← België

Arrest 201010 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 17/02/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.010 Rolnummer: A. 164153/X-12404 Zaak: Arrest 201010 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 17/02/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-25 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-07-02 08:53 Fiche Arrest nr 201.010 van 17 februari 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 201.010 van 17 februari 2010 in de zaak A. 164.153/X-12.

  1. In zake: Lukas VAN HOVE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Steven Hooyberghs kantoor houdend te 2300 TURNHOUT Kasteelstraat 6 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Claude Marinower kantoor houdend te 2018 ANTWERPEN Consciencestraat 7 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  2. Het beroep, ingesteld op 11 juli 2005, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 3 mei 2005 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie houdende inwilliging van het beroep van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Westerlo tegen het besluit van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 22 april 2004 waardoor de door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Westerlo op 1 december 2003 aan de verzoeker afgegeven voorwaardelijke vergunning voor het verbouwen van een handelspand te Westerlo, Langestraat 29 a - b, kadastraal bekend sectie E, nr. 106/d, herleeft. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Barbara Speybrouck heeft een verslag opgesteld. X-12.404-1/11 De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 november
  4. Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Steven Hooyberghs, die verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Kelly Bosmans, die loco advocaat Claude Marinower verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Barbara Speybrouck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. Op 16 november 1995 beslist de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen “voetweg nr. 78” op een perceel aan de Langestraat 29 a - b te Westerlo, kadastraal bekend sectie E, nr. 106/d te verleggen naar de zijkant van dit perceel. 3.
  7. Op 3 maart 1997 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Westerlo aan François Den Abt een bouwvergunning onder voorwaarden voor “het uitbreiden van een bestaande winkel met woongelegenheid” op het voornoemde perceel. Het voornoemde perceel is volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 28 juli 1978 vastgestelde gewestplan Herentals-Mol gelegen in woongebied. Het is niet gelegen binnen een gebied waarvoor een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg bestaat, noch binnen het gebied van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. Uit het bij de vergunning horende plan blijkt dat een aanbouw achter het vooraan op het perceel gelegen hoofdgebouw en een achteraan gelegen X-12.404-2/11 bijgebouw zullen worden gesloopt en vervangen door een op het hoofdgebouw aansluitend gebouw, met dezelfde breedte van dit hoofdgebouw tot aan de achterbouwlijn van het voornoemde bijgebouw. Het bij de aanvraag horende bouwplan toont, buiten zeven aaneensluitende parkeerplaatsen achteraan op het perceel, vijf aaneensluitende parkeerplaatsen op een diepte tussen 5 en 17,5 meter achter de rooilijn, één parkeerplaats op een diepte tussen 32 en 37 meter en twee aaneensluitende parkeerplaatsen op een diepte tussen 44 en 54 meter. In het voornoemde besluit wordt als voorwaarde opgelegd “de naastliggende, verlegde, voetweg = sentier nr. 78 niet te versperren door geparkeerde wagens, opgeslagen goederen, enz.”. 3.
  8. Op 22 mei 2003 (datum van het ontvangstbewijs) dient de verzoeker bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Westerlo een aanvraag in voor “het verbouwen van een handelspand (van supermarkt tot eet- en drankgelegenheid)” op het voornoemde perceel. Het bij de aanvraag horende plan van de bestaande toestand toont dat de voornoemde vergunning niet werd uitgevoerd, maar dat het achteraan op het bouwperceel gelegen bijgebouw werd behouden en door een gang met een breedte van ongeveer 2 meter verbonden werd met een herbouwde aanbouw achter het hoofdgebouw. Op dit plan van de bestaande toestand staan geen parkeerplaatsen aangeduid. Het bouwplan met de aangevraagde werken toont een gebouw met een oppervlakte die vergelijkbaar is met het gebouw waarvoor op 3 maart 1997 vergunning werd gegeven evenals, buiten zeven aaneensluitende parkeerplaatsen achteraan op het perceel, drie aaneensluitende parkeerplaatsen op een diepte tussen 3 en 12,5 meter achter de rooilijn en vijf aaneensluitende parkeerplaatsen op een diepte tussen 26 en 50 meter. 3.
