id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.889 Rolnummer: A. 191597/V-1773 Zaak: Arrêt / Arrest 200889 - Personnel de l'ordre judiciaire (magistrats, greffier) / Personeel van de rechterlijke orde - 15/02/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-24 Raadplegingen: 92 - laatst gezien 2026-07-02 08:51 Versie(s): Versie FR Fiche Arrest nr 200.889 van 15 februari 2010 Justitie - Personeel van de rechterlijke orde Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Ve KAMERnr. 200.889 van 15 februari 2010 in de zaak A. 191.597/V-1773 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Veerle Tollenaere kantoor houdende te Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stefaan Verbouwe en Francis Chaffart kantoor houdende te Brussel Tervurenlaan 270 bij wie woonplaats wordt gekozen tussenkomende partij : Henri FUNCK, bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Katelijne Ronse kantoor houdende te Brussel Guillaume Macaulaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 25 februari 2009, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het koninklijk besluit van 19 januari 2009 waarbij Henri Funck wordt benoemd tot substituut van de arbeidsauditeur bij de Arbeidsrechtbank te Brussel en waarbij deze bovendien wordt aangewezen tot arbeidsauditeur bij die rechtbank, voor een termijn van vijf jaar. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld. V-1773-1/22 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 september
- Kamervoorzitter Paul Lemmens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tom De Sutter, die loco advocaat Veerle Tollenaere verschijnt voor de verzoeker, advocaat Stefaan Verbouwe, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Boudewijn Ronse, die loco advocaat Katelijne Ronse verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Nadat de vacante betrekking van arbeidsauditeur bij de Arbeidsrechtbank te Brussel is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 17 januari 2006 en 14 juni 2006, maar daarop geen benoeming is gevolgd, wordt dezelfde vacature opnieuw bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 15 maart
- Volgens het betrokken bericht dient in de plaats van arbeidauditeur te worden voorzien door de aanwijzing van een Franstalige kandidaat die het bewijs levert van de kennis van de Nederlandse taal. De uittredende titularis van het ambt van arbeidsauditeur -de verzoeker- kan zich evenwel nog eenmaal kandidaat stellen, ook al is hij houder van een Nederlandstalig diploma. Drie personen, waaronder de verzoeker en de tussenkomende partij, dienen een kandidatuur in. De verzoeker is op dat ogenblik substituut van de arbeidsauditeur bij de Arbeidsrechtbank te Brussel. Tot einde maart 2007 was hij, zoals gezegd, arbeidsauditeur bij die rechtbank, in die functie benoemd bij koninklijk besluit van 28 januari 1999; zijn mandaat is bij de afloop ervan niet hernieuwd. De tussenkomende partij is op het ogenblik van haar kandidaatstelling rechter in de Arbeidsrechtbank te Brussel. Tot einde maart 2007 was zij voorzitter van die rechtbank, in die functie benoemd bij koninklijk besluit van16 september 1997; haar mandaat is bij de afloop ervan niet hernieuwd. V-1773-2/22 Over de kandidatuur van de verzoeker worden adviezen gegeven door de Procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Brussel (“met voorbehoud”) en door de vertegenwoordiger van de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel (“zeer gunstig”). Over de kandidatuur van de tussenkomende partij worden adviezen gegeven door de (nieuwe) Voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Brussel (“gereserveerd tot gunstig”) en door de vertegenwoordiger van de Franse Orde van advocaten bij de balie te Brussel (“zeer gunstig”). Zowel de verzoeker als de tussenkomende partij geven hun opmerkingen op de adviezen die door hun respectieve korpschefs zijn uitgebracht. Op 27 juni 2007 worden de drie kandidaten gehoord door de verenigde benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie. Dezelfde dag beslist de commissie om de tussenkomende partij voor de benoeming voor te dragen. Op 28 augustus 2007 worden de lijst van de voorgedragen en niet- voorgedragen kandidaten en het proces-verbaal van de voordracht meegedeeld aan de Minister van Justitie.
- Bij koninklijk besluit van 28 september 2007 wordt de tussenkomende partij benoemd tot substituut van de arbeidsauditeur bij de Arbeidsrechtbank te Brussel en wordt zij bovendien aangewezen tot arbeidsauditeur bij die rechtbank, voor een termijn van vijf jaar, ter vervanging van de verzoeker, aan wiens mandaat een einde gekomen is. In de motieven van dit besluit wordt verwezen naar de motivering van de voordracht door de verenigde benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie, welke letterlijk wordt aangehaald en welke het besluit zich eigen maakt. Dit koninklijk besluit is uitsluitend in het Frans gesteld. Op verzoek van de verzoeker wordt de tenuitvoerlegging van dat besluit geschorst door de Raad van State, bij arrest nr. 187.383 van 27 oktober
- De schoring steunt op het feit dat het besluit, in strijd met de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, niet in het Nederlands en het Frans is gesteld. Het geschorste besluit is ingetrokken bij koninklijk besluit van 16 december
- Bij arrest nr. 195.284 van 15 juli 2009 heeft de Raad van State vastgesteld dat het beroep tot nietigverklaring van het koninklijk besluit van 28 september 2007 dienvolgens zonder voorwerp is geworden. V-1773-3/22 Ondertussen is op 19 januari 2009 een nieuw koninklijk besluit genomen. Zoals bij het geschorste besluit van 28 september 2007 wordt de tussenkomende partij benoemd tot substituut van de arbeidsauditeur bij de Arbeidsrechtbank te Brussel en wordt zij bovendien aangewezen tot arbeidsauditeur bij die rechtbank, voor een termijn van vijf jaar, ter vervanging van de verzoeker, aan wiens mandaat een einde gekomen is. De motieven van dit besluit stemmen bijna woordelijk overeen met die van het besluit van 28 september
- Het koninklijk besluit van 19 januari 2009 is thans in het Nederlands en het Frans gesteld. Dit laatste koninklijk besluit vormt het voorwerp van de voorliggende vordering tot schorsing. IV. Tussenkomst
- Met een verzoekschrift van 6 april 2009 vraagt Henri Funck om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Er is grond om het verzoek in te willigen. V. Onderzoek van de vordering
- Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Ernst van de middelen
- Eerste middel Standpunt van de partijen
- De verzoeker roept een eerste middel in, afgeleid uit de schending van artikel 259quater, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, en uit de schending van V-1773-4/22 artikel 259quater, § 7, tweede lid, juncto artikel 259ter, § 4, laatste lid, van het Gerechtelijk Wetboek. De verzoeker voert aan dat in de bekendmaking van de vacature, in het Belgisch Staatsblad van 15 maart 2007, is aangekondigd, met verwijzing naar artikel 259quater, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, gewijzigd bij artikel 3 van de wet van 18 december 2006, dat de arbeidauditeur zou worden aangewezen voor een mandaat van vijf jaar, dat onmiddellijk één keer hernieuwbaar is. Aldus wordt in dat bericht reeds rekening gehouden met de duur van het mandaat zoals die voortvloeit uit de vervanging van artikel 259quater, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek bij artikel 3, 1/, van de wet van 18 december 2006 “tot wijziging van de artikelen 80, 259quater, 259quinquies, 259nonies, 259decies, 259undecies, 323bis, 340, 341, 346 en 359 van het Gerechtelijk Wetboek, tot herstel in dit Wetboek van artikel 324 en tot wijziging van de artikelen 43 en 43quater van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken”. Artikel 3, 1/, van de wet van 18 december 2006 is evenwel pas op 1 mei 2007 in werking getreden, overeenkomstig artikel 1 van het koninklijk besluit van 27 februari 2007 “tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van sommige bepalingen van de wet van 18 december 2006 tot wijziging van de artikelen 80, 259quater, 259quinquies, 259nonies, 259decies, 259undecies, 323bis, 340, 341, 346 en 359 van het Gerechtelijk Wetboek, tot herstel in dit Wetboek van artikel 324 en tot wijziging van de artikelen 43 en 43quater van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken”. Op het ogenblik van de bekendmaking van de vacante betrekking (15 maart 2007) was het nieuwe artikel 259quater, § 1, dus nog niet van kracht. Volgens de op dat ogenblik vigerende bepaling van artikel 259quater, § 1, bedroeg de duur van het mandaat nog zeven jaar. Volgens de verzoeker was er te dezen des te meer reden om rekening te houden met de oude tekst van artikel 259quater, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, nu uit de bekendmaking van 15 maart 2007 blijkt dat deze een vroegere bekendmaking van dezelfde openstaande betrekking, in het Belgisch Staatsblad van 14 juni 2006, vervangt. Die nieuwe bekendmaking is er gekomen met toepassing van artikel 259quater, § 7, tweede lid, juncto artikel 259ter, § 4, laatste lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Naar luid van die bepalingen wordt een nieuwe oproep tot de kandidaten bekendgemaakt als de benoemingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie naar aanleiding van een eerste oproep geen kandidaat voordraagt. De bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van 15 maart 2007 slaat V-1773-5/22 niet op een nieuwe vacature; het gaat enkel om een nieuwe oproep tot kandidaten voor een reeds eerder bekendgemaakte vacature.
- De verwerende partij werpt een exceptie van onontvankelijkheid van het middel op, afgeleid uit het gebrek aan belang dat de verzoeker bij dat middel heeft. Zij wijst erop dat het middel enkel betrekking heeft op de verwijzing, in de bekendmaking van de openstaande betrekking, naar bepaalde wetsbepalingen. De verzoeker toont niet aan welk belang hij bij dat middel heeft, nu het onderzoek van de kandidaturen is gebeurd overeenkomstig de wetsbepalingen die op dat ogenblik van toepassing waren.
- De tussenkomende partij werpt eveneens een exceptie van onontvankelijkheid op, afgeleid uit de onduidelijkheid van het middel. Volgens de tussenkomende partij bevat het middel geen grief. Beoordeling
- Met betrekking tot de exceptie opgeworpen door de verwerende partij moet worden opgemerkt dat de voorliggende vordering tot schorsing is gericht tegen een koninklijk besluit van 19 januari
- De tussenkomende partij wordt bij dat besluit aangewezen tot arbeidsauditeur bij de Arbeidsrechtbank te Brussel, voor een termijn van vijf jaar. De aldus bepaalde duur van het mandaat stemt overeen met die welke is bepaald in artikel 259quater, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, vervangen bij artikel 3, 1/, van de wet van 18 december 2006 “tot wijziging van de artikelen 80, 259quater, 259quinquies, 259nonies, 259decies, 259undecies, 323bis, 340, 341, 346 en 359 van het Gerechtelijk Wetboek, tot herstel in dit Wetboek van artikel 324 en tot wijziging van de artikelen 43 en 43quater van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken”. Overeenkomstig artikel 1 van het koninklijk besluit van 27 februari 2007 “tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van sommige bepalingen van de wet van 18 december 2006 tot wijziging van de artikelen 80, 259quater, 259quinquies, 259nonies, 259decies, 259undecies, 323bis, 340, 341, 346 en 359 van het Gerechtelijk Wetboek, tot herstel in dit Wetboek van artikel 324 en tot wijziging van de artikelen 43 en 43quater van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken”, is de vervanging van artikel 259quater, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek in werking getreden op 1 mei
- V-1773-6/22 Het bestreden besluit lijkt dan ook terecht toepassing te maken van dit nieuwe artikel 259quater, §
- De verzoeker betwist overigens niet de wettigheid van het feit dat in het bestreden besluit zelf toepassing wordt gemaakt van de regeling vervat in het nieuwe artikel 259quater, §
- De omstandigheid dat de vacature is bekendgemaakt op een ogenblik dat het nieuwe artikel 259quater, § 1, nog niet in werking getreden was, belet niet dat de Koning, op het ogenblik van de benoeming, ertoe gehouden was zich te richten naar de op dat ogenblik vigerende bepaling van artikel 259quater, §
- Zelfs in de veronderstelling dat in de vacature ten onrechte verwezen zou zijn naar de regeling inzake de duur van het mandaat zoals die bleek uit de op dat ogenblik gekende, doch nog niet in werking getreden nieuwe bepaling van artikel 259quater, § 1, lijkt die onregelmatigheid geen gevolgen te kunnen hebben voor de wettigheid van het bestreden besluit. De verzoeker lijkt dan ook geen belang te hebben bij het middel. De door de verwerende partij opgeworpen exceptie is ernstig. Het middel zelf is dan ook niet ernstig.
