← België

Arrest 200807 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 15/02/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.807 Rolnummer: A. 134178/IX-3737 Zaak: Arrest 200807 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 15/02/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-22 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-07-02 08:50 Fiche Arrest nr 200.807 van 15 februari 2010 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 200.807 van 15 februari 2010 in de zaak A. 134.178/IX-3737 In zake : Yvan MEERT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Iwein Van Driessche kantoor houdend te Opwijk Nanovestraat 26 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de NV BELGACOM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Chris Van Olmen kantoor houdend te Brussel Louizalaan 221 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 17 maart 2003, strekt tot de nietigverkla- ring van “de beslissing van de raad van beroep gehouden op 23/9/02 waarbij [...] beslist werd de evaluatievermelding ‘E’ voor de globale evaluatie van de prestaties [van de verzoeker] te handhaven”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Marc Lefever heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 februari
  3. IX-3737-1/14 Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ingrid Martens, die loco advocaat Iwein Van Driessche verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Veronique Leroy, die loco advocaat Chris Van Olmen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De verzoeker is ten tijde van de bestreden beslissing in dienst bij de NV Belgacom als technicus. 3.
  6. In het kader van de jaarlijkse evaluatie noteert de supervisor van de verzoeker op 8 november 2001 in het “logboek” van de verzoeker de volgende vermeldingen betreffende het eerste halfjaar: “*klanttevredenheid is OK * impact efficiëntie evolueert positief (positieve evolutie eff.) - op tijd info aan IDC opvragen om uw [onleesbaar] te plannen - iets meer druk leggen naar IDC toe om [onleesbaar] e.d. te kunnen bijwonen - voertuig in orde ! Niet te veel opstapelen + tijdig defecte onderdelen inleveren - neem in ieder geval verder initiatieven om uw opleiding tot een goed einde te brengen” Eveneens in het kader van de jaarlijkse evaluatie wordt voor de verzoeker een “prioriteitenfiche” opgemaakt, waarin de elementen van kennis en gedrag worden vermeld waaraan hij bij de uitvoering van zijn werk moet proberen te beantwoorden. Voor de verzoeker wordt vervolgens een “plan voor niveauher- stel” uitgewerkt, waarbij wordt getracht aan zijn tekorten inzake technische kennis, verantwoordelijkheid en zelfstandigheid te verhelpen. Uit het afsluitend gesprek van IX-3737-2/14 15 april 2002 blijkt dat dit plan evenwel niet het verhoopte resultaat heeft opgeleverd. Er wordt besloten dat de verzoeker een loopbaanheroriëntering zal verkrijgen. De eindconclusie van het afsluitend gesprek luidt als volgt: “- De technische kennis op niveau technicus is onvoldoende. Gevolg een lage productiviteit. - Houding: er is gebrek aan verantwoordelijkheidszin en maturiteit. Als technieker kan Yvan onvoldoende zijn prioriteiten bepalen. cfr. eindverslag” Op 29 mei 2002 wordt een globale evaluatie gemaakt van verzoekers presteren. De evaluator N+1 kent hem de eindvermelding “E” (= onaanvaardbaar) toe. Deze beslissing wordt als volgt gemotiveerd: “op het persoonlijke niveau: COMPETENTIES - BEKWAAMHEDEN: - Yvan beheerst niet volledig de job van technicien bij de High End groep. Hij heeft niet de juiste skills. - Hij heeft tevens niet alle noodzakelijke kennis van de High End pabx- produkten. - Yvan heeft duidelijk moeite om concrete resultaten die bij de High End medewerkers verwacht worden te behalen. HOUDING - GEDRAG - de resultaten inzake klanttevredenheid zijn voor verbetering vatbaar. Doet wel inspanning maar zonder goed resultaat (enquêtes = 50%) - Yvan heeft weinig verantwoordelijkheidsgevoel. Op het niveau van zijn team / van zijn collega’s: GEDRAG - Niettegenstaande zijn zacht karakter en sociale ingesteldheid slaagt hij er niet altijd in een goed team met de collega’s te vormen. - Communicatie met IDC-medewerkers is niet altijd duidelijk. Op het niveau van zijn ontwikkeling: - Yvan heeft in het voorbije jaar opleidingen gevolgd over de IVPS, DECT, ARS, enz. - volgt nu momenteel een opleiding voor ADSL-full installation. - Yvan toont wel interesse om zich bij te scholen. ALGEMENE COMMENTAAR - Impact gegevens zijn goed [onleesbaar] tijdig time sheet inleiden in UFM - plan voor niveauherstel ingediend.” De verzoeker geeft daarop de volgende commentaar: “Wegens psychische (alsook fysische) overwegingen dewelke mijn gemoedstoestand zouden kunnen beïnvloeden, kan ik deze gang van zaken IX-3737-3/14 onvoldoende rationeel inschatten en zal bijgevolg raad en tijd vandoen hebben om alles op een rijtje te zetten.” 3.