  9. Tijdens het openbaar onderzoek worden twee bezwaarschriften ingediend, waarin onder meer de onveilige verkeerssituatie wordt aangeklaagd die zal ontstaan omdat de auto’s die gebruik willen maken van de aangevraagde parking over de voetweg zullen moeten rijden. 3.
  10. Op 7 juli 2003 brengt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Westerlo een voorwaardelijk gunstig preadvies uit. X-12.404-3/11 3.
  11. Op 19 november 2003 adviseert de gemachtigde ambtenaar de aanvraag gunstig “onder de voorwaarden gesteld in het advies dd 07.07.2003 van het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Westerlo”. 3.
  12. Op 1 december 2003 beslist het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Westerlo een stedenbouwkundige vergunning onder voorwaarden te verlenen. Twee van de voorwaarden luiden als volgt: “6) de parking voor de autobus niet wordt aangelegd; 7) de parking voor personenwagens zodanig aan te leggen dat geen gebruik hoeft gemaakt te worden van de voetweg nr. 78 en dat de circulatie van de voertuigen uitsluitend kan gebeuren op zijn eigendom”. 3.
  13. Tegen die beslissing stelt de verzoeker beroep in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen. In zijn beroepschrift stelt de verzoeker: “Wij zijn niet akkoord betreffende de punten 6 en 7 en tekenen hiervoor beroep aan. Om onbegrijpelijke redenen heeft het schepencollege volgende punten aangestipt. Onbegrijpelijk vooral omdat nagenoeg hetzelfde schepencollege een nagenoeg identieke aanvraag amper 6 jaar eerder wel heeft goedgekeurd.(...)

(6)de parking voor de autobus mag niet aangelegd worden
(7)de parking voor personenwagens moet zodanig aangelegd worden dat geen gebruik hoeft gemaakt te worden van de voetweg nr. 78 en de circulatie van de voertuigen uitsluitend kan gebeuren op mijn eigendom. Wat deze beide punten betreft stellen wij vast dat het schepencollege met twee maten en twee gewichten werkt. Hierdoor verliezen wij 7 parkeerplaatsen en wordt er een verkeerprobleem gecreëerd dat wij trachten te vermijden. (het stilstaan v/d bussen op de openbare weg, tijdens het in en uitstappen v/d reizigers.) Voor het overgaan tot aankoop v/d pand hebben wij bestaande plannen en vergunningen opgevraagd, en het voorhanden zijn van 15 parkeerplaatsen heeft de doorslag gegeven tot aankoop v/d pand”. 3.
  1. Op 22 april 2004 willigt de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen het beroep in en wordt de vergunning verleend “overeenkomstig de voorgebrachte plannen; de voorwaarden met betrekking tot het niet aanleggen van een parking voor autobus en het beperken van de circulatie van voertuigen tot het eigendom van beroeper, worden geschrapt; de overige voorwaarden, opgelegd in het voormelde collegebesluit worden behouden”. X-12.404-4/11 3.
  2. Op 17 juni 2004 gaat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Westerlo bij de verwerende partij in beroep tegen de voormelde beslissing van de bestendige deputatie. 3.
  3. De gemachtigde ambtenaar stelt op 15 juli 2004 dat zijn voorwaardelijk gunstig advies van 19 november 2003 “blijft behouden”. 3.
