← België

Arrest 201028 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 18/02/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.028 Rolnummer: A. 172157/X-12796 Zaak: Arrest 201028 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 18/02/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-01 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-07-02 08:54 Fiche Arrest nr 201.028 van 18 februari 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 201.028 van 18 februari 2010 in de zaak A. 172.157/X-12.

  1. In zake: Sandy VERDEYEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Cies Gysen kantoor houdend te 2800 MECHELEN Antwerpsesteenweg 18 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te 1000 BRUSSEL Boomstraat 14, bus 3 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  2. Het beroep, ingesteld op 18 april 2006, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 10 februari 2006 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen het besluit van 7 juli 2005 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant waarbij het beroep tegen het besluit van 30 maart 2004 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Tielt-Winge tot weigering van de stedenbouwkundige vergunning voor het aanbouwen van een veranda, berging en garage bij een woning aan de Berkendreef 3 te Tielt-Winge, kadastraal bekend sectie A, nrs. 178/k en 178/l, wordt ingewilligd. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. X-12.796-1/11 Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 januari
  4. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Thomas Ryckalts, die loco advocaat Cies Gysen verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Filip van Dievoet, die loco advocaat Michel van Dievoet verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten
  6. Op 11 mei 2001 (datum van het ontvangstbewijs) vraagt de verzoekster aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Tielt-Winge een stedenbouwkundige vergunning voor het “verbouwen bestaande woning”, aan de Berkendreef 3 te Tielt-Winge. Blijkens de bij die aanvraag horende beschrijvende nota betreft het voorwerp van de aanvraag “het verbouwen van een ééngezinswonng, open bebouwing. Woonvertrekken op het gelijkvloers en nachtgedeelte op de verdieping. Aanbouw van afdak”. Uit de bij de aanvraag gevoegde foto’s blijkt dat er zich tegen de achtergevel van de te verbouwen woning een aanbouwsel met golfplaten bevindt, dat volgens het plan ‘bestaande toestand’ bestemd was als berging, gang en keuken. X-12.796-2/11 Volgens de plannen betreft de aanvraag een verbouwing van dit aanbouwsel, alsmede een uitbreiding van de verdieping en een verhoging van de nokhoogte.
  7. Het perceel is, volgens het bij koninklijk besluit van 7 november 1978 vastgesteld gewestplan Aarschot-Diest, gelegen in agrarisch gebied. Het is niet gelegen binnen de grenzen van een goedgekeurd plan aanleg, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling.
  8. In zijn gunstig advies van 2 augustus 2001 kwalificeert de gemachtigde ambtenaar de aanvraag als het “verbouwen en uitbreiding van een bestaande woning”. Op 14 augustus 2001 verleent het college van burgemeester en schepenen de gevraagde stedenbouwkundige vergunning.
  9. Op 5 januari 2004 (datum van het ontvangstbewijs) vraagt de verzoekster aan het college van burgemeester en schepenen de stedenbouwkundige vergunning voor de “aanbouw veranda, berging + garage” aan voormelde woning. Bij de aanvraag zijn enkel foto's gevoegd van de achterzijde van de woning. In zijn ongunstig advies van 9 maart 2004 stelt de gemachtigde ambtenaar dat de bij besluit van 14 augustus 2001 vergunde werken “niet volgens vergunning werden uitgevoerd; de woning werd herbouwd, de configuratie van ramen en deuren werd gewijzigd, het dak werd met een steilere dakhelling uitgevoerd en er werden dakkapellen voorzien”. De gemachtigde ambtenaar besluit daaruit dat “het gebouw niet als een bestaand, vergund gebouw (kan) worden beschouwd” en dat “het regulariseren van een herbouwde zonevreemde woning, (...) in toepassing van artikel 195quinquies, niet meer (kan) worden vergund”. Op 30 maart 2004 weigert het college van burgemeester en schepenen de gevraagde stedenbouwkundige vergunning.
