het Instituut voor een mandaat van vier jaar en dat dit mandaat, zoals blijkt uit de bekendmaking van het desbetreffende besluit in het Belgisch Staatsblad van 11 mei 2007, een aanvang heeft genomen op 17 mei
- De Nationale Raad heeft enkel de bevoegdheden welke hem door de kaderwet van 1976 zijn toegekend. Die wet, noch een andere wettelijke of reglementaire bepaling verleent de Nationale Raad de bevoegdheid een door hem verkozen voorzitter af te zetten. Het voorzitterschap is een publiekrechte- lijk mandaat dat voor een bepaalde termijn wordt toegekend en slechts beëindigd kan worden door het beëindigen van de termijn, het vrijwillig ontslag en in de gevallen die de wet bepaalt. Artikel 5 van het koninklijk besluit van 27 november 1985 bepaalt de gevallen waarin het mandaat komt te vervallen. Het mandaat van voorzitter is aldus niet herroepbaar ad nutum, zoals door de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing werd beweerd. De verwerende partij heeft minstens het vertrouwen geschonden dat de verzoeker zijn mandaat als voorzitter kon uitdoen voor de periode waarvoor hij werd aangeduid. Bovendien, zo argumenteert de verzoeker, worden hem verschillende tuchtrechtelijke “tenlasteleggingen” aangewreven. Samengevat worden hem een verkeerde, onvoldoende uitoefening van zijn mandaat verweten, evenals inbreuken op het bij koninklijk besluit van 23 december 1997 goedgekeurde reglement op de plichtenleer. Dit is ook de reden waarom tegen hem een tuchtrech- telijk onderzoek werd ingesteld. Overeenkomstig artikel 5 van het koninklijk besluit van 27 november 1985 zou zijn mandaat van rechtswege vervallen als hij een tuchtstraf oploopt. Terzake is evenwel niet de Nationale Raad, maar wel de uitvoerende Kamer bevoegd. Zelfs indien zou worden aangenomen dat de Nationale Raad buiten de bij wet bepaalde gevallen bevoegd zou zijn om zijn voorzitter af te zetten, is het minstens onaanvaardbaar dat deze raad de tuchtrechtelijke bevoegdheid IX-6557-16/33 usurpeert om de verzoeker af te zetten. Dit geldt des te meer nu uit artikel 5 van het koninklijk besluit van 27 november 1985 volgt dat eerst de tuchtrechtelijke procedure haar beloop moet krijgen, waarna desgevallend het mandaat van de verzoeker automatisch zou vervallen indien hem een tuchtstraf wordt opgelegd. De wet bepaalt dus zelf dat er geen “afzetting” kan gebeuren, maar dat één en ander moet voortvloeien uit het daartoe geëigende tuchtonderzoek. Beoordeling 9.
- De verzoeker voert onder meer de schending aan van artikel 5 van het koninklijk besluit van 27 november 1985, dat als volgt luidt: “Art.
- De mandaten in de Nationale Raad eindigen: 1/ door het verstrijken van de termijn; 2/ door het overlijden van de beoefenaar; 3/ door schrapping van het tableau van de beoefenaars, door ontslag of door vervallenverklaring; 4/ door afzetting door de nationale raad wanneer het lid op vier achtereenvol- gende vergaderingen van de Nationale Raad zonder opgave van reden afwezig is en na tot een verklaring voor zijn afwezigheid te zijn aangemaand. Het lid wordt met tweederde meerderheid van de stemmen afgezet; de stemming is geheim. Is van rechtswege van zijn mandaat vervallen, het lid van de Nationale Raad dat in laatste aanleg een tuchtstraf oploopt. In de gevallen bedoeld in het eerste lid worden de werkende leden opgevolgd door de plaatsvervangende leden, in dalende volgorde van de door deze laatsten verkregen stemmen. Zij voleindigen het mandaat van hun voorganger. In geval van gelijkheid van stemmen wordt voorrang gegeven aan diegene die volgens de orde van inschrijving op het tableau de grootste anciënniteit heeft, bij gelijke anciënniteit aan de oudste. Is er geen plaatsvervangend lid, dan wordt een gedeeltelijke verkiezing gehouden.” Artikel 5 heeft uitsluitend betrekking op het einde van het mandaat als lid van de Nationale Raad. Door de bestreden beslissing verliest de verzoeker enkel zijn mandaat als voorzitter van de Nationale Raad. Hij behoudt zijn mandaat als lid van de Nationale Raad. Zoals de verwerende partij terecht in haar nota opmerkt, lijkt artikel 5 van het koninklijk besluit van 27 november 1985 te dezen niet van toepassing. 9.