  4. Op 3 mei 2005 willigt de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie het beroep van het college van burgemeester en schepenen in en wordt het besluit van 22 april 2004 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen vernietigd, zodat het besluit van 1 december 2003 van het college van burgemeester en schepenen van Westerlo houdende afgifte van de voorwaardelijke vergunning aan de verzoeker haar rechtskracht herneemt. Dit is het bestreden besluit waarin onder meer het volgende wordt overwogen: “Overwegende dat de twee voorwaarden die de gemeente wil opgelegd zien de parkeercapaciteit van het betrokken pand van 15 tot 7 terugbrengt; dat deze volgens de gemeente moeten verdwijnen omdat het perceel over een eigen zijdelingse toegangsmogelijkheid tot de achteringelegen parking dient te beschikken; dat anders bij bezetting van de kwestieuze zijdelingse staanplaatsen het in- en uitrijden moet gebeuren over de aanliggende voetweg nr. 78; Overwegende dat de aanvrager hierin een zeer ingrijpend verminderde aantrekkingskracht van zijn zaak ziet, en zich benadeeld acht waar in 1997 deze 8 parkeerplaatsen wel toelaatbaar waren; Overwegende dat deze bouwtoelating van 3 maart 1997 inderdaad autostaanplaatsen voorzag tot tegen de voetweg; dat deze vergunning evenwel vervallen is en dat zulke gemeentelijke individuele administratieve beslissing niet van aard is dat eruit rechten kunnen geput worden om 7 jaar later een gelijk aantal staanplaatsen te bedingen voor een evenwaardig bouwproject; Overwegende dat in maart 1997 de officiële omzendbrief van 20 oktober 1982 betreffende de eis om bij gebouwen parkeerplaatsen te scheppen, nog van kracht was; dat momenteel, bij ontstentenis van deze algemeen geldende richtlijn, het gemeentelijk niveau dé plaats is om een lokaal duurzaam en geïntegreerd verkeersbeleid te ontwikkelen; Overwegende dat deze officiële voetweg openbaar domein is en volledig onder de gemeentelijke bevoegdheid valt; dat ook bij verkavelingsaanvragen de gemeente autonoom over de zaak van de wegen beslist; dat de in hoger beroep uitspraak doende minister evenmin bevoegd is hierin tussen te komen; dat dan ook het feitelijk verbod van de gemeente om de voetweg voor autoverkeer open te stellen moet gehonoreerd worden; dat met andere woorden de beslissing van de bestendige deputatie onvolledig is en dat de twee kwestieuze voorwaarden moesten opgenomen zijn in de beslissing; dat het college van burgemeester en schepenen terecht hoger beroep heeft ingesteld”. X-12.404-5/11 IV. Onderzoek van het eerste, het tweede en het derde middel A. Uiteenzetting van het eerste, het tweede en het derde middel 4.
  5. In het verzoekschrift wordt als eerste, tweede en derde middel het volgende aangevoerd: “EERSTE MIDDEL : SCHENDING VAN DE MATERIËLE MOTIVERINGSPLICHT ALS ALGEMEEN BEGINSEL VAN BEHOORLIJK BESTUUR Eerste onderdeel : geen verval van de bouwvergunning van 3 maart 1997 Het bestreden ministerieel besluit overweegt dat de bouwtoelating van 3 maart 1997 inderdaad autostaanplaatsen voorzag tot tegen de voetweg, maar stelt dat deze vergunning vervallen zou zijn. Dit is onjuist. Vooreerst verduidelijkt de Minister niet waarom de bouwvergunning van 3 maart 1997 vervallen zou zijn. De bestreden beslissing poneert zonder meer het verval van deze vergunning, dit zonder bijkomende motivering waarom de bouwvergunning dan wel vervallen zou zijn. Vervolgens tonen talrijke feitelijke elementen aan dat er wel degelijk uitvoering werd gegeven aan de bouwvergunning van 3 maart
  6. • Ter plaatse zijn thans nog duidelijk lijnsporen waarneembaar van de kwestieuze parkeerplaatsen. Dit werd vastgesteld door gerechtsdeurwaarder Wilms: ‘Op de strook asfalt zijn sporen van lijnaftekening ter aanduiding van parkeerstroken zichtbaar.’ (...) De beschrijving, plaatsaanduiding en foto’s van de deurwaarder maken duidelijk dat het om de parkeerplaatsen gaat gelegen tegen de rechtse zijgevel van het gebouw, met andere woorden op de plaatsen waar in de bestreden beslissing de parkeerplaatsen worden geschrapt. • Op deze plaatsen hangt nog een oud bordje met als opschrift ‘PARKING ENKEL CLIENTEEL’ (...) Van een ander bordje met hetzelfde opschrift zijn de boorgaten in de muur nog zichtbaar. Op de foto’s gevoegd bij het schattingsverslag van 31 januari 2002 (...) zijn deze bordjes zichtbaar en staan er trouwens auto’s geparkeerd op de aangelegd parkeerplaatsen. • De vergelijking van de plannen gevoegd bij de bouwvergunning van 3 maart 1997 met deze gevoegd bij de huidige aanvraag toont aan dat aan de bouwvergunning van 3 maart 1997 wel uitvoering is gegeven. Het pand vóór de bouwvergunning van 3 maart 1997 heeft een veel geringere bouwdiepte dan het pand na deze bouwvergunning (...). Voor 3 maart 1997 bestond het gebouw enkel uit het oorspronkelijk gebouw opgetrokken in
  7. (...) • De vorige eigenaar, de heer Den Abt, bevestigt dat er wel degelijk uitvoering werd gegeven aan de plannen van 3 maart 1997, zij het niet volledig. (...) • De aanleg van de parkeerplaatsen werd enkel maar mogelijk door het verleggen van de buurtweg nr.
