id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.812 Rolnummer: A. 192825/IX-6381 Zaak: Arrest 200812 - Penitentiair recht - 15/02/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-23 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-07-02 08:48 Fiche Arrest nr 200.812 van 15 februari 2010 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 200.812 van 15 februari 2010 in de zaak A. 192.825/IX-6381 In zake : Idries TARGALI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nadia Lorenzetti kantoor houdend te Brugge Langestraat 87 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 3 juni 2009, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de directeur van de strafinrichting te Brugge - Mannenafde- ling 1 van 30 mei 2009 waarbij aan Idries Targali de volgende tuchtstraf werd opgelegd: - 3 dagen strafcel (voorlopige maatregel inbegrepen) van 28 mei 2009 tot en met 31 mei 2009 om 17.10 u + 1 maand strikt zonder gunsten van 31 mei 2009 tot en met 30 juni
- Aanvang tuchtsanctie: 28 mei
- II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 193.908 van 5 juni 2009 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing bevolen. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend met verzoek tot voortzetting van de procedure en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-6381-1/9 Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 januari
- Staatsraad Daniël Moons heeft verslag uitgebracht. Attaché Wim Van Brussel die verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De verzoeker verblijft op het tijdstip van de bestreden beslissing in het penitentiair centrum te Brugge. Op 28 mei 2009 wordt ten laste van de verzoeker een rapport aan de directeur opgesteld. Daarin wordt melding gemaakt van de volgende feiten die zich die dag tijdens de wandeling om 17.15 uur zouden hebben voorgedaan: “Gedetineerden Targali Idries
(3507)en Da Conceicao Morais
(3568)vielen gedetineerde Marku Altin
(3557)op de wandeling aan. Ze sloegen zowel met de vuisten als met de benen. Met als gevolg had Marku Altin een bloedneus.” Dezelfde dag werd de verzoeker bij wijze van voorlopige maatregel op veiligheidscel geplaatst wegens “de ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid”. IX-6381-2/9 Op 29 mei 2009 beslist de directeur van de strafinrichting een tuchtprocedure ten laste van de verzoeker op te starten. Op 30 mei 2009 heeft een hoorzitting plaats in aanwezigheid van de raadsman van de verzoeker. De verzoeker verklaart dat hij slechts is tussengekomen om twee vechtenden te scheiden. De raadsman van de verzoeker vraagt dat bijkomende getuigen zouden worden opgeroepen. Op dezelfde dag beslist de directeur de thans bestreden tuchtsanctie op te leggen. De motivering van die beslissing luidt als volgt: “De beambte die het verslag opmaakte deed de buitenbewaking, ook de beambte die toezicht hield vanop de toren is getuige. De 2 beambten duiden zowel Targali Idries als Da Conceicao aan als diegenen die sloegen. Gedetineerde Minih is [de] halfbroer van Targali. Het is niet duidelijk of hij aanleiding gaf tot de agressie. Hierover zijn de verklaringen tegenstrijdig. Vlak voor het gebeurde liepen Targali, Da Conceicao en Minih wel samen, aldus de beambte die het rapport schreef. Het is dus mogelijk dat dit alles afgesproken spel is. Slachtoffer Marku ontkent te weten wie hem sloeg. Hij ontkent ruzie gemaakt te hebben met Minih. Marku hoort de namen van de drie ‘betrokke- nen’, hij kent ze. Hij heeft met geen enkele van hen problemen. Hij is achterwaarts aangevallen, de t-shirt is hem over het hoofd getrokken en toen kreeg hij klop. Minih verklaart dat hij sloeg na een discussie met Marku, waarin Marku zijn moeder zou beledigd hebben. De anderen zijn tussengekomen om de partijen te scheiden is zijn verhaal. Fysieke agressie naar medegedetineerden verstoort de goede orde en de veiligheid in de gevangenis en betekent een inbreuk op de fysieke integriteit van zowel medegedetineerden als het aanwezig personeel. De gevangene die zich schuldig maakt aan bedreigingen, beledigingen of gewelddaden hetzij tegen het personeel van de strafinrichtingen, hetzij tegen andere gevangenen worden strenger bewaakt of afgezonderd. (Art. 614 Wetboek van Strafvordering). De gedetineerde heeft tot plicht er zorg voor te dragen dat hij door zijn gedrag ten opzichte van het personeel, medegedetineerden en andere personen de orde en de veiligheid niet in gevaar brengt of verstoort (Art. 106 § 1 van de Basiswet 12.1.2005). Na onderzoek komen wij tot de conclusie dat de feiten vermeld in het rapport aan de directeur als bewezen beschouwd worden.” IX-6381-3/9 IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen 4.
