id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.936 Rolnummer: A. 194689/X-14620 Zaak: Arrest 200936 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 16/02/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-19 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-07-02 08:51 Fiche Arrest nr 200.936 van 16 februari 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst bekendmaking Verwerping overige Verwerping voorlopige maatregelen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 200.936 van 16 februari 2010 in de zaak A. 194.689/VII-37.
(2)dat laatstgenoemde Afdeling stelt dat minstens wat betreft het gedeelte van de exploitatie gelegen in het agrarisch gebied de stedenbouwkundige onverenigbaarheid een vaststaand feit is. De Afdeling Stedenbouwkundig Beleid steunt haar advies op het vaststaand feit dat het niet gaat om een hoofdzakelijk vergund werk. Op geen enkele wijze verantwoordt de minister concreet waarom zij op dit punt afwijkt van de strekking van de door haar gevraagde adviezen van de Afdeling VII-37.595-28/39 Stedenbouwkundig Beleid en zeker verantwoordt zij niet concreet waarom de strekking van deze adviezen niet in aanmerking kunnen worden genomen. Het bestuur heeft niet op een zorgvuldige wijze onderzocht dat de bedrijfsfunctie hoofdzakelijk is vergund. Minstens blijkt dit niet uit de motieven van het bestreden besluit. 50. Ten onrechte besluit de minister dat de voor de normale bedrijfsvoering noodzakelijke constructies vergund zijn. De minister focust dienaangaande op de loods en de verharding. Daarmee treedt de minister het gezag van gewijsde van (overweging 2.5.4. van) het arrest dd. 15 mei 2008 nr. 182.922 met voeten, waarin werd overwogen 'dat de bestreden vergunning betrekking heeft op gebouwen, constructies of installaties die vanuit het oogpunt van ruimtelijke ordening kennelijk niet hoofdzakelijk zijn vergund of geacht worden vergund te zijn, ongeacht of men de omschrijving 'hoofdzakelijk' beschouwt als een kwestie van interpretatie, dan wel van appreciatie'. De Raad van State steunt de kennelijke afwezigheid van het hoofdzakelijk vergund karakter van de loods op de volgende overwegingen: 'In hun beroepschrift hadden verzoeksters concreet en gedetailleerd uiteengezet dat het gebouwencomplex van de productiehal veel groter is dan op de plannen van 1992 voorzien (deze plannen sloegen op de vergunning van 7 december 1992). Meer bepaald zou voor de rechterhelft van de loods op de plannen van 1992 een hoogte voorzien zijn van 6,65 meter, terwijl uit plannen van 1999 blijkt dat het gebouw tien meter hoog is. Uit een grondig onderzoek van de gegevens van de zaak blijkt dat noch de verwerende partij noch de tussenkomende partij dit betwisten. De aangehaalde afwijking heeft uiteraard een belangrijke ruimtelijke visuele impact, zodat te dezen bezwaarlijk kan worden gesteld dat het gebouw 'hoofdzakelijk werd vergund'. Het uitzicht van het gebouw verschilt qua dakhoogte en -vorm grondig van hetgeen is vergund'. De Raad van State steunt de kennelijke afwezigheid van het hoofdzakelijk vergund karakter van de verharding op de volgende overwegingen: 'Het feit dat een regularisatieaanvraag voor de verharding van de buitenruimte werd ingediend en geweigerd, wijst er op dat deze werken niet werden vergund. Het formele voorwerp van de in 1992 ingediende aanvraag had geen betrekking op die werken en handelingen, terwijl de regularisatie ervan dan weer geweigerd werd en het overigens zeer vreemd is dat een eigenaar een regularisatieaanvraag indient voor iets dat, volgens hem, hoofdzakelijk vergund is. Overigens moet een stedenbouwkundige vergunning schriftelijk worden verleend (artikel 112 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening), wat het bestaan van impliciete of stilzwijgende vergunningen uitsluit'. Volgens rechtspraak van het Hof van Cassatie moet, bij de beoordeling of er sprake is van een inbreuk op het gezag van gewijsde, worden gelet op de bestanddelen van de twee rechtsvorderingen en worden onderzocht