  8. Dit blijkt uit de verklaring van de vorige eigenaar Den Abt (...) en uit de bouwvergunning zelf van 3 maart 1997 (...) ‘2) de naastliggende, verlegde, voetweg = sentier nr. 78 niet te versperren door geparkeerde wagens, opgeslagen goederen, enz...’ Tevens blijkt de verlegging van de voetweg uit het opmetingsplan van landmeter J. Thys van 2 januari 1996, als bijlage gevoegd hij het schattingsverslag (...). X-12.404-6/11 De verlegging van de voetweg had als enige bedoeling het mogelijk maken van parkeerplaatsen langs de rechterzijde van het gebouw. • Vroegere klanten van de voedingszaak bevestigen eveneens dat de vorige eigenaar uitbreidingswerkzaamheden heeft uitgevoerd eind jaren ’90 en dat er parkeerplaatsen waren langs de rechterzijde van het gebouw. (...) Waar deze talloze elementen wijzen op de uitvoering van de plannen zoals vergund in de bouwvergunning van 3 maart 1997, maakt de bestreden beslissing een foutieve beoordeling, zowel in feite als in rechte. De motiveringsplicht vereist dat de motieven juist moeten zijn. Waar dit niet het geval is schendt de bestreden beslissing de motiveringsplicht. Tweede onderdeel : het karakter van de buurtweg nr. 78 De bestreden beslissing omschrijft de naastliggende wegenis steeds als voetweg nr.
  9. In feite gaat het om een buurtweg, conform de wet op de buurtwegen van 10 april 1841 in de atlas der buurtwegen opgenomen als buurtweg nr.
  10. Deze buurtweg werd ter gelegenheid van de bouwvergunning van 3 maart 1997 verplaatst zodat er langs het handelspand van destijds de heer Den Abt voldoende plaats kwam om 8 parkeerplaatsen aan te leggen. In concreto kwam deze verlegging erop neer dat de buurtweg enkele meters naar rechts is opgeschoven ter hoogte van het perceel van verzoeker. (...). De bestreden beslissing stelt dat op de buurtweg een feitelijk verbod geldt voor autoverkeer. Dit blijkt evenwel nergens uit. Uit het proces-verbaal van vaststelling (stuk 12) blijkt dat ter plaatse geen verkeersborden, paaltjes of andere aanduidingen met betrekking tot de buurtweg staan opgesteld. ‘Ook ter hoogte van de Langstraat worden geen verkeersborden, paaltjes of andere aanduidingen vastgesteld. Noch ter hoogte van de wegenis (...), noch komende vanuit het centrum van Westerlo-Tongerlo (...), noch komende uit de richting van Westerlo-Oevel (...) staan verkeersborden, paaltjes of anderen aanduidingen.’ (...) De buurtweg kan dan ook vanuit de Langstraat, ter hoogte van het pand van verzoeker, perfect door autoverkeer betreden worden. Er geldt geen verbod op autoverkeer. De naastliggende appartementen (gelegen rechts van het pand van verzoeker) kunnen trouwens toegang nemen tot hun garages via deze buurtweg.(...) Er ligt geen enkel besluit voor waaruit het verbod op autoverkeer zou blijken. Er bestaat dus geen feitelijk verbod tot het betreden van de buurtweg nr. 78 door autoverkeer. De Minister baseert zich dus op foutieve feitelijke gegevens. Het argument hierop gebaseerd is dus onjuist. Conclusie: Waar twee essentiële motieven van de betreden beslissing onjuist blijken te zijn, schendt deze de motiveringsplicht. Het eerste middel is gegrond TWEEDE MIDDEL: SCHENDING VAN HET ZORGVULDIGHEIDSBEGINSEL ALS ALGEMEEN BEGINSEL VAN BEHOORLIJK BESTUUR Uit de argumentatie uitgewerkt onder het eerste middel, blijkt dat de Minister zich gebaseerd heeft op foutieve feitelijke gegevens. De Minister had bij het nemen van de bestreden beslissing zich beter dienen te informeren omtrent de plaatselijke toestand. Hij heeft dit duidelijk niet gedaan met betrekking tot de uitvoering en rechtskracht van de bouwvergunning van 3 maart 1997 en evenmin met betrekking tot het karakter van de buurtweg nr.
