id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.017 Rolnummer: A. 167733/X-12566 Zaak: Arrest 201017 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 17/02/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-25 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-07-02 08:53 Fiche Arrest nr 201.017 van 17 februari 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 201.017 van 17 februari 2010 in de zaak A. 167.733/X-12.566. In zake: de b.v.b.a. J.R. BEANS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Quirynen kantoor houdend te 2840 RUMST Molenstraat 137 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de deputatie van de provincieraad van ANTWERPEN --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 14 november 2005, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 4 augustus 2005 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen houdende, eensdeels, de verwerping van het beroep ingesteld door Joannes Boonen, namens de verzoekende partij, tegen het besluit van 24 januari 2005 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kontich waarbij de vergunning wordt geweigerd voor het uitbreiden van een serre en het verbouwen van een loods tot bedrijfswoning op een perceel gelegen te Kontich, Pierstraat 218, kadastraal bekend sectie A, nr. 195/X en, anderdeels, de weigering van de voormelde vergunning. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Pierrot T’Kindt heeft een verslag opgesteld. X-12.566-1/12 De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 januari 2010. Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Paul Quirynen, die verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord. Gehoord adjunct-auditeur Pierrot T’Kindt, daartoe gemachtigd bij besluit van 1 september 2009 van de adjunct-auditeur-generaal, in zijn andersluidend advies; Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Op 10 juni 1991 machtigt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kontich J. Boonen-Peeters om een tuinbouwbedrijf in bedrijf te stellen aan de Pierstraat 222 te Kontich. 4. Op 8 december 2003 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kontich aan de verzoekende partij de stedenbouwkundige vergunning voor het aanpassen van een loods en het aanbouwen van een serre tegenaan een bestaande serre op een perceel van het voornoemde tuinbouwbedrijf. In het in dit besluit geciteerde advies van de gemachtigde ambtenaar wordt onder meer gesteld dat er gegronde vermoedens zijn dat met de verbouwing van de loods een bijkomende woongelegenheid wordt nagestreefd. Het voornoemde perceel is kadastraal bekend als sectie A, nr. 195/X en is volgens het bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979 vastgestelde gewestplan Antwerpen gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Er X-12.566-2/12 bestaat voor dit perceel geen goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan, noch een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling. 5. Op 10 juni 2004 (datum van het ontvangstbewijs) vraagt de verzoekende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kontich een stedenbouwkundige vergunning strekkende tot, enerzijds, de regularisatie van het verbouwen van een loods tot bedrijfswoning en, anderzijds, het uitbreiden van een bestaande serre op het voornoemde perceel. 6. Tijdens het openbaar onderzoek over de aanvraag worden drie bezwaarschriften ingediend, waarin onder meer het volgende wordt gesteld: “Dhr. Boonen heeft al een bedrijfswoning die hij verhuurt, waarom nu nog een bedrijfswoning bouwen? Dhr. Boonen is op pensioengerechtigde leeftijd, en de 2 andere firmaleden hebben een full-time job. Nu wil hij zijn bedrijf nog uitbreiden? Is het bedrijf Beans leefbaar?”. 7. Op 14 juli 2004 geeft de afdeling Land - Antwerpen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap volgend advies over de aanvraag: “Afdeling Land heeft geen bezwaar tegen de uitbreiding van een klein serrecomplex op een klein onvolwaardig tuinbouwbedrijf. In verband met deze uitbreiding wordt tevens verwezen naar het advies van de afdeling Land dd. 23 september 2003 (kenmerk 59/1818/03). Voor de verbouwing van een tuinbouwloods naar bedrijfswoning wordt landbouwkundig standpunt een strikt ongunstig advies verstrekt. Het betreft in wezen een regularisatie aangezien de woongelegenheid reeds is ingericht. Het omvormen van een bedrijfsloods naar een bijkomende woning kan in agrarisch gebied niet toegestaan worden. Aangezien de woning reeds gedeeltelijk is ingericht is een strikt opvolgingsbeleid in deze aangelegenheid noodzakelijk”. 