- De artikelen 32 en 33 van het koninklijk besluit van 27 november 1985 regelen de verkiezing van de voorzitter, de ondervoorzitter en de penningmeester van de Nationale Raad. Samen vormen zij het bureau van de IX-6557-17/33 Nationale Raad. Het koninklijk besluit van 27 november 1985 bevat geen uitdrukkelijke regeling omtrent de duur van hun mandaat. Wel blijkt uit de artikelen 32 en 33 dat elke nieuw samengestelde Nationale Raad onder zijn leden een nieuw bureau kiest. Vermits de leden van de Nationale Raad worden verkozen voor vier jaar, lijkt het dus ook voor de leden van het bureau in beginsel te gaan om een vierjarig mandaat. De verzoeker werd aldus verkozen tot voorzitter van de Nationale Raad van het BIBF voor een mandaat van vier jaar dat een aanvang nam op 17 mei
- 9.
- Het koninklijk besluit van 27 november 1985 bevat geen regeling omtrent een eventuele voortijdige beëindiging van het mandaat van de voorzitter, de ondervoorzitter en de penningmeester van de Nationale Raad. Uit het ontbreken van een dergelijke regeling kan evenwel niet zonder meer worden afgeleid dat de Nationale Raad aan dat mandaat geen einde zou mogen stellen. Ook het feit dat de leden van het bureau voor een vierjarig mandaat gekozen zijn, staat een voortijdige beëindiging van hun mandaat op het eerste gezicht niet in de weg. Overeenkomstig de artikelen 32 en 33 van het koninklijk besluit van 27 november 1985 worden de voorzitter, de ondervoorzitter en de penningmees- ter door de Nationale Raad onder zijn leden gekozen. Vermits het bureau als dagelijks bestuur de emanatie is van de Nationale Raad lijkt het aannemelijk, bij ontstentenis van een uitdrukkelijke regeling waaruit het tegendeel blijkt, dat deze mandaten herroepbaar zijn ad nutum en daaraan derhalve door de Nationale Raad voortijdig een einde kan worden gesteld. De voorzitter is de voorzitter “van de Nationale Raad”. Het lijkt uitgesloten dat de voorzitter en de Nationale Raad behoorlijk zouden kunnen functioneren indien de voorzitter niet het vertrouwen geniet van de Nationale Raad. Wanneer, zoals in de voorliggende zaak het geval is, tussen de Nationale Raad en de voorzitter een vertrouwensbreuk ontstaat, lijkt de voortijdige beëindiging van het mandaat van de voorzitter de enige redelijke oplossing om uit de impasse te geraken en de goede werking van het BIBF te verzekeren. IX-6557-18/33 9.
- De verzoeker voert de schending aan van de artikelen 49 tot 61 van het koninklijk besluit van 27 november 1985, die betrekking hebben op de tuchtregeling. De verzoeker stelt in essentie dat de Nationale Raad in strijd met de tuchtregeling zelf uitspraak heeft gedaan over tuchtrechtelijke tenlasteleggingen. De voortijdige beëindiging van het mandaat van de voorzitter als gevolg van de vertrouwensbreuk die is ontstaan, is evenwel geen tuchtstraf, maar een maatregel die werd genomen om de goede werking van het BIBF te verzekeren. De feiten die aan de basis liggen van een dergelijke maatregel moeten trouwens niet noodzakelijk een tuchtrechtelijk karakter hebben. Zij werden door de Nationale Raad niet als tuchtrechtelijk strafbare feiten gekwalificeerd, maar als tekortkomingen waardoor de verzoeker naar het oordeel van de Nationale Raad “onvoldoende geloofwaardig is en over onvoldoende moreel gezag en vertrouwen beschikt om zijn (voorbeeld)functie van Voorzitter van de Nationale Raad van het BIBF verder te zetten”. Aan de Nationale Raad kan bijgevolg op het eerste gezicht niet worden verweten dat hij in strijd met de voormelde artikelen 49 tot 61 van het koninklijk besluit van 27 november 1985 een tuchtprocedure tegen de verzoeker zou hebben gevoerd. 9.
- Het middel is niet ernstig.
- Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoeker voert in het middel de schending aan van de artikelen 35, 36, 38 en 39 van het koninklijk besluit van 27 november
- De verzoeker stelt dat ingevolge het schorsingsarrest van 18 juni 2009 van de Raad van State moet worden aangenomen dat hij opnieuw voorzitter is geworden. Het feit dat de verwerende partij ervoor geopteerd heeft om de beslissing van de Raad van State niet af te wachten en een andere voorzitter aan te duiden, verandert niets daaraan. IX-6557-19/33 Volgens de verzoeker heeft de verwerende partij er schijnbaar zeer bewust voor geopteerd om hem niet langer zijn taken als voorzitter te laten uitvoeren, ondanks het feit dat hij daarvoor expliciet vragende partij was. De verzoeker werd aldus niet meer betrokken bij het dagelijkse beheer van het Instituut en was evenmin betrokken bij de voorbereiding van de vergadering van 28 augustus
- Hij kon de Nationale Raad niet samenroepen en de Nationale Raad heeft niet onder zijn voorzitterschap beraadslaagd. Beoordeling 11.
