id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.020 Rolnummer: A. 195269/XII-6087 Zaak: Arrest 201020 - Overheidsopdrachten - 18/02/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-19 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-07-02 08:53 Fiche Arrest nr 201.020 van 18 februari 2010 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 201.020 van 18 februari 2010 in de zaak A. 195.269/XII-6087 In zake: de BVBA “ARCHITEKTENBURO AROS” bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Ghysels kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpsesteenweg 187 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de STAD HALLE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Lindemans en Jochen Honnay kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 21 januari 2010, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van : “- de beslissing van de Stad Halle van 30 november 2009 om de opdracht ‘Aanstellen van een ontwerper voor de Stedelijke werkplaatsen en het stedelijk recyclagepark’ toe te wijzen aan dbv-architecten, Prins Bisschopssingel 34/b3 te 3500 Hasselt; - de beslissing van de Stad Halle van 30 december 2009 om de opdracht ‘Aanstellen van een ontwerper voor de Stedelijke werkplaatsen en het stedelijk recyclagepark’, niet toe te wijzen aan Aros bvba”; II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 februari 2010, om 10.00 uur. Kamervoorzitter Dierk Verbiest heeft verslag uitgebracht. XII-6087-1\13 Advocaat Jan Ghysels, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Jochen Honnay, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Inge Vos heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De stad Halle schrijft een overheidsopdracht van diensten uit voor de aanstelling van een ontwerper voor de stedelijke werkplaatsen en het stedelijk recyclagepark. De opdracht wordt gegund volgens de procedure van de algemene offerteaanvraag. 3.
- Het ereloonpercentage van de architect wordt in het bestek geraamd op 8 % van de totale kostprijs van het project. 3.
- De opdracht blijkt te zijn bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen en in het Publicatieblad van de Europese Unie op respectievelijk 7 en 17 juli
- 3.
- Omdat blijkbaar verscheidene kandidaat-inschrijvers bij de stad Halle informeerden naar de kostenraming voor de bouw van de werkplaatsen en het recyclagepark deelt de stad Halle met een e-mailbericht van 5 augustus 2009 gericht volgens haar aan “alle inschrijvers” mee dat het bestek weliswaar geen melding maakt van een richtprijs omdat die afhankelijk is van het ingediende project, doch dat het project volgens een ruwe kostenraming wordt geschat op ongeveer 6,5 miljoen euro. 3.
- De verzoekende partij haalt het bestek pas af op 13 augustus
- Bij e-mail van diezelfde dag wordt haar dezelfde informatie betreffende de kostenraming meegedeeld als diegene die aan de andere kandidaat-inschrijvers was meegedeeld met voormeld e-mailbericht van 5 augustus
- XII-6087-2\13 3.
- Uit het proces-verbaal van de opening van de offertes van 11 september 2009 blijkt dat zes inschrijvers een offerte hebben ingediend, waaronder de verzoekende partij. 3.
- Op 7 oktober 2009 worden de offertes door de inschrijvers mondeling toegelicht op het stadhuis. 3.
- Op 30 december 2009 keurt het college van burgemeester en schepenen van de stad Halle het gunningsverslag goed. De opdracht wordt toegewezen aan dbv-architecten. 3.
