id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.029 Rolnummer: A. 165757/X-12474 Zaak: Arrest 201029 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 18/02/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-01 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-02 08:54 Fiche Arrest nr 201.029 van 18 februari 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 201.029 van 18 februari 2010 in de zaak A. 165.757/X-12.
(1984)betrof het al lang geen woning meer, zodat redelijkerwijs een opnieuw installeren van een woonfunctie in het betreffende gebouw, na het vergunningsplichtig zijn van de bestemmingswijziging, het voorwerp diende te zijn van een stedenbouwkundige aanvraag wat nooit is gebeurd. De registratie van het kadaster bevestigt deze stelling. De betreffende aanvraag tot het bouwen van een planologisch zonevreemd gelegen woning in de plaats van het door het kadaster geregistreerde landgebouw kadert, gelet op het hiervoor gestelde, geenszins binnen de in voorkomend geval te overwegen uitzonderingsbepalingen van het art. 145 bis § 1 van het DRO. Hier kan, wegens de ontstentenis gedurende meer dan 38 jaren van een woonfunctie, nog bezwaarlijk sprake zijn van een herwaardering van een bestaande vergunde woningpatrimonium”. 14. Op 21 december 2004 vindt een hoorzitting plaats. 15. Bij het bestreden besluit van 7 juli 2005 willigt de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening het beroep van de gemachtigde ambtenaar in en vernietigt hij het besluit van 26 augustus 2004 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen. In het bestreden besluit wordt onder meer het volgende overwogen : “Overwegende dat de aanvrager de ontvankelijkheid betwist van het door de gemachtigde ambtenaar ingesteld beroep; dat hij in dat verband aanvoert dat: ‘de grief hieruit is afgeleid dat het betrokken gebouw in het kadaster gekend zou zijn als een ‘landgebouw’ en niet als een woning en dat het pand sedert X-12.474-5/17 1965 niet meer als woning is gebruikt, maar wel als ‘berging’ zonder dat daarvoor ooit een functiewijziging is gevraagd, zodat het thans zou gaan om een ‘landgebouw’ dat geen vergunde functie als woning (meer) heeft’, waarbij in het beroep uitdrukkelijk wordt gesteld: ‘De registratie van het kadaster bevestigt deze stelling’; dat op grond van het uitdrukkelijk door de gemachtigde ambtenaar gestelde, het volgens de aanvrager zonder meer duidelijk is dat het uittreksel uit de kadastrale legger een bijlage is ‘ter ondersteuning van dit beroep en die er een integrerend deel van uitmaakt’ of, zoals de auditeur het uitdrukt in zijn rapport in de zaak (...) voor de Raad van State, ‘dat het kennelijk gaat om bijlagen ter ondersteuning van dit beroep’, terwijl nochtans die bijlage hem niet werd meegedeeld; Overwegende dat in de memorie van de aanvrager wordt gesteld dat uit de bij het beroepschrift van de gemachtigde ambtenaar gevoegde inventaris blijkt dat aan de aanvrager enkel kennisgeving is gedaan van de inventaris van de minder belangrijke stukken, die enkel aan de minister zijn bezorgd en omdat ze minder belangrijk werden geacht niet aan de aanvrager worden ter kennis gebracht; Overwegende dat de aanvrager thans voorhoudt dat stukken die de beroepsgrief zelf ondersteunen, m.a.w. als bewijsmiddel van de beroepsgrief worden ingeroepen, op straffe van nietigheid samen met de beroepsakte ook aan de aanvrager moeten worden meegedeeld, en niet alleen aan de minister; dat hij besluit dat omwille van het verzuim van dit substantieel vormvoorschrift, dat overigens de aanvrager apert schaadt in zijn verdedigingsrecht, het hoger beroep onontvankelijk moet verklaard worden; dat in de memorie van de aanvrager verder uitvoerig wordt geciteerd uit het beroep dat de gemachtigde ambtenaar instelde in de zaak Wauters en uit het verslag dat het auditoraat in de Raad van State over die zaak opstelde; Overwegende dat de aanvrager tot slot van het onderdeel van de memorie gewijd aan de betwisting omtrent de ontvankelijkheid van het beroep, nogmaals stelt dat de gemachtigde ambtenaar zich zeer nadrukkelijk beroept op het kadasterplan dat het kernelement is van zijn betoog, het enige