  11. X-12.404-7/11 De Minister overweegt nochtans zelf in de bestreden beslissing dat de vergunningverlenende overheid de voorliggende vraag dient te evalueren aan de hand van de gebruikelijke inzichten en noden betreffende een goede aanleg der plaats (...). Door zich onvoldoende in te lichten over de plaatselijke toestand heeft de Minister zijn beslissing onzorgvuldig voorbereid. De bestreden beslissing schendt dan ook het zorgvuldigheidsbeginsel. DERDE MIDDEL: SCHENDING VAN HET RECHTSZEKERHEIDSBEGINSEL ALS ALGEMEEN BEGINSEL VAN BEHOORLIJK BESTUUR In zoverre het correct zou zijn dat de bouwvergunning van 3 maart 1997 vervallen zou zijn, betekent dit nog niet dat de vergunning verlenende overheid zomaar een beslissing kan nemen die tegenstrijdig is met een beslissing die zij eerder heeft genomen. Op 3 maart 1997 beoordeelt de vergunning verlenende overheid op basis van ‘de gebruikelijke inzichten en noden betreffende een goede aanleg van de plaats’ dat er 8 parkeerplaatsen kunnen worden aangelegd langs de rechterzijde van het handelspand. Meer nog, de gemeente gaat ermee akkoord dat de buurtweg nr. 78 wordt verlegd teneinde de aanleg van deze parkeerplaatsen mogelijk te maken. De buurtweg nr. 78 wordt immers nauwelijks gebruikt. Dit is op heden nog steeds zo. Dit blijkt onder meer uit de verklaring van de wijkagent (...). De situatie in de huidige aanvraag van verzoeker is ongewijzigd. Het gaat niet op dat ten aanzien van een andere burger de vergunning verlenende overheid een totaal tegenstrijdige beslissing neemt. Dit schendt de rechtszekerheid in hoofde van de rechtszoekende burger. Het gegeven dat er destijds een omzendbrief van 20 oktober 1982 van kracht zou geweest zijn, die thans niet meer van kracht zou zijn, verandert hier niets aan. Deze omzendbrief bepaalde immers niet dat de gemeente buurtwegen dient te verleggen en de kwestieuze parkeerplaatsen moest vergunnen. Zij bepaalde wel, dat in zoverre niet voldoende parkeerplaatsen werden voorzien, de aanvrager een retributie diende te betalen. Dit neemt niet weg dat de gemeente de beoordeling van de aanleg van de parkeerplaatsen toen op exact dezelfde manier diende te doen als in de onderhavige aanvraag. Bovendien heeft verzoeker, alvorens het pand aan te kopen, zich geïnformeerd bij de gemeentediensten. Er werd hem verzekerd dat alle 15 parkeerplaatsen vergund waren. Tenslotte dient in dit verband opgemerkt dat de Bestendige Deputatie de argumentatie van verzoeker op dit punt bijgetreden heeft. De bestreden beslissing schendt het rechtszekerheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Het derde middel is gegrond”. B. Beoordeling van eerste, het tweede en het derde middel 4.