8. Op 7 januari 2005 geeft de gemachtigde ambtenaar een ongunstig advies over de aanvraag, waarin onder meer het volgende wordt gesteld: “De woning van de exploitanten van een landbouwbedrijf is toegelaten in agrarisch gebied voor zover deze deel uitmaakt van een leefbaar bedrijf. De leefbaarheid (economische rentabiliteit) van het bedrijf vormt een belangrijk gegeven bij de beoordeling van de werkelijke bedoeling van de aanvrager (...). De vergunningverlenende overheid moet immers nagaan of de agrarische bestemming die aan de constructies wordt gegeven ook effectief aanwezig (
- is)en of het gevraagde geen voorwendsel is om zonevreemde constructies vergund te krijgen. Voor de beoordeling van de leefbaarheid gelden de normen van de afdeling Land als richtinggevend (Ministeriële Omzendbrief betreffende de X-12.566-3/12 inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, 8 juli 1997, B.S. 23 augustus 1997). (...) De gemachtigde ambtenaar neemt t.a.v. bovenvermelde opmerkingen (...) het volgende standpunt: (...) Uit het advies van de afdeling Land blijkt dat het een onvolwaardig tuinbouwbedrijf betreft. Bijgevolg is een tweede bedrijfswoning onaanvaardbaar, daar niet wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld in de Ministeriële Omzendbrief van 8/7/1997 en latere wijzigingen. (...) Wat de uitbreiding van het bestaande serre-complex betreft, sluit de nieuwe constructie fysisch goed aan op de bestaande bedrijfsgebouwen en de bedrijfswoning. Dit nieuwe gedeelte, dat aansluit bij de bestaande serre, komt langs de noordwestelijke zijde tot op 2.00m van de perceelsgrens, welke ruimtelijk niet kan worden aanvaard en niet voldoet aan de vereisten van de goede perceelsordening. Daarnaast zijn de plannen nog steeds onduidelijk wat het waterreservoir betreft. De verklarende nota van de architect bevat onvoldoende elementen om hierin klaarheid te brengen. CONCLUSIE Uit het ongunstig advies van de afdeling Land dd. 14/07/2004 blijkt dat de verbouwing van de loods het inrichten van een tweede bedrijfswoning betreft bij een onvolwaardig bedrijf. De woning kan noch vanuit stedenbouwkundig noch vanuit landbouwkundig oogpunt verantwoord worden. De aanvraag brengt de goede ruimtelijke ordening in het gedrang. Wat betreft het uitbreiden van het bestaande serre-complex wordt niet voldaan aan de vereisten van een goede perceelsordening, zoals bovenvermeld. Daarnaast dient klaarheid te worden gebracht inzake het waterreservoir”. 9. Op 24 januari 2005 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kontich de gevraagde stedenbouwkundige vergunning, met verwijzing naar het ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar. 10. Nadat de verzoekende partij is gehoord verwerpt de verwerende partij bij besluit van 4 augustus 2005 het beroep van de verzoekende partij tegen de voornoemde weigeringsbeslissing. Dit is het bestreden besluit waarin onder meer het volgende wordt overwogen: “Volgens de omzendbrief van 8 juli 1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, is de afgifte van een bouwvergunning voor het oprichten van een nieuwe woning ondergeschikt aan de dubbele vereiste dat het een exploitantenwoning betreft en dat de woning bovendien fysisch geïntegreerd is in het geëxploiteerde bedrijf. Verder stelt de omzendbrief duidelijk dat de woning van de exploitanten van een landbouwbedrijf in agrarisch gebied is toegelaten, voorzover deze deel uitmaakt van een leefbaar bedrijf. Voor de beoordeling van de leefbaarheid gelden de normen van de afdeling Land als richtinggevend. Uit het advies afdeling Land dd. 23 september 2003 en dd. 14 juli 2004 blijkt dat het bedrijf in casu een klein onvolwaardig tuinbouwbedrijf betreft. De afdeling Land heeft strikt ongunstig advies verstrekt voor de verbouwing van de tuinbouwloods naar bedrijfswoning. Het standpunt van de