of de nieuwe aanspraak kan worden ingewilligd zonder het voordeel van de vorige beslissing ongedaan te maken. Toegepast op het gezag van gewijsde dat kleeft aan een vernietigingsarrest van de Raad van State is de vraag dus te weten of de minister een beslissing heeft genomen die het voordeel van het arrest dd. 15 mei 2008 aan verzoekende partijen ontneemt. Dit is evident het geval en daarom is er ook een schending van het gezag van gewijsde: - in het arrest dd. 15 mei 2008 kwalificeert de Raad van State de afwijking aan het loodsgebouw immers als hebbende een belangrijke ruimtelijke visuele impact zodat er geen sprake kan zijn van de kwalificatie als hoofdzakelijk VII-37.595-29/39 vergund, terwijl de minister deze kwalificaties met voeten treedt door net het tegengestelde te besluiten, - in het arrest dd. 15 mei 2008 beslist de Raad van State dat het formele voorwerp van de in 1992 ingediende aanvraag geen betrekking had op de verharding van de buitenruimte zodat er geen sprake kan zijn van de kwalificatie als hoofdzakelijk vergund, terwijl de minister deze kwalificatie met voeten treedt door net het tegengestelde te besluiten. Verzoekende partijen merken op dat het Auditoraatsverslag dd. 28 augustus 2009 in de zaak G/A/ 190.528/VII-37.291 terecht besluit tot een schending van het gezag van gewijsde van het arrest dd. 15 mei 2008. Ten overvloede geldt dat het bestreden ministerieel besluit ook het (voorlopig) gezag van gewijsde van het schorsingsarrest dd. 2 april 2009 schendt, waarin de Raad van State immers overweegt: '3.1.9. De redenering van de verwerende partij wordt niet gevolgd. Door de nokhoogte zo ingrijpend op te trekken als hier gebeurd is, krijgt het dak een andere vorm dan in de vergunning is aanvaard en dit wijzigt het globaal uitzicht van het gebouw. Dat de kroonlijst in overeenstemming is met de vergunning, doet aan die vaststelling niets af. Dat het uitzicht van een gebouw bepaald wordt door de hoogte van de kroonlijst alleen, is een niet gestaafde veralgemening en uit de foto's die in het dossier zijn neergelegd blijkt in ieder geval dat in dit geval de verhoogde nok, waardoor het gebouw het aanpalend gebouw van de bestaande productiehal gaat domineren, wel degelijk het uitzicht mede bepaalt. Overigens heeft de afdeling Stedenbouwkundig Beleid en Onroerend Erfgoedbeleid in haar advies van 13 augustus 2008 aan de verwerende partij terloops toch ook een voorbehoud geformuleerd en gewezen op de noodzaak van een stedenbouwkundige regularisatie. 3.1.10. De nieuwe productiehal, die een belangrijk onderdeel van de inrichting is, is niet gebouwd volgens de vergunning van 7 december 1992. De aangebrachte wijziging, wat de hoogte van de nok betreft, is niet bijkomstig. Door het gebouw met die wijziging toch als hoofdzakelijk vergund te beschouwen, heeft de verwerende partij haar beoordelingsbevoegdheid kennelijk overschreden. Zij heeft een verkeerde toepassing gemaakt van artikel 43, § 8, b), van het coördinatiedecreet. 3.1.11. Wat de verharde buitenruimtes betreft, slagen de verwerende en de tussenkomende partij er niet in aan de Raad van State het bewijs voor te leggen van een stedenbouwkundige vergunning. De plannen, gevoegd bij de aanvraag die geleid heeft tot de vergunning van 7 december 1992, gelden daarvoor niet omdat die aanvraag betrekking had op en beperkt was tot de vergunning van de 'uitbreiding van de bestaande productiehal'. Een stedenbouwkundige vergunning mag niet stilzwijgend of impliciet uitgebreid worden. Ook wat dat betreft, laat het dossier niet toe vast te stellen dat de verwerende partij de verharding van de buitenruimtes als vergund of hoofdzakelijk vergund heeft kunnen beschouwen'. 