- Tweede middel Standpunt van de partijen
- De verzoeker roept een tweede middel in, afgeleid uit de schending van artikel 259quater, § 7 (lees: § 3), tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, juncto artikel 259ter, §§ 4 en 5, van hetzelfde wetboek. De verzoeker voert aan dat artikel 259ter van het Gerechtelijk Wetboek op een zeer duidelijke en precieze wijze het verloop van de benoemings- en aanwijzingsprocedure van magistraten regelt. Daarbij worden in het bijzonder termijnen bepaald voor het overzenden van het dossier aan de bevoegde benoemingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie (honderd dagen vanaf de bekendmaking van de vacante betrekking), voor het meedelen van de lijst met de voorgedragen kandidaat en de niet-voorgedragen kandidaten (veertig dagen vanaf het verzoek tot voordracht), en voor de aanduiding van de voorgedragen kandidaat of de weigering om die kandidaat te benoemen (zestig dagen). Te dezen zijn die V-1773-7/22 termijnen evenwel niet geëerbiedigd. Met name heeft de verenigde benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie haar voordracht gedaan meer dan 140 dagen na de bekendmaking van de vacature in het Belgisch Staatsblad van 15 maart 2007, en heeft de Koning het bestreden besluit genomen meer dan zestig dagen na de ontvangst van de voordracht door de verenigde benoemings- en aanwijzingscommissie op 27 augustus
- Meer in het algemeen voert de verzoeker aan dat, na de intrekking van het koninklijk besluit van 28 september 2007, de verwerende partij niet kon overgaan tot een nieuwe benoeming zonder een nieuwe oproep tot de kandidaten en zonder een nieuwe, tijdige voordracht door de benoemings- en aanwijzingscommissie.
- De verwerende partij antwoordt dat het thans bestreden besluit louter genomen werd ter herstel van een vormfout begaan bij het eerder geschorste besluit van 28 september
- Zij voegt eraan toe dat het een algemeen aanvaard principe is dat de overheid waarvan de beslissing werd vernietigd andermaal kan beschikken en daarbij dezelfde beslissing nemen, mits zij het gezag van gewijsde van het vernietigingsarrest respecteert. Dit geldt ook in geval van een schorsing van een overheidshandeling, gevolgd door een intrekking ervan. In dit geval heeft de verwerende partij de procedure hervat vanaf het punt waar ze is verkeerd gelopen. Met betrekking tot de voorgeschreven termijnen stelt de verwerende partij dat een overheid, in geval van vernietiging van een door haar genomen beslissing, over een volle nieuwe termijn beschikt om opnieuw te beslissen.
- De tussenkomende partij verwijst naar artikel 58, derde lid, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, waarin te lezen staat dat wanneer wordt vastgesteld dat handelingen of reglementen nietig zijn wegens hun vorm, zij door de overheden waarvan zij uitgaan worden vervangen door bescheiden die naar de vorm regelmatig zijn, en dat die vervanging uitwerking heeft op de datum van het vervangen bescheid. Het was dus niet nodig om de procedure vanaf het begin te hernemen. Beoordeling V-1773-8/22
- In zoverre de verzoeker aan het bestreden besluit verwijt dat het genomen is zonder dat een nieuwe oproep tot de kandidaten is bekendgemaakt en zonder dat de benoemings- en aanwijzingscommissie een nieuwe voordracht heeft gedaan, moet eraan herinnerd worden dat de Raad van State de tenuitvoerlegging van het koninklijk besluit van 28 september 2007 houdende aanwijzing van de tussenkomende partij tot arbeidauditeur geschorst heeft, bij arrest nr. 187.383 van 27 oktober 2008, op grond van een ogenschijnlijke schending van de wetgeving op het gebruik der talen in bestuurszaken. In het arrest wordt uitdrukkelijk verwezen naar artikel 58, eerste en tweede lid, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, dat bepaalt dat administratieve handelingen en verordeningen, die naar vorm of naar inhoud strijdig zijn met de gecoördineerde wetten, onder meer door de Raad van State vernietigd kunnen worden. Artikel 58, tweede lid, van de gecoördineerde wetten bepaalt voorts dat ook de overheid zelf van wie de handelingen en verordeningen uitgaan die strijdig zijn met de gecoördineerde wetten, de nietigheid daarvan kan vaststellen. Dit is wat de verwerende partij te dezen gedaan heeft. Bij koninklijk besluit van 16 december 2008 is het koninklijk besluit van 28 september 2007 ingetrokken. In de aanhef van het besluit van 16 december 2008 wordt in de eerste plaats verwezen naar het arrest nr. 187.383 van 27 oktober 2008, waarin de strijdigheid van het besluit van 28 september 2007 met de gecoördineerde wetten wordt vastgesteld. Voorts wordt overwogen “dat op grond van de motivering van dit arrest de intrekking van het bestreden besluit zich opdringt”. Zoals de tussenkomende partij terecht opmerkt, bepaalt artikel 58, derde lid, van de gecoördineerde wetten dat, wanneer wordt vastgesteld dat handelingen of reglementen nietig zijn wegens hun vorm, zij door de overheden waarvan zij uitgaan worden vervangen door bescheiden die naar de vorm regelmatig zijn, en dat die vervanging uitwerking heeft op de datum van het vervangen bescheid. Voorshands kan met de tussenkomende partij worden aangenomen dat, als een overheid een aanwijzingsbesluit intrekt op grond dat dit besluit strijdig is met de taalwetgeving, voor het herstel van de wettigheid niet vereist is dat de hele aanwijzingsprocedure wordt overgedaan, en dat het integendeel volstaat dat de aanwijzingsprocedure wordt hernomen vanaf het punt waarop de strijdigheid met de taalwetgeving zich situeert. Nu te dezen enkel het koninklijk besluit dat het eindpunt van de aanwijzingsprocedure vormde, aangetast bleek door een schending van de taalwet, lijkt aangenomen te kunnen worden dat het voldoende was een V-1773-9/22 nieuw koninklijk besluit te nemen. De procedure diende met andere woorden niet vanaf een vroeger punt hernomen te worden.