- In zijn verzoekschrift voert de verzoeker aan dat de sanctie verregaande gevolgen heeft, in de eerste plaats op de strafuitvoering van de verzoeker. Op 2 maart 2009 werd zijn verzoek tot het verkrijgen van beperkte detentie door de strafuitvoeringsrechtbank te Gent afgewezen, voornamelijk omwille van het detentiegedrag van de verzoeker. Sindsdien stelt hij alles in het werk om geen tuchtrapporten op te lopen. De betwiste tuchtsanctie zal opnieuw vermeld worden in de opsomming van disciplinaire straffen, hetgeen verregaande gevolgen heeft. Bovendien heeft hij niets verkeerds gedaan en heeft de onterechte bestraffing invloed op de psychische ingesteldheid van de verzoeker. 4.
- De verwerende partij betwist dat de tuchtsanctie een negatieve invloed heeft op de reclassering van de verzoeker en werpt desbetreffend een exceptie van niet-ontvankelijkheid op. Sinds de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van gedetineerden, aldus de verwerende partij, vormen het gedrag van de gedetineerde binnen de gevangenis en dus ook eventuele tuchtbeslissingen geen tegenaanwijzing meer voor de toekenning van om het even welke strafuitvoerings- modaliteit, en er wordt bijgevolg geen rekening mee gehouden. De bewering dat een gedetineerde geen tuchtstraffen mag hebben opgelopen om kans te maken op beperkte detentie is onjuist. De verzoeker toont niet aan dat de tuchtsanctie een negatieve invloed heeft op zijn reclassering en toont aldus geen belang aan. 4.
- In zijn memorie van wederantwoord houdt de verzoeker staande dat zijn detentiegedrag wel degelijk een rol speelt in de beoordeling door de strafuitvoeringsrechtbank. Hij merkt ook op dat ingevolge het schorsingsarrest hij nog 25 dagen strikt regime zonder gunsten heeft open staan, die eventueel ten uitvoer kunnen worden gelegd. Dergelijke sanctie mag niet onderschat worden, te meer daar de verzoeker reeds lang in de gevangenis verblijft, waardoor dergelijke sancties extra zwaar aanvoelen. Zijn sociale contacten worden immers tot een IX-6381-4/9 minimum herleid, zowel wat de contacten met medegedetineerden betreft, als wat betreft de contacten met de buitenwereld. Beoordeling
- De verzoeker doet alleszins blijken van een moreel belang om de bestreden beslissing aan te vechten, waarbij middels een tuchtsanctie zijn gedrag in de gevangenis wordt afgekeurd. Bovendien werd de tuchtsanctie ingevolge het schorsingsarrest nog niet volledig ten uitvoer gelegd. De verdere uitvoering van de straf waardoor aan de verzoeker een minder gunstig regime wordt opgelegd dan hij voordien genoot, is alleszins grievend voor de verzoeker. De verzoeker heeft derhalve, los van de vraag of de strafuitvoe- ringsrechtbanken rekening mogen houden met het tuchtverleden van de verzoeker, nog steeds een actueel belang bij de nietigverklaring van de bestreden tuchtsanctie. Bijgevolg is de vordering ontvankelijk en wordt de exceptie verworpen. V. Onderzoek van het enig middel
- In een enig middel voert de verzoeker de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. De verzoeker voert in essentie aan dat hij geen enkele inbreuk heeft begaan en de feiten niet bewezen zijn. Hij verwijst naar de verklaringen van de betrokken gedetineerden en naar de verklaringen van medegedetineerden die getuige waren van het voorval. Volgens de verzoeker had de directie de letsels bij het slachtoffer moeten onderzoeken en heeft zij ten onrechte geloof gehecht aan het rapport aan de directeur. De motivering van de bestreden beslissing is niet afdoende. Er wordt niet geantwoord op de argumenten van de verzoeker. Er werd ook niet ingegaan op zijn vragen tot bijkomend onderzoek. IX-6381-5/9
- De verwerende partij antwoordt hierop, samengevat, dat het de Raad van State niet toekomt om zelf een onderzoek te voeren naar het bewijs van de aan de betrokkene ten laste gelegde tuchtfeiten en uit te maken wat naar zijn oordeel als de juiste toedracht van die feiten moet worden beschouwd. De Raad van State is enkel bevoegd om na te gaan of de gevangenisdirectie tot een zorgvuldige feitenvinding is gekomen, of ze is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, en ze haar appreciatiebevoegdheid om die feiten als tuchtfeiten aan te merken op een zorgvuldige wijze heeft uitgeoefend. Van de feiten waren twee leden van het penitentiair personeel rechtstreeks ooggetuige. Hiervan werd een rapport aan de directeur opgesteld. De gevangenisdirectie oordeelde terecht dat de feiten op een juiste en zorgvuldige manier werden vastgesteld. Er was geen reden om het rapport aan de directeur in twijfel te trekken. Bovendien hebben de door de ambtenaren opgestelde verklaringen bewijskracht zolang zij niet van valsheid in geschrifte zijn beticht. In casu werd het rapport aan de directeur niet van valsheid beticht. Het rapport aan de directeur vormde aldus een objectief en waarheidsgetrouw document. Volkomen terecht oordeelde de gevangenisdirectie dat de feiten afdoende bewezen zijn. De motiveringsplicht houdt tenslotte niet in dat de gevangenisdi- rectie moet antwoorden op alle argumenten die door de gedetineerde worden aangevoerd.