- Bij aangetekend schrijven en e-mail van 7 januari 2010 wordt aan de niet gekozen inschrijvers, waaronder de verzoekende partij, meegedeeld dat hun offerte niet werd gekozen. Tevens wordt meegedeeld dat het bestuur een wachttermijn van 15 dagen in acht zal nemen. IV. De schorsingsvoorwaarden
- Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. V. Beoordeling van de tweede schorsingsvoorwaarde A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Wat de tweede van de in het voornoemde artikel 17 gestelde voorwaarden betreft, put de verzoekende partij een eerste middel uit de schending van “artikel 16 van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten gelezen in samenhang met artikel 115 van het koninklijk XII-6087-3\13 besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken, van het beginsel ‘patere legem quam ipse fecisti’, van het gelijkheidsbeginsel en het transparantiebeginsel en van het motiveringsbeginsel”. De verzoekende partij merkt op dat, hoewel in het uiteindelijke verslag van nazicht dienstig voor de beslissing van 30 december 2009 de budgettaire motieven bij het eerste gunningscriterium “visie/ontwerp” ten aanzien van de offerte van de verzoekende partij en van dbv-architecten zoals opgenomen in een eerder verslag voor een zitting van het college van 18 december 2009 niet worden hernomen, de score die de verzoekende partij en dbv-architecten behalen voor dit gunningscriterium ongewijzigd is gebleven. Wanneer in de loop van de administratieve procedure, een negatief of positief punt wegvalt waarmee eerder in het berekenen van de score rekening is gehouden, moet dit wegvallen een vertaling vinden in een verhoging respectievelijk een verlaging van de score. Zulks is niet gebeurd: een negatief punt voor de verzoekende partij werd weggelaten, een positief punt voor dbv-architecten, maar zulks had geen enkele impact op de scores. Aldus zouden de scores van de verzoekende partij en dbv- architecten niet op in feite juiste en in rechte pertinente motieven steunen en zou in het beoordelingsproces de transparantie en objectiviteit volkomen zoek zijn. Beoordeling 6.
- De verzoekende partij steunt haar middel op een vergelijking tussen een ontwerpversie van het gunningsverslag en het gunningsverslag dat effectief werd aangenomen door het college van burgemeester en schepenen. Aangezien de bestreden beslissing uitsluitend steunt op het aangenomen gunningsverslag, kan zo lijkt het, enkel met dit laatste gunningsverslag rekening worden gehouden. 6.
- Voorts kan de Raad van State zich wat betreft de appreciatie van de offertes aan de hand van de gunningscriteria niet in de plaats van het bestuur stellen en enkel nagaan of het daarbij de grenzen van de redelijkheid niet te buiten is gegaan. XII-6087-4\13 In dit verband dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partij voor het eerste gunningscriterium, -visie/ontwerp- 29,6/ 30 punten behaalt, welke score wordt gemotiveerd als volgt: “positief: - goed vooronderzoek en veel voeling met de werking van de stadsdiensten - duidelijk organigram - duidelijk gescheiden circulatie tussen bezoekers en verkeer op de site - goed overzicht over de site vanuit de burelen negatief: - gemengde circulatie van vrachtverkeer en personeel - zeer industrieel concept”. Dbv-architecten behaalt op dit criterium slechts 19,6 punten wat wordt gemotiveerd als volgt: “positief: - zeer goede uitbreidingsmogelijkheden - eenvoud en efficiëntie van het ontwerp negatief: - geen gescheiden circulatie op de site - de conciërgewoning heeft geen uitzicht over de gehele site - er zijn geen aparte containers voorzien voor het stadsmagazijn”. Op het eerste gezicht lijkt de verwerende partij aldus bij haar beoordeling in de bestreden beslissing en in het gunningsverslag van 30 december 2009 de grenzen van een redelijke beoordeling niet te buiten zijn gegaan. 6.
- Voorts behoort het tot de beoordelingsvrijheid van de aanbestedende overheid om de beoordelingsmethode van de gunningscriteria te kiezen, zij het dat die vrijheid wordt beperkt door beginselen van behoorlijk bestuur en door hetgeen zij zelf in het bestek eventueel heeft vooropgesteld. De verzoekende partij geeft nergens concreet aan om welke redenen de te dezen gehanteerde beoordelingsmethodiek niet rechtmatig zou zijn. Zij beperkt zich tot het stellen dat “in het bestek geen bijzondere beoordelingsmethode is voorzien” en geeft geen concrete kritiek op de wijze volgens dewelke in het gunningsverslag, waarop de bestreden beslissing steunt, de offertes zijn beoordeeld aan de hand van het betrokken gunningscriterium. 6.
