← België

Arrest 200938 - Milieuvergunningen - 16/02/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.938 Rolnummer: A. 194478/VII-37567 Zaak: Arrest 200938 - Milieuvergunningen - 16/02/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-19 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-07-02 08:51 Fiche Arrest nr 200.938 van 16 februari 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 200.938 van 16 februari 2010 in de zaak A. 194.478/VII-37.567. In zake: 1. Marc DE COSTER 2. Jean GALLANT 3. Jan LAVERS 4. Seraphinus VAN DER CRUYS 5. Chris VAN SCHAVENDIJK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Matthias Hertegonne kantoor houdend te Zellik Noorderlaan 30 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Abbeloos kantoor houdend te Dendermonde Noordlaan 82-84 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: Rudy BAYENS wonende te Ternat Pangaardenstraat 2 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan De Smet --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 2 november 2009, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur van 27 augustus 2009 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant van 12 februari 2009, houdende het verlenen aan Rudy Bayens van de milieuvergunning voor het verder exploiteren en veranderen van een rundveehouderij, gelegen aan de Pangaardenstraat 2 te Ternat, slechts gedeeltelijk gegrond worden verklaard. VII-37.567-1/31 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Peter Sourbron heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 februari 2010. Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht. Advocaat Matthias Hertegonne, die verschijnt voor de verzoekers, advocaat Patrick Vandendael, die loco advocaat Dirk Abbeloos verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Julie Van Overstraeten, die loco advocaat Johan De Smet verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De tussenkomende partij, Rudy Bayens, exploiteert een rundveebedrijf aan de Pangaardenstraat 2 te Ternat. Op 2 mei 2007 verleende de minister een vergunning voor een biogasinstallatie bij dit bedrijf. Verschillende omwonenden, waaronder de verzoekers, hebben deze milieuvergunning voor de biogasinstallatie aangevochten met een schorsings- en annulatieberoep bij de Raad van State, zaak gekend onder A. 184.282/VII- 37.015. Bij arrest nr. 177.640 van 6 december 2007 werd de vordering tot schorsing verworpen wegens het niet aanvoeren van ernstige middelen. Bij arrest nr. 197.711 van 12 november 2009 werd het annulatie- beroep verworpen op grond van de vaststelling dat de bestreden milieuvergunning VII-37.567-2/31 van rechtswege vervallen was in toepassing van artikel 5, § 2, derde lid, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergun- ningsdecreet) op grond van de overweging dat, nadat de initiële stedenbouwkundige vergunning voor de biogasinstallatie, verleend bij besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ternat van 7 februari 2006, door de Raad van State was vernietigd bij arrest nr. 169.389 van 26 maart 2007, de tussenkomende partij op 6 december 2007 een nieuwe aanvraag indiende voor het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning; daardoor werd, aldus de Raad van State, verzaakt aan de eerste bouwaanvraag die leidde tot de vernietigde stedenbouwkundige vergunning. Deze nieuwe aanvraag tot een stedenbouwkundige vergunning heeft geleid tot een besluit van de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant van 14 oktober 2008 waarbij de stedenbouwkundige vergunning voor de biogasinstalla- tie opnieuw wordt verleend, waarna administratief beroep is gevolgd bij de minister. 3.2. Op 20 oktober 2008 dient de tussenkomende partij bij de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant een aanvraag in voor het verder exploiteren en veranderen van het rundveebedrijf en de daaraan gekoppelde biogasinstallatie. 3.3. Tijdens het openbaar onderzoek van de aanvraag worden 84 bezwaarschriften ingediend. Tevens blijkt een petitie te zijn afgegeven waarop ongeveer 300 handtekeningen voorkomen. 3.4. Bij besluit van 12 februari 2009 verleent de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant de gevraagde milieuvergunning. Aan de vergunning wordt een aantal bijzondere voorwaarden verbonden. 3.5. Tegen dit besluit van 12 februari 2009 stellen verschillende omwonenden beroep in bij de bevoegde Vlaamse minister. Met een schrijven van 20 maart 2009 stellen de verzoekers, tesamen met Flor Schoukens, beroep in. Op dezelfde datum dienen Bruno Schoukens en Jerika De Jonge een afzonderlijk beroepschrift in. 3.6. In het kader van de beroepsprocedure worden verschillende adviezen uitgebracht : VII-37.567-3/31

  1. a)het advies van 23 april 2009 van de afdeling Stedenbouwkundig Beleid is gunstig. De inrichting wordt verenigbaar geacht met de gewestplanbestemming van landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Het adviesverlenend bestuur stelt voor om de vergunning afhankelijk te stellen van de verplichting om de externe dierlijke mest en het groenafval te betrekken bij bedrijven die gelegen zijn binnen een straal van 10 km;
  2. b)de Vlaamse Milieumaatschappij adviseert op 28 april 2009 en 4 mei 2009 telkens gunstig;
  3. c)op 5 mei 2009 verleent de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij gunstig advies, mits enkele bijkomende voorwaarden worden opgelegd betreffende de aanvaarding van de afvalstoffen en het gebruik van het digestaat;
  4. d)het advies van 26 mei 2009 van het Agentschap voor Natuur en Bos is eveneens gunstig;
  5. e)de afdeling Milieuvergunningen verleent op 26 mei 2009 een voorwaardelijk gunstig advies;
  6. f)door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie wordt op 2 juni 2009 voorgesteld om de beroepen gedeeltelijk gegrond te verklaren. 3.7. Met een besluit van 27 augustus 2009 verklaart de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur de beroepen ingesteld tegen het besluit van de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant van 12 februari 2009 gedeeltelijk gegrond. De gedeeltelijke gegrondverklaring komt er in wezen op neer dat de milieuvergunning, die bevestigd wordt mits het verbeteren van het voorwerp ervan, wordt aangevuld met een aantal bijzondere voorwaarden. Het besluit van 27 augustus 2009 maakt het voorwerp uit van voorliggende vordering tot schorsing; de bepalende overwegingen zijn de volgende : "Gelet op de ontvankelijk bevonden beroepen van: • Mr. Matthias Hertego, Noorderlaan 30, 1731 Zellik, namens: - de heer Marc De Coster, Zierebeekweg 1, 1740 Ternat; - de heer Jean Gallant, Monnikstraat 6a, 1740 Ternat; - de heer Jan Lavers, Baron Liebaertstraat 8, 1740 Ternat; - de heer Flor Schoukens, Bodegemstraat 105, 1740 Ternat; - de heer Seraphinus Van De Cruys, Bodegemstraat 140, 1740 Ternat; - de heer Chris Van Schavendijk, Bodegemstraat 61, 1740 Ternat; • de heer Bruno Schoukens, Pangaardenstraat 3, 1740 Ternat; • mevrouw Jerika De Jonge, Pangaardenstraat 3, 1740 Ternat, aangetekend tegen het besluit nummer D/PMVC/08J21/12104 van 12 februari 2009 van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant, houdende het verlenen van de milieuvergunning, voor een termijn verstrijkend op 12 februari 2029, aan de heer Rudy Bayens, Pangaardenstraat 2, 1740 Ternat, om een VII-37.567-4/31 rundveehouderij, gelegen op hetzelfde adres, kadastergegevens, afdeling 1, sectie D, perceelnummers 196g, 196h en 196k, verder te exploiteren en te veranderen door wijziging en uitbreiding, met als voorwerp: • een vergistingsinstallatie voor methaanwinning met een maximale capaciteit van 12.000 ton/jaar, waarvan maximaal 5.420 ton mest, 230 ton gras en voederresten, 1.700 ton groenafval en 4.650 ton maïs (energieteelt), zodat op jaarbasis 84 % stromen zullen worden vergist die direct afkomstig zijn van de land- en tuinbouw (45 % mest en 39% maïs) en 16 % andere organische en biologische stromen zullen worden vergist; • het lozen van 180 m³/jaar huishoudelijk afvalwater; • stallen met plaatsen voor 252 runderen (91 melkkoeien, 63 runderen • elektriciteitsproductie (2 generatoren), met een totaal elektrisch vermogen van 2 x 190 kW; • één transformator met een nominaal vermogen van 400 kVA; • het stallen van 18 landbouwmachines en hun aanhangwagens; • de opslag van 250 kg reinigingsproducten (melkmachine); • de opslag van 3.000 l mazout in een ingekuipte houder; • een brandstofverdeelinstallatie voor mazout met 1 verdeelslang; • de opslag van 1.965 m³ stro in een lokaal in agrarisch gebied; • de opslag van 6.517 m³ dierlijke mest bestaande uit 2.425 m³ mengmest en 4.092 m³ digestaat; • een inrichting waar dierlijke mest wordt bewerkt, met een bewerkingscapaci- teit op jaarbasis van 5.420 ton; • 2 vast opgestelde motoren met inwendige verbranding, met een nominaal vermogen van elk 200 kW; • een warmtewisselaar met een waterinhoud van de secundaire ruimte van 250 l; • de opslag van 4,6 ton melk in een koeltank; • de opslag van 4.434 m³ groenvoeders in sleufsilo's; • een grondwaterwinning met een maximum debiet van 2.000 m³ /jaar; Gelet op het attest bedoeld in artikel 31, §3, van titel I van het VLAREM waaruit blijkt dat de voormelde beroepen beslissing werd bekendgemaakt door aanplakking vanaf 21 februari 2009 tot 23 maart 2009; Gelet op het feit dat voormelde beroepen werden ontvangen op 24 maart 2009 en ontvankelijk werden bevonden op 25 maart 2009; Gelet op het feit dat voormelde beroepindieners de volgende aanspraken en bezwaren doen gelden: - procedure o de bezwaren, uitgebracht in het kader van het openbaar onderzoek, werden niet afdoende onderzocht noch weerlegd in het bestreden besluit; o de bezwaarindieners hadden gevraagd om gehoord te worden om hun grieven