51. Het arrest dd. 15 mei 2008 stelt uitdrukkelijk dat het afwijkende dak van het loodsgebouw niet kan worden beschouwd als een beperkte afwijking en dus niet toelaat dat de loods kan worden beschouwd als hoofdzakelijk vergund. De overweging van de minister, nl. dat deze afwijking overeenstemt met een volumeverhoging van 13%, is zonder invloed op het oordeel van 15 mei 2008. Dit geldt des te meer nu de minister zelf overweegt 'dat enkel het dakvolume dus afwijkend is'. Volgens het arrest dd. 15 mei 2008 is de afwijking van het dak dermate ruimtelijk en visueel dominant dat er geen sprake meer is van een hoofdzakelijk vergund gebouw. De volumekwestie is hierop zonder enige invloed. Het is daarbij onjuist dat een volumeverschil van 13% beantwoordt aan het vereiste van een beperkte afwijking. 13% is een essentieel verschil. VII-37.595-30/39 Hetzelfde moet worden gezegd van de (ongestaafde) bewering dat er in het verhoogde volume geen bedrijfsactiviteiten worden uitgevoerd. Om te beginnen valt niet in te zien waarom FREDERICKX een hoger dan vergund gebouw heeft opgericht, tenzij zij meent dat dit nodig, minstens nuttig, is voor haar bedrijfsvoering. Het verhoogde dak behoort wel degelijk tot de corpus van het gebouw. De specifieke omstandigheden van deze zaak waarin de minister mordicus wil vergunnen, vereist dat de minister in het dossier aantoont wat zij beweert. Dit is niet het geval. Er wordt geenszins aangetoond dat die betrokken extra ruimte niet in gebruik is noch aangewend wordt voor de bedrijfsvoering. Het ligt dan ook niet voor de hand om het standpunt te delen, nl. dat het onwettig verhoogde deel van de loods vreemd is aan de corpus van de bedrijfsvoering en dat de loods toch moet worden beschouwd als hoofdzakelijk vergund. Vooreerst valt een gebouw zoals de loods, wat betreft de beoordeling van zijn vergunningstoestand, niet 'op te splitsen' zoals de minister doet. Volgens de ministeriële redenering zou het immers niet uitmaken of de nok van de loods 3, 5 m of 10 m te hoog is gebouwd, voor zover het onwettig 'surplus' aan hoogte maar niet wordt aangewend voor de bedrijfsvoering. Dit gaat uiteraard niet op. Bovendien kan de milieuvergunning niet enkel voor het wettige deel van het gebouw worden verleend. Terzake kan worden verwezen naar de rechtspraak inzake de garage HOFLIJK, nl. een garageuitbating in de nabije omgeving van FREDERICKX en die tevens gedeeltelijk lag in het betrokken agrarisch gebied. In het arrest dd. 30 maart 2004, nr. 129.840, Maria JANSSENS, heeft Uw Raad immers overwogen: 'Overwegende dat de vergunde inrichting een werkplaats betreft voor het nazicht, het herstellen en het onderhouden van motorvoertuigen met gebruik van meer dan één schouwput of brug die op de bij Vlarem I gevoegde lijst van hinderlijke inrichtingen een afzonderlijke rubriek 15.3. vormt en dat zij ook in fysisch opzicht één ondeelbaar geheel vormt; dat, zoals reeds in het schorsingsarrest nr. 113.364 van 5 december 2002 werd gewezen, prima facie niet valt in te zien hoe een milieuvergunning kan worden verleend enkel voor een deel van een één geheel vormende werkplaats'; Volgens de leer te trekken uit deze rechtspraak gaat het niet op om te stellen dat abstractie kan worden gemaakt van het (vermeende) niet-gebruikte deel van de loods. De integrale loods, haar onwettig verhoogd volume inbegrepen, maakt ten volle deel uit van de bedrijfsvoering. Om deze reden kan de loods geen hoofdzakelijk vergund bedrijf zijn". 9. In haar nota, ingediend in het kader van de vordering tot schorsing, betoogt de verwerende partij, wat dit onderdeel van het middel betreft, dat het wettelijk kader veranderd is sedert de vorige arresten van de Raad van State; het bestreden besluit is gebaseerd op de VCRO, in het bijzonder op de regel dat bedrijven en hun constructies als hoofdzakelijk vergund kunnen worden beschouwd indien de voor een normale bedrijfsvoering noodzakelijke constructies vergund of vergund geacht zijn, ook wat de functie betreft. Het afwijkend dakvolume is niet noodzakelijk voor een normale bedrijfsvoering; er worden geen bedrijfsactiviteiten uitgevoerd in de ruimte die er zou kunnen worden uitgetekend tussen de vergunde VII-37.595-31/39 nok en de uitgevoerde nok; het verhoogde dak is vreemd aan het corpus van het gebouw en aan de core business van het bedrijf. 