- In zoverre de verzoeker aan het bestreden besluit verwijt dat het niet is genomen binnen de daarvoor bepaalde termijn, dient de grief getoetst te worden aan artikel 259ter, § 5, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Volgens die bepaling, welke op grond van artikel 259quater, § 3, tweede lid, van toepassing is op de aanwijzing in een mandaat van arbeidsauditeur, beschikt de Koning vanaf de ontvangst van de voordracht over zestig dagen om een beslissing te nemen. Die termijn is te dezen ruimschoots overschreden. Mede gelet op het bepaalde in artikel 58, derde lid, van de gecoördineerde wetten, lijkt voorshands echter te moeten worden aangenomen dat, als de Koning een eerder genomen aanwijzingsbesluit intrekt wegens strijdigheid met de taalwetgeving, hij in elk geval over een nieuwe termijn van zestig dagen beschikt voor het nemen van een nieuw besluit. Zoals de verwerende partij opmerkt, is het bestreden koninklijk besluit genomen op 19 januari 2009, dit is binnen de termijn van zestig dagen te rekenen vanaf het intrekkingsbesluit van 16 december
- In zoverre de verzoeker aan de voordracht door de benoemings- en aanwijzingscommissie verwijt dat ze niet aan de minister van Justitie is meegedeeld binnen de daarvoor bepaalde termijn, dient de grief getoetst te worden aan artikel 259ter, § 4, dertiende lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Die bepaling, welke eveneens op grond van artikel 259quater, § 3, tweede lid, van toepassing is op de aanwijzing voor een mandaat van arbeidsauditeur, moet overigens gelezen worden in samenhang met het veertiende en het vijftiende lid van artikel 259ter, §
- Het dertiende, het veertiende en het vijftiende lid luiden als volgt: “Binnen veertig dagen na het verzoek tot voordracht deelt de benoemingscommissie bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs of tegen gedagtekend ontvangstbewijs de lijst met de voorgedragen kandidaat en de niet-voorgedragen kandidaten, en het proces-verbaal van voordracht mee aan de Minister van Justitie. Een afschrift van de lijst wordt bij gewone brief aan de kandidaten meegedeeld evenals aan de korpschef van de vacature en de korpschef van de voorgedragen kandidaat. Wordt geen voordracht meegedeeld binnen de voorgeschreven termijn, dan kan de Minister van Justitie vanaf de veertigste dag tot de vijfenvijftigste dag na het verzoek tot voordracht, de benoemingscommissie bij ter post aangetekende brief aanmanen om een voordracht te doen. De benoemingscommissie beschikt over vijftien dagen vanaf de verzending van V-1773-10/22 de aanmaning om vooralsnog een voordracht te doen. Wordt geen voordracht meegedeeld binnen de voorgeschreven termijn of binnen de ingevolge aanmaning verlengde termijn, dan brengt de Minister van Justitie dit binnen vijftien dagen bij een ter post aangetekende brief ter kennis van de kandidaten en wordt een nieuwe oproep tot de kandidaten in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.” Op grond van artikel 259ter, § 4, dertiende lid, deelt de benoemingscommissie “binnen veertig dagen na het verzoek tot voordracht” de lijst met de voorgedragen kandidaat en de niet-voorgedragen kandidaten en het proces- verbaal van voordracht mee aan de minister van Justitie. Anders dan de verzoeker aanvoert, wordt niet bepaald dat de benoemingscommissie haar voordracht moet doen binnen 140 dagen na de bekendmaking van de vacature in het Belgisch Staatsblad. Te dezen blijkt uit de stukken van het administratief dossier dat de minister van Justitie de dossiers van de kandidaten op 20 juni 2007 heeft overgemaakt aan de benoemings- en aanwijzingscommissie. De termijn van veertig dagen voor de mededeling van de lijst van kandidaten en van het proces-verbaal van voordracht verstreek derhalve op 30 juli
- De verenigde benoemings- en aanwijzingscommissie heeft de lijst met de voorgedragen en niet-voorgedragen kandidaten op 27 juni 2007 vastgesteld. De Hoge Raad voor de Justitie heeft die lijst en het proces-verbaal van de voordracht evenwel pas op 28 augustus 2007 aan de minister meegedeeld, dus buiten de termijn van veertig dagen. Uit artikel 259ter, § 4, veertiende lid, blijkt evenwel dat de overschrijding van de termijn bedoeld in artikel 259ter, § 4, dertiende lid, niet tot gevolg heeft dat de benoemings- en aanwijzingscommissie daardoor haar bevoegdheid verliest, of dat de Koning een buiten die termijn voorgedragen kandidaat niet meer kan benoemen of aanwijzen. Zolang de minister de commissie niet heeft aangemaand om alsnog een voordracht te doen, lijkt de aan de commissie opgelegde termijn voor het meedelen van een voordracht niet meer dan een termijn van orde te zijn. De minister beschikt voor het sturen van een aanmaning over een termijn van vijftien dagen, namelijk de termijn tussen de veertigste en de 55ste dag nadat hij de benoemings- en aanwijzingscommissie om een voordracht heeft verzocht. Indien de minister, met toepassing van artikel 259ter, § 4, veertiende lid, de commissie heeft aangemaand om alsnog een voordracht te doen, begint voor de commissie een nieuwe termijn van vijftien dagen te lopen. Wordt er binnen die termijn nog geen