bewijsmiddel voor zijn stelling, waarbij het niet relevant is dat, anders dan in de zaak Wauters, wel een inventaris werd gemaakt, vermits de in de inventaris vermelde stukken enkel aan de minister werden overgemaakt; Overwegende dat de aanvrager bij schrijven van 4 april 2005 ter aanvulling van de memorie een afschrift toestuurt van het arrest (...), in zake (...), dat volgens hem mutatis mutandis van toepassing is op de onderhavige zaak; Overwegende dat de kritiek van de aanvrager aldus gericht is tegen het feit dat hem samen met een afschrift van het beroepschrift geen afschrift werd betekend van de fragmenten van het kadasterplan bedoeld in de inventaris onder 4/ ‘Betreffende fragmenten van het kadasterplan, het gewestplan en het orthofotoplan’; dat de aanvrager uit de geldende bepaling afleidt dat elk stuk dat een bewijsmiddel vormt ter ondersteuning van het beroep er een integrerend onderdeel van uitmaakt; dat de aanvrager aldus aan ‘bijlagen’ bij het beroepschrift een aanzienlijk ruimere betekenis geeft dan ‘bijlagen’ in de spraakgebruikelijke zin, te weten: geschriften die ter aanvulling of toelichting bij een ander stuk gevoegd zijn; Overwegende dat artikel 53, §2 inhoudt dat het door het college van burgemeester en schepenen of de gemachtigde ambtenaar bij de Vlaamse regering ingesteld beroep terzelfder tijd ter kennis wordt gebracht van de aanvrager en van de Vlaamse regering; dat volgens dit voorschrift de kennisgeving aan de aanvrager minstens bevat, ‘1/ op straffe van nietigheid een afschrift van het beroepschrift, waaruit blijkt op welke datum beroep werd ingesteld en welke de redenen zijn waarop het beroep is gegrond, met de eventuele bijlagen, opgesteld ter ondersteuning van dit beroep en die er een integrerend deel van uitmaken; 2/ een inventaris van de overige stukken die aan X-12.474-6/17 de Vlaamse regering en niet aan de aanvrager worden toegezonden; dat de toezending van een afschrift van de inventaris van de overige stukken niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven en bij de vaststelling dat aan die verplichting niet werd voldaan, hieraan alsnog kan worden verholpen; Overwegende dat het op de inventaris als stuk 4 vermelde kadasterplan niet het stuk is waar in het beroepschrift naar wordt verwezen; dat het als stuk 4 vermelde kadasterplan een op A3 formaat genomen fotokopie is van het kadasterplan waarover de gemachtigde ambtenaar beschikt en dat vanzelfsprekend geen gegevens bevat die uitsluitend op het in de aanvraag begrepen perceel betrekking hebben; dat in het beroepschrift wordt verwezen naar een stuk dat behoort tot het aanvraagdossier, op de inventaris vermeld als stuk 3; dat het van het aanvraagdossier deel uitmakend stuk vermeld in het beroepschrift een uittreksel uit het kadasterplan op schaal 1/2.000 betreft, gereproduceerd door de gemeente Koekelare waarop de gedetailleerde perceelsgegevens (toestand 2002) zijn vermeld voor het betrokken perceel, zoals de namen van de eigenaars (Lemaire, Martha, Maria, Lekestraat 83, 8680 Koekelare en Depoorter, Jerome, Hector, Lekestraat 81, 8680 ), straat en huisnummer (Lekestraat 83), de oppervlakte (410 m²), het kadastraal inkomen (47 euro) en een omschrijving (landgebouw); dat het stuk waarop deze gegevens zijn vermeld, gehecht is aan het schrijven van 2 december 2003 van de gemeente Koekelare dat in bijlage de koopakte, kadastrale legger en bevolkingshistoriek bevat; dat het schrijven van 2 december 2003 het laattijdig antwoord uitmaakt op de vraag van de gemachtigde ambtenaar om bijkomende gegevens te bekomen in verband met gegevens vermeld in het pré-advies van de gemeente, met name: dat het gebouw in kwestie geen woning betreft, maar een bijgebouw bij een bestaande woning in de Lekestraat 83, omschreven als ‘landgebouw’ en met een kadastraal inkomen van slechts 47 euro; dat deze gegevens reeds waren vermeld in het verwerpingsbesluit van het college van burgemeester en schepenen overgenomen advies van de gemachtigde ambtenaar, uitgebracht op 5 december 2003 en als zodanig konden betwist worden in de beide aan de bestendige deputatie gerichte beroepschriften, verstuurd door de aanvrager zelf en door haar raadsman; dat deze gegevens worden herhaald in de slotoverweging van het besluit van de bestendige deputatie van 26 augustus 2004; dat uit het beroepschrift van de gemachtigde ambtenaar blijkt dat deze aan vermelde gegevens een groter gewicht toekent dan de bestendige deputatie, die met name oordeelde :