10. In haar verzoekschrift tot tussenkomst betoogt de tussenkomende partij, wat dit onderdeel van het middel betreft, dat de nokhoogte niet essentieel is voor de bedrijfsvoering en dat het niet-vergunde meervolume slechts 13 % bedraagt in vergelijking met het vergunde volume; het te grote dakvolume is niet noodzakelijk voor de normale bedrijfsvoering. Beoordeling 11. Artikel 5.6.7, § 2, van de VCRO luidt als volgt : "§ 2. Onverminderd § 1 kan bij de advisering en beslissing over een milieuvergunningsaanvraag afgeweken worden van de bepalingen van het gewestplan ten bate van inrichtingen waarvan de exploitatie geheel of ten dele niet overeenstemt met de bestemmingsvoorschriften van dit gewestplan, voor zover voldaan is onder beide hiernavolgende voorwaarden : 1/ de goede ruimtelijke ordening wordt niet geschaad, hetgeen in het bijzonder betekent dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden en dat de voorziene verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort; 2/ de inrichting is hoofdzakelijk vergund. Indien de goede ruimtelijke ordening geschaad wordt, kan rekening worden gehouden met de termijn die nodig is om de inrichting te herlocaliseren. Deze termijn is ten hoogste gelijk aan vijf jaar. De Vlaamse Regering bepaalt de categorieën van bedrijven die door hun aard en omvang van het eerste lid zijn uitgesloten. Zij wijst de gebieden aan waarin het eerste lid niet kan worden toegepast". Luidens artikel 4.1.1, 7/, van de VCRO moet onder "hoofdzakelijk vergund" worden verstaan : "een stedenbouwkundige vergunningstoestand, waarbij geldt dat :
- a)bedrijven en hun constructies slechts hoofdzakelijk vergund zijn indien de voor een normale bedrijfsvoering noodzakelijke constructies vergund of vergund geacht zijn, ook wat de functie betreft,
- b)overige constructies slechts hoofdzakelijk vergund zijn indien ten minste negentig procent van het bruto-bouwvolume van de constructie, gemeten met inbegrip van buitenmuren en dak, en met uitsluiting van het volume van de gebruikelijke onderkeldering onder het maaiveld en van de fysisch aansluitende aanhorigheden die in bouwtechnisch opzicht een rechtstreekse aansluiting of steun vinden bij het hoofdgebouw, vergund of vergund geacht is, ook wat de functie betreft". VII-37.595-32/39 In de memorie van toelichting bij artikel 35 van het ontwerp van decreet dat artikel 36 van het decreet van 27 maart 2009 tot aanpassing en aanvulling van het ruimtelijke plannings-, vergunningen- en handhavingsbeleid is geworden, en dat een nieuw artikel 92 invoegt in het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, wordt het volgende vermeld omtrent de voorgestelde definitie van het begrip "hoofdzakelijk vergund", zoals die thans opgenomen is in artikel 4.1.1, 7/, van de VCRO : "Algemeen 271. Sedert het decreet van 19 juli 2002 wordt ten aanzien van zonevreemde aanvragen c.q. aanvragen voor een planologisch attest bepaald dat het volstaat dat de zonevreemde constructie hoofdzakelijk vergund is. Deze regeling wilde komaf maken met de praktijk in het vergunningenbeleid conform dewelke zonevreemde aanvragen soms geweigerd werden op grond van het feit dat het bouwwerk waarop zij betrekking hadden, niet volledig vergund was, m.a.w. in beperkte mate bezwaard was met bouwovertredingen waardoor het zijn originair vergund karakter als het ware kwijtspeelde. De Raad van State had in 1993 al een aanzet gegeven, doordat in een arrest gesteld werd dat beperkte, zonder vergunning uitgevoerde werken aan een oorspronkelijk vergund gebouw, geen reden kunnen vormen om het gebouw als onvergund te categoriseren [...]. 272. De term 'hoofdzakelijk vergund' is tot op heden niet omschreven. De voorgestelde definitie wil ter zake een duidelijker kader scheppen, uitgaande van de bedoelingen van het decreet van 19 juli 2002, m.n. dat een constructie zijn (hoofdzakelijk) vergunde status verliest indien de oorspronkelijke constructies door onvergunde ingrepen dermate wijzigt of denatureert dat het in wezen niet meer om dezelfde constructie gaat. Indien dergelijke ingrepen integendeel slechts een ondergeschikt en marginaal karakter vertonen, en aan het geheel als stedenbouwkundige entiteit fundamenteel niets wijzigen, lijkt dergelijk oordeel evenwel misplaatst [...]