  10. In haar beroep bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant stelt de verzoekster dat het herbouwen en uitbreiden, in casu, wel mogelijk is omdat “de weigeringsgrond omwille van de niet volledige vergundheid van het gebouw, thans bovendien volledig wordt weggenomen door het DORO zelf”, vermits het thans volstaat dat het gebouw hoofdzakelijk vergund is of vergund wordt geacht. Op 7 juli 2005 willigt de deputatie verzoeksters beroep in. X-12.796-3/11 Bij de bespreking van de wettelijke en reglementaire voorschriften stelt de deputatie in dit besluit wat volgt: “In voorliggende aanvraag werd voor de verbouwing van de initiële woning een vergunning bekomen op 14 augustus
  11. Hoewel op de plannen de woning is weergegeven met een volsteense buitenmuur van 30cm, kan ter plaatse onomstotelijk worden vastgesteld dat een volledige nieuwbouw met spouwmuren werd gerealiseerd. Hooguit een gedeelte van de funderingen werden herbruikt. Rondom werd een vochtkering boven de fundering aangebracht en aan de ramen kan duidelijk het afzonderlijk buitenspouwblad vastgesteld worden. In geen enkele gevel is er trouwens een verbouwingsspoor af te lezen. Het staat vast dat het hier om een herbouw gaat, daar waar slechts een vergunning werd bekomen voor het verbouwen. Gezien deze initiële vergunning op een ingrijpende manier niet nageleefd werd kan enkel het verval van deze vergunning vastgesteld worden. Na herbouw kan zeker niet langer over een ‘hoofdzakelijk’ vergunde woning gesproken worden. De voorliggende aanvraag beoogt een uitbreiding aan een niet-vergunde herbouwde woning. Deze herbouw komt niet langer in aanmerking voor regularisatie. Art. 145bis omvat als voorwaarde voor herbouw dat de initiële woning op het moment van de aanvraag in hoofdzaak vergund is of wordt geacht vergund te zijn. Gezien er vandaag reeds enkel mogelijk funderingen zijn terug te vinden van de woning, kan er op het moment van een aanvraag geen niet-herbouwde woning meer aanwezig zijn, en kan de aanvraag niet voor vergunning in aanmerking komen. Een aanvraag tot uitbreiding van een niet-vergunde woning is niet vatbaar voor vergunning en in strijd met de planologische bepalingen voor het agrarisch gebied”. De deputatie willigt het beroep toch in omdat “de herbouwde woning als hoofdzakelijk vergund kan beschouwd worden gelet op de beroepsargumenten van de beroepsindiener. Er werd vergunning bekomen voor de verbouwing van de woning. De wijze waarop deze verbouwing en uitbreiding werd doorgevoerd doet niet wezenlijk afbreuk aan de aard van de werken of het vergund karakter van de woning”.
  12. In zijn beroep bij de bevoegde Vlaamse minister stelt de gemachtigde ambtenaar, wat volgt: “Mijn beroep wordt gemotiveerd als volgt: Op 14 augustus 2001 werd door het college van burgemeester en schepenen een stedenbouwkundige vergunning verstrekt voor het verbouwen en uitbreiden van de woning. De werken zijn niet uitgevoerd volgens de verstrekte vergunning. De woning werd volledig herbouwd ipv verbouwd. De aanvraag heeft geen betrekking op een bestaand vergund gebouw en is dus niet vatbaar voor vergunning. Hierbij verwijzen we naar het besluit van de bestendige deputatie: de bespreking van het dossier; Wettelijke en reglementaire voorschriften: ‘De voorliggende aanvraag beoogt een uitbreiding aan een niet-vergunde herbouwde woning. Deze