gemachtigde X-12.566-4/12 ambtenaar kan worden bijgetreden dat het in wezen om het inrichten van een tweede bedrijfswoning gaat, aangezien de initiële bedrijfswoning zich reeds bevindt aan de Pierstraat nr. 222. De aanvraag kan niet verantwoord worden op basis van de huidige tuinbouwactiviteiten. Hoewel redelijkerwijs kan worden aangenomen dat beroeper als gepensioneerd landbouwer nog steeds (deeltijds) actief is, wordt het argument van beroeper niet weerhouden aangezien het ontegensprekelijk om een onvolwaardige nevenactiviteit gaat. Voorliggende aanvraag voorziet verder in het uitbreiden van het bestaande serrecomplex. Op dit punt hebben de plannen ten aanzien van de vorige aanvraag slechts een kleine wijziging ondergaan. De aanvraag is in overeenstemming met de planologische bestemming, maar dient getoetst op haar verenigbaarheid met de goede plaatselijke aanleg. Het gedeelte van de aanvraag met betrekking tot de verbouwing van de tuinbouwloods is niet in overeenstemming met de planologische bestemming, noch met de decretale en reglementaire bepalingen. Voor wat de uitbreiding van de bestaande serre betreft, is de aanvraag wel in overeenstemming met de planologische bestemming. II. VERENIGBAARHEID MET DE GOEDE RUIMTELIJKE ORDENING. De onverenigbaarheid van de aanvraag met de goede ruimtelijke ordening voor wat de verbouwing van de tuinbouwloods tot inpandige woonst betreft, blijkt uit deel I van dit besluit. De aanvraag voorziet verder in de uitbreiding van het serrecomplex. De nieuwe serre zal volgens het ontwerp aansluiten aan de achterzijde van de bestaande serre. De grondoppervlakte kan worden omschreven als een rechthoek met afmetingen van 72m40 op 19m20. De opmerking van de gemachtigde ambtenaar dat noch de verklarende nota van de architect, noch de plannen voldoende duidelijkheid bieden omtrent de bouwtechnische aspecten van de aanvraag, gelet op het feit dat de funderingselementen zich volgens het ontwerp in het bestaande waterreservoir zullen bevinden, kan worden bijgetreden. Bovendien is het hoogst ongebruikelijk het waterreservoir in de serre onder te brengen. Het reservoir verliest op deze wijze immers haar functionaliteit. De gemachtigde ambtenaar oordeelt verder dat het ruimtelijk niet aanvaardbaar is dat de op te richten serre langs de noordwestelijke zijde tot op 2 m van de perceelsgrens komt. De voorziene uitbreiding van de serre is niet in overeenstemming met de algemeen geldende stedenbouwkundige voorschriften. Volgens deze normen dienen landbouwbedrijfsgebouwen op een minimale afstand van 6 m van de perceelsgrenzen te worden ingeplant. De aanvraag brengt de goede perceelsordening in het gedrang. De aanvraag kan uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet aanvaard worden”. X-12.566-5/12 IV. Onderzoek van de middelen A. Het eerste middel Het aangevoerde eerste middel 11. In het verzoekschrift wordt als eerste middel het volgende aangevoerd: “schending van artikel 11.4.1. van het Koninklijk Besluit dd. 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp gewestplannen en gewestplannen. De Bestendige Deputatie besliste dat het gedeelte van de aanvraag met betrekking tot de verbouwing van de tuinbouwloods niet in overeenstemming is met de planologische bestemming, noch met de decretale en reglementaire bepalingen. Deze beslissing wordt gesteund op de vaststelling dat volgens het gewestplan Antwerpen de aanvraag zich situeert in landschappelijk waardevol agrarisch gebied, alwaar een stedenbouwkundige vergunning voor het oprichten van een nieuwe woning enkel zou kunnen indien het een exploitantenwoning betreft, deze fysisch geïntegreerd is in het geëxploiteerde bedrijf en dit bovendien een leefbaar bedrijf betreft. Met betrekking tot de leefbaarheid van het bedrijf van verzoekster oordeelde de Bestendige Deputatie, onder verwijzing naar het advies van de afdeling Land, dat het in casu slechts zou gaan om een klein onvolwaardig tuinbouwbedrijf en concludeerde: ‘De aanvraag kan niet verantwoord worden op basis van de huidige tuinbouwactiviteiten. Hoewel redelijkerwijs kan worden aangenomen dat beroeper als gepensioneerd landbouwer nog steeds (deeltijds) actief is, wordt het argument van beroeper niet weerhouden aangezien het ontegensprekelijk om een onvolwaardige nevenactiviteit gaat’. Artikel 11.4.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen stelt: ‘(...)Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijk(