. 'Vergund' (...); 'Hoofdzakelijk' 275. Het begrip 'hoofdzakelijk' moet gelezen worden als volgt. 276. Voor bedrijven (en de constituerende bedrijfsgebouwen [...]) gaat het om een vergunningstoestand waarbij de voor een normale bedrijfsvoering kennelijk noodzakelijke constructies vergund of vergund geacht zijn. Bij de parlementaire voorbereiding betreffende de regeling inzake het planologisch attest voor zonevreemde bedrijven werd inderdaad gesteld dat 'hoofdzakelijk vergund' betekent 'dat de vergunningstoestand van het corpus van het bedrijf, de ruggengraat of de 'core business' moet aangetoond zijn' [...]. De omschrijving betekent dat de gebouwen, bouwwerken en overige constructies die, in de ogen van elk normaal zorgvuldig beoordelaar, voor een bedrijf van een bepaald type en van een bepaalde grootteorde noodzakelijk zijn, behoorlijk zijn vergund of geacht moeten worden vergund te zijn. Het gaat daarbij niet om een bedrijfseconomische inschatting, waarbij bekeken wordt welk onroerend patrimonium al dan niet voorhanden zou moeten zijn om behoorlijke bedrijfsresultaten te behalen. Er moet daarentegen (enkel) vanuit stedenbouwkundig oogpunt worden nagegaan en gemotiveerd welke 'assets' aanwezig moeten (zijn), rekening houdend met de typologie en de grootte van het bedrijf. Een petrochemisch bedrijf dat niet over een stedenbouwkundige vergunning beschikt voor zijn koeltoren, die daarenboven niet onder een vermoeden van VII-37.595-33/39 vergunning valt, kan niet als hoofdzakelijk vergund worden beschouwd. De koeltoren is immers een noodzakelijke aanhorigheid bij dergelijk type van bedrijf. Een zeer groot en behoorlijk vergund veevoederbedrijf, zal zijn hoofdzakelijk vergund karakter niet verliezen indien voor één van de 15 silo’s geen stedenbouwkundige vergunning voorhanden blijkt te zijn. 277. Voor andere constructies [...] gaat het om een vergunningstoestand waarbij ten minste 90% van het bruto-bouwvolume van het hoofdgebouw (als het gaat om een constructie die bestaat uit een hoofdgebouw en fysisch aansluitende bijgebouwen, bvb. een woning met een aangebouwde garage) of van de individuele constructie (in andere gevallen) vergund is of onder een niet weerlegd vermoeden van vergunning valt. Het 90%-criterium sluit aan bij de parlementaire besprekingen in het kader van het decreet van 19 juli 2002, waarbij het volgende werd gesteld. 'Met hoofdzakelijk vergund wordt bedoeld dat de basistoestand voor meer dan 90% in orde moet zijn' [...]". 12. Voor de toepassing van artikel 5.6.7, § 2, van de VCRO vereist artikel 4.1.1, 7/, ervan dat de voor het bedrijf noodzakelijke constructies vergund of vergund geacht zijn. Voormelde toelichting bij het begrip "hoofdzakelijk vergund" laat verstaan dat onder vergund dient begrepen te worden behoorlijk vergund. Evenzeer dient te worden opgemerkt dat de decreetgever een onderscheid heeft willen maken tussen de constructies die kennelijk noodzakelijk en essentieel zijn voor de normale bedrijfsvoering van een bedrijf en de zogenaamde loutere aanhorigheden van het bedrijf, die ongeacht hun stedenbouwkundige vergunningstoestand, niet van invloed zijn op het hoofdzakelijk vergund karakter van de inrichting. 13. Het wordt niet betwist dat de kwestieuze loods voor de tussenkomende partij kennelijk noodzakelijk is voor een normale bedrijfsvoering; in die loods worden immers de gewapende betonelementen geproduceerd. In de termen van de voormelde memorie van toelichting gaat het dus, wat die loods en de activiteit erin betreft, om het "corpus van het bedrijf", de "ruggengraat" of de "core business". De stedenbouwkundig vergunde toestand van deze loods lijkt aldus bepalend voor de toepassing van de afwijkingsregeling van artikel 5.6.7, § 2, van de VCRO waarop het bestreden besluit steunt. 