herbouw komt niet in aanmerking voor X-12.796-4/11 regularisatie. Artikel 145bis omvat als voorwaarde voor herbouw dat de initiële woning op het moment van de aanvraag in hoofdzaak vergund is of wordt geacht vergund te zijn. Gezien er vandaag reeds enkel mogelijk funderingen zijn terug te vinden van de woning, kan er op het moment van de aanvraag geen niet-herbouwde woning meer aanwezig zijn, en kan de aanvraag niet voor vergunning in aanmerking komen. Een aanvraag tot uitbreiding van een niet-vergunde woning is niet vatbaar voor vergunning en is strijdig met de planologische bepalingen voor het agrarisch gebied.’ Verder in het besluit wordt het standpunt ingenomen dat de herbouwde woning als hoofdzakelijk vergund kan beschouwd worden. Hierbij wordt een verbouwing gelijkgesteld met een herbouw. In het artikel 145bis van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen verbouwen en herbouwen, waarbij verschillende voorwaarden worden voorzien. Bij herbouw is ook artikel 100 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening van toepassing. Op een stuk grond, gelegen aan een weg die gelet de plaatselijk toestand onvoldoende is uitgerust, kan geen stedenbouwkundige vergunning worden verleend voor het bouwen van een woning. Door het ontbreken van een goede wegfundering (putten in de weg) en de begroeiing kan de bestaande asfaltbestrijking niet aangeduid worden als een duurzaam verharde weg. De aanvraag heeft geen betrekking op een bestaand vergund gebouw en voldoet niet aan de voorwaarden van artikel 145bis van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, gewijzigd 26/4/2000, 19/07/2002, 21/11/
  13. Alle motieven waarop dit beroep rust zijn in dit beroepschrift opgenomen. Bij dit beroepschrift zijn geen bijlagen gevoegd (toelichtingen of memories). Heden geef ik ook kennis van dit beroep aan de belanghebbende, de heer Provinciegouverneur en het college van burgemeester en schepenen van de bouwplaats”.
  14. Op 10 februari 2006 wordt de thans bestreden beslissing genomen waarbij het beroep van de gemachtigde ambtenaar wordt ingewilligd. IV. Onderzoek van de middelen Vierde middel Standpunt van de verzoekster
  15. De verzoekster voert de schending aan van artikel 53, § 2, tweede lid, 1/ van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet). Zij betoogt dat de verwerende partij ten onrechte het beroep van de gemachtigde ambtenaar ontvankelijk heeft verklaard omdat de gemachtigde ambtenaar in zijn beroepschrift verwijst naar het besluit van de bestendige deputatie maar dit besluit evenwel “niet werd toegevoegd aan het beroepschrift, X-12.796-5/11 niettegenstaande het kennelijk gaat om een bijlage ‘opgesteld ter ondersteuning van het beroep’ die integrerend deel uitmaken van het beroepschrift en dus - overeenkomstig artikel 53, § 2, lid 2, 1/ DRO - op straffe van nietigheid aan het beroepschrift hadden moeten worden toegevoegd”. Beoordeling
  16. Het toentertijd geldende artikel 53, § 2, tweede lid, 1/ van het gecoördineerde decreet bepaalde dat “de kennisgeving aan de aanvrager minstens bevat: 1/ op straffe van nietigheid een afschrift van het beroepschrift, waaruit blijkt op welke datum het beroep werd ingesteld en welke de redenen zijn waarop het beroep is gegrond, met eventuele bijlagen, opgesteld ter ondersteuning van dit beroep en die er een integrerend deel van uitmaken”.