- Bij arrest nr. 194.327 van 18 juni 2009 werd de schorsing van de tenuitvoerlegging bevolen van de beslissing van de Nationale Raad van 23 januari 2009 waarbij de verzoeker als voorzitter werd afgezet. De beslissing van 24 april 2009 waarbij Etienne Verbraeken tot voorzitter werd verkozen, werd geschorst bij arrest nr. 196.377 van 24 september
- In tegenstelling tot de vernietiging van een administratieve rechtshandeling, die terugwerkende kracht heeft en ex tunc werkt, heeft de schorsing van een administratieve rechtshandeling door de Raad van State alleen uitwerking voor de toekomst. De schorsing werkt ex nunc en gaat ten aanzien van het bestuur pas in op het ogenblik dat het schorsingsarrest wordt betekend. Op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd genomen, was de beslissing van 24 april 2009 waarbij Etienne Verbraeken tot voorzitter werd verkozen niet geschorst, zodat deze zijn functie van voorzitter toen kon uitoefenen. Het schorsingsarrest nr. 194.327 van 18 juni 2009, dat enkel de afzetting van de verzoeker betrof, vormde daarvoor geen beletsel. 11.
- Bovendien dient te worden vastgesteld dat de beslissing over het mandaat van de verzoeker als voorzitter van de Nationale Raad op aanvraag van één derde van de leden op de dagorde van de vergadering werd geplaatst. Artikel 38, derde lid, van het koninklijk besluit van 27 november 1985 bepaalt: “Wanneer de Raad vergadert op aanvraag van een derde van de leden of op verzoek van de regeringscommissaris, moet de voorzitter de Raad samenroepen, uiterlijk binnen de dertig dagen vanaf de aanvraag.” IX-6557-20/33 IX-6557-21/33 Bijgevolg zou de Nationale Raad ook in het geval dat de verzoeker het voorzitterschap zou hebben uitgeoefend, over de beëindiging van diens mandaat hebben beraadslaagd. 11.
- Het middel is niet ernstig.
- Derde middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoeker voert in het middel de schending aan van het onpartijdigheidsbeginsel, van de motiveringsplicht en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurs- handelingen. 12.
- Onder verwijzing naar het verzoek tot wraking dat hij op 28 augustus 2009 bij de Nationale Raad heeft ingediend, stelt de verzoeker in een eerste onderdeel van het middel dat verschillende leden van de Nationale Raad niet geacht kunnen worden onpartijdig te hebben geoordeeld. Hij zet dienaangaande het volgende uiteen: “- er is de heer Etienne Verbraeken. Zonder twijfel moet aangenomen worden dat hij een rechtstreeks persoonlijk belang had. Immer werd hijzelf door de Nationale Raad tot Voorzitter aangeduid in vergadering van 24 april
- Deze aanduiding is er pas kunnen komen door de onwettige afzetting van verzoeker. Zou de Nationale Raad middels de bestreden beslissing niet opnieuw tot de afzetting hebben besloten, dan zou de heer Verbraeken ten node Voorzitter af zijn. Daarenboven werd tegen de heer Verbraeken ook een tuchtklacht ingediend door verzoeker (stukken 18+29). Nog moet opgemerkt worden dat er al een voor verzoeker gunstig auditoraatsverslag voorhanden was in de procedure voor Uw Raad tegen de benoeming van de heer Verbraeken (die weinige tijd nadien ook effectief vernietigd werd) ... Tot slot is het in het kader van het onpartijdigheidsbeginsel toch op zijn minst opmerkelijk te noemen dat de heer Verbraeken de heer Donckels (zie hieronder) openlijk heeft gefeliciteerd per emailbericht voor zijn oproep om een nieuwe bijeenk- omst te organiseren met de Nationale Raad teneinde verzoeker desgeval- lend af te zetten (bijlage 5 bij stuk 31). - er is mevrouw Maria Ploumen. Uit het verslag blijkt dat zij in deze de kat de bel heeft aangebonden (meer specifiek inzake de ‘tenlastelegging’ van omzeiling van K.B. van 19 september 2009) en een duidelijk vervolgende rol heeft gespeeld. Het onpartijdigheidsbeginsel is geschonden als de vervolgende overheid (verpersonaliseerd tot die of die persoon) ook IX-6557-22/33 optreedt als de beoordelende overheid. Ook t.a.v. haar werd door verzoeker een tuchtklacht geformuleerd (stukken 18+29). - er is de heer Jean-Marie Conter. Uit het verslag blijkt dat deze een determinerende rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van de tweede ‘tenlastelegging’ (inzake het beweerdelijk op de ‘zwarte lijst’ staan van verzoeker). Terzake heeft hij een duidelijk vervolgende rol gediend. Verder moet worden opgemerkt dat de heer Jean-Marie Conter het blijkbaar nodig heeft gevonden om met een aantal nationale raadsleden op 21 januari 2009 een vergadering te organiseren waarop de ‘tenlastelegging- en’ aan het adres van verzoeker werden besproken en waarbij zijn afzetting a.h.w. werd voorbereid op 23 januari