14. Zoals reeds eerder door de Raad van State vastgesteld in vorige arresten en bevestigd in het bestreden besluit - is die noordelijke loods in haar VII-37.595-34/39 huidige vorm niet vergund. De nokhoogte van de bestaande constructie bedraagt circa 10 meter, terwijl slechts vergunning werd verleend voor een loods met een nokhoogte van 6 m 65 cm en dit overeenkomstig de bouwvergunning van 7 december 1992. De noordelijke loods is bijgevolg stedenbouwkundig niet behoorlijk vergund. 15. In het bestreden besluit wordt gesteld dat een deel van dit voor de bedrijfsvoering essentieel gebouw, met name de verhoogde nok, niet essentieel is voor deze bedrijfsvoering. Dat motief lijkt in rechte niet aanvaardbaar. Deze nok lijkt juridisch niet afsplitsbaar van het gebouw waar het fysisch één geheel mee uitmaakt. Luidens artikel 4.1.1, 3/, van de VCRO moet onder een "constructie" onder meer verstaan worden : een "gebouw (...), al dan niet bestaande uit duurzame materialen, in de grond ingebouwd, aan de grond bevestigd of op de grond steunend omwille van de stabiliteit, en bestemd om ter plaatse te blijven staan of liggen, ook al kan het goed uit elkaar genomen worden, verplaatst worden, of is het goed volledig ondergronds". De nok van een gebouw lijkt dan ook niet te kunnen worden beschouwd als dergelijke constructie. Oordelen dat er juridisch opgesplitst kan worden, lijkt te impliceren dat van een gebouw vooral de vergunde bedrijfsoppervlakte bepalend zou zijn voor het al dan niet behoorlijk vergund zijn en dit irrelevant de hoogte en dus ook het volume van de constructie. De kwestieuze loods die noodzakelijk is voor het bedrijf, lijkt te dezen niet behoorlijk vergund en de inrichting lijkt derhalve niet hoofdzakelijk vergund. De vaststelling dat het niet vergunde gedeelte percentsgewijs klein is ten opzichte van het vergunde volume van alle bedrijfsgebouwen samen, lijkt niets te veranderen aan deze vaststelling. Het eerste middel is, in de aangegeven mate, ernstig. VII-37.595-35/39 B. Moeilijk te herstellen ernstig nadeel 16. Wat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, hernemen de verzoeksters in essentie de uiteenzetting uit hun vordering die geleid heeft tot het arrest van de Raad van State nr. 192.135 van 2 april 2009. Beoordeling 17. De Raad van State heeft reeds meermaals het bestaan van dit moeilijk te herstellen ernstig nadeel in hoofde van de verzoeksters aanvaard. Er zijn in het door de tussenkomende partij aangevoerde verweer nopens het moeilijk te herstellen ernstig nadeel geen elementen die tot een andere uitspraak zouden moeten leiden. Besluit 18. Hieruit volgt dat voldaan is aan de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen bevelen. C. Voorlopige maatregel 19. In hun verzoekschrift vorderen de verzoeksters het opleggen van volgende voorlopige maatregel : "verbod op te leggen aan eenieder om rechtstreeks of onrechtstreeks, al dan niet door beroep te doen op derden, over te gaan tot de uitbating van de hierna opgesomde milieuvergunningsplichtige activiteiten, hierbij meldingsplichtige activiteiten inbegrepen, van een inrichting voor de productie van gewapende betonelementen op een terrein gelegen aan de Schuttersveldstraat nr. 11 te 3272 SCHERPENHEUVEL-ZICHEM en ten kadaster gekend onder Afdeling 3, Sectie B, perceelnummer 262R. De activiteiten zijn: - een stalplaats voor 3 heftrucks en 1 laadschop; - een schroefcompressor met een vermogen van 11 kW; - een opslag van cement in 2 silo's van 45.000 kg en 80.000 kg, 2 boven- grondse houders ontkistingsolie van 2.200 en 4.000 l en een opslag van 420 l ontkistingsolie in vaten (totaal 131.620 l); - een stookolietank van 2.500 1 in een groeve, een bovengrondse dubbelwandige dieseltank van 3.300 l, een opslag van 420 l ontkistingsolie in vaten en een opslag van 2.200 l ontkistingsolie in een bovengrondse tank (totaal 8.420 1); - een opslag van 1.200 1 diverse oliën (hydraulische olie, versnellingsbakolie en motorolie) in vaten, een opslag van 420 kg smeervet in vaten en een bovengrondse tank ontkistingsolie van 4.000 1 (totaal 5.620 