voordracht meegedeeld, dan moet, op grond van artikel 259ter, § 4, vijftiende lid, een nieuwe oproep tot de kandidaten worden gericht. V-1773-11/22 Het doel van die regeling lijkt aldus te zijn dat ten laatste dertig dagen na het verstrijken van de wettelijke termijn van veertig dagen waarover de benoemings- en aanwijzingscommissie beschikt voor het doen van een voordracht, de minister en de kandidaten met zekerheid weten of de Koning al dan niet kan voortgaan op een voordracht. In dat licht bekeken, lijkt voorshands te moeten worden aangenomen dat het overschrijden van de wettelijke termijn van veertig dagen voor het meedelen van een voordracht niet belet dat een voordracht waarover de benoemings- en aanwijzingscommissie binnen die termijn heeft beslist nog in aanmerking wordt genomen, als de mededeling van die voordracht aan de minister ten laatste de dertigste dag na het verstrijken van de wettelijke termijn plaatsvindt. Het staat de minister weliswaar vrij om, in geval van overschrijding van de wettelijke termijn, meteen te besluiten tot het bekendmaken van een nieuwe oproep tot de kandidaten. Indien blijkt dat de benoemings- en aanwijzingscommissie binnen de wettelijke termijn van veertig dagen haar beslissing inzake de voordracht heeft genomen, kan de minister echter ook wachten op de formele mededeling van de voordracht tot aan het verstrijken van de bijkomende termijn van dertig dagen. In een dergelijk geval kan het uitblijven van de mededeling van de voordracht immers aan niets anders te wijten zijn dan aan het redigeren of het finaliseren van het proces-verbaal. Indien de benoemings- en aanwijzingscommissie binnen de bijkomende termijn van dertig dagen haar voordracht alsnog meedeelt, kan de Koning daarop bijgevolg steunen voor het nemen van een benoemings- of aanwijzingsbesluit. Aan de Koning de mogelijkheid ontzeggen om gevolg te geven aan een tijdig aangenomen, maar laattijdig meegedeelde voordracht zou, in de aangehaalde omstandigheden, leiden tot een resultaat dat niet te verenigen lijkt met het normdoel van de termijnregeling vervat in artikel 259ter, § 4, dertiende tot vijftiende lid. Nu de verenigde benoemings- en aanwijzingscommissie haar voordracht te dezen heeft aangenomen op 27 juni 2007, dit is binnen de wettelijke termijn van veertig dagen vanaf de overzending van de aanwijzingsdossiers, en zij die voordracht aan de minister heeft meegedeeld op 28 augustus 2007, dit is binnen een termijn van dertig dagen na het verstrijken van de wettelijke termijn van veertig dagen, lijkt de overschrijding van die wettelijke termijn niet tot gevolg te hebben dat de Koning onwettig heeft gehandeld door de voorgedragen kandidaat aan te wijzen.
- Het middel is in geen van zijn onderdelen ernstig. V-1773-12/22
- Derde middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoeker roept een derde middel in, afgeleid uit de schending van artikel 14 van de wet van 18 december 2006 tot wijziging van de artikelen 80, 259quater, 259quinquies, 259nonies, 259decies, 259undecies, 323bis, 340, 341, 346 en 359 van het Gerechtelijk Wetboek, tot herstel in dit Wetboek van artikel 324 en tot wijziging van de artikelen 43 en 43quater van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, van artikel 43, § 4, tweede lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, en van artikel 319 van het Gerechtelijk Wetboek. De verzoeker voert aan dat artikel 43, § 4, tweede lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, gewijzigd bij artikel 14 van de wet van 18 december 2006, bepaalt dat de opeenvolgende arbeidsauditeurs in het arrondissement Brussel tot een verschillend taalstelsel moeten behoren. Zijn mandaat als arbeidsauditeur is afgelopen op 31 maart
- De procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Brussel heeft op 30 maart 2007 C.M., behorend tot het Franse taalstelsel, aangewezen als interim-arbeidsauditeur, en de minister van Justitie heeft in een schrijven van 4 mei 2007 verklaard dat die beslissing paste “binnen de wettelijke verplichting inzake beurtwisseling van taalrol te Brussel”. Nu aldus met de aanwijzing van een interim-arbeidsauditeur toepassing is gemaakt van de bepaling inzake de taalbeurtwisseling, diende na het beëindigen van het interim- mandaat van C.M. opnieuw een Nederlandstalige als arbeidsauditeur te worden aangewezen. Door de tussenkomende partij, die behoort tot het Franse taalstelsel, aan te wijzen, schendt het bestreden besluit de voornoemde wetsbepaling. Beoordeling
- In zoverre de schending wordt ingeroepen van artikel 14 van de wet van 18 december 2006 tot wijziging van de artikelen 80, 259quater, 259quinquies, 259nonies, 259decies, 259undecies, 323bis, 340, 341, 346 en 359 van het Gerechtelijk Wetboek, tot herstel in dit Wetboek van artikel 324 en tot wijziging van de artikelen 43 en 43quater van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken -dat overigens een loutere wijzigingsbepaling bevat-, en van artikel V-1773-13/22 319 van het Gerechtelijk Wetboek, wordt in het middel niet gepreciseerd waarin de aangevoerde schending zou bestaan. In zoverre lijkt het middel niet ontvankelijk te zijn.