- a)dat het gebouw als een vroeger tot 1965 bestaande woning kan aangemerkt worden, die momenteel ook als woning is ingericht en waarin de aanvraagster haar domicilie heeft sedert 18 december 2002;
- b)de gemeente domicilie heeft toegekend aan de aanvraagster;
- c)(na 1965) nooit een gebruikswijziging werd aangevraagd voor dit gebouw, zodat de functie van de oude woning dan ook altijd woning gebleven is en dus zoals andere woningen in aanmerking komt voor de toepassing van de uitzonderingsregels; dat daarentegen de gemachtigde ambtenaar het besluit van de bestendige deputatie betwist in zoverre het een als woning opgetrokken gebouw dat gedurende 38 jaren onbewoond was, opvat als een voor herwaardering van een bestaand vergund woningpatrimonium, in de zin van artikel 145bis, §1 van het decreet van 18 mei 1999; Overwegende dat de rechtspraak van de Raad van State niet getuigt van het formalisme dat de aanvrager haar toeschrijft; dat deze rechtspraak de door de gemachtigde ambtenaar na te leven verplichtingen met matigheid beoordeelt en steeds rekening houdt met de bijzondere omstandigheden van de zaak; dat hierbij dient verwezen naar het arrest (...), in zake (...), waarin geoordeeld wordt dat: - het beroep van de gemachtigde ambtenaar slechts ontvankelijk is indien de determinerende motieven betekend waren aan de aanvrager; X-12.474-7/17 - dat deze verplichting tot doel heeft de partijen op voet van gelijkheid te plaatsen en een tegensprekelijke behandeling van het beroep mogelijk te maken; dat de naleving van deze verplichting met matigheid moet worden beoordeeld op die manier dat het beroep kort en bondig kan gemotiveerd worden zolang het maar begrijpelijk is; dat tevens kan verwezen worden naar het arrest (...), in zake (...) waarin bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van een beroep van de gemachtigde ambtenaar eveneens de gegeven omstandigheden van de zaak in de beoordeling worden betrokken; Overwegende dat in de voorliggende zaak de determinerende motieven van het beroep van de gemachtigde ambtenaar betekend werden aan de aanvrager; dat in deze zaak voldaan werd aan het normdoel de partijen op voet van gelijkheid te plaatsen en een tegensprekelijke behandeling van het beroep mogelijk te maken; dat in dat verband rekening moet worden gehouden met de bijzondere omstandigheden van de zaak; dat de aanvrager enerzijds volledig op de hoogte was van de toe te passen wetsbepalingen en bestemmingsvoorschriften, anderzijds in staat blijkt een uitgebreide argumentatie te ontwikkelen die erop gericht is aan te tonen dat de aanvraag volledig voldoet aan de toe te passen wetsvoorschriften; dat uit de door de aanvrager geformuleerde grieven blijkt dat zij kennis heeft van de elementen vermeld op het stuk waarvan haar geen afschrift werd betekend omdat het geen bijlage betreft, opgesteld ter ondersteuning van het beroep en die er een integrerend deel van uitmaakt; Overwegende dat artikel 67 van het decreet van 21 november 2003 waarbij artikel 53, §2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening werd aangevuld met een aantal leden waarin de kennisgeving van het beroep van de gemachtigde ambtenaar aan de aanvrager nader wordt geregeld onder meer beoogde de veralgemeende naleving op te leggen van het gestelde in het arrest (...) in zake (...), waarin werd geoordeeld: ‘Artikel 55, § 2, eerste lid, van de stedenbouwwet legt aan de gemachtigde ambtenaar de verplichting op het beroepschrift zelve ter kennis te brengen van de aanvrager. Alleen de kennisgeving van het beroepschrift stelt de aanvrager in de gelegenheid na te gaan of het beroep van de gemachtigde ambtenaar regelmatig werd ingesteld. De mededeling van het beroepschrift licht de aanvrager in over de datum van het beroep, de overheid bij dewelke het is ingediend, of het op redenen is gesteund en welke die redenen