  7. De verzoeker tekent beroep aan bij de raad van beroep, die op 23 september 2002 adviseert dat de toegekende evaluatievermelding “E” verant- woord is. Dit advies is als volgt gemotiveerd: “Overwegende dat de heer Meert Yvan, Technicus bij Advanced Network Services/Engineering Customer Operations - Brugge, beroep ingesteld heeft tegen de toekenning van een evaluatievermelding E voor wat de globale evaluatie van de prestaties betreft; Overwegende dat bij de toekenning van deze evaluatievermelding E vooral gewezen werd op het gebrek aan de juiste skills en de noodzakelijke produk- tenkennis. Ook behaalt betrokkene geen concrete resultaten, heeft weinig verantwoordelijkheidsgevoel en slaagt er niet in een goed team te vormen met de collega’s; Overwegende dat een plan voor niveauherstel werd ingediend en uitgewerkt met negatief resultaat zijnde het niet-behoud van betrokkene in zijn functie; Gezien de bescheiden van het dossier; Gehoord de heer Tyberghein Freddy, ECO Local Manager, aangeduid om het standpunt van Belgacom waartegen beroep werd ingesteld te verdedigen; Gehoord de verzoeker en zijn verdediger, de heer Tratsaert Ronny, sectiechef bij ANS/NIS, in de door hen voorgebrachte beroepsmiddelen; Overwegende dat de Raad van oordeel is dat de gebreken en tekortkomingen van de verzoeker op een afdoende wijze aangetoond zijn; Overwegende dat de Raad van oordeel is dat de ter zitting aangevoerde verdedigingsmiddelen niet van aard zijn om de vastgestelde tekortkomingen en gebreken te rechtvaardigen.” 3.
  8. Ingevolge dit advies neemt de Secretary General & General Counsel, die gemachtigde is van de raad van bestuur van de NV Belgacom, op 13 januari 2003 “in toepassing van artikel 132 van het administratief personeelssta- tuut van de NV Belgacom” de beslissing om de evaluatievermelding “E” van de verzoeker te behouden. Deze beslissing luidt als volgt: “• Gelet dat op 29.05.2002 een evaluatievermelding ‘E’ voor de globale evaluatie van de prestaties werd toegekend aan de heer Meert Yvan, Technicus bij ANS/ECO; • Gelet dat na beroep bij de N+2, deze laatste de vermelding ‘E’ heeft heroverwogen en bevestigd; • Gelet dat tijdens zijn zitting van 23.09.2002, de Raad van Beroep een advies heeft uitgebracht dat ongunstig is voor de verzoeker; IX-3737-4/14 Na onderzoek van alle elementen van het dossier en op grond van de hiernavolgende redenen: - een gebrek aan de noodzakelijke produktenkennis, - een gebrek aan de juiste competenties, - weinig verantwoordelijkheidsgevoel, - een plan voor niveauherstel met negatief resultaat, - de betrokkene behaalt geen concrete resultaten, beslis ik de evaluatievermelding ‘E’ toegekend door de N+2 te handhaven.” Met een brief van 14 januari 2003 maakt de verwerende partij aan de verzoeker een afschrift over van het advies van de raad van beroep en van de beslissing van de gemachtigde van de raad van bestuur. 3.