- e)gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, (...)’. Er kan geen enkele betwisting over bestaan dat deze bepaling eveneens toepassing vindt op de landschappelijk waardevolle agrarische gebieden, zij het dan dat in deze laatste ruimere beperkingen kunnen van toepassing zijn uit hoofde van de landschapsbescherming of -ontwikkeling, en zoals door de verwerende partij reeds zelfs opgemerkt in de bestreden beslissing. Het tuinbouwbedrijf van verzoekster valt eveneens onbetwistbaar onder de noemer landbouwbedrijf, welk begrip in ruime zin dient te worden uitgelegd. (...) Blijkens de motivering van de bestreden beslissing heeft de Bestendige Deputatie de aanvraag van de stedenbouwkundige vergunning m.b.t. de verbouwing van de loods in beroep afgewezen om reden dat de huidige tuinbouwactiviteiten als onvolwaardige nevenactiviteiten worden beschouwd en het bedrijf van verzoekster slechts een klein onvolwaardig tuinbouwbedrijf X-12.566-6/12 zou zijn, zodat niet beantwoord zou zijn aan het criterium dat de beoogde bedrijfswoning een integrerend deel uitmaakt van een leefbaar bedrijf. De Bestendige Deputatie heeft hiermee echter een verkeerde interpretatie gegeven aan het begrip ‘leefbaar bedrijf’ in de zin van artikel 11.4.1. van het KB dd. 28 december 1972. Het begrip ‘leefbaar bedrijf’ mag niet in de economische zin worden uitgelegd, doch dient in een planologisch-stedenbouwkundig perspectief te worden geplaatst (...), zodat aan deze term de betekenis moet gegeven worden van ‘bruikbaar’ of ‘geschikt voor landbouwactiviteiten’. Het is in deze context geenszins vereist dat de aanvrager van een stedenbouwkundige vergunning moet kunnen bewijzen dat het bedrijven van landbouw zijn hoofdberoep is en dat daaruit voldoende inkomsten voor hemzelf en zijn gezin kunnen gepuurd worden. (...) Gelet op het feit dat de term ‘leefbaar’ niet in economische zin mag worden begrepen (en dus aspecten zoals rendabiliteit, opbrengst of winst niet relevant lijken te zijn), moet worden aangenomen dat de omvang van een bedrijf geen doorslaggevend criterium zal zijn bij de beoordeling van de leefbaarheid ervan. (...) Nu blijkens de motivering van de bestreden beslissing de Bestendige Deputatie het standpunt huldigt dat het bedrijf van verzoekster niet voldoet aan het leefbaarheidscriterium, daar het in casu zou gaan om een onvolwaardige nevenactiviteit en dus niet om een hoofdberoep, zij deze vereiste op foutieve wijze interpreteert en dan ook artikel 11.4.1. van het KB dd. 28 december 1972 schendt. Overigens wordt door de Bestendige Deputatie geenszins betwist dat de te vergunnen bouwwerken m.b.t. omvorming van de loods integrerend deel uitmaken van het bedrijf van verzoekster. Overwegende dat de bestreden beslissing dan ook ten onrechte stelt dat het gedeelte van de aanvraag met betrekking tot de verbouwing van de tuinbouwloods niet in overeenstemming is met de planologische bestemming, noch met de decretale en reglementaire bepalingen”. Beoordeling van het eerste middel 12. In zoverre de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord kritiek levert op de overweging in het bestreden besluit volgens dewelke de aanvraag een tweede bedrijfswoning betreft, geeft zij op onontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan haar middel. 13. Het middel bevat geen kritiek op de feitelijke vaststellingen in het bestreden besluit dat de aanvraag betrekking heeft op een tweede bedrijfswoning voor “een klein onvolwaardig tuinbouwbedrijf” waarop slechts “een onvolwaardige nevenactiviteit” wordt uitgeoefend. 14. Artikel 11, 4.1, eerste lid van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en gewestplannen (hierna: inrichtingsbesluit) bepaalt: X-12.566-7/12 “De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven. (...)”