- Zulks mag blijken uit het recente e-mailbericht van mevrouw Dominique Tordeurs die verzoeker in zijn bezit kreeg ... (stuk 40). Ook tegen de heer Conter werd door verzoeker een tuchtklacht neergelegd (stukken 18+29). - er is de heer Guy Huart. Deze heeft een duidelijke rol gespeeld bij de vierde ‘tenlastelegging’ lastens verzoeker (‘het beweerdelijk disfunctione- ren van verzoeker als Voorzitter’). - er is de heer Frans Donckels. De Regeringscommissaris agendeerde het punt betreffende de afzetting op de zitting van de Nationale Raad van 23 januari 2009 uitdrukkelijk op verzoek van het kabinet van de Minister (zoals blijkt uit zijn e-mail bericht zelf). Op de vergadering van 23 januari 2009 gaf hij aan dat de Nationale Raad moet kiezen tussen ontslag van de Voorzitter of ontbinding van het Instituut. Verzoeker citeert woordelijk uit het verslag van de vergadering: ‘Het Kabinet van Minister Laruelle vraagt om een reactie van de Raad van het BIBF vermits het vertrouwen van de Minister in het BIBF ernstig beschadigd is’. Op de uitdrukkelijke vraag wat er zal gebeuren indien verzoeker niet werd afgezet, antwoordt de Regeringscommissaris: ‘Dat hij niet kan voorspellen wat de reactie van het kabinet zal zijn, maar hij weet wel dat er een ernstige vertrouwensbreuk is tussen het kabinet en de Voorzitter. Het kabinet heeft meegedeeld dat zij een reactie van de Raad verwachten.’ Dit antwoord kwam er nadat verschillende leden van de Raad hadden opgevangen dat ontbinding van het Instituut werd overwogen, zo verzoeker niet zou worden afgezet. Het standpunt van de Regeringscommissaris is manifest onwettig en één en ander gaf zelfs aanleiding tot formulering van een derde middel in de procedures voor uw Raad tegen de eerste afzetting van verzoeker en de navolgende benoeming van de heer Verbraeken. Uiteraard beïnvloedt zulks de stemming. Wie niet voor de afzetting van verzoeker is, zal toch bevreesd zijn voor een ontbinding van het Instituut. Zulks kan ook concreet worden aangetoond aan de hand van de e-mail van raadslid Frans Donckels d.d. 27 juni 2009 waarin deze uitdrukkelijk schrijft aan de Nationale Raad (stuk 31): ‘(...) Waar ik wel van verbaasd ben is dat de boodschap van de heer Regeringscommissaris niet overkomt en genegeerd wordt. IX-6557-23/33 Ongeacht wat de raadsheren van beide partijen ervan gemaakt hebben, zouden dezelfde goede luisteraars op 23/01/2009 gehoord moeten hebben wat de heer Wauthier (d.d. 23/01/2009) ons wilde meedelen. Ik wil zeker niet in naam van de heer Wauthier spreken maar ik meen begrepen te hebben dat hij ons duidelijk maakte dat 'de werking van de Nationale Raad' zo niet verder kon. (... )’ Nog opvallend is dat heer Donckels er in een e-mail van 17 juli 2009 er vervolgens op aandringt om de Nationale Raad opnieuw te laten stemmen over de afzetting van verzoeker ... De kennelijke machtsoverschrijding, zelfs machtsafwending, in hoofde van de Regeringscommissaris lijkt zodoende wel degelijk een invloed te hebben op de heer Donckels. De onwettige bedreiging vanwege de Regeringscommissaris in het achterhoofd en de duidelijke houding dienaangaande van de heer Donckels maakt dat deze onmogelijk nog onpartijdig kon zetelen. - er is mevrouw Marie-Beatrice Hernould. Verzoeker kreeg een e-mailbe- richt in zijn bezit die mevrouw Hernould uitstuurde aan een aantal BIBF- leden en waarin zij het volgende meedeelde over de ‘eerste tenlasteleg- ging’: ‘Je pense qu’il faut 'percer l’abcès' et faire le nettoyage d’un mal insidieux’. Vrij vertaald: ‘Ik denk dat we het abces moeten doorprikken en het verraderlijke kwaad moeten opruimen’ (stuk 38). Deze weliswaar bijzonder kleurrijke, doch eveneens bijzonder beledigen- de omschrijving wijst op een zeer ernstige graad van vijandschap in hoofde van mevrouw Hernould t.a.v. verzoeker. In de gegeven omstandig- heden kon zij onmogelijk onpartijdig oordelen. Indien iemand n.a.v. het