- Het eerste middel is niet ernstig. XII-6087-5\13 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Een tweede middel is genomen uit de schending van “artikel 16 van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten gelezen in samenhang met artikel 115 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken, van het beginsel ‘patere legem quam ipse fecisti”’, van het gelijkheidsbeginsel, het transparantiebeginsel en van het motiveringsbeginsel, evenals het proportionaliteitsbeginsel”. In haar tweede middel betwist de verzoekende partij de beoordeling van het tweede, derde, vierde, vijfde en zesde gunningscriterium omdat telkens de puntenspreiding en quotering niet in verhouding zouden staan tot de verschillen tussen de offertes. Inzake de beoordeling van het tweede gunningscriterium “kostprijs” merkt zij op dat niettegenstaande de inschrijvers met het hoogste ereloonpercentage slechts een korting toekennen van 0,25 % zij hiervoor toch nog meteen 10 op 20 punten krijgen, terwijl de inschrijver met het laagste ereloonpercentage weliswaar 20 op 20 punten krijgt toebedeeld, maar wel met liefst 1,28 % korting. Dergelijke puntenspreiding staat niet in verhouding tot de verschillen tussen de offertes. Aangezien uit het verslag niet valt af te leiden op grond van welk systeem de verwerende partij dan wel tot haar schaalverdeling komt, mist de beoordeling volgens de verzoekende partij ook de nodige transparantie. Inzake de beoordeling van het derde gunningscriterium “duurzaam energiegebruik” merkt de verzoekende partij op dat de verwerende partij hierbij gebruik zou hebben gemaakt van niet in het bestek bepaalde criteria, meer bepaald criteria inzake duurzaamheid in het algemeen maar niet inzake duurzaam energiegebruik. Voorts zou ook hier het verschil in de quotering van de verzoekende partij (14 op 15 punten) en van dbv-architecten (15 op 15 punten) buiten verhouding zijn aangezien het ontwerp van de verzoekende partij voor alle gebouwen een isolatiewaarde K30 en een energiepeil E75 heeft, waarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen de gebouwen, terwijl het ontwerp van dbv-architecten “slechts een XII-6087-6\13 isolatiewaarde K30 en energiepeil E75 heeft, en dit enkel voor het kantoorgebouw en de woning”. Ook de puntentoekenning voor het vierde gunningscriterium “planning” (12,5/15 voor dbv-architecten tegenover 10 op 15 voor de verzoekende partij) zou disproportioneel zijn aangezien het negatieve motief “onduidelijkheid over de inclusiviteit van termijn inherent aan werken voor openbare besturen” bij de offerte van de verzoekende partij feitelijke grondslag zou missen. Inzake de beoordeling van het vijfde gunningscriterium “raming” merkt de verzoekende partij op dat uitsluitend haar offerte wordt vergeleken met de laagste raming zodat ten aanzien van de verzoekende partij aldus een criterium zou worden gehanteerd dat niet ten aanzien van de andere inschrijvers wordt gebruikt. Bovenal valt volgens de verzoekende partij op dat inzake het vijfde gunnings- criterium een berekeningsmethode wordt gehanteerd die klaarblijkelijk afwijkt van de methode voor de andere gunningscriteria: waar bij de beoordeling van het tweede gunningscriterium de minst voordelige inschrijver toch nog de helft van de punten krijgt toegekend, wordt voor het gunningscriterium “raming” de minst voordelige inschrijver slechts 1 op 10 punten toebedeeld, hetgeen de onderlinge verschillen uitvergroot. Daarnaast zou de motivering van de verwerende partij voor wat betreft dit gunningscriterium evenmin correct zijn nu in de motivering niets terug te vinden is over de wijze waarop de ramingen werden herwerkt naar een vergelijkbare basis, noch over de voorziene technieken en bijhorende subsidies. Bovendien zou ten onrechte zijn opgemerkt dat de kosten voor grondverzet en groenaanleg niet inbegrepen zijn in de raming van de verzoekende partij. Ten slotte zou ook de quotering voor het zesde gunningscriterium “kwaliteit” disproportioneel zijn nu de verzoekende partij en dbv-architecten dezelfde score (4,75/5) krijgen toebedeeld terwijl er tussen beide offertes wel degelijk een objectief verschil zou bestaan. De verzoekende partij verwijst daartoe naar de beoordeling van de paginanummering en de inhoudsopgave. Beoordeling 8.