zijn. Het enkel mededelen van het feit van het beroep en de redenen waarop het is gesteund, laat de aanvrager in het ongewisse over de datum waarop het beroep is ingesteld, de administratie waarbij het hangende is en het feit of de redenen waarop het is gesteund overeenstem men met de redenen die hem werden medegedeeld. Het betreft een substantieel vormvoorschrift’; dat in overeenstemming met deze rechtspraak artikel 53, §2, tweede lid, 1/, thans, op straffe van nietigheid, de kennisgeving aan de aanvrager oplegt van een afschrift van het beroepschrift, waaruit blijkt op welke datum het beroep werd ingesteld en welke de redenen zijn waarop het beroep is gegrond, met eventuele bijlagen, opgesteld ter ondersteuning van dit beroep en die er een integrerend deel van uitmaken; dat het tweede lid, 2/ thans de kennisgeving aan de aanvrager oplegt van een afschrift van de inventaris van de overige stukken die aan de Vlaamse regering en niet aan de aanvrager worden toegezonden; dat het tweede lid, 3/, thans de mededeling aan de aanvrager oplegt van de instantie die het beroep bij de Vlaamse regering voorbereidend onderzoekt, dat hij op het adres van deze instantie kan vragen om gehoord te worden bij de Vlaamse regering of haar gemachtigde, om het dossier in te kijken en om er afschriften uit te bekomen; X-12.474-8/17 Overwegende dat met artikel 67 eveneens werd betracht de veralgemeende naleving op te leggen van het gestelde in het arrest (...) inzake (...), waarin werd geoordeeld: ‘Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 december 1970 die o.m. artikel 55 van de wet van 29 maart 1962 grondig heeft gewijzigd, blijkt dat het horen van de vergunningaanvrager, van het college van burgemeester en schepenen die de oorspronkelijke beslissing heeft genomen en van de territoriaal bevoegde gemachtigde ambtenaar bedoeld is als een middel om in de twee trappen van beroep de gelegenheid te geven tot een behandeling van de aanvraag op tegenspraak, waarbij genoemde partijen op gelijke voet worden gesteld. Dit betekent dat de aanvrager over dezelfde informatie moet beschikken als de andere twee partijen in de zaak. (...) Het recht om gehoord te worden brengt voor de aanvrager mee dat hij het recht heeft op inzage van de stukken van het dossier die bij de beoordeling van de aanvraag en bij de besluitvorming hierover betrokken dienen te worden, en alleszins van die welke argumenten uiteenzetten tegen de afgifte van de gevraagde vergunning, om zo in de gelegenheid te worden gesteld op een nuttige wijze gebruik te maken van het hem door artikel 55 van de wet van 29 maart 1962 toegekende recht om voor de minister of zijn gemachtigde voor zijn belangen op te komen’; dat in overeenstemming met deze rechtspraak artikel 53, §2 thans het recht om gehoord te worden, het dossier in te kijken en afschriften uit het dossier te bekomen uitdrukkelijk waarborgt met betrekking tot alle stukken en dus niet alleen die welke argumenten uiteenzetten tegen de afgifte van de gevraagde vergunning; dat waar het thans geldend wetsvoorschrift op straffe van nietigheid de mededeling .aan de aanvrager van het beroepschrift met de eventuele bijlagen oplegt, de decreetgever de veralgemeende naleving beoogde te waarborgen van wat reeds in de rechtspraak was gesteld; dat in het arrest (...), in zake (...), werd geoordeeld dat de gemachtigde ambtenaar die beroep instelt, hetzij in het beroepschrift zelf, hetzij in een toelichtende memorie, de motieven van dit beroep aan de minister moet doen kennen, zodat het niet volstaat aan de bouwaanvrager het blote feit van het beroep aan te zeggen; dat de aanvrager integendeel mededeling moet ontvangen van de motieven die het beroep schragen, zodat hij in de mogelijkheid wordt gesteld nuttig gebruik te maken van het toegekende recht om voor de minister of zijn gemachtigde voor zijn belangen op te komen; dat in het arrest (...), in zake (...), werd geoordeeld dat niet kan worden volstaan met aan de aanvrager het blote feit van het beroep aan te zeggen en de bouwaanvrager, zoals de minister, mededeling moet ontvangen van het hele beroepschrift, met de daarbij horende toelichtingen; dat wat in de