- Artikel 43, § 4, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken heeft betrekking op de aanwijzing van korpsoversten in het arrondissement Brussel. Het eerste en het tweede lid van die bepaling luiden als volgt: “Onverminderd de bepalingen van § 3 kan niemand, in het arrondissement Brussel, tot het ambt van voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, de rechtbank van koophandel of de arbeidsrechtbank, van procureur des Konings, arbeidsauditeur, werkend of plaatsvervangend vrederechter, werkend of plaatsvervangend rechter in een politierechtbank of van toegevoegd rechter in een vredegerecht of een politierechtbank, benoemd worden, indien hij niet bewijst Nederlands en Frans te kennen. Bovendien moeten de opeenvolgende voorzitters van de rechtbank van eerste aanleg, de rechtbank van koophandel, de arbeidsrechtbank, de opeenvolgende procureurs des Konings en de arbeidsauditeurs, luidens hun diploma, behoren tot een verschillend taalstelsel.” Uit de samenlezing van het tweede lid met het eerste lid blijkt dat de regeling inzake de wisseling van taalstelsel tussen opeenvolgende korpsoversten, vervat in het tweede lid, geldt voor personen die met het mandaat van korpsoverste zijn bekleed. In de huidige stand van het geding maakt de verzoeker niet aannemelijk dat die regeling ook geldt voor magistraten die tijdelijk een ambt waarnemen, in afwachting van de aanwijzing van een titularis voor dat ambt. In de huidige stand van het geding wordt de tijdelijke aanwijzing van C.M. als interim- arbeidauditeur dan ook niet beschouwd als een mandaat dat, bij de beëindiging ervan, aanleiding geeft tot een wisseling van taalstelsel voor de nieuw aan te wijzen arbeidsauditeur. In zoverre in het middel de schending wordt aangevoerd van artikel 43, § 4, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, is het niet ernstig.
- Vierde middel Standpunt van de partijen V-1773-14/22
- De verzoeker roept een vierde middel in, afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de artikelen 259ter en 259quater van het Gerechtelijk Wetboek, van het koninklijk besluit van 15 maart 2000 tot vastlegging van de categorieën van standaardprofielen, van de “standaardprofielen voor de functies van korpschef”, vastgesteld door de algemene vergadering van de Hoge Raad voor de Justitie op 4 september 2000, en van het zorgvuldigheids-, het redelijkheids- en het rechtszekerheidsbeginsel, het beginsel van de materiële motiveringsverplichting en het algemeen beginsel van gelijke toegang tot de openbare ambten. De verzoeker voert aan dat de benoemende overheid de titels en verdiensten van kandidaten moet onderzoeken en vergelijken op basis van objectieve en pertinente criteria, en dat de benoeming moet berusten op wettige motieven. De te dezen relevante criteria zijn de bekwaamheid en de geschiktheid van de kandidaten voor de functie van arbeidauditeur bij de Arbeidsrechtbank te Brussel, en het beantwoorden aan het standaardprofiel van korpschef, zoals dit werd vastgesteld door de algemene vergadering van de Hoge Raad voor de Justitie op 4 september 2000, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 16 september
- De overheid moet de titels en verdiensten van de kandidaten niet in abstracto, maar in concreto beoordelen, dit wil zeggen in relatie tot de vacante functie. Volgens de verzoeker is het onderzoek van de kandidaturen niet objectief, niet grondig en niet zorgvuldig geschied, en is het bestreden besluit niet op een deugdelijke en afdoende wijze gemotiveerd. Hij verwijt aan de motieven vervat in het proces-verbaal van voordracht door de verenigde benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie, overgenomen in het bestreden besluit, in het bijzonder het volgende: - in verband met de beoordeling van de kandidatuur van de tussenkomende partij wordt in de motivering gesteld, na een verwijzing naar het advies van de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Brussel waarin gewag gemaakt wordt van enkele problemen, dat “uit de gegevens van het dossier (blijkt) dat bij de heer Funck de jongste maanden sterke verbeteringen merkbaar waren op het vlak van de omgang met anderen en de luisterbereidheid, verbeteringen waarmee de commissie rekening meent te moeten houden”, terwijl het dossier geen recentere adviezen of andere stukken bevat waaruit deze beweerde verbeteringen blijken; - in verband met de beoordeling van de kandidatuur van de verzoeker blijkt noch uit het bestreden besluit, noch uit het dossier dat rekening is gehouden met de wijze V-1773-15/22 waarop de verzoeker het ambt van arbeidsauditeur in de Arbeidsrechtbank te Brussel concreet heeft uitgeoefend, van 1999 tot einde maart 2007; - nog in verband met de beoordeling van de kandidatuur van de verzoeker wordt in de motivering verwezen naar het advies van de procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Brussel - dat een voorbehoud maakt bij die kandidatuur -, wordt erkend dat de verzoeker op een aantal punten verantwoorde opmerkingen heeft gemaakt op dat advies, maar wordt met betrekking tot een aantal andere punten gesteld dat de opmerkingen van de verzoeker in strijd zijn met het bedoelde advies. Volgens de verzoeker is het niet omdat zijn argumentatie in strijd is met het advies dat die argumentatie ook onjuist is of niet aanvaard kan worden. Hij verwijt aan de motivering dat ze niet uitlegt waarom de door de verzoeker aangevoerde argumentatie het advies niet weerlegt, en dat ze evenmin rekening houdt met andere stukken van het dossier, zoals de andere adviezen en het beleidsplan van de verzoeker. De verzoeker wijst erop dat de verenigde benoemings- en aanwijzingscommissie met name van oordeel is dat hij blijk zou moeten geven van een betere beheersing van vijf bekwaamheden (groepsgericht leiderschap, besluitvaardigheid, voortgangscontrole, organisatie en overtuigingskracht), en dat de commissie hem niet kan voordragen omwille van het gebrek aan overeenstemming met de eerste vier van die competenties, zijnde de algemene competenties uit het functieprofiel van korpschef. Hij verwijst vervolgens naar het advies dat over hem is uitgebracht door de vertegenwoordiger van de balie, naar zijn eigen opmerkingen op het advies van de procureur-generaal en naar zijn beleidsplan, waarin nader wordt ingegaan op de vier algemene competenties. Uit de motivering van de voordracht blijkt niet dat de verenigde benoemings- en aanwijzingscommissie met die stukken en met de daarin vervatte argumentatie rekening heeft gehouden.