  9. Op 30 januari 2006 beslist de raad van bestuur van de NV Belgacom dat de statutaire aanstelling van de verzoeker met ingang van 1 november 2005 van rechtswege wordt beëindigd. In het desbetreffende besluit wordt onder meer vermeld dat aan de verzoeker verlof wegens externe opdrachten werd toegestaan. Voorts wordt verwezen naar het koninklijk besluit van 22 juli 2004 betreffende de modaliteiten van het inzetten van personeelsleden van het autonoom overheidsbedrijf Belgacom in het kader van de coördinatie van de uitreiking van de elektronische identiteitskaart. IV. Nadere omschrijving van het voorwerp van het beroep
  10. In zijn verzoekschrift omschrijft de verzoeker de bestreden beslissing als volgt: “De beslissing van de Raad van Beroep gehouden te Brussel op 23/09/02 waarbij in uitvoering van artikel 132 van het administratief personeelsstatuut van Belgacom beslist werd de evaluatievermelding ‘E’ voor de globale evaluatie van de prestaties te handhaven.” De verzoeker ontwikkelt in zijn eerste middel evenwel de aangevoerde schending van de formele motiveringsplicht zowel ten aanzien van het advies van de raad van beroep van 23 september 2002 als ten aanzien van de beslissing van de gemachtigde van de raad van bestuur van 13 januari
  11. Derhalve moet het beroep geacht worden te zijn gericht niet alleen tegen het genoemde advies van de raad van beroep, maar ook tegen de genoemde beslissing van de gemachtigde van de raad van bestuur. IX-3737-5/14 V. Ontvankelijkheid van het beroep Eerste exceptie: voorwerp van het beroep Standpunt van de partijen
  12. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord een eerste exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op. Zij laat gelden dat het beroep gericht is tegen de zogenaamde beslissing van de raad van beroep van 23 september 2002, terwijl deze raad geen beslissing heeft genomen, maar slechts een niet-bindend advies heeft uitgebracht dat als zodanig niet voor vernietiging vatbaar is.
  13. De verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord dat de verwerende partij ten onrechte voorhoudt dat hij de vernietiging nastreeft van het advies van de raad van beroep, nu uit de omschrijving van de bestreden beslissing duidelijk blijkt dat hij de vernietiging vordert van de beslissing waarbij de evaluatievermelding “E” wordt gehandhaafd. Beoordeling
  14. Hiervóór werd er reeds op gewezen dat het beroep geacht moet worden gericht te zijn zowel tegen het advies van de raad van beroep van 23 september 2002, als tegen de beslissing van de gemachtigde van de raad van bestuur van 13 januari
  15. In zoverre de verwerende partij stelt dat het advies van de raad van beroep een niet voor vernietiging vatbare akte is, dient te worden gewezen op artikel 132 van het personeelsstatuut, waarin onder meer het volgende is bepaald: “[...] Wanneer het advies van de raad van beroep ongunstig is voor de verzoeker, wordt de bestreden beslissing gehandhaafd [...].” Uit de voormelde bepaling blijkt dat indien, zoals te dezen het geval is, de raad van beroep adviseert om de bestreden beslissing te behouden, dat advies bindend is voor de overheid die de eindbeslissing neemt, vermits in dat geval IX-3737-6/14 de beslissing waartegen beroep werd ingesteld, krachtens de reglementering gehandhaafd moet blijven. Derhalve heeft de gemachtigde van de raad van bestuur krachtens artikel 132 van het personeelsstatuut geen keuze gehad met betrekking tot de inhoud van zijn beslissing. Dergelijke adviezen, die de beslissende overheid binden, zijn wel degelijkvoor vernietiging vatbaar. De exceptie is niet gegrond. Tweede exceptie: actueel belang van de verzoeker Standpunt van de verwerende partij
  16. De verwerende partij werpt in haar laatste memorie een tweede exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit het ontbreken van het rechtens vereiste belang in hoofde van de verzoeker. Zij laat gelden dat de verzoeker niet langer een actueel belang heeft bij zijn beroep nu blijkt dat hij op 1 november 2005 vrijwillig ontslag heeft genomen. Volgens de verwerende partij is het voordeel dat de verzoeker verwacht uit een vernietiging van de bestreden beslissing, ingevolge dat ontslag niet meer haalbaar. Beoordeling
  17. Er dient evenwel te worden vastgesteld dat de verzoeker minstens nog een moreel belang heeft bij de nietigverklaring van de beslissing waarbij hem definitief de evaluatievermelding “E” wordt toegekend. Deze beslissing houdt immers een afkeuring in van de wijze waarop hij zijn functie heeft uitgeoefend. Een dergelijke beslissing kan door de verzoeker als moreel krenkend worden ervaren. De omstandigheid dat hij intussen niet langer is tewerkgesteld bij de verwerende partij, doet daaraan geen afbreuk. De exceptie is niet gegrond. IX-3737-7/14 VI. Onderzoek van de middelen Eerste middel Standpunt van de partijen
  18. De verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van de formele motiveringsplicht opgelegd door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 132 van het personeelsstatuut. Hij betoogt dat de beslissing van de raad van beroep van 23 september 2002 niet de feitelijke en juridische overwegingen vermeldt die aan de handhaving van de evaluatievermelding “E” ten grondslag liggen. Dezelfde kritiek formuleert hij ten aanzien van de beslissing van de gemachtigde van de raad van bestuur van 13 januari
  19. De verzoeker stelt voorts dat de raad van beroep ook niet heeft geantwoord op de elementen die hij ter zijner verdediging heeft aangevoerd.