en vragen uiteen te kunnen zetten; hieraan werd geen gevolg gegeven, terwijl de exploitant wel gehoord werd door de PMVC; - onduidelijkheid betreffende het voorwerp van de milieuvergunningsaanvraag o op alle mogelijke manieren tracht de exploitant de werkelijke omvang van de milieuvergunning te maskeren door nieuwe delen aan de aanvraag en de milieuvergunning toe te voegen; o de eerste milieuvergunning is vervallen nu de stedenbouwkundige vergunning door de Raad van State is vernietigd op 26 maart 2007 bij arrest nr. 169.389; een hernieuwing kan dus niet worden toegestaan; - nietigheid van het openbaar onderzoek o volgens artikel 17, §3, 1/, van titel I van het VLAREM moet de aanvraag voor een inrichting van eerste klasse schriftelijk ter kennis gebracht worden aan de eigenaars en de gebruikers van de gebouwen in een straal VII-37.567-5/31 van 100 m rond de perceelsgrenzen van de inrichting; sommige omwonenden zouden niet in kennis zijn gesteld; o de heer Bayens vroeg onder andere een vergunning voor rubriek 2.2.3, b), 3/; in de bestreden beslissing wordt een vergunning verleend voor rubriek 2.2.3, c); de wijziging van het voorwerp van de vergunning werd niet aan een openbaar onderzoek onderworpen; de deputatie oordeelde dat het een technische herkwalificatie betrof waardoor het voorwerp niet gewijzigd wordt; o de akte van bekendmaking stemt niet overeen met wat in werkelijkheid vergund werd (rubriek 2.2.3, b), 3/, in plaats van rubriek 2.2.3, c)); dit is een schending van artikel 31, §2, 1/, van titel I van het VLAREM, waarin gesteld wordt dat er bij de aanplakking moet gewaakt worden over de formulering en zelfs de volgorde van de vergunning; door de onduidelijkheid tussen bedrijfsafval, dan wel groente-, fruit- en tuinafval hebben de omwonenden zich dan ook niet correct kunnen uitspreken in het kader van het openbaar onderzoek; - ruimtelijke ordening o artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 en artikelen 11 (4.1), 15 (4.6.1) en 19 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 worden geschonden; tevens wordt een schending vastgesteld van het koninklijk besluit van 7 maart 1977 houdende het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse en van de omzendbrief RO/2006/1 betreffende de inplanting van installaties voor mestbehandeling en vergisting; o de inplanting van de geplande silo's (diameter 8,37 m en hoogte 7,28 m), de sleufsilo (37,50 m op 20 m en hoogte 1,80
  7. m)en het lokaal voor warmteverdeling (hoogte 3,80
  8. m)zal de schoonheidswaarde van het landschap zeker aantasten; het esthetische aspect werd niet geëvalueerd; o een dergelijke installatie hoort thuis in een industriegebied; in dit gave kleinschalige landschappelijk waardevol valleigebied is de inplanting van dergelijke installatie niet duurzaam en getuigt niet van enige zin om te streven naar een duurzame ruimtelijke ordening; o de invloed van het project op de ontwikkelingsmogelijkheden op de twee natuurgebieden waartussen het landschappelijk waardevolle gebied gekneld is en op de aangrenzende waardevolle biologische gebieden werd niet nagegaan; o een aanvraag om een paar bomen te planten in het betreffende gebied werd geweigerd omdat de voorgestelde werken een storende invloed zouden hebben op de basisbestemming van het agrarisch gebied en structurele schade zou veroorzaken aan de openheid van het gebied; o volgens de omzendbrief is de inplanting in agrarisch gebied verantwoord in functie van ter plaatse gevestigde landbouw- en veeteeltbedrijven; vermits er in de regio Vlaams-Brabant geen mestoverschotten zijn zal de mest uit andere regio's moeten worden aangevoerd; de noodzaak tot inplanting op deze welbepaalde plaats is niet duidelijk aangezien het bedrijf zelf geen mestoverschotten heeft; tevens wordt niet aangetoond dat de lokale bedrijventerreinen binnen de gemeente of de naburige gemeente geen inplantingsplaatsen kunnen aanbieden voor de beoogde bedrijvigheid; - geurhinder o de beroepindieners hebben in het verleden al meermaals geurhinder ondervonden zonder hiervoor echter een klacht in te dienen; o uitgaande van de procesbeschrijving en de vergunningsaanvraag worden de beroepindieners blootgesteld aan bijkomende geurhinder tengevolge van de volgende stappen in het biogasproces: - de aanvoer van co-producten: VII-37.567-6/31 als te gebruiken co-producten wordt in de vergunningsaanvraag gesproken over de aanvoer van groenafval, verhakselde maïs en voederresten, evenals extern aangevoerde drijfmest; dit zal voor geuremissies zorgen bij de manipulatie ervan; - de voor- of nabehandeling: over de voorbehandeling van de co-producten wordt geen informatie gegeven; in het dossier zijn er weinig tot geen voorzorgen vermeld om er voor te zorgen dat de aanvoer steeds vers zou zijn en er wordt nergens gewag gemaakt van acceptatievoorwaarden; - de opslag voor het te vergisten materiaal: er is in het dossier weinig informatie opgenomen voor wat de opslag van het te vergisten materiaal betreft; de opslag van groenafval gebeurt in sleufsilo's, maar er wordt nergens gewag gemaakt van de maximale opslagduur van het materiaal; - de verdere afwerking van het digestaat, bijvoorbeeld tijdens de scheiding in een dunne en een dikke fractie en/of de droging van de dikke fractie; - het uitspreiden van het digestaat: bij het vullen van de mestkar zal er verdringingslucht uit de tank vrijkomen; bij de maximale (vergunde) productie spreken we over minimaal 750 vulmomenten, of een drietal maal per dag; - kleine lekken, diffuse emissies; - restemissies van verbrandingsgassen: er zal een niet onbelangrijke reststroom uitgestoten worden uit de uitlaatpijpen van de biogasmotoren; er wordt een groot voorbehoud aangetekend bij de voorgestelde manier van biologische ontzwave- ling; - het optreden van calamiteiten: de grootste geurhinder kan veroorzaakt worden bij het optreden van calamiteiten (ontsnappen van biogas uit de installatie); er is geen noodfakkel; reeds enkele uren na het defect is de gasopslag verza- digd; het proces van gasproductie kan mogelijk wel vertraagd worden door het stilleggen van de installatie, maar kan niet zomaar gestopt worden, zodat de noodkleppen moeten geopend worden, met geurhinder over verschillende honderden meters tot gevolg; o het aanvraagdossier bevat heel veel leemtes met betrekking tot de geurproblematiek verbonden aan de biogasinstallatie; er wordt geargu- menteerd dat de kans op abnormale geurhinder wel degelijk reëel is; - veiligheid o inzake externe veiligheid bevat het milieuvergunningsaanvraagdossier weinig of geen informatie; de voorgestelde veiligheidsmaatregelen beperken zich tot een aantal voor de hand liggende organisatorische maatregelen; er zijn nergens veiligheidsprocedures en veiligheidsvoor- schriften terug te vinden die een veilige opstart en exploitatie van de installatie garanderen; o er is de vrees dat het EPDM-membraan zou kunnen scheuren; er zijn immers geen duidelijke gegevens terug te vinden over de specifieke eigenschappen van het membraan en de gasdichtheid ervan; o de aanwezige veiligheids-, meet- en regelapparatuur betreft uitsluitend procestechnische metingen maar corrigerende acties en een veiligheids- plan ontbreken; - water o het biogas wordt ontwaterd; het condenswater wordt opgevangen in een condensput; dit is een bron van bedrijfsafvalwater en dit in tegenstelling tot het aanvraagdossier en deputatiebesluit die poneren dat er geen bedrijfsafvalwater wordt voortgebracht; VII-37.567-7/31 o indien het condenswater in bodem en/of grondwater wordt ingebracht betreft het een illegale directe of indirecte lozing in grondwater; één van de beroepindieners is uitsluitend aangewezen op grondwaterbevoorra- ding; o indien het condenswater in de riool of in een oppervlaktewater wordt gebracht betreft het ook een illegale lozing; - beste beschikbare technieken/voorzorgsbeginsel/preventief handelen o biogasinstallaties ter verwerking van mest met bewoning in de buurt kunnen, in de huidige stand van de techniek, onvoldoende garanties bieden dat de hinder tot een aanvaardbaar niveau kan worden terugge- bracht; o het is beter een activiteit waarover nog rechtmatige twijfel bestaat te weigeren dan een vergunning te verlenen en nadien te moeten vaststellen dat er aanpassingswerken en additionele maatregelen noodzakelijk zijn; o VMM is van mening dat de aanwezigheid van een reserve biogasbrander en/of afleiding naar een noodfakkel noodzakelijk is; dit wordt door de deputatie niet als bijzondere voorwaarde opgelegd omdat het economisch niet haalbaar zou zijn; - MER o de Europese Richtlijn 200l/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's werd geschonden; o het beleid van de overheid inzake mestverwerkingsinstallaties moet gekwalificeerd worden als een plan onderworpen aan milieu-effectrapportage; concrete projecten voor mestverwerking kunnen niet worden vergund vooraleer de overheid heeft voldaan aan haar prioritaire verplichting tot het opmaken van een plan-MER; Gelet op het feit dat de exploitant na het verkrijgen van de adviezen afzag van zijn recht om gehoord te worden; Gelet op de aktename van de melding, geldend als vergunning, van 4 september 1990 door het college van burgemeester en schepenen van Ternat, ingediend door Bayens René en Rudy voor een veeteeltbedrijf met 170 grote zoogdieren en een opslag van 1.908 m³ dierlijke mest, voor een termijn verstrijkend op 1 september 2011; Gelet op het ministerieel besluit van 2 mei 2007 met kenmerk AMV/142183/100l, waarbij in beroep het besluit van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 26 oktober 2006 met kenmerk D/PMVC/06G04/06806, houdende het verlenen van de vergunning voor het uitbaten van een biogasinstallatie bij een rundveehouderij, voor