  17. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de gemachtigde ambtenaar in zijn beroepschrift tweemaal uitdrukkelijk stelt dat hij geen bijlagen heeft gevoegd. In zijn kennisgeving aan de verzoekster en haar raadsman deelt hij “de inventaris (mee) van de overige stukken die enkel aan de Vlaamse Regering werden toegezonden”. Uit het beroepschrift van de gemachtigde ambtenaar en de mededeling ervan aan de verzoekster blijkt derhalve dat de gemachtigde ambtenaar geen bijlage heeft “opgesteld ter ondersteuning van dit beroep en die er een integrerend deel van (uitmaakt)” zoals bedoeld in het voormelde artikel 53, § 2, tweede lid, 1/ van het gecoördineerde decreet, maar enkel een “inventaris van de overige stukken die aan de Vlaamse regering en niet aan de aanvrager worden toegezonden” als bedoeld in artikel 53, § 2, tweede lid, 2/ van het gecoördineerde decreet. Het kwestieuze besluit van de bestendige deputatie is één van de overige stukken bedoeld in artikel 53, § 2, tweede lid, 2/ van het gecoördineerde decreet dat overigens door het laatstgenoemde bestuur aan de verzoekster “aangetekend met ontvangstbewijs” werd toegestuurd. Het feit dat de gemachtigde ambtenaar verwijst naar dit laatste besluit, doet aan de voorgaande vaststellingen geen afbreuk. Het middel is ongegrond. X-12.796-6/11 Eerste, tweede en derde middel Standpunt van de verzoekster
  18. In de drie middelen voert de verzoekster de schending van artikel 145bis van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO) en de formele en materiële motiveringsplicht aan. In de eerste twee middelen voert zij bijkomend nog de schending van het redelijkheids- en “fair play beginsel” aan. In het eerste middel voegt zij daaraan de schending van het beginsel “patere legem quem ipse fecisti” en het zorgvuldigheidsbeginsel toe. In het eerste middel betwist de verzoekster de overweging in het bestreden besluit dat de “woonst integraal als onvergund (moet) worden beschouwd” omwille van de “integrale herbouw” ervan. Zij stelt dat de op 14 augustus 2001 vergunde plannen door het bestuur definitief gekwalificeerd werd als een verbouwing en “eveneens voldeden aan de voorwaarden voor herbouwen”. Voorts laat zij gelden dat de uitgevoerde werken niet aan “de tekst van de vergunning van 14 augustus 2001, maar wel aan de goedgekeurde plannen bij deze vergunning” moest worden getoetst, dat bij de studie ervan “moet worden vastgesteld dat wel degelijk een spouw was voorzien rondom de volledige woning” en dat zij “enkel het vergunde plan uit(voerde) hetwelk door alle bevoegde instanties als verbouwen werd omschreven”. Zij betoogt nog dat uit de plannen blijkt dat de gemachtigde ambtenaar “er verkeerdelijk van uit(gaat) dat op 14 augustus 2001 een volsteense buitenmuur van 30cm werd vergund” en dat deze plannen “met uitzondering van kleine afwijkingen in de compositie van de ramen en dakhelling, ook zo (werden) uitgevoerd”. In het tweede middel betwist de verzoekster de overweging in het bestreden besluit “dat niet langer kan gesproken worden van een hoofdzakelijk vergunde woning” omdat het beweerde niet vergunde “oprichten van spouwmuren in plaats van een volle muur, (...) minstens als een onbelangrijke overtreding (moet worden beschouwd), die niet van aard is om de woning het statuut van hoofdzakelijk vergund te ontnemen”, omdat “de overige onvolmaaktheden, zoals vermeld in de bestreden beslissing, (...) geenszins in aanmerking (komen) om het hoofdzakelijk vergund karakter van de woning te betwisten” en omdat “uit de vermelde opsomming (van onvolmaaktheden niet) kan worden afgeleid dat een afwijking zou hebben plaatsgevonden wat zou leiden tot de conclusie dat de basistoestand niet minstens voor 90% in orde zou zijn”. In het derde middel betwist de verzoekster de overweging in het bestreden besluit dat “de aanvraag, in functie van een louter residentiële woning, X-12.796-7/11 strijdt met de vigerende bestemmingsvoorschriften van het gewestplan”. De verzoekster betoogt dat de uitzonderingsregeling in artikel 145bis DRO “een subjectief recht op een stedenbouwkundige vergunning (behelst)”. Beoordeling
  19. De verzoekster betwist de overweging in het bestreden besluit niet dat de geweigerde aanvraag “in functie van een louter residentiële woning” staat en evenmin de daaruit volgende toepasselijkheid van het toentertijd geldende artikel 145bis DRO. In die omstandigheden valt niet in te zien hoe de overweging in het bestreden besluit dat de aanvraag “strijdt met de vigerende bestemmingsvoorschriften van het gewestplan”, te dezen agrarisch gebied, de in het derde middel aangevoerde bepalingen en beginselen zou schenden. Al de in het toentertijd geldende artikel 145bis, § 1, DRO vermelde uitzonderingen kunnen overeenkomstig het toentertijd geldende artikel 145bis, § 2, voorlaatste alinea DRO slechts verleend worden op voorwaarde dat de goede ruimtelijke ordening niet wordt geschaad. Het derde middel is ongegrond.