- Onder verwijzing naar wat hiervoor -onder randnummer 6.
- - is opgemerkt over de beoordelingsvrijheid van de aanbestedende overheid, lijkt de verzoekende partij voor wat betreft het tweede gunningscriterium “kostprijs” uit het XII-6087-7\13 oog te verliezen dat zijzelf een ereloonpercentage van 7,6 % heeft geboden, nauwelijks lager dan de 7,75 % van dbv-architecten en aanzienlijk hoger dan de op dit punt laagste inschrijver (6,72% - thv Stabo-Arte). Aldus lijkt de verzoekende partij geen belang te hebben bij dit onderdeel van het middel nu de door haar nagestreefde beoordelingswijze lijkt te impliceren dat haar offerte op dit criterium eveneens beduidend lager zou moeten scoren en een andere inschrijver, de thv Stabo - ArTe, dan op het eerste gezicht de hoogste totaalscore zou hebben behaald. Het ereloonpercentage waarin de inschrijver dient te voorzien voor het uitvoeren van de gehele projectcoördinatie vormt binnen het tweede gunningscriterium een subcriterium, waaraan het bestek 20 punten toekent. In de technische bepalingen van het bestek wordt voorts vermeld dat het gemeentebestuur dit ereloon raamt op 8 %, doch dat de ontwerper hierop een korting dient te verlenen. Op het eerste gezicht lijkt het geen onzorgvuldige werkwijze om aan inschrijvers die een korting hebben aangeboden op het voorgestelde ereloonpercentage alsnog 10/20 punten toe te kennen en de punten vervolgens toe te kennen naar evenredigheid van het voorgestelde ereloonpercentage. Het argument van de verzoekende partij dat niet kan worden afgeleid op grond van welk systeem de verwerende partij tot haar schaalverdeling komt, is niet ernstig nu uit het verslag duidelijk lijkt te kunnen worden afgeleid dat werd uitgegaan van een minimumscore van 10/20 in de mate er een korting werd geboden ten opzichte van de raming en dat de erelonen vervolgens verhoudingsgewijs werden omgerekend naar de gegeven quotering. 8.
- Inzake de beoordeling van het derde gunningscriterium “concept duurzaam energieverbruik” lijken de motieven van de bestreden beslissing op het eerste gezicht wel degelijk betrekking te hebben op aspecten van duurzaam energieverbruik. Voorts heeft volgens het gunningsverslag het ontwerp van dbv- architecten een energiepeil E 60 -en niet E75-. Dit onderdeel van het middel mist bijgevolg feitelijke grondslag. 8.
- Wat betreft het vierde gunningscriterium “planning” dienden de inschrijvers volgens het bestek een visie en toelichting te geven op de planning en het verloop van het project. Tevens vermeldt het bestek de termijnen die richtinggevend zijn voor de deeltermijnen van de verschillende deelprojecten. Inzake de kritiek van de verzoekende partij dient op het eerste gezicht te worden vastgesteld dat zij betreffende de planning in haar offerte slechts 1 bladzijde XII-6087-8\13 opneemt waarin zij de besteksbepalingen in essentie herneemt en kortere termijnen voorstelt, zonder nadere toelichting. Dbv-architecten blijkt de planning daarentegen op 12 bladzijden te hebben toegelicht, waarbij bij de minimale planning telkens rekening wordt gehouden met het aspect “goedkeuring opdrachtgevend bestuur”. Bovendien bedraagt het verschil in puntentoekenning ondanks het voormelde verschil tussen beide offertes slechts 2,5 punten op 15 punten. Dit onderdeel van het middel is dan ook niet ernstig. 8.