vooronderzoek bepaalde uitlatingen doet waarop hij, zonder gezichtsver- lies te leiden, niet kan terugkomen, dient zij/hij zich te onthouden van deelname aan de besluitvorming, op straffe van miskenning van het onpartijdigheidsbeginsel.” De verzoeker stelt voorts dat het onduidelijk is waarom zijn verzoek tot wraking werd verworpen, en dat aldus de motiveringsplicht wordt geschonden. Bovendien, zo stelt de verzoeker, zou de Nationale Raad ook verplicht zijn het onpartijdigheidsbeginsel na te leven, wanneer tegen zijn verzoek tot wraking ontvankelijkheidsbezwaren zouden bestaan. Het feit dat er geen (ontvankelijk) verzoek tot wraking zou zijn ingediend, ontslaat de overheid immers niet van de verplichting om onpartijdig te oordelen. IX-6557-24/33 Daarbij komt nog dat de werking van de Nationale Raad niet onmogelijk zou zijn gemaakt, indien de genoemde leden niet aan de beraadslaging hadden deelgenomen. De aard, noch de werking van de Nationale Raad zouden in het gedrang zijn gebracht door het toepassen van het onpartijdigheidsbeginsel. Het door artikel 39 van het koninklijk besluit van 27 november 1985 vereiste quorum zou probleemloos bereikt zijn en desnoods had een beroep kunnen worden gedaan op de plaatsvervangende leden. 12.
- In een tweede onderdeel van het middel voert de verzoeker aan dat hij door de Nationale Raad werd gehoord, terwijl zijn eerste afzetting nog niet was ingetrokken. De verwerende partij diende op 17 juli 2009 zelfs nog een verzoek tot voortzetting van de procedure in, nadat zijn afzetting door de Raad van State was geschorst. De verzoeker diende zich aldus te verdedigen tegen een dreigende afzetting, terwijl zijn eerdere afzetting op het moment van het voeren van zijn verweer nog niet uit de rechtsorde was verdwenen. Ook hierdoor werd het onpartijdigheidsbeginsel geschonden. Beoordeling 13.1.
- Met betrekking tot het eerste onderdeel van het middel moet vooreerst worden gewezen op de artikelen 65 en 66 van het koninklijk besluit van 27 november 1985, die als volgt luiden: “Art.
- Eenieder die partij is in een zaak die wordt voorgelegd aan een Uitvoerende Kamer, de verenigde Uitvoerende Kamers of aan een Kamer van Beroep of aan de verenigde Kamers van Beroep heeft het recht de wraking van een lid van deze Kamer te vragen, overeenkomstig de artikelen 828 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek. Art.
- De beoordeling van een wrakingsverzoek tegen een lid van de Uitvoerende Kamer of van de verenigde Uitvoerende Kamers wordt opgedragen aan respectievelijk de Kamer van Beroep of de verenigde Kamers van Beroep. De beoordeling van een wrakingsverzoek tegen een lid van een kamer van beroep of van de verenigde kamers van beroep wordt opgedragen aan het Hof van Cassatie. De procedure verloopt zoals bepaald in artikel 838 van het Gerechtelijk Wetboek.” De procedure tot wraking lijkt derhalve op het eerste gezicht niet toepasselijk op de leden van de Nationale Raad. IX-6557-25/33 13.1.
- Het onpartijdigheidsbeginsel is als beginsel van behoorlijk bestuur van toepassing op de organen van het actief bestuur, althans in zoverre dit verenigbaar is met de eigen aard, inzonderheid de structuur van het bestuur. Hiervoor werd reeds benadrukt dat de functie van voorzitter een vertrouwensfunctie is waaraan door de Nationale Raad ad nutum een einde kan worden gesteld. Bij een dergelijke beslissing lijkt er geen ruimte te bestaan voor de toepassing van het onpartijdigheidsbeginsel. In de mate dat uit de door de verzoeker aangevoerde elementen zou blijken dat een aantal leden van de Nationale Raad zich reeds vóór de vergadering van 28 augustus 2009 tegen de verzoeker zouden hebben uitgesproken, kan daarin immers slechts de bevestiging worden gezien van het feit dat tussen een aantal leden van de Nationale Raad en de voorzitter een vertrouwensbreuk is ontstaan. 13.1.
- In zoverre de verzoeker stelt dat de motiveringsplicht werd geschonden, doordat niet duidelijk blijkt waarom zijn verzoek tot wraking werd afgewezen, moet worden opgemerkt dat bij de bespreking van dat verzoek uitdrukkelijk naar de voormelde artikelen 65 en 66 van het koninklijk besluit van 27 november 1985 werd verwezen. Uit de uiteenzetting van het middel blijkt niet waarom die motivering niet afdoende zou zijn. 13.1.