  20. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de verzoekster haar bouwaanvraag van 11 mei 2001, zowel volgens de aanvraag als de daarbij horende beschrijvende nota de kwalificatie “verbouwen bestaande woning” heeft gegeven en liet vergezellen van plannen met het opschrift “verbouwen woning”. De gemachtigde ambtenaar kwalificeerde de aanvraag in zijn advies van 2 augustus 2001 evenzeer als een “verbouwing en uitbreiding van een bestaande woning”. In die omstandigheden is de verwerende partij bij de overweging in het bestreden besluit dat “op 14 augustus 2001 (...) een stedenbouwkundige vergunning (werd) verleend voor de verbouwing en uitbreiding van een woning” en dat “volgens de plannen (...) enkel voor de uitbreiding een spouwmuur (was) voorzien, zoals trouwens ook weergegeven op de thans voorliggende plannen” uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens en heeft zij die correct beoordeeld. De loutere bewering van de verzoekster dat die vergunde werken “eveneens voldeden aan de voorwaarden voor herbouwen” doet hieraan geen afbreuk.
  21. Verder blijkt uit de gegevens van het dossier dat de gemachtigde ambtenaar in zijn ongunstig advies van 9 maart 2004 stelt dat de, bij besluit van 14 augustus 2001, vergunde werken “niet volgens vergunning werden uitgevoerd; X-12.796-8/11 de woning werd herbouwd, de configuratie van ramen en deuren werd gewijzigd, het dak werd met een steilere dakhelling uitgevoerd en er werden dakkapellen voorzien”. In haar beroep bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant betwist verzoekster geenszins dat de haar, op 14 augustus 2001, verleende bouwvergunning een verbouwing betrof en dat zij de werken niet conform heeft uitgevoerd. Zij stelde, enkel, dat het herbouwen en uitbreiden, in casu, wel mogelijk is omdat “de weigeringsgrond omwille van de niet volledige vergundheid van het gebouw, thans bovendien volledig wordt weggenomen door het DORO. zelf”, vermits het volstaat dat het gebouw hoofdzakelijk vergund is of vergund wordt geacht. Ook de bestendige deputatie komt in haar besluit van 7 juli 2005 tot de vaststelling, op grond van concrete gegevens, dat de vergunning van 14 augustus 2001 niet conform werd uitgevoerd, doch dat “een volledige nieuwbouw met spouwmuren werd gerealiseerd”. Het bestreden besluit overweegt dienaangaande wat volgt: “5/ Op 14 augustus 2001 werd een stedenbouwkundige vergunning verleend voor de verbouwing en uitbreiding van een woning. Volgens de plannen was enkel voor de uitbreiding een spouwmuur voorzien, zoals trouwens ook weergegeven op de thans voorliggende plannen. Uit huidig aanvraagdossier blijkt echter dat die plannen niet overeenstemmen met de werkelijkheid. Immers blijkt uit de ingediende foto’s dat wel degelijk, in tegenstelling tot de destijds verleende vergunning, een volledig nieuwe woonst werd opgericht, integraal opgetrokken met spouwmuren. De foto’s wijzen duidelijk op nieuw metselwerk rondom rond. Het gaat dus zowel om nieuw structureel dragend metselwerk als gevelmetselwerk. Van verbouwingswerken is geen enkel spoor in de gevels vast te stellen. Dit zijn ook de bevindingen van de provinciaal stedenbouwkundig ambtenaar. Er kan maximaal van uitgegaan worden dat de initiële funderingen werden behouden. Ook de bestendige deputatie stelde in haar vergunningsbeslissing dat het vaststaat dat het hier om een herbouw gaat, daar waar slechts een vergunning werd verleend voor het verbouwen, na integrale herbouw kan zeker niet langer gesproken worden over een ‘hoofdzakelijk’ vergunde woning. De raadsman van de aanvraagster