- Inzake de kritiek van de verzoekende partij op de beoordeling van het vijfde gunningscriterium “raming” valt in de eerste plaats op te merken dat de vermelding in het gunningsverslag dat de raming van de verzoekende partij ongeveer “1/3 hoger ligt dan de laagste raming” een relevant motief lijkt om de score van de verzoekende partij voor het vijfde gunningscriterium te verantwoorden en dus geenszins als een “criterium” op zichzelf is te beschouwen. Voorts dient te worden vastgesteld dat de raming van de verwerende partij 6.500.000 euro bedroeg, de door de verwerende partij in haar nota geraamde gemiddelde kostprijs van de voorgestelde ontwerpen 7.854.499,68 euro, terwijl de verzoekende partij de kostprijs raamde op 8.816.711,20 euro. In het licht van deze gegevens toont de verzoekende partij op het eerste gezicht niet aan dat de puntentoekenning voor wat betreft dit gunningscriterium disproportioneel zou zijn. Het feit dat er een bredere waaier aan puntenverschil is bij het ene dan bij het andere gunningscriterium lijkt immers op zich niet te moeten leiden naar de vaststelling van een ondeugdelijk hanteren van de gunningscriteria. Daargelaten de vraag of grondverzet en groenaanleg al dan niet in de raming van de verzoekende partij zouden zijn inbegrepen, lijkt nergens uit de motivering te kunnen worden afgeleid dat de verwerende partij voor de quotering met dit aspect rekening zou hebben gehouden, zodat de kritiek van de verzoekende partij dienaangaande niet pertinent lijkt. Voor het overige lijkt op het eerste gezicht hetgeen in de nota wordt uiteengezet te kunnen worden aangenomen, namelijk dat de herwerking van de ramingen steunt op deugdelijke motieven en dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partij zich in dit middel niet beroept op een schending van de formele motiveringsverplichting. 8.
- Wat ten slotte de kritiek van de verzoekende partij op de beoordeling van het zesde gunningscriterium “kwaliteit” betreft, volstaat het vast te stellen dat het feit dat er tussen twee offertes objectieve verschillen bestaan als XII-6087-9\13 dusdanig niet belet dat zij globaal alsnog een gelijke score kunnen behalen. Voor het overige lijkt dit middelonderdeel op een deels kennelijk verkeerde lezing van het gunningsverslag te berusten. 8.
- Het tweede middel is in zijn geheel niet ernstig. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- Een derde middel wordt afgeleid uit de schending van “het algemeen rechtsbeginsel ‘patere legem quam ipse fecisti’, de uitdrukkelijke motiveringswet (wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen), en het motiveringsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur”. In een eerste onderdeel merkt de verzoekende partij op dat hoewel het bestreden besluit vermeldt dat er externe adviezen zijn ingewonnen, de strekking van deze adviezen niet wordt meegedeeld en dat noch in het bestreden besluit, noch in het verslag van de administratie wordt aangegeven in welke mate wel of niet met die adviezen werd rekening gehouden. In een tweede onderdeel stelt de verzoekende partij dat wanneer het bestuur in het bestek heeft beslist om hoorzittingen te organiseren zoals te dezen, het beginsel “patere legem” de overheid ertoe verplicht om minstens in de motivering aan te geven wat de resultaten zijn van deze hoorzittingen en hoe er met die hoorzittingen rekening werd gehouden bij het nemen van de beslissing. Beoordeling 10.
- In het gunningsverslag wordt onder het opschrift “externe adviezen” vermeld dat het gunningsverslag grondig werd overlopen samen met R. Timmermans (directeur grondgebiedzaken), A. Bogaerts (verantwoordelijke uitvoeringsdienst) en S. Bonhomme (diensthoofd milieu). Volgens de nota van de verwerende partij is de verwijzing naar “externe” adviezen een ongelukkige verwoording in het gunningsverslag, doch werden in werkelijkheid nooit “externe XII-6087-10\13 adviezen” geformuleerd. Dit middelonderdeel lijkt dan ook feitelijke grondslag te missen. 10.