- Uit wat voorafgaat volgt dat het eerste onderdeel van het middel niet ernstig is. 13.
- Met betrekking tot het tweede onderdeel van het middel dient erop te worden gewezen dat blijkens de dagorde van de vergadering van 28 augustus 2009 de Nationale Raad, na het verhoor van de verzoeker betreffende de feiten die hem ten laste werden gelegd, een beslissing diende te nemen “aangaande het mandaat van de heer Roland Smets als Voorzitter van de Nationale Raad van het BIBF en de eerder genomen beslissing van de Nationale Raad d.d. 23/01/2009 terzake”. Blijkens de notulen van die vergadering werden de twee keuzemogelijkheden als volgt toegelicht: IX-6557-26/33 “ ‘JA’ betekent dat het stemgerechtigde raadslid van oordeel is dat de feiten, hernomen in het verslag en rekening houdend met het verweer van R. Smets, voldoende ernstig zijn om het mandaat van R. Smets als Voorzitter van de Nationale Raad van het BIBF te beëindigen. Tegelijk betekent deze ‘JA’-stem dat er gestemd wordt voor de intrekking van de beslissing tot afzetting van R. Smets door de Nationale Raad d.d. 23 januari 2009 gezien deze beslissing werd geschorst door de Raad van State. ‘NEEN’ betekent dat het raadslid van oordeel is dat de feiten, hernomen in het verslag en rekening houdend met het verweer van R. Smets, niet voldoende ernstig zijn om het mandaat van R. Smets als Voorzitter van de Nationale Raad van het BIBF te beëindigen. Door deze “neen”-stem wordt enkel de geschorste beslissing van de Raad d.d. 23 januari 2009 ingetrokken waardoor het mandaat van R. Smets als Voorzitter van de Nationale Raad terug volledig verder loopt/herleeft.” Bovendien werd door de secretaris toegelicht “dat er slechts tot een nieuwe beslissing [kon] worden overgegaan indien de beslissing van 23 januari 2009 [werd] ingetrokken ten gevolge van het schorsingsarrest van de Raad van State d.d. 18 juni 2009”. Het was derhalve duidelijk dat, welke beslissing de Nationale Raad omtrent de beëindiging van verzoekers mandaat als voorzitter ook zou nemen, de door de Raad van State geschorste beslissing van 23 januari 2009 in ieder geval zou worden ingetrokken. Er valt niet in te zien in welk opzicht het beginsel van de onpartijdigheid daardoor zou geschonden zijn. Ook het tweede onderdeel van het middel is niet ernstig.
- Vierde middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoeker voert in het middel de schending aan van de hoorplicht, van de motiveringsplicht en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. De verzoeker herinnert eraan dat hij bij brief van 19 augustus 2009 informatie heeft gevraagd, teneinde nuttig te kunnen worden gehoord. Het stelt de volgende vragen te hebben geformuleerd: IX-6557-27/33 - een vraag tot overmaking van alle verslagen van het bureau sinds 1 januari 2009; - een vraag over de identiteit van de nationale raadsleden die om een vergadering hadden verzocht; - een vraag naar het schriftelijke verzoek vanwege de onder agendapunt 2 bedoelde nationale raadsleden tot agendering van de punten één tot en met drie, en zulks in het licht van het schrijven van advocaat Sylvie Kempinaire d.d. 23 juli 2009 (die optrad voor Veerle Sleeuwagen en Andy De Laet); - een vraag naar de identiteit van degene die het “verslag voor de Nationale Raad inzake de tenlasteleggingen ten aanzien van Roland Smets in zijn hoedanigheid van Voorzitter van het BIBF” had opgemaakt en diens mandaat hiertoe; - een vraag tot overmaking van het verslag van de vergadering die had beslist tot voortzetting van de annulatieprocedure tegen zijn afzetting, die inmiddels was geschorst; - een vraag naar wie aanwezig was geweest op de vergadering van 21 januari 2009, op initiatief van de penningmeester, waarbij de “tenlasteleg- gingen” op voorhand werden besproken onder een aantal raadsleden. Volgens de verzoeker waren deze vragen bijzonder relevant in het kader van zijn verweer. Een antwoord op de tweede, de vierde en de zesde vraag zou aanleiding hebben kunnen geven tot nieuwe vragen in het licht van het onpartijdig- heidsbeginsel. Ook een antwoord op de derde vraag was relevant, aangezien hij daardoor had kunnen nagaan of er voldoende leden waren opdat de punten 1 tot 3 geldig konden worden geagendeerd. De verzoeker betoogt dat hij geen concreet antwoord kreeg op zijn vragen en dat de brief van 24 augustus 2008 uitgaande van de algemeen directeur weinigzeggend was. Alleen op de vraag wie het verslag had opgemaakt, kreeg hij een concreet antwoord: de secretaris maakte het tuchtverslag op, maar van wie deze een mandaat daartoe had ontvangen is geheel onduidelijk. De overige vragen werden niet of onvoldoende beantwoord. Het is onaanvaardbaar dat de verzoeker pas op de zitting van 28 augustus 2009 kennis kon krijgen van de door hem gevraagde gegevens. De hoorplicht en het recht om zijn standpunt naar voor te brengen werden daardoor flagrant geschonden. De verzoeker voegt hier nog aan toe dat een vraag tot uitstel om de informatie die hij pas op 28 augustus 2009 had verkregen nog te kunnen IX-6557-28/33 verwerken, ongemotiveerd werd weggestemd, zodat de motiveringsplicht werd geschonden. Ten slotte merkt de verzoeker op dat noch hijzelf, noch zijn raadsman de kans heeft gehad om na het afsluiten van het verhoor de notulen te verifiëren. Beoordeling 15.