een termijn verstrijkend op 1 september 2011, wordt bevestigd, met wijziging van de modaliteiten; Gelet op het voorwaardelijk gunstige advies van 23 april 2009 van de afdeling Stedenbouwkundig Beleid en Onroerend Erfgoedbeleid van het departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed; Gelet op het gunstige advies van 23 april 2009 van de Vlaamse Milieumaat- schappij; Gelet op het gunstige advies van 4 mei 2009 van de afdeling Operationeel Waterbeheer van de Vlaamse Milieumaatschappij; Gelet op het voorwaardelijk gunstige advies van 5 mei 2009 van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij; Gelet op het voorwaardelijk gunstige subadvies van 26 mei 2009 van het Agentschap voor Natuur en Bos; Gelet op het voorwaardelijk gunstige advies van 26 mei 2009 van de afdeling Milieuvergunningen van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie; VII-37.567-8/31 Gelet op het voorwaardelijk gunstige advies van 2 juni 2009 van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie; Gelet op de ligging van de inrichting in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 maart 1977; Gelet op het feit dat de inrichting gelegen is op een afstand van: - circa 300 m van een woongebied met landelijk karakter; - circa 790 m van een woonuitbreidingsgebied; - circa 150 m van een natuurgebied; - circa 200 m van een parkgebied; Overwegende dat de toelaatbaarheid van hinderlijke inrichtingen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied op grond van een tweevoudig criterium moet worden getoetst: een planologisch, dat veronderstelt dat wordt nagegaan of de te vergunnen werken in overeenstemming zijn met de bestemming agrarisch gebied, en een esthetisch, dat inhoudt dat bedoelde werken in overeenstemming moeten kunnen worden gebracht met de eisen ter vrijwaring van het landschap; Overwegende dat het hier een mestbehandelingsinstallatie betreft van een beperkte schaal, niet gebonden aan één enke1 bedrijf, gelegen in agrarisch gebied; dat de beoogde co-vergistingsinstallatie een maximum tonnage van 12.000 ton inputmateriaal per jaar heeft; dat de maximale capaciteit op jaarbasis zal ingevuld worden door 5.420 ton mest, 230 ton gras en voederresten, 1.700 ton groenafval en 4.650 ton maïs die op de gronden van de exploitant geteelt wordt (energieteelt); dat bijgevolg 84 % van de stromen direct afkomstig zijn van land- en tuinbouw (45% mest en 39% maïs) ten opzichte van 16% stromen niet afkomstig van de land- en tuinbouw; dat een bedrijf dat landbouw- producten verwerkt tot een digestaat volgens de vermelde verhoudingen als para-agrarisch beschouwd kan worden; Overwegende dat bovendien het gras en de maïs geteeld worden op de gronden die behoren bij de exploitatie; dat maximaal 3.572 ton mest per jaar afkomstig is van de eigen runderen evenals de voederresten die dagelijks uit de eetbakken van de runderen verwijderd worden; dat bijgevolg voor de betreffen- de inrichting 8.452 ton van de input op jaarbasis afkomstig zal zijn van het eigen bedrijf, wat een eigen inbreng van 70% betekent; dat het dan ook een sterk bedrijfsgebonden activiteit betreft; dat de overige 3.548 ton op jaarbasis zal worden aangevoerd van derden; dat het groenafval enerzijds afkomstig zal zijn van een aantal tuinaanleggers uit de regio en anderzijds van het groenten- verwerkend bedrijf Moni; dat er tevens maximaal 1.848 ton mengmest per jaar door derden zal worden aangevoerd; dat het echter aangewezen is om op te leggen dat de landbouwgerelateerde stromen afkomstig moeten zijn van in de buurt gevestigde bedrijven, zijnde gelegen in een perimeter van 20 km rondom de inrichting; dat indien hieraan immers niet voldaan zou kunnen worden, de aangevraagde verwerkingscapaciteit van 12.000 ton op de betreffende locatie in vraag moet worden gesteld; dat het daarom opportuun is om dit als bijzondere voorwaarde in de vergunning op te leggen; Overwegende dat het aangewezen is om het ruimtebeslag zo beperkt mogelijk te houden; dat de vergistingstanks en het foliebassin voor de opslag van het digestaat zich voor een gedeelte (1 à 2 meter) onder de grond zullen bevinden; dat de installaties onmiddellijk zullen aansluiten bij de bestaande constructies; dat bijgevolg kan geconcludeerd worden dat het ruimtebeslag in voorkomend geval zo beperkt mogelijk zal gehouden worden; Overwegende dat de omgeving bestaat uit een heuvelend vrij homogeen agrarisch gebied met hier en daar verspreide landbouwbedrijven; dat zich kortbij de site enkele zonevreemde woningen situeren; dat het geen solitaire inplanting betreft; dat langs de wegen bomen of kleine bosjes voorkomen die het verder vrij open landschap, vooral gekenmerkt door weiden en akkers, VII-37.567-9/31 onderbreken; dat vooral ter hoogte van de site die begroeiing door bomen duidelijk aanwezig is, waardoor er geen open en vrij zicht vanaf de site op de wijde omgeving mogelijk is; dat het bijgevolg ook omgekeerd zo is dat de site door de daar voorkomende bomen visueel niet storend overkomt; dat daarom de toetsing naar de ruimtelijke en esthetische inpasbaarheid in het landschappe- lijk waardevol agrarisch gebied geen bezwaar oplevert; Overwegende dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat het beroep ingediend door derden betrekking heeft op de hernieuwing van de vergunning en de verandering door uitbreiding en wijziging van een rundveehouderij en vergistingsinstallatie; dat de argumenten onder meer gaan over de gevolgde procedure, het openbaar onderzoek, aspecten van ruimtelijke ordening, geurhinder en veiligheid; Overwegende dat de inrichting op het ogenblik van de vergunningsaanvraag nog vergund is voor een termijn verstrijkend op 1 september 2011, voor het exploiteren van een rundveehouderij met 170 runderen en een vergistingsinstal- latie; dat de exploitant met zijn aanvraag onder andere een uitbreiding beoogt van het aantal dieren en van de opslag van dierlijke mest tot een totaal van 252 runderen en 6.517 m³ mestopslag; dat er tevens een grondwaterwinning met een opgepompt debiet van 2.000 m³ per jaar wordt aangevraagd; dat verder een regularisatie wordt beoogd van bestaande activiteiten, die nog niet in de vergunning waren opgenomen; dat eveneens een aantal bijkomende klasse 3-inrichtingen worden aangevraagd; dat de exploitant ook van de gelegenheid gebruik wenst te maken om de vergunning voor de rundveehouderij en de biogasinstallatie te hernieuwen; Overwegende dat in een straal van 100 m rond de perceelsgrenzen een viertal vreemde woningen gelegen zijn; dat de dichtstbijzijnde woning in de Pangaardenstraat 2 zich op ongeveer 50 m ten noordoosten van de dichtste stal bevindt; dat deze woning gelegen is op circa 100 m van de vergistingsinstallatie en op circa 70 m van de silo's; Overwegende dat de stedenbouwkundige vergunning voor de vergistingsin- stallatie werd verleend bij besluit van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant op 14 oktober 2008, na een eerdere weigering door het college van burgemeester en schepenen van Ternat op 13 februari 2008; dat voorname- lijk om die reden de biogasinstallatie nog niet werd geplaatst; dat in onderhavi- ge aanvraag geen essentiële wijzigingen aan deze installatie worden aan- gevraagd; dat de emissies naar het milieu en de mogelijke hinder voor de omgeving al positief werden geëvalueerd naar aanleiding van de oorspronke- lijke milieuvergunningsaanvraag; Overwegende dat de co-vergistingsinstallatie een verwerkingscapaciteit heeft van maximaal 12.000 ton per jaar; dat de inputstromen anaëroob vergist zullen worden tot een gestabiliseerd digestaat; dat er voor de opslag van dit digestaat een foliebassin zal worden aangelegd met een inhoud van 4.092 m³; dat het digestaat zal aangewend worden op de eigen gronden binnen het kader van het huidig geldende meststoffendecreet; Overwegende dat bij de co-vergisting de volgende procédés worden aangewend: - anaërobe vergisting van de biomassa; - aërobe ontzwaveling van het geproduceerde biogas via luchtinjectie; - verbranding van het biogas in twee biogasmotoren; Overwegende dat de eigenlijke uitbreiding in onderhavige aanvraag het rundveebedrijf betreft; dat de veestapel zal uitgebreid worden met 82 runderen tot een totaal van 252 runderen, bestaande uit 91 melkkoeien, 63 runderen jonger dan 1 jaar, 51 runderen met een leeftijd tussen 1 en 2 jaar en 47 andere VII-37.567-10/31 runderen; dat de inrichting gelegen is in agrarisch gebied en voldoet aan de voorwaarden van afdeling 5.9.6 van titel II van het VLAREM; Overwegende dat op de inrichting een voldoende mestopslagcapaciteit van 2.425 m³ mengmest wordt voorzien voor de opslag over een periode van 12 maanden; Overwegende dat de uitbreiding van de veestapel zal opgevangen worden door een herschikking van de dieren in de bestaande stallen en de inrichting van een berging als stal voor jongvee; dat de bijkomende mestproductie integraal zal aangewend worden in de biogasinstallatie zonder stijging van de geplande capaciteit; Overwegende dat het melkvee gehouden wordt in een ligboxenstal; dat dit betekent dat de koeien vrij kunnen rondlopen en elk kunnen beschikken over een individuele slaap- of rustplaats; dat de koeien tweemaal per dag gemolken worden in de melkstal; dat deze melk meerdere malen per week wordt opgehaald; Overwegende dat conform artikel 5.28.3.2.1, §2, van titel II van het VLAREM een afwijking wordt gevraagd van de verplichting tot de aanwezig- heid van een geijkte weegbrug; dat alleen leveranciers die voorafgaandelijk zijn gaan wegen en beschikken over de nodige transportdocumenten toegang zullen krijgen tot de installatie; dat in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting drie weegbruggen aanwezig zijn; dat bij het aanvraagdossier de