stelt bovendien in zijn verweernota dat de dakhelling en de schikking van de ramen niet strikt werden uitgevoerd volgens de plannen. Bovendien blijkt uit de vergelijking van de thans voorliggende plannen van de woonst en deze zoals destijds vergund het volgende: • de vergunde voorgevelbreedte van de woonst is 10.58 m terwijl deze nu 11.67 m bedraagt; • de vergunde achtergevelbreedte van de woonst is 11.09 terwijl nu 11.67 m voorkomt; • gelijkvloers vooraan werden een eethoek en een zithoek vergund, thans werden hier een hal met wc en trap en een zithoek voorzien; • gelijkvloers achteraan v.l.n.r. werden een badkamer, een berging, een gang en een keuken vergund, thans komt hier een keuken en eethoek voor; • op de verdieping werden initieel 4 kamers en een wc vergund, thans komen hier 3 slaapkamers, een wc, een overloop en een vide voor; • de vergunde kroonlijsthoogte bedraagt 4.95 m, de rokhoogte 8.50 m. Thans bedragen deze respectievelijk 5 m en 9.70 m; X-12.796-9/11 • in de voorgevel werden boogramen voorzien, thans blijken hier rechthoekige ramen gerealiseerd; • de vergunde plint was 80 cm hoog, huidige plint is slechts ongeveer 45 cm hoog; • in de voorgevel werden twee dakkapellen opgetrokken, in de vergunning komen deze niet voor; • in de achtergevel werd slechts één dakvlakraam gevraagd, heden bevat het dak 3 dakvlakramen; Niet alleen is de buitenconstructie totaal verschillend van wat werd vergund, uit het voorgaande blijkt dat ook de binnenindeling opmerkelijk verschilt. Derhalve moet de thans voorkomende woonst integraal als onvergund worden beschouwd. De aanvrager vraagt thans ook niet de regularisatie aan. Bovendien is het opgerichte volume opmerkelijk groter dan hetgeen werd vergund, gezien de verschillen in kroonlijst- en nokhoogtes en in gevelbreedtes”. Uit deze overwegingen blijkt dat het betoog van de verzoekster dat de verwerende partij geen rekening heeft gehouden met de op 14 augustus 2001 vergunde plannen en dat de conclusie van de verwerende partij dat een volledige nieuwbouw werd gerealiseerd enkel gesteund wordt op de vaststelling dat “de aanwezigheid van spouwmuren die in de vroeger verleende vergunning niet vergund zouden zijn”, feitelijke grondslag mist. De verzoekster betwist de vaststellingen van nieuw structureel dragend metselwerk, nieuw gevelmetselwerk en de ontbrekende sporen in de gevels van verbouwingswerken niet. Zij erkent de niet conforme uitvoering van de dakhelling en schikking van de ramen. Zij betwist evenmin de in het bestreden besluit vermelde gewijzigde afmetingen en volume, buitenconstructie en binnenindeling van het woonhuis. In de gegeven omstandigheden dient te worden besloten dat de verwerende partij bij de kwalificatie van de te regulariseren werken is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, dat zij die correct heeft beoordeeld en op grond daarvan in redelijkheid tot het besluit is kunnen komen dat wegens het onvergund zijn van de bestaande constructie, de uitbreiding ervan bij toepassing van artikel 145bis DRO niet kon worden toegestaan. Het eerste en tweede middel zijn evenmin gegrond BESLISSING
  22. De Raad van State verwerpt het beroep.
  23. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. X-12.796-10/11 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achttien februari 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, met bijstand van Astrid Truyens, griffier. De griffier De voorzitter Astrid Truyens Roger Stevens X-12.796-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.028 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.