- De verzoeker voert aan dat hij bij brief van 19 augustus 2009 om de mededeling van een aantal gegevens heeft gevraagd, maar dat op dit verzoek slechts zeer gedeeltelijk werd ingegaan. Deze grief kan slechts ontvankelijk tegen de bestreden beslissing worden aangevoerd, indien blijkt dat de gevraagde gegevens voor de verzoeker relevant konden zijn om zich nuttig tegen de aangevoerde “tenlasteleggingen” te verweren. Uit verzoekers uiteenzetting van het middel blijkt evenwel dat zijn vragen om informatie in feite geen betrekking hadden op de inhoud van de tegen hem aangevoerde “tenlasteleggingen”, maar veeleer ingegeven waren door de wens om een aantal leden van de Nationale Raad te wraken. Zoals bij de beoordeling van het derde middel werd uiteengezet, bestaat daartoe evenwel in het voorliggende geval, gelet op de aard van de bestreden beslissing, geen aanleiding. 15.
- Tijdens de hoorzitting maakte de raadsman van de verzoeker voorbehoud, omdat hem geen uitstel werd toegestaan dat hem moest toelaten de eventuele wraking te onderzoeken van een aantal door hem genoemde raadsleden die om de bijeenkomst van de Nationale Raad hadden verzocht. Zoals hiervoor reeds werd geoordeeld, is de wrakingsprocedure te dezen niet van toepassing. De verzoeker voert in zijn verzoekschrift overigens niet aan dat de bedoelde raadsleden partijdig zouden zijn geweest. Er valt dan ook niet in te zien in welk opzicht de verzoeker door de weigering van het uitstel benadeeld zou zijn geweest. 15.
- De verzoeker stelt ten slotte dat hij niet de kans heeft gehad de notulen van de vergadering te verifiëren. Hierbij moet echter worden opgemerkt dat het niet kunnen verifiëren van de notulen geen afbreuk doet aan de naleving van de hoorplicht. De verzoeker betwist overigens niet dat de notulen waarheidsgetrouw zijn. IX-6557-29/33 15.
- Het middel is niet ernstig.
- Vijfde middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoeker voert in het middel de schending aan van het redelijkheidsbeginsel, van de motiveringsplicht en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshande- lingen. De verzoeker stelt vooreerst dat zijn verweer in de bestreden beslissing niet of nauwelijks wordt ontmoet, aangezien enkel met een standaardmo- tivering wordt gesteld dat zijn verweer onvoldoende geloofwaardig is. Hij betoogt voorts dat de beslissing om hem af te zetten kennelijk onredelijk is. De verwerende partij lijkt immers in de bestreden beslissing te erkennen dat de verschillende tenlasteleggingen afzonderlijk beschouwd niet zwaar genoeg wegen om een afzetting te verantwoorden, maar samengenomen wel voldoende zwaar wegen. Volgens de verzoeker moet in dat geval elk van de tenlasteleggingen de redelijkheidstoets kunnen doorstaan. Onder verwijzing naar zijn schriftelijk verweer stelt de verzoeker dat hij de omstandigheden waarin de eerste tenlastelegging zich situeert, heeft geduid. Waarom één en ander “ongeloofwaardig is”, wordt niet verklaard. Het gegeven dat hij uit vergetelheid enkele bijdragen te laat heeft betaald, hetgeen ook enkele andere raadsleden is overkomen, kan bezwaarlijk als motief gelden om hem het voorzitterschap te ontnemen. Dat de voorzitter zomaar kan worden afgezet omdat hij niet op een etentje aanwezig zou zijn, enkele vermeende geheime gesprekken zou hebben gevoerd, geen elektronische agenda bijhoudt en niet persoonlijk tussenkwam in een gunstig verzekeringsdossier, en omdat een medevennoot van hem ook werkzaam is in het Instituut, betekent volgens de verzoeker dat eigenlijk elke reden goed was om tot zijn afzetting -de strengste maatregel- over te gaan. Deze sanctie staat in een complete wanverhouding met de feiten. Beoordeling IX-6557-30/33