toelatingen voor het gebruik van deze weegbruggen, ondertekend door de respectievelijke eigenaars, werden gevoegd; dat bijgevolg deze vraag kan worden ingewilligd; Overwegende dat in de vergistingsinstallatie de dierlijke mest, het afval en de energieteelten in volledig afgesloten tanks zullen worden verwerkt; dat de installatie bestaat uit een hoofd- en navergister met beiden een inhoud van 1.205 m³; dat bij dit vergistingsproces geen luchttoevoer en -afvoer voorkomt; dat het proces plaatsvindt in gesloten reactoren, en de gevormde geurcompo- nenten in het biogas terechtkomen; dat deze bij de verbranding van het biogas geoxideerd worden, zodat in de verbrandingslucht nagenoeg geen geurcompo- nenten meer aanwezig zijn; dat mogelijke geuremissies bij vergistingsinstalla- ties vooral van voorbehandeling en nabehandelingsstappen komen, maar dat in deze inrichting de grondstoffen niet worden voorbehandeld en het digestaat niet wordt nabehandeld; Overwegende dat het opgevangen biogas wordt ontwaterd; dat samen met het water eveneens een deel van het H2S verwijderd zal worden; dat daarnaast het biogas op biologische wijze wordt ontzwaveld; dat er enkele procenten lucht ( Overwegende dat er moet voor gezorgd worden dat er bij een calamiteit met de verbrandingsmotoren of bij het onderhoud ervan, geen biogas kan ontsnap- pen naar de omgevingslucht; dat werd geopteerd voor het installeren van 2 motoren in plaats van één; dat als de installatie normaal functioneert slechts 75% van de totale capaciteit van de motoren nodig is; dat bij panne of onderhoud aan de ene motor, de andere motor met verhoogde capaciteit kan verder draaien; dat op deze manier zeker de helft van het geproduceerde gas op een normale manier nog kan verbruikt worden en dat de andere helft naar de opslag zal gaan; dat tevens de voeding van de vergisters zal aangepast of volledig stopgezet worden zodat de gasproductie terugvalt; dat de gasproductie en gasverbranding altijd op een zodanige manier op elkaar worden afgestemd dat de gasopslagcapaciteit in de vergisters zo hoog mogelijk is; dat in het ruim gedimensioneerde digestaatbassin van 4.092 m³ ook nog gas kan worden opgeslagen; dat dit bassin van april tot september zo goed als leeg zal zijn, maar VII-37.567-11/31 van oktober tot maart van leeg naar vol zal gaan; dat indien er een calamiteit zou gebeuren eind februari, het digestaat overgepompt kan worden van het bassin naar de kelder van de koeienstal; dat deze kelder niet wordt gebruikt als opslag omdat de drijfmest van de koeien direct naar de vergister wordt doorgepompt; Overwegende dat uit het voorgaande blijkt dat bij overproductie het biogas niet onverbrand moet worden geloosd en geen emissie van broeikasgassen wordt veroorzaakt; Overwegende dat de vaste grondstoffen voor de vergistingsinstallatie worden opgeslagen in sleufsilo's; dat de energiegewassen (maïs) en het gras worden afgedekt; dat de voederresten rechtstreeks van de voederbakken naar de vergistingsinstallatie worden overgebracht; dat het groenafval afkomstig is van de plaatselijke tuinaanleggers; dat de exploitant contracten afsluit met tuinaanleggers, zodat het steeds dezelfde leveranciers zijn die aanleveren en de samenstelling ervan bijgevolg constant is; dat in het aanvraagdossier wordt gesteld dat het groenafval zo spoedig mogelijk zal toegevoegd worden aan de vergistingsinstallatie; dat in de bestreden beslissing werd opgelegd dat het aangevoerde groenafval dagelijks moet worden afgevoerd naar de vergistingsin- stallatie en dat indien dit door omstandigheden niet mogelijk is, het groenafval moet overdekt worden; Overwegende dat de mest in de vergistingsinstallatie wordt gelost met behulp van een vacuüm snelkoppelingssysteem, waardoor er geen contact is van mest met omgevingslucht; dat het bassin voor het digestaat eveneens is voorzien van een afnamestation met snelkoppelingen; dat artikel 5.28.3.4.1, §1, van titel II van het Vlarem stelt dat het laden en lossen van mest dient te gebeuren in afgesloten ruimten, maar dat elke alternatieve methode met een gelijkwaardig of beter rendement om ammoniakemissie en hinder te voorkomen in de milieuvergunning kan worden toegelaten; dat in het verleden reeds werd bewezen dat dergelijke methode minstens als gelijkwaardig kan worden beschouwd; dat in de bijzondere voorwaarden van het bestreden besluit werd opgelegd dat ter voorkoming van bodemverontreiniging een lekbak of morsput aanwezig moet zijn ter hoogte van de koppelingsplaats; Overwegende dat de verluchting van de stallen gebeurt op natuurlijke wijze; dat geurhinder afkomstig van de rundveestapel verwacht wordt minimaal te zijn; dat in het verleden geen klachten met betrekking tot geurhinder tengevolge van de rundveehouderij bekend zijn; Overwegende dat een grondwaterwinning wordt aangevraagd met een opgepompt debiet van 2.000 m³ per jaar; dat er zich reeds een put voor grondwaterwinning op het bedrijf bevindt, die al een aantal jaren niet meer gebruikt wordt, tenzij in droogteperiodes in de zomer; dat de diepte van de put 22 m bedraagt; dat het grondwater grotendeels wordt aangewend als drinkwater voor de dieren; dat tevens een deel wordt gebruikt als reinigingswater voor de stallen wanneer er onvoldoende regenwater beschikbaar is; Overwegende dat op de inrichting een betonnen regenwaterkelder met de nodige filters en pompinstallatie voorzien is; dat de waterkwaliteit voldoende is voor het gebruik als drinkwater voor de dieren; dat momenteel niet alle beschikbare dakoppervlakken voorzien zijn van een regenwateropvang; dat zelfs indien alle dakoppervlakte zou benut worden, de hoeveelheid opgevangen regenwater nog niet toereikend zou zijn voor de globale waterbehoefte van het bedrijf; Overwegende dat volgens de BBT-studie voor de veeteeltsector daterend van 2006 de benodigde drinkwaterhoeveelheid voor melkvee varieert tussen 15,3 en 22,0 m³/dier/jaar; dat de drinkwaterbehoefte voor jongvee jonger dan 1 jaar gemiddeld 5,4 m³/dier/jaar bedraagt en voor jongvee van 1 tot 2 jaar oud tussen 5,4 en 8,7 m³/dier/jaar gelegen is; dat voor het andere rundvee de waterbehoefte varieert tussen 8,7 en 9,0 m³/dier/jaar; dat bijgevolg een reële drinkwaterbe- VII-37.567-12/31 hoefte van ongeveer 2.800 m³/jaar nodig is voor het gevraagde aantal dieren; dat het aangevraagde debiet voor de grondwaterwinning aanvaardbaar is voor de betreffende inrichting; Overwegende dat het huishoudelijk afvalwater afkomstig is van het sanitair van de bedrijfswoning van de exploitant; dat er op de inrichting 6 personen gedomicilieerd zijn, waardoor een lozing in een nabijgelegen gracht wordt aangevraagd met een debiet van 0,2 m³/u, 2 m³/dag en 180 m³/jaar onder rubriek 3.2 van de indelingslijst; dat tengevolge van de Vlaremwijziging van 23 juni 2008 die van kracht werd vanaf 1 augustus 2008 de lozing van minder dan 20 IE huishoudelijk afvalwater niet meer is ingedeeld; dat bijgevolg de aangevraagde rubriek 3.2 zonder voorwerp is; Overwegende dat de gemeente Ternat beschikt over een definitief zonerings- plan (BS 28 augustus 2008); dat volgens dit plan het bedrijf gelegen is in collectief te optimaliseren buitengebied zodat aan de voorwaarden van hoofdstuk 6 uit titel II van het VLAREM voldaan moet worden; Overwegende dat de opslagplaatsen uitgerust zijn met een rooster en de run-off van de kuilplaten wordt afgevoerd naar de bestaande mestkelders; dat de bestaande sleufsilo's ook voorzien worden van een rooster met afvoerleiding naar de mestkelders; dat het regenwater dat op de verhardingen terechtkomt, opgevangen wordt voor de bevochtiging van het substraat; Overwegende dat er geen bedrijfsafvalwater geproduceerd wordt door de biogasinstallatie; dat het regenwater dat terecht komt ter hoogte van de plaats waar de vrachtwagens de mest lossen rechtstreeks afgevoerd wordt naar de mestkelders; Overwegende dat het opgevangen biogas wordt ontwaterd door een leiding in de grond in te graven over een voldoende lange afstand; dat de waterdamp in het biogas condenseert onder de invloed van de lagere temperatuur en dat het condenswater wordt opgevangen in een condensput; dat het condenswater afkomstig van dit ontwateringsproces van het biogas wordt teruggestuurd naar de reactoren voor het bevochtigen van de ingebrachte stromen; Overwegende dat er ook een afvalwaterstroom afkomstig is van de melkwinning, meer bepaald van de reiniging van de melkinstallatie en van de melkkoeltank; dat het reinigingswater van de vloer van de ruimte waar de koeien gemolken worden alleen nutriënten van dierlijke mest bevat en bijgevolg rechtstreeks wordt opgevangen in de mestkelder onder de melkveestal; dat de reiniging van de melkinstallatie bestaat uit een voorspoeling, een hoofdspoeling en een naspoeling; dat het water van de voorspoeling via een speciale kraan in de mestkelder terechtkomt; dat het overige spoelwater werd geloosd op de riolering die uitmondt in de beek; dat de exploitant hiervoor niet over een vergunning beschikt; dat bij het plaatsbezoek van de adviesverlener van de afdeling Milieuvergunningen op 8 mei 2009 kon worden vastgesteld dat al het spoelwater nu wordt opgevangen in de mestkelders; Overwegende dat de mestkelders, de vergisters en de opslag van het digestaat waterdicht zijn uitgevoerd; dat lekkage van nutriënten naar het aquatisch milieu bijgevolg niet mogelijk is; dat alle afwatering van betonopper- vlakken die mogelijk bevuild zijn met organisch materiaal of nutriënten rechtstreeks naar de mestkelders loopt; dat in de bestreden beslissing als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd dat de nodige voorzieningen moeten getroffen worden om te verzekeren dat de silosappen van de vaste grondstofop- slag mee verwerkt kunnen worden in het productieproces