- De verwerende partij antwoordt dat het standpunt van de verzoeker geen steun vindt in de tekst van het proces-verbaal van voordracht. Zij wijst erop dat het proces-verbaal duidelijk melding maakt van het uitgevoerde onderzoek naar de bekwaamheid en de geschiktheid van zowel de verzoeker als de tussenkomende partij. Een vergelijking van de titels en verdiensten heeft derhalve wel degelijk plaatsgevonden. In de motivering wordt ook verwezen naar het feit dat de verzoeker het mandaat van arbeidsauditeur te Brussel heeft uitgeoefend. De stelling van de verzoeker als zou meer aandacht moeten worden geschonken aan de wijze van uitoefening van zijn mandaat leidt ertoe dat haast vanzelfsprekend een V-1773-16/22 verlenging van het mandaat diende te gebeuren. Dit standpunt gaat echter in tegen de wil van de wetgever, dat na zeven jaar het mandaat aan iemand anders kan worden toegewezen. Ten slotte wijst de verwerende partij erop dat de uitgebrachte adviezen niet altijd overwegend positief waren over de wijze waarop de verzoeker zijn mandaat van arbeidsauditeur heeft uitgeoefend.
- De tussenkomende partij verwijst eveneens naar het proces- verbaal van voordracht door de Hoge Raad voor de Justitie. Volgens haar blijkt daaruit dat een grondige vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten heeft plaatsgehad. In zoverre de verenigde benoemings- en aanwijzingscommissie met betrekking tot de tussenkomende partij rekening heeft gehouden met andere gegevens dan die welke vermeld worden in het advies van de voorzitter van de arbeidsrechtbank, wijst de tussenkomende partij erop dat zij op dat advies opmerkingen heeft gemaakt. Zij wijst er ook op dat zij bij die opmerkingen een kopie heeft gevoegd van de adviezen die, naar aanleiding van de vacature bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 14 juni 2006, door andere korpsoversten over haar kandidatuur zijn gegeven. Beoordeling
- Het gelijkheidsbeginsel inzake benoemingen in openbare ambten, krachtens welk iedere burger gelijke toegang heeft tot de openbare ambten, houdt in dat de aanspraken en verdiensten van de kandidaten moeten worden onderzocht en vergeleken, op basis van objectieve, redelijke en pertinente criteria. De overheid beschikt daarbij over een ruime discretionaire bevoegdheid, die echter de redelijkheid als grens heeft. Uit de formele motivering van het benoemingsbesluit en de gegevens van de zaak moet kunnen blijken dat die afweging correct is gebeurd. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen verplichten de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op een “afdoende” wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze V-1773-17/22 duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen.
- In een eerste onderdeel voert de verzoeker aan dat uit niets blijkt waarom de verenigde benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie overweegt dat in hoofde van de tussenkomende partij de jongste maanden verbeteringen zijn opgetreden. Met de tussenkomende partij moet worden vastgesteld dat deze op 7 juni 2007 haar opmerkingen op het advies van de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Brussel aan de minister van Justitie heeft bezorgd. In die opmerkingen is de tussenkomende partij ingegaan op een aantal punten van kritiek. Zoals in de motivering van de verenigde benoemings- en aanwijzingscommissie wordt vermeld, had de kritiek betrekking op het groepsgericht leiderschap, de communicatie en de bekwaamheid om alle neuzen rond zich in dezelfde richting te krijgen. Bij haar opmerkingen voegde de tussenkomende partij overigens ook een kopie van de adviezen van bepaalde korpsoversten die, volgens haar, bevestigden dat zij wel degelijk over de vereiste competenties beschikte. Er valt op het eerste gezicht niet in te zien waarom de verenigde benoemings- en aanwijzingscommissie de opmerkingen van de tussenkomende partij niet zou kunnen betrekken bij de beoordeling van haar kandidatuur. In de huidige stand van de rechtspleging wordt dan ook aangenomen dat de commissie wettig kon oordelen dat “uit de gegevens van het dossier” blijkt dat de jongste maanden bij de tussenkomende partij sterke verbeteringen merkbaar waren, met name “op het vlak van de omgang met anderen en de luisterbereidheid”, aspecten die in de opmerkingen van 7 juni 2007 aan bod kwamen. Het onderdeel is niet ernstig.
- In een tweede onderdeel voert de verzoeker aan dat er niet concreet is rekening gehouden met de wijze waarop hijzelf het ambt van arbeidsauditeur heeft uitgeoefend, in de periode van 1999 tot einde maart
- Het is juist, zoals door de verzoeker wordt aangevoerd, dat het gelijkheidsbeginsel impliceert dat bij de beoordeling van de aanspraken en V-1773-18/22 verdiensten van de kandidaten voor een te begeven ambt rekening wordt gehouden met de specifieke situatie van de kandidaten met betrekking tot dat ambt. Aldus diende de benoemende overheid te dezen rekening te houden met het feit dat de verzoeker het ambt van arbeidsauditeur bij de Arbeidsrechtbank te Brussel had uitgeoefend, en dat hij kandidaat was voor een nieuwe aanwijzing voor dat eerder door hem beklede mandaat. Uit de beoordeling die de verenigde benoemings- en aanwijzingscommissie van de verzoeker geeft, en met name uit de verwijzing naar het advies van de procureur-generaal, blijkt dat de commissie van oordeel is dat de verzoeker “tijdens de uitoefening van zijn functie van arbeidsauditeur te Brussel nooit (blijkt) te kunnen overtuigen omtrent zijn mogelijkheden om efficiënt gestalte te geven aan algemene competenties zoals (...) groepsgericht leiderschap, organisatorisch vermogen of adequate voortgangscontrole”. De opmerkingen die de verzoeker op het advies van de procureur-generaal gemaakt heeft, acht de benoemings- en aanwijzingscommissie maar gedeeltelijk gegrond, zoals bij de bespreking van het derde onderdeel nader zal worden uiteengezet. De commissie concludeert haar beoordeling van de kandidatuur van de verzoeker met de vaststelling dat zijn bekwaamheden “onvoldoende beantwoorden aan het algemeen profiel om in aanmerking te komen voor een voordracht voor de vacante functie van arbeidsauditeur te Brussel”. Aldus blijkt dat de commissie, in het bijzonder op basis van het concrete functioneren van de verzoeker als arbeidsauditeur, tot de conclusie komt dat hij onvoldoende beantwoordt aan het vereiste profiel. In strijd met wat in het onderdeel wordt aangevoerd, lijkt de commissie dus wel degelijk, en zelfs in belangrijke mate, rekening te houden met het concrete functioneren van de verzoeker als arbeidsauditeur. Het onderdeel is niet ernstig.