- In het “verslag voor de Nationale Raad inzake de tenlastelegging- en ten aanzien van Roland Smets in zijn hoedanigheid van voorzitter van het BIBF” werden de feiten die aan de verzoeker werden ten laste gelegd, als volgt sameng- evat: “1) het formuleren van een voorstel ten aanzien van Mevrouw Maria Ploumen, Ondervoorzitter BIBF, en de Heer Jean-Marie Conter, Penningmeester BIBF tijdens de bureauvergadering van 29 december 2008 om het KB van 19 september 2008 (B.S., 19 december 2008) tot wijziging van het koninklijk besluit van 27 november 1985 tot bepaling van de regels inzake de organisatie en de werking van de beroepsinsti- tuten die voor de dienstverlenende intellectuele beroepen zijn opge- richt, te omzeilen; 2) het zich bevinden op de ‘zwarte lijst’ van de banken waardoor hij onder meer geen creditkaart op naam van het BIBF kon krijgen en in het bijzonder het niet regulariseren van deze situatie ondanks een belofte dienaangaande t.a.v. de penningmeester, de Heer Jean-Marie Conter; 3) het meermaals niet tijdig betalen van zijn ledenbijdrage BIBF alsook de verzekeringspremie voor de verplichte verzekering burgerlijke aansprakelijkheid die hij afsloot via de modelpolis van het BIBF; 4) het disfunctioneren van de Heer Roland Smets als Voorzitter van de Nationale Raad van het BIBF.” De Nationale Raad oordeelde als volgt over die tenlasteleggingen: “dat met betrekking tot een aantal ‘tekortkomingen’ in zijn functie als Voorzitter met de Heer Smets kan aanvaard worden dat deze op zich alleen- staand niet zwaar genoeg wegen om een vertrouwensbreuk te verantwoorden; dat evenwel het eerste feit en het derde feit onmiskenbaar van die aard zijn om de voorbeeldfunctie die van een voorzitter moet uitgaan, te ondergraven; dat de omstandigheden betreffende het tweede feit -zoals thans voor het eerst toegelicht door de Heer Smets- dit feit in een ander daglicht plaatsen, en niet meer wordt in aanmerking genomen; het weze verder herhaald dat wat betreft het vierde feit de elementen op zich alleenstaand gebeurlijk onvoldoende zijn om te besluiten tot een beëindiging van het mandaat maar in concreto en als een geheel genomen de vaststelling van het disfunctioneren verantwoorden en grond kunnen geven voor een beëindiging.” De Nationale Raad voegde eraan toe “dat de weerhouden feiten van die aard zijn dat de Heer Roland Smets als gevolg hiervan onvoldoende geloofwaardig is en over onvoldoende moreel gezag en vertrouwen beschikt om zijn (voorbeeld)functie van Voorzitter van de Nationale Raad van het BIBF verder te zetten”. In acht genomen dat de functie van voorzitter als een vertrouwens- functie kan worden beschouwd, lijkt de bestreden beslissing op het eerste gezicht niet onredelijk. De Nationale Raad beschikt terzake immers over een uiterst ruime IX-6557-31/33 discretionaire bevoegdheid. De Nationale Raad blijft binnen zijn beoordelingsbe- voegdheid wanneer hij sommige elementen op zich genomen onvoldoende acht om tot de beëindiging van het mandaat van de verzoeker te besluiten, maar oordeelt dat deze samengenomen wel de beëindiging van diens mandaat als voorzitter kunnen verantwoorden. Daarbij dient te worden herhaald dat de bestreden beslissing geen tuchtsanctie is, maar een maatregel waarbij de Nationale Raad de gevolgen trekt uit het teloorgaan van het in de voorzitter gestelde vertrouwen. Bijgevolg lijkt ook het argument dat voor de “strengste” maatregel werd gekozen niet op te gaan. In een tuchtprocedure kan de tuchtoverheid kiezen uit een min of meer brede waaier van tuchtsancties en moet de tuchtsanctie in verhouding staan tot de zwaarwichtigheid van het tuchtfeit. In de voorliggende zaak kon de Nationale Raad slechts kiezen tussen het behoud of de beëindiging van het mandaat van de verzoeker. Het middel is niet ernstig.
- Vermits de verzoeker geen ernstige middelen aanvoert die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden, is niet voldaan aan één van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van deze beslissing te kunnen bevelen. Deze vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing. IX-6557-32/33 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 15 februari 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit : André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier, De voorzitter, Wim Geurts André Vandendriessche IX-6557-33/33 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.806 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.214.195 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.