- Voorts heeft de verwerende partij op 7 oktober 2009 een hoorzitting gehouden waarop de inschrijvers hun offerte konden toelichten zoals bepaald was in het bestek. Uit het administratief dossier blijkt ook dat zowel de quoteringen als de motiveringen van de individuele beoordelaars die werden gegeven naar aanleiding van voormelde hoorzitting de grondslag vormden voor de motivering en scores voor het eerste gunningscriterium “visie/ontwerp” in het gunningsverslag. Aldus lijkt de verwerende partij wel degelijk te hebben gehandeld in overeenstemming met het bestek. Aangezien de motieven worden hernomen in het gunningsverslag zelf, dat in de bestreden beslissing is geïncorporeerd, lijkt tevens aan de formele motiveringsverplichting te zijn voldaan. 10.
- Het derde middel is in zijn geheel niet ernstig. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
- In een vierde middel wordt de schending aangevoerd van “de artikelen 10 en 11 van de Grondwet”, “van de artikelen 2 en 3 van de uitdrukkelijke motiveringswet van 29 juli 1991” en van “het gelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel, het transparantiebeginsel en het proportionaliteitsbeginsel”. In een eerste onderdeel merkt de verzoekende partij op dat voor het tweede gunningscriterium “kostprijs” aan de bieders die het slechtste werden gerangschikt zonder meer de helft van de punten wordt toegekend. Deze wijze van beoordeling zou niet in het bestek zijn vastgesteld, noch worden gemotiveerd in het gunningsverslag of in de bestreden beslissing. Bovendien zou de motivering wat betreft alle inschrijvers hier identiek zijn en dus niet van aard om het verschil in punten te rechtvaardigen. Tevens zou de puntenverdeling niet proportioneel zijn. In een tweede onderdeel stelt de verzoekende partij vast dat voor de beoordeling van het tweede gunningscriterium in het gunningsverslag wordt gesteld dat de erelonen verhoudingsgewijs worden omgerekend naar de gegeven XII-6087-11\13 quotering, terwijl dergelijke omrekeningsmethode nergens in het bestek wordt vermeld, hoewel vereist door het transparantiebeginsel. Ook in het gunningsverslag en het bestreden besluit zou niet worden uitgelegd hoe die omrekening dan wel is gebeurd. Beoordeling
- In dit middel parafraseert de verzoekende partij grotendeels delen van haar tweede middel. Zoals daar reeds werd opgemerkt, lijkt zij voor wat betreft het tweede gunningscriterium uit het oog te verliezen dat zijzelf een ereloonpercentage van 7,6 % heeft geboden, tegenover 7,75 % voor dbv-architecten. Aldus is haar belang bij dit middel onzeker nu de door haar nagestreefde beoordelingswijze lijkt te impliceren dat haar offerte op dit criterium eveneens beduidend lager zou scoren en een andere inschrijver, namelijk de thv Stabo - ArTe, dan op het eerste gezicht de hoogste totaalscore zou hebben behaald. Ook werd bij het tweede middel reeds opgemerkt dat het geen onzorgvuldige werkwijze lijkt om aan inschrijvers die een korting hebben aangeboden op het voorgestelde ereloonpercentage alsnog 10/20 punten toe te kennen en de punten vervolgens toe te kennen naar evenredigheid van het voorgestelde ereloonpercentage. Voorts toont de verzoekende partij aldus niet aan dat de beoordelingsmethode die te dezen werd gehanteerd in strijd zou zijn met enig rechtsbeginsel. De verzoekende partij blijkt bovendien zelf haar voordeel te hebben gehaald uit de gehanteerde methode, zodat het belang bij haar grief niet lijkt vast te staan. Het feit dat de inschrijvers verschillende ereloonpercentages hebben voorgesteld lijkt tezamen genomen met de opmerking dat de erelonen verhoudingsgewijs werden omgerekend naar de gegeven quotering wel degelijk van aard om het verschil in punten te rechtvaardigen. Ten slotte lijkt de berekeningswijze wel degelijk uit het gunningsverslag af te leiden. Het vierde middel is niet ernstig. XII-6087-12\13
- Geen van de middelen is ernstig. Aldus is niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, die cumulatief moeten zijn vervuld wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. Deze vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 18 februari 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Dierk Verbiest XII-6087-13\13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.020 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.218.358 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.