- In zijn memorie van wederantwoord benadrukt de verzoeker dat, aangezien de directie niet op zijn vraag tot het horen van getuigen is ingegaan, hij zelf het nodige heeft gedaan en diverse getuigenverklaringen heeft voorgelegd. De verwerende partij kent ten onrechte een doorslaggevende bewijswaarde toe aan de verklaringen van een beambte, terwijl er toch een duidelijk verschil is met de bewijswaarde van een proces-verbaal van de politie. Als de directie steeds geloof hecht aan de verklaringen van het personeel, kan de tuchtprocedure even goed worden afgeschaft.
- In haar laatste memorie besluit de verwerende partij dat de gevangenisdirecteur duidelijk aangeeft welke feiten hij in aanmerking neemt en IX-6381-6/9 preciseert waarom deze feiten een tuchtinbreuk uitmaken, zodat de opgelegde tuchtsanctie verantwoord is. Beoordeling
- De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen verplichten de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat op een “afdoende” wijze. Een tuchtbeslissing moet de redenen vermelden die de tuchtover- heid tot haar besluit hebben gebracht. De tuchtoverheid moet in de motivering van haar besluit niet alle argumenten van de gedetineerde weerleggen, maar uit de motivering van de beslissing moet wel blijken dat deze argumenten zijn onderzocht en waarom ze zijn verworpen.
- In het schorsingsarrest nr. 193.908 van 5 juni 2009 werd het middel op grond van de volgende overweging ernstig bevonden : “Uit het administratief dossier en de geschreven getuigenverklaringen, gevoegd bij het dossier door de verzoeker, blijkt dat laatstgenoemde op het eerste gezicht aannemelijk maakt dat hij gepoogd heeft de vechtende protago- nisten te scheiden en dat hij geen slagen heeft toegebracht, zodat de bestreden beslissing niet steunt op een correcte feitenvinding en dat zij bijgevolg op het eerste gezicht de materiële motiveringsplicht schendt.”
- In de bestreden beslissing wordt overwogen dat de beambte die het tuchtrapport opstelde de buitenbewaking deed, en dat de beambte die het toezicht hield vanop de toren getuige was. Zij duiden I. Targali en P. Morais Da Conceicao aan als diegenen die sloegen. Voorts wordt overwogen dat gedetineerde Minih de halfbroer is van Targali en het “niet duidelijk” is of hij aanleiding gaf tot de agressie. In de bestreden beslissing wordt er ook op gewezen dat I. Targali, P. Morais Da Conceicao en Minih vlak vóór het gebeuren samen liepen en het dus “mogelijk [is] dat dit alles afgesproken spel is”. IX-6381-7/9 Vervolgens wordt verwezen naar de verklaring van het slachtoffer. Deze ontkent te weten wie hem sloeg. Gedetineerde Minih verklaarde dat hij sloeg na een discussie met het slachtoffer en de anderen zijn tussengekomen om de partijen te scheiden. De directeur schrijft in de bestreden beslissing “Na onderzoek komen wij tot de conclusie dat de feiten vermeld in het rapport aan de directeur als bewezen beschouwd worden”.
- Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt evenwel niet op grond van welke motieven de directeur, spijts het verweer van de verzoeker en de verklaringen van de andere betrokken gedetineerden, “na onderzoek” tot deze conclusie is gekomen.
- Het enig middel is gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt de beslissing van de Directeur van de Straf- inrichting te Brugge - Mannenafdeling 1 van 30 mei 2009 waarbij aan Idries TARGALI de volgende tuchtsanctie werd opgelegd : 3 dagen strafcel (voorlopige maatregel inbegrepen) van 28 mei 2009 tot en met 31 mei 2009 om 17.10 u. + 1 maand strikt zonder gunsten van 31 mei 2009 tot en met 30 juni
- Aanvang tuchtsanctie : 28 mei
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. IX-6381-8/9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 15 februari 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-6381-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.812 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.908 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div