  20. De verwerende partij antwoordt vooreerst dat het advies van de raad van beroep geen uitvoerbare beslissing is in de zin van de wet van 29 juli 1991 en dat het bijgevolg niet onderworpen is aan de formele motiveringsplicht. Voorts stelt zij dat de verzoeker het advies van de raad van beroep en de beslissing van de gemachtigde van de raad van bestuur met elkaar verwart wanneer hij in zijn verzoekschrift enerzijds stelt dat de beslissing van de gemachtig- de onvoldoende is gemotiveerd overeenkomstig artikel 132 van het personeelssta- tuut en hij anderzijds, om deze stelling te staven, verwijst naar de motivering van het advies van de raad van beroep. Volgens de verwerende partij legt artikel 132 van het personeelsstatuut geen enkele motiveringsverplichting op aan het advies van de raad van beroep, terwijl het inzake de beslissing van de raad van bestuur of zijn gemachtigde slechts een motivering oplegt in de te dezen niet aan de orde zijnde hypothese van een voor de verzoeker gunstig advies van de raad van beroep waarvan wordt afgeweken. Ten overvloede betoogt de verwerende partij dat zowel het advies van de raad van beroep als de beslissing van de gemachtigde van de raad van bestuur afdoende gemotiveerd zijn. Zij laat gelden dat uit de motivering die in het advies is opgenomen, blijkt dat de raad van beroep de precieze elementen aangeeft IX-3737-8/14 waarop hij zich heeft gesteund om tot zijn advies te komen en dat deze elementen pertinent zijn. Ook de beslissing van de gemachtigde van de raad van bestuur is formeel en afdoende gemotiveerd door pertinente, in de beslissing zelf verwoorde elementen.
  21. In zijn memorie van wederantwoord repliceert de verzoeker dat de bestreden beslissing van 13 januari 2003 niet afdoende is gemotiveerd, aangezien de gemachtigde van de raad van bestuur het ongunstige advies van de raad van beroep bekrachtigt zonder zijn motieven daarvoor te vermelden en het advies van de raad van beroep waarnaar wordt verwezen eveneens onvoldoende is gemotiveerd. De overwegingen van de raad van beroep vormen geen afdoende motivering, aangezien ze niet duidelijk maken welke gebreken en tekortkomingen aangetoond zijn, noch waarom verzoekers verdedigingsmiddelen niet worden gevolgd. Het standpunt van de verwerende partij dat artikel 132 van het personeelsstatuut niet zou vereisen dat de beslissing van de raad van bestuur of zijn gemachtigde wordt gemotiveerd wanneer het ongunstige advies van de raad van beroep wordt gehandhaafd, kan volgens de verzoeker niet worden aangenomen, nu dit standpunt strijdig is met de formele motiveringsplicht. De beslissing van de gemachtigde van de raad van bestuur van 13 januari 2003 bevat geen enkele motivering, maar verwijst slechts naar het proces-verbaal van de raad van beroep dat zelf niet afdoende is gemotiveerd.