  12. De verzoeker heeft op het bij zijn aanvraag horend plan van de bestaande toestand geen parkeerplaatsen aangeduid. Zoals bevestigd wordt in het laatstgenoemde plan en uitdrukkelijk overwogen in het beroepen besluit van de deputatie is aan de bouwvergunning van 3 maart 1997 “geen uitvoering gegeven”, maar werden er achter het hoofdgebouw andere bouwwerken uitgevoerd. De minister kon in het bestreden besluit wettig overwegen dat de bouwvergunning van 3 maart 1997 vervallen is. X-12.404-8/11 Het blijkt niet dat de verzoeker in zijn aanvraag, of op enig moment in de administratieve beroepsprocedure zou hebben aangevoerd dat de op 3 maart 1997 vergunde parkeerplaatsen werden aangelegd. Uit de gegevens van de zaak blijkt bovendien dat de inplantingsplaats van de door de verzoeker aangevraagde parkeerplaatsen verschilt van de inplantingsplaats van de parkeerplaatsen die op 3 maart 1997 werden vergund. De vergunningverlenende overheid beschikt over een appreciatiebevoegdheid die inhoudt dat de vergunningsaanvragen geval per geval worden beoordeeld, op grond van de concrete eisen inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw en rekening houdend met de tijdens het openbaar onderzoek ingediende bezwaarschriften. In het licht van de voorstaande gegevens slaagt de verzoeker er niet in de onwettigheid aan te tonen van de overweging in het bestreden besluit volgens welke de bouwvergunning van 3 maart 1997 “niet van aard is dat eruit rechten kunnen geput worden om 7 jaar later een gelijk aantal staanplaatsen te bedingen voor een evenwaardig bouwproject”. 4.
  13. Uit het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 16 november 1995 blijkt dat de betrokken buurtweg een voetweg is met een breedte van 1,6 meter. De overweging in het bestreden besluit dat “het feitelijk verbod van de gemeente om de voetweg voor autoverkeer open te stellen moet gehonoreerd worden” dient gelezen te worden als een verwijzing naar de voorwaarde die het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Westerlo in de stedenbouwkundige vergunning van 1 december 2003 heeft opgenomen om “de parking voor personenwagens zodanig aan te leggen dat geen gebruik hoeft gemaakt te worden van de voetweg nr. 78 en dat de circulatie van de voertuigen uitsluitend kan gebeuren op zijn eigendom”. Het betoog van de verzoeker inzake de afwezigheid van paaltjes en verkeersborden en zijn bewering dat de voetweg nauwelijks wordt gebruikt missen elke relevantie. 4.
  14. Het blijkt niet dat de verwerende partij in het bestreden besluit de aangevoerde beginselen zou hebben geschonden of zich zou hebben gesteund op foutieve gegevens. 4.
  15. Het eerste, het tweede en het derde middel zijn ongegrond. X-12.404-9/11 V. Onderzoek van het vierde middel A. Uiteenzetting van het vierde middel 5.
  16. In het verzoekschrift wordt als vierde middel het volgende aangevoerd: “UITERST ONDERGESCHIKT , VIERDE MIDDEL : MACHTSAFWENDING Hoger werd reeds het klimaat in de lokale gemeentepolitiek geschetst. Verzoeker is hiervan in casu duidelijk het slachtoffer. De gemeente neemt in de bouwvergunning van 3 maart 1997 een positieve beslissing ten aanzien van een politieke vriend terwijl zij op basis van identiek dezelfde gegevens op de huidige aanvraag een negatieve beslissing neemt ten aanzien van een politieke ‘vijand’. Het College van Burgemeester en Schepenen bezondigt zich hiermee aan machtsafwending. Waar de bestreden beslissing stelt dat de stedenbouwkundige vergunning van 1 december 2003 haar rechtskracht herneemt, steunt ze deze beslissing, die werd genomen met machtsafwending”. B. Beoordeling van het vierde middel 5.
  17. In beginsel is er slechts sprake van machtsafwending wanneer een overheid de haar door de wet met het oog op het bereiken van een bepaald oogmerk van algemeen belang gegeven bevoegdheid gebruikt om een ander doel na te streven en wanneer dat ander oogmerk het enige doel van de betrokken bestuurshandeling is. Uit de argumenten van de verzoeker blijkt geenszins dat aan die voorwaarden is voldaan. Overigens werden hiervoor de andere door de verzoeker aangevoerde middelen afgeleid uit de schending van de in die middelen genoemde wettelijke en reglementaire bepalingen niet gegrond bevonden. Er bestaat dan ook geen aanleiding toe om de zaak naar de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak te verwijzen. Het vierde middel is ongegrond. BESLISSING
  18. De Raad van State verwerpt het beroep.
  19. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. X-12.404-10/11 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien februari 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, met bijstand van Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Roger Stevens X-12.404-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.010 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.