aangehaalde rechtspraak een toelichtende memorie bij het beroepschrift of bij het beroepschrift horende toelichtingen wordt genoemd, in de thans geldende bepalingen wordt omschreven als eventuele bijlagen bij het beroepschrift, opgesteld ter ondersteuning van dit beroep en die er integrerend deel van uitmaken in overeenstemming met de terminologie aangewend in het arrest Scheers en in de parlementaire voorbereiding; dat in het arrest Scheers sprake is van ‘het recht (...) op inzage van de stukken van het dossier die bij de beoordeling van de aanvraag en bij de besluitvorming hierover betrokken dienen te worden, en alleszins die welke argumenten uiteenzetten tegen de afgifte van de gevraagde vergunning’; dat tijdens de parlementaire voorbereiding werd gesteld dat onder ‘bijlagen opgesteld ter ondersteuning van dit beroep en die er integrerend deel van uitmaken’ moest begrepen worden ‘die welke argumenten uiteenzetten tegen de afgifte van de gevraagde vergunning’ (Vl. Parl., Zittijd 02/03 , stuk 1800, nr. 1, p. 25); dat de vanaf 1974 tot stand gekomen rechtspraak niet heeft beoogd aan de aanvrager te waarborgen dat hij X-12.474-9/17 met het hem ter kennis te brengen afschrift van het administratief beroep, tezelfdertijd ook een afschrift ontvangt van alle stukken waaruit het dossier van de gemachtigde ambtenaar bestaat dat wordt voorgelegd aan de instantie die het beroep bij Vlaamse regering voorbereidend onderzoekt; Overwegende dat de tijdens de parlementaire voorbereiding gebruikte formule: ‘Stukken die argumenten uiteenzetten tegen de afgifte van de gevraagde vergunning’ in de huidige context een als volgt bepaalde betekenis heeft: 1) ‘argument’ betekent wat men stelt om op grond daarvan een conclusie te trekken, iets te betogen of te bewijzen, synoniem van ‘bewijsgrond’; 2) ‘uiteenzetten’ betekent door beschrijving van de verschillende facetten, details, aspecten kenbaar maken, uit de doeken doen, synoniem van ontvouwen, en wordt eveneens gebruikt in de zin van het uiteenzetten: de uiteenzetting van de standpunten; dat de inhoud van zijn beroep niet gericht is op het leveren van een bepaald bewijs; dat het niet de taak van de gemachtigde ambtenaar is onweerlegbaar te doen blijken dat de feitelijke toedracht van de zaak is zoals hij beweert of veronderstelt; dat het instellen van een administratief beroep door de gemachtigde ambtenaar niet betekent dat hij voorhoudt over onweerlegbare bewijzen te beschikken van bepaalde feiten die een bepaalde conclusie wettigen in verband met de toe te passen bestemmingsvoorschriften of wetsbepalingen; dat het enkel inhoudt dat hij te kennen geeft dat het door de bestendige deputatie uitgebracht oordeel naar zijn mening is aangetast door een kennelijke dwaling omtrent de feiten, het recht of de beoordeling en om die reden de aanvraag bij de regering aanhangig maakt opdat de regering de aanvraag nog eens opnieuw in haar volledigheid zou onderzoeken; dat enkel de instantie die een eindbeslissing neemt onderworpen is aan een wettigheidscontrole door de Raad van State die o.m. inhoudt dat het rechtscollege nagaat of de overheid bij het vergaren van de feiten de vereiste zorgvuldigheid aan de dag heeft gelegd en bij de vaststelling van de feiten de regels van de bewijsvoering in acht heeft genomen; Overwegende dat door het decreet van 21 november 2003 geen zich op de bij de vaststelling van de feiten in acht te nemen regels van bewijsvoering geënte formaliteit werd opgelegd die zou inhouden dat, op straffe van nietigheid van administratief beroep alle stukken die de beroepsgrief zelf kunnen ondersteunen of als bewijsmiddel van de beroepsgrief kunnen aangewend worden, samen met de beroepsakte ook aan de aanvrager worden meegedeeld, en niet alleen aan de minister; dat het decreet van 21 november 2003 enkel waarborgt dat eventuele bijlagen bij het beroepschrift, opgesteld ter ondersteuning van dit beroep en die er integrerend deel van uitmaken aan de aanvrager worden ter kennis gebracht samen met het administratief beroep; dat het decreet van 21 november 2003 enkel bijlagen bij het beroepschrift bedoelt, opgesteld ter ondersteuning van het beroep en die er integrerend