1); VII-37.595-36/39 - een verdeelslang voor diesel; - een labo voor betonproeven; - machines voor het mechanisch behandelen van minerale producten met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 24, 6 kW; - installaties voor de productie van betonwelfsels met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 78 kW; - een betoncentrale met een totaal vermogen van 37, 4 kW; - een opslag van minerale producten op een oppervlakte van 1, 2 ha; - een bezinkput voor het opvangen van huishoudelijk afvalwater; - een grondwaterwinningsput met een opgepompt debiet van 6 m³/dag en 1.200 m³/jaar, minstens totdat de bevoegde overheid, nadat de Raad van State in onderhavige zaak de schorsing heeft bevolen en, in voorkomend geval, de vernietiging heeft beslist, opnieuw uitspraak zal hebben gedaan over het administratief beroep dat verzoekende partijen op 21 juni 2005 hebben ingediend, in dit geval uitdrukkelijk en afdoende rekening houdende met de overwegingen die aan het arrest houdende de schorsing of, in voorkomend geval, het arrest houdende de vernietiging, ten grondslag liggen. In geval de bevoegde overheid overgaat tot het nemen van een nieuwe beslissing over het administratieve beroep dd. 21 juni 2005, zoals hierboven beschreven, wordt het bevolen verbod enkel gehandhaafd indien de verzoekende partijen binnen een termijn van 60 dagen nadat de nieuwe beslissing hen is betekend, een enig verzoekschrift tot schorsing en tot vernietiging hebben ingediend, en tot op de datum waarop de Raad van State zijn uitspraak over dit verzoek tot schorsing aan de partijen betekent". De verzoeksters wijzen in dit kader op het feit dat niettegenstaande de talrijke schorsings- en annulatiearresten de uitbating van het kwestieuze bedrijf steeds verder is gegaan. Het bedrijf zou zich beroepen op het feit dat een geschorste milieuvergunning een wettige basis vormt voor uitbating of dat de vergunningen uitgereikt door de deputatie van de provincie een voldoende basis daartoe vormen. Deze interpretatie van de tussenkomende partij is, aldus de verzoeksters, manifest onwettig. Gelet op de antecedenten van voorliggende zaak menen de verzoeksters dat de gevorderde maatregel zich opdringt. Beoordeling 20. Te dezen dient te worden vastgesteld dat uit de formulering van de vordering tot het opleggen van een voorlopige maatregel lijkt te moeten worden afgeleid dat aan de Raad van State wordt gevraagd een maatregel op te leggen ten aanzien van de tussenkomende partij of derden, eerder dan ten aanzien van de VII-37.595-37/39 verwerende partij. Aldus lijken burgerlijke rechten in het geding, zaak waarvoor de Raad van State niet bevoegd is. De vordering tot het opleggen van een voorlopige maatregel wordt verworpen. BESLISSING 1. Het verzoek van de BVBA Frederickx tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd. 2. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging van artikel 2 tot en met 4 van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur van 19 oktober 2009 waarbij opnieuw uitspraak wordt gedaan over de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant van 12 mei 2005, houdende het verlenen aan de BVBA Frederickx van de milieuvergunning voor het veranderen van een inrichting voor de productie van gewapende betonelementen, gelegen aan de Schuttersveldstraat 11 te Scherpenheuvel-Zichem. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing voor het overige. 3. De Raad van State verwerpt de vordering tot het opleggen van een voorlopige maatregel. 4. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het gedeeltelijk geschorste besluit. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zestien februari tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Pierre Barra, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter VII-37.595-38/39 Elisabeth Impens Pierre Barra VII-37.595-39/39 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.936 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.211.645 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div