. Uit de aangehaalde bepaling blijkt dat in agrarisch gebied woningbouw niet toegelaten is, tenzij het de woning van de exploitant of een tijdelijke verblijfsgelegenheid betreft. Bovendien kan een woning of tijdelijke verblijfsgelegenheid slechts worden toegelaten indien deze hoort bij een leefbaar bedrijf, dit is een volwaardig agrarisch bedrijf. Voor de toepassing van het geciteerde artikel 11, 4.1, eerste lid van het inrichtingsbesluit dient de overheid, die op een bouwaanvraag op grond van deze bepaling beschikt, na te gaan of het uit stedenbouwkundig oogpunt wel om een werkelijk landbouwbedrijf gaat, met andere woorden of in redelijkheid kan worden aangenomen dat de betrokken bouwwerken wel degelijk een landbouwbestemming hebben. Aan de hand van de voorgelegde stukken dient de vergunningverlenende overheid er zich van te vergewissen of het voorliggende ontwerp geen voorwendsel is om een gebouw op te trekken dat niet in een agrarisch gebied thuishoort. 15. In het bestreden besluit spreekt de verwerende partij zich uit over de vraag of de tweede exploitantenwoning een integrerend deel uitmaakt van een leefbaar bedrijf. De correcte stelling dat het begrip “leefbaar bedrijf” niet uit puur economisch oogpunt mag worden getoetst, impliceert niet dat de vergunningverlenende overheid bij de beoordeling van de voornoemde vraag geen acht zou mogen slaan op de omvang van de agrarische activiteit van het bedrijf. Er anders over oordelen zou immers betekenen dat zelfs de geringste agrarische activiteit een exploitantenwoning zou verantwoorden. Het blijkt niet dat de verwerende partij het geciteerde artikel 11, 4.1, eerste lid van het inrichtingsbesluit onjuist zou hebben toegepast door de aanvraag voor een tweede exploitantenwoning te weigeren omwille van het feit dat het gaat om “een klein onvolwaardig tuinbouwbedrijf” waarop slechts “een onvolwaardige nevenactiviteit” wordt uitgeoefend. 16. Het eerste middel wordt verworpen. X-12.566-8/12 B. Het derde middel Het aangevoerde derde middel 17. In het verzoekschrift wordt als derde middel het volgende aangevoerd: “schending van artikel 3 van de Wet dd. 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, minstens van de ‘motiveringsplicht’ als beginsel van behoorlijk bestuur m.b.t. de beoordeling van vergunningsaanvraag voor de uitbreiding van de bestaande serre De Bestendige Deputatie oordeelde in de bestreden beslissing dat de aanvraag tot uitbreiding van het bestaande serrecomplex, alhoewel in overeenstemming met de planologische bestemming, uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet kan worden aanvaard. Deze beslissing wordt gesteund op de overweging dat de goede perceelsordening door de aanvraag in het gedrang zou worden gebracht doordat de op te richten serre langs de noordwestelijke zijde tot op 2 meter van de perceelsgrens komt, wat niet in overeenstemming zou zijn met de ‘algemeen geldende stedenbouwkundige voorschriften’ en volgens welke landbouwbedrijfsgebouwen op een minimale afstand van 6 meter van de perceelsgrenzen dienen te worden ingeplant. Verwerende partij maakt in de bestreden beslissing slechts gewag van de ‘algemeen geldende stedenbouwkundige voorschriften’, echter zonder dat deze ook maar enigszins worden gespecifieerd. Artikel 3 van de Wet dd. 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen bepaalt: ‘De opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Zij moet afdoende zijn.’ Daarenboven wordt algemeen aanvaard dat iedere beslissing van het bestuur op motieven dient te berusten die niet enkel in feite en in rechte aanwezig moeten zijn, doch die bovendien pertinent moeten zijn en de beslissing moeten verantwoorden. (...) De door de Bestendige Deputatie gegeven motivering bestaande uit een loutere verwijzing naar de ‘algemeen geldende stedenbouwkundige voorschriften’ is kennelijk niet afdoende en kan de bestreden beslissing geenszins verantwoorden. Ingevolge dat vaagheid van deze motivering is verzoekster immers niet in de mogelijkheid te achterhalen op welke voorschriften of bepalingen verwerende partij zich baseert. De formele motiveringsplicht zoals vervat in artikel 3 van de Wet dd. 29 juli 1991 heeft precies tot doel de bestuurde in kennis te stellen van de redenen die ten grondslag liggen aan de genomen bestuursbeslissing, zodanig dat deze in staat is om te oordelen of het zinvol is om daartegen op te komen met de ter beschikking staande