  22. De verwerende partij betoogt in haar laatste memorie nog dat de verzoeker zich niet beroept op artikel 119, § 1, van het personeelsstatuut, dat bepaalt dat de raad van beroep zijn beslissingen dient te motiveren. Zij voegt eraan toe dat het advies van de raad van beroep evenwel afdoende is gemotiveerd, nu onder meer blijkt dat de overwegingen in het advies perfect aansluiten bij de concrete evaluaties van de verzoeker. Er kan volgens de verwerende partij geen twijfel over bestaan dat die evaluaties voldoende elementen hebben aangebracht om de raad van beroep ervan te overtuigen dat de voorgestelde evaluatievermelding de meest geschikte is. Voorts stelt de verwerende partij dat de raad van beroep de door de verzoeker aangevoerde elementen op een voldoende wijze heeft weerlegd. De raad van beroep doet immers geen uitspraak als een rechtscollege van de rechterlijke macht maar als een administratieve overheid, zodat hij geenszins verplicht is om expliciet op elk aangevoerd middel te antwoorden. Volgens de verwerende partij IX-3737-9/14 blijken uit het advies de redenen waarom de door de verzoeker aangevoerde argumenten niet konden worden in aanmerking genomen. Ze werden namelijk niet als voldoende ervaren om de gebreken en de tekortkomingen die blijken uit de evaluaties te rechtvaardigen. Wat de beslissing van de gemachtigde van de raad van bestuur betreft, laat de verwerende partij nog gelden dat, gelet op het voor de verzoeker ongunstige advies van de raad van beroep, de raad van bestuur te dezen over een gebonden bevoegdheid beschikte. De motivering van zijn beslissing kan daarom volstaan “met een verwijzing naar de toegepaste en de feitelijke toestand die de toepassing van [artikel 132 van het personeelsstatuut] heeft uitgelokt”. Voorts betoogt de verwerende partij dat de motieven die aan de beslissing van de gemachtigde van de raad van bestuur ten grondslag liggen in de beslissing zelf tot uiting zijn gebracht, zodat voldaan is aan de formele motiverings- plicht. Bovendien zijn die motieven wel degelijk in feite en in rechte pertinent en vermogen ze de beslissing te verantwoorden. Beoordeling
  23. De verwerende partij merkt terecht op dat de verzoeker in zijn eerste middel, zoals hij het in zijn verzoekschrift uiteenzet, het advies van de raad van beroep en de beslissing van de gemachtigde van de raad van bestuur met elkaar verwart. In zijn memorie van wederantwoord structureert hij evenwel zijn middel op een duidelijker wijze, op grond van het verweer dat de verwerende partij voerde. Artikel 2, § 1, 2/, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie (thans: de afdeling bestuursrechtspraak) van de Raad van State, bepaalde op het ogenblik van het indienen van het voorliggende verzoekschrift, dat het verzoek- schrift een uiteenzetting moet bevatten van de feiten en de middelen. Onder een “middel” dient te worden verstaan: de voldoende duidelijke omschrijving van de rechtsregel die geschonden wordt geacht en een uiteenzetting van de wijze waarop de bestreden beslissing die rechtsregel heeft geschonden. Te dezen blijkt dat de verwerende partij het middel zo heeft geïnterpreteerd dat de verzoeker aanvoert dat zowel het bindende advies van de raad IX-3737-10/14 van beroep als de eindbeslissing van de gemachtigde van de raad van bestuur onvoldoende zijn gemotiveerd. In die zin heeft zij haar verweer opgebouwd. De rechten van de verdediging worden dan ook niet geschonden wanneer de Raad van State het middel leest zoals de verwerende partij het heeft begrepen.
  24. Artikel 119 van het personeelsstatuut bepaalt het volgende: “Art.
  25. §
  26. De raad van beroep spreekt zich uit: 1/ bij gemotiveerde beslissing over de beroepen ingediend inzake afwezighe- den zoals bepaald in het reglement van afwezigheden; 2/ bij gemotiveerde beslissing over het beroep tegen een evaluatievermel- ding lager dan 3 of C ingediend door de hoofdafgevaardigde of door de ex- hoofdafgevaardigde tegen een dergelijke evaluatievermelding m.b.t. een periode van maximum 24 maanden na het einde van zijn mandaat als hoofdaf- gevaardigde. 3/ bij gemotiveerd advies in de andere gevallen van beroep. [...]” Uit de voormelde bepalingen blijkt dat de beslissingen en adviezen van de raad van beroep steeds gemotiveerd moeten zijn. De verwerende partij kan dan ook niet worden bijgevallen in haar standpunt dat het advies van de raad van beroep niet gemotiveerd moet zijn omdat artikel 132 van het personeelssta- tuut zulks niet voorschrijft. De omstandigheid dat de verzoeker zich niet uitdrukke- lijk op artikel 119 van het personeelsstatuut beroept, doet geen afbreuk aan deze vaststelling.