en dit op een dergelijke wijze dat er geen verliezen naar het milieu mogelijk zijn; Overwegende dat volgens het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006 tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, de inrichting gelegen is in het 'Denderbekken' en het water afstroomt naar de Terlindenbeek; dat de inrichting niet gelegen is in overstromingsgevoelig gebied; VII-37.567-13/31 Overwegende dat het zuivere regenwater afkomstig van één stal en de loods wordt opgevangen in een betonnen waterkelder met een inhoud van 200 m³; dat het opgevangen regenwater onder meer wordt aangewend voor het sproeien van de akkers, het reinigen van de stallen, vloeren en machines, maar ook als drinkwater voor de dieren; Overwegende dat uit bovenvermelde overwegingen blijkt dat de vergun- ningsplichtige activiteit mits naleving van de opgelegde voorwaarden verenigbaar is met het watersysteem en dat er geen schadelijke effecten aan het watersysteem worden verwacht; dat er bijgevolg wordt voldaan aan artikel 8 van het decreet betreffende het integraal waterbeleid, meer bepaald de watertoets; Overwegende dat de exploitant jaarlijks een 50-tal tankwagens ontvangt met dierlijke mest van andere bedrijven die hun dierlijke mest moeten afzetten; dat er slechts een kleine hoeveelheid extra zal aangevoerd worden naar de inrichting, omdat de exploitant geen mengmest meer zal afnemen rechtstreeks op de akkers; dat deze aanvoer al vele jaren geschiedt en in het verleden niet tot overlast heeft geleid; Overwegende dat met de voorziene uitbreiding van het aantal runderen tot 252 een maximale hoeveelheid mengmest van 3.572 m³ per jaar geproduceerd wordt; dat echter niet alle standplaatsen het ganse jaar voor 100% bezet zijn, waardoor de gemiddelde productie van mengmest op jaarbasis 2.860 m³ bedraagt; dat rekening houdend met het in het aanvraagdossier voorgestelde vergistingsmenu dan gemiddeld nog 640 ton andere dierlijke mest moet worden aangevoerd; dat dit overeenkomt met 1 transport om de 2 à 3 weken in vacuüm tankwagens van 30 ton; dat het groenafval vers wordt aangevoerd en dat het gaat om 3 transporten per dag; dat de maïs en het gras van het eigen bedrijf een 6-tal dagen per jaar wordt aangevoerd; dat deze transporten gebeuren van maandag tot zaterdag van 8u00 tot 18u00; dat de Pangaardenstraat, waar zich naast de woning van de exploitant nog één andere woning bevindt, vlakbij de drukke Bodegemstraat is gelegen; dat kan gesteld worden dat toename van het verkeer door de beoogde installatie tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt; Overwegende dat de productie van biogas met een capaciteit van 450 m³/uur werd aangevraagd; dat de gasopslag boven de vergisters gebeurt onder een EPDM-membraan, dat tevens dienst doet als afdekking van de vergister; dat per vergister 250 m³ kan opgevangen worden; Overwegende dat bij het ontwerp van een vergistingsinstallatie voldoende rekening moet gehouden worden met de veiligheid; dat bij het gebruik van afdekzeilen op de vergistingstanks bij een ontbranding/ontploffing in de reactor de druk via het zeil weg kan gaan; dat het een kleinschalige installatie betreft; dat buiten een gescheurd zeil en digestaat dat uit de reactor wordt geworpen de veiligheidsrisico's beperkt zijn (BBT-studie voor mestverwerking, januari 2007); dat het EPDM-membraan bovendien om de 5 jaar preventief vervangen zal worden tijdens een groot onderhoud van de installatie; dat dit als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd; Overwegende dat er over het membraan een nylon net wordt aangebracht om stormbestendige gasopslag mogelijk te maken; dat er tevens onder de folie een controlesysteem is aangebracht om lekkage onmiddellijk te detecteren; Overwegende dat de Brandweerdienst van de gemeente Asse een brandpre- ventieadvies heeft opgesteld op 18 oktober 2005 met betrekking tot het plaatsen van deze biogasinstallatie; dat het een gunstig advies betreft op voorwaarde dat wordt voldaan aan alle opmerkingen in het verslag; dat het opportuun is de maatregelen voorgesteld in het brandweeradvies op te leggen als bijzondere voorwaarden; Overwegende dat gedurende de eerste periode er een technicus aanwezig is van de leverancier voor de controle en het toezicht bij de opstart van de VII-37.567-14/31 installatie; dat deze persoon opleiding geeft aan de exploitant; dat de installatie is uitgerust met de nodige regel- en meetapparatuur om de goede werking van de installatie voortdurend te controleren; dat er onmiddellijk moet worden ingegrepen wanneer een probleem met de biogasinstallatie optreedt; dat het om die reden belangrijk is dat er steeds iemand bereikbaar is wanneer een alarm of oproep van de opvolging van de biogasinstallatie gegenereerd wordt; dat het aangewezen is om dit op te leggen als bijzondere voorwaarde; Overwegende dat als bijkomende voorzorgsmaatregel wordt opgelegd dat de vergistingstanks beschermd moeten worden tegen mogelijke impact van manoeuvrerende vrachtwagens op het bedrijfsterrein: Overwegende dat gelet op het voorgaande het veiligheidsrisico van de installatie tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt; Overwegende dat de motoren zich in een geluidswerende omkasting bevinden; dat deze omkasting zorgt voor een dusdanige demping van het geluid dat het uitgestraalde geluid niet meer bedraagt dan 71 dB(A) op 1 m vrije veld conditie; dat deze nog eens geplaatst worden in een technisch lokaal, gebouwd in silicaatsteen van 19 cm, bezet met damwandpanelen om een extra geluidsiso- latie te voorzien; dat hierdoor een bijkomende geluidsdemping van 47 dB(A) wordt verwacht; Overwegende dat de mogelijke geluidshinder voor de buurt binnen aanvaardbare grenzen kan gehouden worden; Overwegende dat artikel 17, §3, l/, van titel I van het VLAREM bepaalt dat voor inrichtingen van de eerste klasse het openbaar onderzoek ook het schriftelijk ter kennis stellen omvat van de op de in artikel 5, §4 bedoelde lijst van de kadastrale eigenaars voorkomende eigenaars en de gebruikers van de gebouwen gelegen in een straal van 100 m rond de perceelsgrenzen van de inrichting; dat de beroepindieners, wonende in de Pangaardenstraat 3, beweren niet in kennis gesteld te zijn van het openbaar onderzoek en bijgevolg hun bezwaren niet hebben kunnen indienen en dat om die reden het openbaar onderzoek nietig zou zijn; dat de eigenaar van het perceel wel schriftelijk werd aangeschreven; dat indien de bewoners zelf geen kennisgeving zouden ontvangen hebben zij ook op andere manieren, zoals via de officiële aanplakbe- richten, op de hoogte konden zijn van de milieuvergunningsaanvraag; dat de bewoners van de Pangaardenstraat 3 deel uitmaken van een werkgroep, die zich verzet tegen de komst van de biogasinstallatie, en waarvan een aantal leden voor onderhavige aanvraag een uitgebreid beroepschrift hebben ingediend; dat beiden ook behoorden tot de verzoekende partij bij een verzoekschrift bij de Raad van State om de eerder verleende milieuvergunning te schorsen; dat het bijgevolg zeer onwaarschijnlijk is dat zij niet op de hoogte zouden zijn van de aanvraag; dat bovendien hun rechten voldoende gevrijwaard blijken, vermits zij tegen de in eerste aanleg verleende vergunning een beroep konden instellen; dat in hun eigen beroepschrift geen andere argumenten worden aangehaald; Overwegende dat het beroepschrift gewag maakt van een schending van de Europese Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001; dat dit argument ook werd aangevoerd bij het verzoek tot schorsen van de eerder verleende milieuvergunning, ingediend bij de Raad van State; dat dit middel in het arrest van de Raad van State nummer 177.640 van 6 december 2007 niet ernstig werd bevonden; dat meer bepaald op een algemene wijze wordt verwezen naar voornoemde Europese richtlijn 2001/42/EG en dat er geen precieze bepaling wordt aangeduid op grond waarvan de bewuste biogasinstallatie aan de MER-plicht onderworpen zou zijn; dat er op het eerste gezicht geen bepaling is op grond waarvan het project MER-plichtig zou zijn; dat er evenmin aan(ge)geven wordt op grond van welke concrete bepaling een plan-MER moest worden opgemaakt; dat de vergunning- verlenende overheid niet moet motiveren waarom zij bepaalde vereisten niet VII-37.567-15/31 oplegt indien die vereisten niet in een rechtsregel zijn gesteld en dat wat uit de wet voortvloeit niet expliciet moet worden herhaald in de beslissing; Overwegende dat volgens het dossier rubriek 2.2.3.b)3 'Opslag en biologi- sche behandeling van : groente-, fruit- en tuinafval (GFT), vergisting met of zonder methaanwinning' werd aangevraagd; dat het groenafval door de deputatie gecatalogeerd werd als bedrijfsafval en daarom bij rubriek 2.2.3.
  9. c)'Opslag en biologische behandeling van: compostering en vergisting, met of zonder methaanwinning van andere niet gevaarlijke afvalstoffen' werd ondergebracht; dat dit louter een technische herkwalificatie betreft en absoluut geen aanleiding geeft tot schending van het openbaar onderzoek; dat het eventueel verkeerdelijk aangeven van voormelde rubriek bij de aanplakking tot bekendmaking van de bestreden beslissing door de gemeente Ternat dan ook geen invloed heeft op de draagwijdte van de installatie; dat uit de argumentatie aangebracht in het beroepschrift blijkt dat er zeer goed kan worden ingegaan op de verschillende aspecten met betrekking tot de impact van de installatie; dat bijgevolg de zogenaamde onduidelijkheid van het voorwerp van de aanvraag niet kan worden ingeroepen; Overwegende dat bovendien bij de actualisering van het VLAREM, die op 1 maart 2009 van kracht werd, geen van beide voormelde rubrieken nog van toepassing zijn voor de inrichting; dat het groenafval nu valt onder rubriek 2.2.3.