rechtsmiddelen. (...) De loutere verwijzing naar algemeen geldende stedenbouwkundige voorschriften laat verzoekster niet toe deze beoordeling te maken. Verzoekster (...) vermoedt eveneens dat de door de Bestendige Deputatie gegeven motivering, en waarbij wordt gesteld dat landbouwbedrijfsgebouwen op een minimale afstand van 6 meter van de perceelsgrenzen dienen te worden X-12.566-9/12 ingeplant, foutief is en niet in overeenstemming met de ter plaatse geldende stedenbouwkundige voorschriften, van welke aard deze ook mogen zijn. Hierbij verwijst verzoekster naar een bij beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen van de Gemeente Kontich dd. 6 augustus 1990 afgeleverde bouwvergunning aan de Heer SCHEERS, waarbij deze wordt toegelaten tot het bouwen van een serre op minimum 2 meter van de perceelsgrenzen en dit eveneens aan de Pierstraat”. Beoordeling van het derde middel 18. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepalen dat eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd, dat in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moeten worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat deze afdoende moeten zijn. Artikel 6 van dezelfde wet bepaalt dat deze “slechts van toepassing (
- is)op de bijzondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorgeschreven, in zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen”. Uit een en ander volgt dat wat de motiveringsverplichting betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen een wet is van suppletoire aard. Het toentertijd geldende artikel 53, § 3 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: coördinatiedecreet), legt aan de bestendige deputatie en aan de Vlaamse regering, wanneer zij in beroep uitspraak doen over bouw- en verkavelingsaanvragen, een motiveringsverplichting op die niet minder streng is dan deze voorgeschreven door de wet van 29 juli 1991. Het bestreden besluit valt derhalve niet onder de toepassing van laatstgenoemde wet. Uit wat voorafgaat volgt dat de ingeroepen schending van de motiveringsverplichting geacht moet worden te zijn afgeleid uit de schending van artikel 53, § 3 van het coördinatiedecreet. 19. In het bestreden besluit treedt de verwerende partij het oordeel van de gemachtigde ambtenaar bij dat “het ruimtelijk niet aanvaardbaar is dat de op te richten serre langs de noordwestelijke zijde tot op 2 m van de perceelsgrens komt” en dat de aanvraag “niet in overeenstemming (
- is)met de algemeen geldende stedenbouwkundige voorschriften”, volgens welke “landbouwbedrijfsgebouwen op X-12.566-10/12 een minimale afstand van 6 m van de perceelsgrenzen (dienen) te worden ingeplant”. Aldus wordt aangegeven wat de inhoud is van de beleidslijn die de verwerende partij ten aanzien van landbouwbedrijfsgebouwen volgt en waarom daar in concreto niet aan wordt voldaan. De door de verzoekende partij uitgedrukte twijfel ten aanzien van de “juistheid” van de beleidslijn van de deputatie op grond van een verwijzing naar een door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kontich afgegeven vergunning laat niet toe een motiveringsgebrek in het bestreden besluit vast te stellen. Aangezien de bestreden stedenbouwkundige vergunning duidelijk de met de goede plaatselijke ordening verband houdende redenen opgeeft waarop de vergunningverlenende overheid haar beslissing steunt is voldaan aan de motiveringsplicht. 20. Het derde middel is niet gegrond. C. Het tweede middel 21. Het tweede middel is uitsluitend gericht tegen de overweging in het bestreden besluit met betrekking tot de onduidelijkheid omtrent de bouwtechnische aspecten van de aanvraag. Genoemde overweging is, ten opzichte van de in de andere middelen bekritiseerde motieven, een overtollig motief waarvan de eventuele onwettigheid niet tot de vernietiging van het bestreden besluit kan leiden. Het tweede middel is onontvankelijk. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. X-12.566-11/12 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien februari 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Roger Stevens X-12.566-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.017 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div