  27. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen verplichten de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op een “afdoende” wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De formele motiveringsplicht, of zij nu voortvloeit uit de genoemde wet van 29 juli 1991 dan wel uit een bijzondere wetsbepaling, zoals artikel 119 van het personeelsstatuut van de NV Belgacom, strekt ertoe dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, derwijze dat blijkt, of minstens kan worden nagegaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite IX-3737-11/14 juist zijn, of zij die gegevens correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, zodat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden.
  28. Het advies van de raad van beroep van 23 september 2002 waarbij de evaluatievermelding “E” wordt behouden, steunt wezenlijk op de volgende motieven: “Overwegende dat de Raad van oordeel is dat de gebreken en tekortkomin- gen van de verzoeker op een afdoende wijze aangetoond zijn; Overwegende dat de Raad van oordeel is dat de ter zitting aangevoerde verdedigingsmiddelen niet van aard zijn om de vastgestelde tekortkomingen en gebreken te rechtvaardigen.” Aldus blijkt dat de motivering van de raad van beroep beperkt is tot twee overwegingen die dermate los van het concrete geval zijn geformuleerd dat ze voor alle dergelijke gevallen kunnen worden gebruikt. Deze overwegingen moeten dan ook worden beschouwd als loutere stijlformules. Ze laten de verzoeker niet toe te vernemen om welke concrete redenen de raad van beroep zijn beroep heeft afgewezen. Als dusdanig maken ze geen afdoende motivering uit.
  29. Wat de motivering van de beslissing van de gemachtigde van de raad van bestuur betreft, moet rekening worden gehouden met artikel 132 van het personeelsstatuut dat, zoals hiervóór reeds werd vermeld, bepaalt dat wanneer het advies van de raad van beroep ongunstig is voor de verzoeker de bestreden beslissing gehandhaafd wordt. Deze statutaire bepaling impliceert dat bij een ongunstig advies, zoals dat te dezen het geval is, de bevoegdheid van de gemachtigde van de raad van bestuur volledig gebonden is. Hij kan niet anders dan de beslissing waartegen beroep werd ingediend handhaven. De verwerende partij laat terecht gelden dat in een dergelijk geval de verwijzing naar de toepasselijke reglementering en naar de feitelijke toestand die de toepassing van de regel heeft uitgelokt kan volstaan. Te dezen wordt in de beslissing van de gemachtigde van de raad van bestuur van 13 januari 2003 vermeld dat ze wordt genomen op grond van artikel 132 van het personeelsstatuut en wordt verwezen naar het feit dat de raad van beroep een voor de verzoeker ongunstig advies heeft uitgebracht. Zulks vormt een IX-3737-12/14 afdoende formele motivering voor deze beslissing die werd genomen in de uitoefening van een gebonden bevoegdheid. Evenwel werd hiervóór reeds vastgesteld dat het advies van de raad van beroep zelf niet afdoende is gemotiveerd. Dit advies, dat mede het voorwerp uitmaakt van het voorliggende beroep, zal door de vernietiging ervan uit de rechtsorde verdwijnen. Dienvolgens kan ook de motivering van de beslissing van de gemachtigde van de raad van bestuur, die verwijst naar dat ongunstige advies, niet meer afdoende en zelfs niet meer in feite juist worden bevonden. De “redenen” die de gemachtigde van de raad van bestuur voorts in zijn beslissing vermeldt, kunnen bovendien de ontoereikende motivering van het advies van de raad van beroep niet goedmaken. Ze laten immers de verzoeker evenmin toe te vernemen om welke concrete redenen de raad van beroep zijn beroep heeft afgewezen. Het eerste middel is gegrond. BESLISSING
  30. De Raad van State vernietigt het advies van de raad van beroep van de NV Belgacom van 23 september 2002 om de eindvermelding “E” voor de globale evaluatie van de prestaties van Yvan Meert te handhaven.
  31. De Raad van State vernietigt de beslissing van 13 januari 2003 van de gemachtigde van de raad van bestuur van de NV Belgacom waarbij de eindvermelding “E” voor de globale evaluatie van de prestaties van Yvan Meert wordt gehandhaafd.
  32. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. IX-3737-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 15 februari 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Bert Thys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-3737-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.807 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.