  10. e)'Opslag en biologische behandeling van: vergisting van niet gevaarlijke afvalstoffen'; dat bijgevolg de aangevoerde argumentatie achterhaald is; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie mits strikte naleving van de milieuvergunningsvoorwaarden tot een aanvaard- baar niveau kunnen worden beperkt; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat de beroepen gedeelte- lijk gegrond te verklaren en de bestreden beslissing te wijzigen; BESLUIT: Artikel 1. De ontvankelijk bevonden beroepen van: • Mr. Matthias Hertego, Noorderlaan 30, 1731 Zellik, namens: - de heer Marc De Coster, Zierebeekweg 1, 1740 Ternat; - de heer Jean Gallant, Monnikstraat 6a, 1740 Ternat; - de heer Jan Lavers, Baron Liebaertstraat 8, 1740 Ternat; - de heer Flor Schoukens, Bodegemstraat 105, 1740 Ternat; - de heer Seraphinus Van De Cruys, Bodegemstraat 140, 1740 Ternat; - de heer Chris Van Schavendijk, Bodegemstraat 61, 1740 Ternat; • de heer Bruno Schoukens, Pangaardenstraat 3, 1740 Ternat; • mevrouw Jerika De Jonge, Pangaardenstraat 3, 1740 Ternat, aangetekend tegen het besluit nummer D/PMVC/08J2l/12104 van 12 februari 2009 van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant, houdende het verlenen van de milieuvergunning, voor een termijn verstrijkend op 12 februari 2029, aan de heer Rudy Bayens, Pangaardenstraat 2, 1740 Ternat, om een rundveehouderij, gelegen op hetzelfde adres, kadastergegevens, afdeling 1, sectie D, perceelnummers l96g, 196h en 196k, verder te exploiteren en te veranderen door wijziging en uitbreiding, met als voorwerp: • een vergistingsinstallatie voor methaanwinning met een maximale capaciteit van 12.000 ton/jaar, waarvan maximaal 5.420 ton mest, 230 ton gras en voederresten, 1.700 ton groenafval en 4.650 ton maïs (energieteelt), zodat op jaarbasis 84 % stromen zullen worden vergist die direct afkomstig zijn van de land- en tuinbouw (45 % mest en 39% maïs) en 16 % andere organische en biologische stromen zullen worden vergist; • het lozen van 180 m³/jaar huishoudelijk afvalwater; • stallen met plaatsen voor 252 runderen (91 melkkoeien, 63 runderen VII-37.567-16/31 • elektriciteitsproductie (2 generatoren), met een totaal elektrisch vermogen van 2 x 190 kW; • één transformator met een nominaal vermogen van 400 kVA; • het stallen van 18 landbouwmachines en hun aanhangwagens; • de opslag van 250 kg reinigingsproducten (melkmachine); • de opslag van 3.000 l mazout in een ingekuipte houder; • een brandstofverdeelinstallatie voor mazout met 1 verdeelslang; • de opslag van 1.965 m³ stro in een lokaal in agrarisch gebied; • de opslag van 6.517 m³ dierlijke mest bestaande uit 2.425 m³ mengmest en 4.092 m³ digestaat; • een inrichting waar dierlijke mest wordt bewerkt, met een bewerkingscapaci- teit op jaarbasis van 5.420 ton; • 2 vast opgestelde motoren met inwendige verbranding, met een nominaal vermogen van elk 200 kW; • een warmtewisselaar met een waterinhoud van de secundaire ruimte van 250 l; • de opslag van 4,6 ton melk in een koeltank; • de opslag van 4.434 m³ groenvoeders in sleufsilo's; • een grondwaterwinning met een maximum debiet van 2.000 m³/jaar, worden gedeeltelijk gegrond verklaard. Art. 2. De bestreden beslissing nr. D/PMVC/08J2l/12l04 van 12 februari 2009 van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant, houdende het verlenen van bovenvermelde milieuvergunning, aan de heer Rudy Bayens, Pangaardenstraat 2, 1740 Ternat, om een rundveehouderij, gelegen op hetzelfde adres, verder te exploiteren en te veranderen door wijziging en uitbreiding, wordt gewijzigd als volgt: - in artikel 1 wordt het tweede streepje geschrapt; - in artikel 1 wordt na het zesde streepje het volgende streepje tussengevoegd: '- de productie van 450 m³/uur biogas;'; - in artikel 4, §1, worden in de tabel de volgende rijen ingevoegd: V38 Gassen gemeenschappelijke bepalingen Afdeling 5.16.1 en bijla- ge 5.16.5. V39 Gassen - productie of omzetting van gas- Afdeling 5.16.1 sen - Aan artikel 4, § 2: Bijzondere vergunningsvoorwaarden worden de volgende voorwaarden toegevoegd: 5) De inrichtingen die landbouwgerelateerde stromen zullen aanleveren aan onderhavige installatie, moeten gelegen zijn binnen een perime- ter van 20 km rondom de inrichting. 6) Het EPDM-membraan wordt preventief minstens om de 5 jaar vervangen. 7) Alle maatregelen opgenomen in het brandpreventieadvies van 18 oktober 2005 van de brandweer van Asse betreffende het plaatsen van een biogasinstallatie, worden geïmplementeerd vóór de eerste ingebruikname van de installatie. Het betreffend advies maakt integraal deel uit van onderhavig besluit, en is als bijlage toegevoegd. Na het beëindigen van de werken wordt de brandweer uitgenodigd om een definitief verslag te kunnen opstellen. 8) De exploitant of een aangestelde is steeds bereikbaar in geval er een alarm of oproep van de opvolging van de biogasinstallatie gegene- reerd wordt. De alarmberichten van de installatie worden naar de GSM van 4 personen met kennis van de installatie in cascade gestuurd. Minstens 1 van deze 4 personen is een externe persoon. De VII-37.567-17/31 exploitant en zijn familieleden worden niet als externe persoon beschouwd. 9) De vergisters worden beschermd tegen mogelijke impact van manoeuvrerende vrachtwagens op het bedrijfsterrein. Art. 3. De overige bepalingen van het beroepen besluit worden bevestigd". IV. Tussenkomst 4. Met een op 23 november 2009 ter post aangetekend verzoekschrift vraagt Rudy Bayens om in het geding te mogen tussenkomen. Er is grond om dat verzoek in te willigen, wat betreft het administratief kort geding. V. Ontvankelijkheid van de vordering 5. De verwerende partij werpt twee excepties op. In een eerste exceptie wordt gesteld dat de beoogde schorsing geen nuttig effect kan hebben omdat de bestreden milieuvergunning actueel niet ten uitvoer kan worden gelegd door het feit dat tegen de stedenbouwkundige vergunning van 14 oktober 2008 een schorsend administratief beroep werd ingesteld. In een tweede exceptie wordt aangevoerd dat de verzoekers nalaten stukken neer te leggen waaruit de precieze afstand van hun woonst tot de vergunde inrichting blijkt. Beoordeling 6. Daar, zoals hierna zal blijken, niet voldaan is aan de grondvoor- waarde van het aanvoeren van ernstige middelen, is er in de huidige stand van het geding geen aanleiding om de excepties te beoordelen. VI. Onderzoek van de vordering 7. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de VII-37.567-18/31 onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 1. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 8. De verzoekers roepen in hun eerste middel de schending in van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet) en van het motiveringsbeginsel. De verzoekers betogen dat het bestreden besluit en het advies van de afdeling Milieuvergunningen uitgaan van een onjuiste voorstelling van de feiten door de biogasinstallatie te beschouwen als een vergunde inrichting die het voorwerp is van hernieuwing, terwijl de op 2 mei 2007 verleende vergunning voor de exploitatie van de biogasinstallatie vervallen is en er derhalve geen sprake kan zijn van een hernieuwing van de vergunning voor die installatie. Voorts stellen de verzoekers dat het verval van de milieuvergunning van 2 mei 2007 het gevolg is van het arrest van de Raad van State nr. 169.398 van 26 maart 2007 dat de overeenstem- mende stedenbouwkundige vergunning heeft vernietigd en dat uit de nieuwe stedenbouwkundige vergunningsaanvraag die de tussenkomende partij op 8 november 2007 heeft ingediend blijkt dat de exploitant verzaakt aan de aanvraag die tot de door de Raad van State vernietigde stedenbouwkundige vergunning heeft geleid. De verzoekers concluderen dat het bestreden besluit steunt op een verkeerd uitgangspunt. Beoordeling 9. In het bestreden besluit wordt overwogen dat "de inrichting op het ogenblik van de vergunningsaanvraag nog vergund is voor een termijn verstrijkend op 1 september 2011, voor het exploiteren van een rundveehouderij met 170 runderen en een vergistingsinstallatie". In het na het bestreden besluit tussengekomen arrest nr. 197.711 van 12 november 2009 heeft de Raad van State vastgesteld dat de milieuvergunning voor de vergistingsinstallatie, verleend bij besluit van de Vlaamse minister van VII-37.567-19/31 Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 2 mei 2007, van rechtswege vervallen is met toepassing van artikel 5, § 2, van het milieuvergunningsdecreet. Het verval van de voorheen verleende milieuvergunning voor de exploitatie van de biogasinstallatie lijkt prima facie geen relevantie te hebben voor de beoordeling van de wettigheid van het bestreden besluit. De tussenkomende partij heeft een milieuvergunningsaanvraag ingediend voor het verder exploiteren en veranderen van een rundveebedrijf; de vergistingsinstallatie staat niet op zichzelf maar is een aanhorigheid van dat bedrijf; het rundveebedrijf lijkt te moeten worden beschouwd als een bestaande, vergunde inrichting. Geen enkele bepaling van het milieuvergunningsdecreet of zijn uitvoeringsbesluiten lijkt er zich tegen te verzetten dat een vraag tot hernieuwing van een vergunde inrichting samengaat met een vraag tot verandering (uitbreiding) van dezelfde inrichting. In dergelijk geval zal de hernieuwing samen met de beoogde verandering het voorwerp uitmaken van één vergunningsbeslissing. Voor de appreciatie van de hinderlijkheid van de inrichting lijkt het in beginsel niet uit te maken of de inrichting voorheen vergund dan wel "nieuw" is. Te dezen tonen de verzoekers niet aan dat het feit dat de vergistingsinstallatie niet kan worden beschouwd als een voorheen vergund onderdeel van het rundveebedrijf, een verschil uitmaakt voor de beoordeling van de hinderlijkheid van de inrichting. Evenmin tonen zij aan dat het verval van de milieuvergunning van 2 mei 2007 van invloed is op de vergunbaarheid van de biogasinstallatie indien ze wordt aangemerkt als een verandering van een vergunde inrichting. Het eerste middel is niet ernstig. 2. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 10. De verzoekers roepen in hun tweede middel de schending in van artikel 5 van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : VII-37.567-20/31 Vlarem I), van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet en van het motiveringsbeginsel. De verzoekers betogen dat de vergunningsaanvraag een aantal gegevens bevat die foutief zijn en die er toe strekken het werkelijke voorwerp van de vergunning te omzeilen en dat het brandpreventieadvies van 18 oktober 2005, in tegenstelling tot hetgeen in de bestreden beslissing wordt beweerd, niet bij de beslissing werd gevoegd. In de toelichting bij het middel zetten de verzoekers uiteen dat de vergunningsaanvraag verschillende rubrieken bevat waarvan wordt aangegeven dat ze vergund zijn, dat de milieuvergunning van 2 mei 2007 echter vervallen is, dat derden-belanghebbenden hierdoor worden misleid, dat een handelwijze die er in bestaat in verschillende stappen de capaciteit te verhogen en een onjuist beeld te scheppen van de werkelijke aanvraag, strijdt met het doel van bescherming van de rechtsonderhorigen, dat het voor de verzoekers onmogelijk is geworden om een correct beeld te krijgen van de werkelijke omvang van de in te planten industrie, dat het niet voegen bij het vergunningsbesluit van het brandpre- ventieverslag van 18 oktober 2005 een duidelijke schending is van de motiverings- verplichting aangezien alle feitelijke elementen voor de rechtsonderhorige kenbaar moeten zijn en, ten slotte, dat de vergunningverlenende overheid geen rekening heeft gehouden met de hypothese dat de exploitant geen eigen runderen zal houden en zich voor het digestaat en de mengmest volledig laat bevoorraden door externe leveranciers zodat de motivering - waar zij stelt dat slechts een beperkt aantal vrachtwagens de aanvoer zullen verzorgen van de externe grondstoffen - onjuist en minstens niet afdoende is. Beoordeling 11. Wat de kritiek van de verzoekers inzake het voorwerp van de aanvraag betreft dient te worden opgemerkt dat de verzoekers niet concreet aantonen dat het voorwerp van de vergunningsaanvraag lopende de vergunningsprocedure werd gewijzigd of dat de verwerende partij vergunning heeft verleend voor zaken die initieel niet waren aangevraagd; wat betreft de vergistingsinstallatie volstaat het vast te stellen dat ze deel uitmaakt van de ingediende vergunningsaanvraag en dat, los van de vraag of dat inrichtingsonderdeel vergund is geweest of niet, het voorwerp van de aanvraag voldoende duidelijk leek opdat derden-belanghebbenden van hun bezwaarrecht gebruik konden maken. VII-37.567-21/31 12. De verwerende partij legt een afschrift van het bestreden besluit neer waar het brandpreventieverslag is aangehecht. Voorts lijkt de verplichting om de in het verslag voorgestelde maatregelen na te leven, voort te vloeien uit een bijzondere vergunningsvoorwaarde die de verwerende partij aan de tussenkomende partij heeft opgelegd, met name voorwaarde 7; die voorwaarde is dwingend voor de exploitant, zelfs indien door een materiële vergetelheid het verslag niet als bijlage bij de vergunning zou zijn gevoegd. 13. Voor het bepalen van de hoeveelheid mengmest die op het eigen bedrijf zal worden geproduceerd lijkt de verwerende partij rekening gehouden te hebben met een jaarlijks gemiddelde dat lager ligt dan de hoeveelheid bij een maximumbezetting van deze rundveestallen, hetgeen aannemelijk lijkt nu op dergelijk bedrijf niet alle vergunde standplaatsen op elk moment volledig bezet zijn. Voorts lijkt de verwerende partij geen rekening te moeten houden met de door de verzoekers gemaakte hypothese die niet in overeenstemming is met de gegevens van de aanvraag en diens bijlagen. Het tweede middel is niet ernstig. 3. Derde middel Uiteenzetting van het middel 14. De verzoekers roepen in een derde middel de schending in van artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : D.R.O.), van de artikelen 11.4.1, 15.4.6.1 en 19, derde lid, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna : inrichtingsbesluit), van het koninklijk besluit van 7 maart 1977 houdende vaststelling van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, van de motiveringsplicht en van de omzendbrief RO/2006/01 betreffende het afwegingskader en de randvoor- waarden voor de inplanting van installaties voor mestbehandeling en vergisting. Het bestreden besluit staat de vestiging en exploitatie van een biogasinstallatie voor de productie van elektriciteit op basis van mest, gras en maïs toe in landschappelijk waardevol agrarisch gebied op enkele tientallen meters van natuurgebied en op minder dan honderd meter van de woningen van de verzoekers. VII-37.567-22/31 Aldus worden de woningen en tuinen van de verzoekers op onduldbare wijze beroofd van uitzicht, rust en genot, worden hun gezinnen blootgesteld aan verscheidene soorten hinder en zal, ten slotte, de schoonheidswaar- de van het landschap worden aangetast. De verzoekers stellen dat de vergunningverlenende overheid bij de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening niet afdoende rekening houdt met de vereisten van artikel 15.4.6.1 van het inrichtingsbesluit en ertoe gehouden is de vergunning te weigeren, wanneer uit de gegevens van de zaak blijkt dat de ontworpen constructie kennelijk van aard is om overdreven hinder voor de buren te veroorzaken en dat de ontworpen constructie het evenwicht tussen de percelen met woningen van de verzoekers en het perceel waarop de biogasinstallatie zal worden ingeplant, op ernstige wijze verbreekt. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat de vergunningverlenende overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, noch dat zij die correct heeft beoordeeld, noch dat zij op grond daarvan in alle redelijkheid tot een besluit is kunnen komen of de uitvoering van de te vergunnen activiteit al dan niet schade toebrengt aan de goede ruimtelijke ordening. De aldus afgeleverde milieuvergun- ning is strijdig met het redelijkheidsbeginsel, doordat op ernstige wijze inbreuk wordt gemaakt op de rechtmatige woonsituatie van de verzoekers; de toekenning van de milieuvergunning moet in de gegeven omstandigheden dan ook worden aanzien als een kennelijk onredelijke beslissing. Voorts betogen zij, in essentie, dat de overheid de inplanting in het landschappelijk waardevol agrarisch gebied moet toetsen aan een dubbel criterium, een planologisch en een esthetisch, dat de toetsing aan het esthetisch criterium ter zake niet afdoende is gebeurd, dat zelfs indien men zou aannemen dat het betrokken project een mestbewerkingsinstallatie en mestverwerkingsinstallatie van beperkte schaal betreft, de vergunningverlenende overheid de ruimtelijke verenigbaarheid niet correct heeft onderzocht in het raam van de voornoemde omzendbrief RO/2006/01 en dat het bestreden besluit meer bepaald de onder punt 3.2.3 van voornoemde omzendbrief vermelde randvoorwaarden vanuit ruimtelijke ordening niet voldoende evalueert. Ten slotte benadrukken ze dat de vergunningverlenende overheid onvoldoende of geen aandacht besteed heeft aan het feit dat het bedrijf van de VII-37.567-23/31 aanvrager onvoldoende kan instaan voor een eigen inbreng voor de mestverwer- kingsinstallatie. Beoordeling 15. Artikel 4 van het D.R.O. luidt als volgt : "De ruimtelijke ordening is gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikke- ling waarbij de ruimte beheerd wordt ten behoeve van de huidige generatie, zonder dat de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden. Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Er wordt rekening gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Op deze manier wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit". De artikelen 11.4.1, 15.4.6.1 en 19, derde lid, van het inrichtings- besluit bepalen wat volgt : artikel 11.4.1 : "De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven. Gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt, mogen slechts opgericht worden op ten minste 300 m van een woongebied of op ten minste 100 m van een woonuit- breidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft. De afstand van 300 m en 100 m geldt evenwel niet in geval van uitbreiding van bestaande bedrijven. De overschakeling naar bosgebied is toegestaan overeen- komstig de bepalingen van artikel 35 van het Veldwetboek, betreffende de afbakening van de landbouw- en bosgebieden"; artikel 15.4.6.1 : "De landschappelijke waardevolle gebieden zijn gebieden waarvoor bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen. In deze gebieden mogen alle handelingen en werken worden uitgevoerd die overeenstemmen met de in grondkleur aangegeven bestemming, voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen"; artikel 19, derde lid : "De vergunning wordt evenwel, ook al is de aanvraag niet in strijd met het gewestplan of ontwerp-gewestplan, slechts afgegeven zo de uitvoering van de handelingen en werken verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening". VII-37.567-24/31 16. Op het eerste gezicht mag worden aangenomen dat een biogasin- stallatie waar mest en groenafval worden verwerkt dermate nauw aansluit bij de landbouw dat zij thuishoort in een agrarisch gebied, zeker nu bij de beoordeling van de vergunningsaanvraag mocht worden aanvaard dat de verwerkte mest grotendeels van het eigen bedrijf afkomstig zal zijn. Er kan dan ook van een schending van artikel 11.4.1 van het inrichtingsbesluit prima facie bezwaarlijk worden gewaagd. 17. Het bestreden besluit motiveert op gedetailleerde wijze waarom de inrichting verenigbaar is met het landschappelijk waardevol karakter van het gebied en geeft een nauwgezette beschrijving van de installaties en van de omgeving; het trekt de conclusie dat de inrichting verenigbaar is met het landschap- pelijk waardevol karakter van het gebied. Op het eerste gezicht blijkt niet dat de overheid uitgegaan is van onjuiste feitelijke gegevens of dat ze de gewestplanbe- stemming miskent. 18. Uit het bestreden besluit blijkt voorts dat de vergunningverlenende overheid de hinderaspecten niet onvoldoende heeft onderzocht of niet tot een kennelijk onredelijk besluit is gekomen. 19. Wat de omzendbrief RO/2006/01 betreft, dient er op gewezen te worden dat deze geen reglementaire draagwijdte heeft zodat het de overheid in elk geval vrijstaat er op een gemotiveerde wijze van af te wijken. Het is bovendien zeer de vraag of de afgeleverde vergunning wel indruist tegen deze omzendbrief. Punt 3.2.3 van voornoemde omzendbrief luidt als volgt : "3.2.3. RANDVOORWAARDEN VANUIT RUIMTELIJKE ORDENING Bij de beoordeling kunnen verder een aantal elementen van ruimtelijke ordening worden geëvalueerd, waarbij het oordeel in positieve dan wel in negatieve zin kan doorwegen. Die elementen betreffen vooral de kenmerken van de activiteit, het gebouw of de functie met betrekking tot de ruimtelijke impact die ze hebben. - concentratie van de installatie-onderdelen en/of gebouwen op zich en totale grondoppervlakte (gebundeld op een kleine oppervlakte dan wel verspreid over een groot terrein; relatie met de bebouwde percelen in de omgeving : vergelijk- bare terreinbezetting dan wel sterk afwijkend); VII-37.567-25/31 - gebouwenconfiguratie en materiaalgebruik op zich (aangepast aan gebouwen in de omgeving dan wel sterk afwijkend); - ruimtelijke nabijheid van andere agrarische inplantingen (gebundeld met veeteelt/tuinbouwbedrijven die toeleveren aan de installatie dan wel als enige tussen andere functies ofwel temidden van een nog open of onbebouwde ruimte); - landschappelijke inkleding en homogeniteit van de omgeving (ingepast in het landschap, met bijzondere aandacht in definitief door de Vlaamse regering aangeduide ankerplaatsen); - bijzondere waarden van de omgeving of nabijheid van specifieke bestem- mingsgebieden. In landschappelijk waardevolle agrarische gebieden moet aan vorige punten bijzondere aandacht worden besteed". De omzendbrief geeft aldus een aantal zeer algemene richtlijnen waaraan bijzondere aandacht moet worden besteed in landschappelijk waardevolle agrarische gebieden. Op het eerste gezicht blijkt niet dat de verwerende partij zomaar voorbij zou zijn gegaan aan de algemene beleidscriteria van die omzend- brief. Het derde middel is niet ernstig. 4. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 20. De verzoekers roepen in een vierde middel de schending in van artikel 23 van de Grondwet, van artikel 174 van het EG-Verdrag, van artikel 1.2.1, § 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna : milieubeleidsdecreet), van artikel 17 van het milieuvergun- ningsdecreet, van artikel 5, § 2, van Vlarem I, van artikel 4.1.2.1 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II), van de artikelen 2 en 3 van de motive- ringswet, van de verplichting voor de vergunningverlenende overheid om de milieuvergunning te weigeren indien blijkt dat de geplande installatie kennelijk overdreven hinder voor de buren zal veroorzaken waardoor de maat van de gewone ongemakken tussen de buren wordt overschreden en van het zorgvuldigheids-, het motiverings- en het redelijkheidsbeginsel, doordat het bestreden besluit de vestiging en de exploitatie toelaat van een biogasinstallatie op minder dan 100 meter van de woningen van sommige verzoekers, terwijl de geurhinder van deze installatie een overdreven hinder zal meebrengen voor hun woonsituatie, de externe veiligheid van VII-37.567-26/31 de geplande installaties niet is gewaarborgd, niet duidelijk is wat er met het bedrijfsafvalwater zal gebeuren en er geen gebruik wordt opgelegd door de vergunningverlenende overheid van de beste beschikbare technieken en er onvoldoende voorzichtig en preventief wordt opgetreden. De verzoekers zijn van oordeel dat er heel wat milieutechnische kanttekeningen bij het dossier te maken zijn. Daarom hebben zij het dossier laten doorlichten door erkende milieudeskundigen voor een kritische evaluatie. De bevindingen van de deskundigen worden integraal in het verzoekschrift overgeno- men. Vooreerst wordt omstandig ingegaan op de bijkomende geurhinder ingevolge de volgende stappen in het biogasproces : de aanvoer van coproducten, de voor- of nabehandeling, de opslag van het te vergisten materiaal, de verdere afwerking van het digestaat, het uitspreiden van het digestaat, kleine lekken, diffuse emissies, restemissies van verbrandingsgassen en het optreden van calamiteiten. De verzoekers besluiten dat het aanvraagdossier heel veel leemtes bevat met betrekking tot de geurproblematiek verbonden aan de biogasinstallatie, dat er al te gemakkelijk wordt gesteld dat er slechts in uitzonderlijke omstandigheden een kans op geurhinder is, dat uit de argumentatie blijkt dat de kans op abnormale geurhinder wel degelijk reëel is, dat de beroepen beslissing dan ook onvoldoende motiveert dat de geurhinder niet abnormaal is. Voorts voeren de verzoekers aan dat het milieuver- gunningsaanvraagdossier weinig of geen informatie inzake externe veiligheid bevat, dat de veiligheidsmaatregelen die worden voorgesteld, uitsluitend een aantal voor de hand liggende organisatorische maatregelen betreffen en dat uit het dossier op geen enkele wijze is af te leiden welke veiligheidsvoorschriften en procedures zullen worden gevolgd of aanwezig zijn bij de opstart en exploitatie van de installatie. De verzoekers geven voorts een technische uiteenzetting over de exploitatie van een biogasinstallatie en concluderend stellen zij dat het aanvraagdossier inzake externe veiligheid heel wat inhoudelijke leemtes vertoont. Nog voeren zij aan dat het bestreden besluit ervan uitgaat dat er geen bedrijfsafvalwater door de biogasinstalla- tie wordt voortgebracht, dat in het werkplan van de biogasinstallatie, gevoegd bij de milieuvergunningsaanvraag, nochtans wordt uiteengezet dat het biogas ontwaterd wordt door een leiding van minimaal een 80-tal meter in de grond te graven, dat het condenswater zou worden opgevangen in een condensput, dat noch het aanvraagdos- sier noch het bestreden besluit uitsluitsel geven over wat er met het opgevangen condenswater gebeurt en dat het in ieder geval een bron van bedrijfsafvalwater betreft. Aan de hand van een "Samenvattende tabel van gemeenten met aanvraag, al dan niet geweigerde, of gevestigde 'Biogas'- en 'Mestverwerkingsinstallatie'" VII-37.567-27/31 betogen de verzoekers dat het concept van biogasinstallaties in Vlaanderen verre van een onverdeeld succes is. Vooral de geurhinder verbonden aan dergelijke installaties zou een groot struikelblok zijn. In dat verband verwijzen zij naar artikel 1.2.1 van het milieubeleidsdecreet dat een aantal belangrijke beginselen van het Vlaamse milieubeleid bevat dat, onder meer, berust op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen. Zij stellen dat er twijfel bestaat of biogasinstalla- ties een normaal hinderpatroon met zich kunnen brengen, dat, gelet op de vele leemtes en de vele open vragen in het dossier, evenals de weinig hoopgevende resultaten inzake milieuoverlast van de functionerende installaties, deze twijfel rechtmatig is, dat het beter is een activiteit waar nog rechtmatige twijfel over bestaat, te weigeren dan een vergunning te verlenen, dat in die zin het bestreden besluit voornoemd artikel 1.2.1 van het milieubeleidsdecreet schendt, dat de adviesverlenende instanties een voorbehoud hebben geformuleerd bij het aanvraag- dossier of het zelfs ongunstig hebben geadviseerd, dat door de afwezigheid van een noodfakkel ook de beste beschikbare technieken niet worden toegepast en dat het bestreden besluit artikel 4.1.2.1 van Vlarem II schendt, en dat, waar in artikel 5, § 2, van Vlarem I duidelijk staat welke gegevens in de milieuvergunningsaanvraag moeten worden opgenomen, er nu alleen kan worden vastgesteld dat cruciale informatie om een correcte beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken, ontbreekt. Beoordeling 21. De Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, heeft in zijn arrest nr. 177.640 van 6 december 2007, dat de vordering tot schorsing tegen de milieuvergunning van 2 mei 2007 verwierp, eenzelfde middel niet ernstig bevonden op grond van de volgende overweging : "4.5.4. Overwegende dat de verzoekende partijen in essentie vragen dat de Raad van State zou over gaan tot een beoordeling van de verscheidene hinderaspecten; dat inzonderheid wordt gevraagd te onderzoeken of de bevindingen van de twee milieudeskundigen niet correcter zijn dan de bevindingen van de diverse adviesverlenende overheidsorganen waar de verwerende partij zich bij aansloot; dat de Raad van State zich daarover niet kan uitspreken, omdat hij zich hierbij zou mengen in een loutere opportuniteits- kritiek". Deze overweging lijkt onverkort te moeten gelden in de voorliggende zaak. VII-37.567-28/31 Het vierde middel is niet ernstig. 5. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel 22. De verzoekers roepen in een vijfde middel de schending in van de Europese richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's, van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet en van het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat de verwerende partij een milieuvergunning die werd verleend door de deputatie, grotendeels bevestigt terwijl het project niet wordt onderworpen aan een milieueffectenrapportage (MER) en de verwerende partij haar besluit geenszins motiveert waarom geen milieueffectenrap- portage zou zijn vereist. De verzoekers stellen dat krachtens voornoemde Europese richtlijn, alle plannen die worden voorbereid met betrekking tot landbouw, energie, afvalstoffenbeheer en ruimtelijke ordening of grondgebruik, aan een milieueffecten- rapportage moeten worden onderworpen, dat er geen twijfel kan over bestaan dat het beleid van de overheid inzake mestverwerkingsinstallaties moet worden gekwalifi- ceerd als een dergelijk plan, dat het geenszins opgaat dat concrete projecten voor mestverwerking kunnen worden aangevraagd en vergund nog vooraleer de overheid heeft voldaan aan haar prioritaire verplichting tot het opmaken van een plan-MER. De verzoekers wijzen er voorts op dat het huidige beleidskader volstrekt onvolkomen is en tegelijk een aantal "ongerijmdheden", die worden opgesomd, vertoont in relatie tot de voorliggende milieuvergunningsaanvraag. Beoordeling 23. De Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, heeft in voormeld arrest nr. 177.640 van 6 december 2007 hetzelfde middel niet ernstig bevonden op grond van de volgende overweging : "4.6.4. Overwegende dat de verzoekende partijen op algemene wijze verwijzen naar voornoemde Europese richtlijn 2001/42/EG; dat zij geen precieze bepaling aanduiden op grond waarvan de bewuste biogasinstallatie aan de MER-plicht zou zijn onderworpen; dat er op het eerste gezicht geen bepaling is op grond VII-37.567-29/31 waarvan het project MER-plichtig zou zijn; dat de verzoekende partijen evenmin aangeven op grond van welke concrete bepaling een plan-MER moest worden opgemaakt; dat de verwerende partij niet moet motiveren waarom zij bepaalde vereisten niet oplegt indien die vereisten niet in een rechtsregel zijn gesteld en dat wat uit de wet voortvloeit niet expliciet moet worden herhaald in de beslissing". Deze overweging lijkt onverkort te moeten gelden in de voor- liggende zaak. Het vijfde middel is niet ernstig. 6. Besluit 24. Uit de bespreking van de middelen volgt dat niet voldaan is aan één van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING 1. Het verzoek van Rudy Bayens tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd. 2. De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zestien februari tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Pierre Barra, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter VII-37.567-30/31 Elisabeth Impens Pierre Barra VII-37.567-31/31 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.938 Gerelateerde publicatie(
  11. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.217.682 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.