- In een derde onderdeel voert de verzoeker in essentie aan dat de verenigde benoemings- en aanwijzingscommissie steunt op een aantal voor de verzoeker negatieve elementen uit het advies van de procureur-generaal, terwijl uit de motivering van de commissie niet blijkt om welke redenen de argumentatie die de verzoeker tegen dat advies heeft ontwikkeld niet gegrond geacht wordt, en met de andere stukken van het dossier geen rekening is gehouden. V-1773-19/22 Zoals bij de bespreking van het tweede onderdeel is uiteengezet, verwijst de verenigde benoemings- en aanwijzingscommissie inderdaad naar het advies van de procureur-generaal, waarin gesteld is dat de verzoeker met betrekking tot een aantal vaardigheden niet heeft kunnen overtuigen. De opmerkingen die de verzoeker op het advies van de procureur-generaal gemaakt heeft, acht de commissie maar gedeeltelijk gegrond. Uit een vergelijking van de vaardigheden die in het advies van de procureur-generaal als problematisch worden omschreven, enerzijds, en de opsomming van de vaardigheden waarvoor de commissie de door de verzoeker verstrekte verantwoording gegrond acht (“kennis ... van alle materies die door een arbeidsauditoraat worden behandeld en van de regels van de rechtspleging”, “onthaal, luisterbereidheid en communicatie”), anderzijds, kan worden afgeleid dat de commissie van oordeel is dat de verzoeker er niet in geslaagd is de kritiek in verband met de volgende vaardigheden te weerleggen: “mondelinge en schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid”, “besluitvaardigheid”, “rendement: type werkzaamheden - kwaliteit van het werk - kwantiteit van het werk”, “interesse voor juridische opzoekingen (...)”en “stiptheid”. Uit een en ander leidt de commissie dan af dat de verzoeker “op sommige vlakken (weliswaar) over reële kwaliteiten beschikt, die resulteren uit zijn lange ervaring in de betrokken sector”, maar ook, zoals gezegd, “dat de bekwaamheden van de kandidaat onvoldoende beantwoorden aan het algemeen profiel om in aanmerking te komen voor een voordracht voor de vacante functie van arbeidsauditeur te Brussel”. Meer in het bijzonder is de commissie van oordeel dat “de kandidaat (...) onder meer blijk (zou) moeten geven van een betere beheersing van de volgende algemene en specifieke bekwaamheden: groepsgericht leiderschap, besluitvaardigheid, voortgangscontrole, organisatie, overtuigingskracht”. In zijn verzoekschrift wijst de verzoeker op een aantal specifieke opmerkingen uit het advies van de procureur-generaal, die volgens hem verband houden met “voortgangscontrole en besluitvaardigheid” en met “groepsgericht leiderschap en organisatie”. Daartegenover plaatst hij een aantal elementen uit zijn opmerkingen op dat advies en uit zijn beleidsplan, die volgens hem de beoordeling door de procureur-generaal tegenspreken. Het komt de Raad van State evenwel niet toe om in de plaats van de benoemings- en aanwijzingscommissie over te gaan tot een beoordeling van de pertinentie van de opmerkingen van de verzoeker op het advies van de procureur- generaal, of tot een beoordeling van verzoekers beleidsplan. De kritiek die de V-1773-20/22 verzoeker geeft op de beschouwingen in het genoemde advies overschrijdt de grenzen van het marginaal toezicht dat de Raad van State kan uitoefenen. Vanuit het oogpunt van de objectiviteit, de grondigheid en de zorgvuldigheid van de beoordeling van de kandidatuur van de verzoeker volstaat het te dezen vast te stellen dat voorshands noch de bedoelde beschouwingen van de procureur-generaal, noch de beoordeling van de pertinentie van de opmerkingen van de verzoeker door de benoemings- en aanwijzingscommissie kennelijk onredelijk lijken. In de huidige stand van de rechtspleging neemt de Raad van State voorts ook aan dat de motivering vervat in het proces-verbaal van voordracht, en met name de verwijzing naar het advies van de procureur-generaal, aan de verzoeker voldoende duidelijkheid verschaft omtrent de redenen voor de verwerping van zijn argumentatie in verband met het voldoen aan alle vereiste bekwaamheden. De Raad van State kan de verzoeker voorshands niet volgen in zijn stelling dat het bestreden besluit, ter voldoening aan de verplichting tot formele motivering, nader diende in te gaan op de argumentatie die hij met betrekking tot sommige van die bekwaamheden ontwikkeld had. De formele motivering van het bestreden besluit lijkt dan ook afdoende te zijn, in de zin van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Het onderdeel is niet ernstig.
- Nu geen van de middelen ernstig bevonden wordt, blijkt dat niet voldaan is aan één van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. VI. Anonimisering
- De verzoeker vraagt de anonimisering van het arrest, bij de publicatie ervan. Luidens artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet- toelaatbaarheid van de Raad van State kan iedere partij bij een geschil dat bij de Raad van State aanhangig wordt gemaakt op elk moment van de rechtspleging en V-1773-21/22 totdat de debatten gesloten zijn, eisen dat bij de publicatie van het arrest of de beschikking de identiteit van de natuurlijke personen niet zou worden bekendgemaakt. De vraag wordt ingewilligd. BESLISSING
- Het verzoek van Henri Funck tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd.
- De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoeker niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 15 februari 2010, door de Raad van State, Ve kamer, samengesteld uit: Paul Lemmens, kamervoorzitter, Pierre Liénardy, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts Paul Lemmens V-1773-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.889 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.539 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div