deel van uitmaken, met andere woorden toelichtingen en memories in de zin van de arresten Michielsen en Van Dijck, wat betekent stukken waarin de gemachtigde ambtenaar de motieven van het beroep doet kennen, dus noodzakelijkerwijze stukken opgesteld door de gemachtigde ambtenaar na de kennisgeving van de beslissing van de bestendige deputatie en die argumenten uiteenzetten tegen de afgifte van de gevraagde vergunning door het provinciaal bestuursorgaan; dat in de spraakgebruikelijke betekenis een toelichting een geschrift is dat een toelichting behelst waardoor iets begrijpelijk, duidelijk wordt gemaakt, opgehelderd wordt of verklaard; dat een memorie een schriftuur, verhandeling, beschouwing is over een zeker onderwerp; Overwegende dat onbetwistbaar als regel van bewijsvoering geldt dat de overheid die voor haar beslissing steun zoekt in feitelijke elementen, ertoe gehouden is het bestaan van de feiten die zij in aanmerking neemt op hun waarachtigheid of juistheid te toetsen en met zorgvuldigheid na te gaan of haar kennis van die feiten voldoende of volledig is; dat de kennisgeving aan de X-12.474-10/17 belanghebbende van de dossierstukken op grond waarvan de gemachtigde ambtenaar de beslissing van de bestendige deputatie betwist niet tot regels van bewijsvoering behoort; Overwegende dat uit het beroep van de gemachtigde ambtenaar blijkt dat deze van oordeel is dat de beslissing van de bestendige deputatie berust op een kennelijke dwaling omtrent de feiten en de beoordeling; dat hij met het instellen van administratief beroep betracht te bekomen dat de beoordeling zou worden overgedaan door een hogere instantie die bevoegd is om een beslissing te nemen die in de plaats komt van deze van de bestendige deputatie; Overwegende dat inzake bewijsvoering bij de vaststelling van feiten eveneens dient verwezen naar het arrest van de Raad van State, (...), in zake (...), waarin wordt gesteld: - De Raad van State is bij de uitoefening van zijn wettigheidscontrole op de hem voorgelegde bestuurshandelingen bevoegd om na te gaan of de overheid bij het vergaren van de feiten de vereiste zorgvuldigheid aan de dag heeft gelegd en bij de vaststelling van de feiten de regels van de bewijsvoering in acht heeft genomen. - De overheid die voor haar beslissing steun zoekt in feitelijke elementen, ertoe gehouden is het bestaan van de feiten die zij in aanmerking neemt op hun waarachtigheid of juistheid te toetsen en met zorgvuldigheid na te gaan of haar kennis van die feiten voldoende of volledig is. - Indien uit de motieven van een bestreden besluit blijkt dat een bouwvergunning hoofdzakelijk om landbouwtechnische redenen werd geweigerd, met name op grond van een advies van het bestuur van de landbouwstructuren van het Ministerie van Landbouw dat ongunstig is wegens de vele onduidelijkheden in het dossier en het gebrek aan tijd om een nader onderzoek in te stellen, en de Vlaamse Executieve nagelaten heeft de bouwaanvrager de gelegenheid te geven bijkomende bewijsmateriaal voor te leggen .of verzuimd heeft de aangebrachte elementen van bewijs te toetsen aan de werkelijkheid of door andere ter zake meer bevoegde overheden te laten beoordelen, heeft ze onvoldoende zorgvuldigheid bij de feitenvinding aan de dag gelegd. Daaruit volgt dat de door haar gedane vaststelling van de feiten werd gevitieerd en het bestaan of de juistheid van de in aanmerking genomen feiten onzeker is, zodat haar beslissing niet geacht kan worden de rechtens vereiste feitelijke grondslag te hebben. Overwegende dat bij schrijven van 4 april 2005 door de raadsman van de aanvrager de aandacht wordt gevestigd op het (...) in zake (...), welk arrest volgens de aanvrager mutatis mutantis van toepassing is in voorliggend dossier; Overwegende dat bij de beoordeling van dit standpunt van de aanvrager rekening dient gehouden met volgende overwegingen opgenomen in dit arrest en de daarin aangehaalde feiten: Overwegende dat het beroepsschrift van de gemachtigde ambtenaar van 6 november 2003 luidt als volgt : ‘Op 04/09/2003 nam de Bestendige Deputatie van Oost- Vlaanderen in beroep een beslissing omtrent bovenvermelde aanvraag. Ik heb deze beslissing ontvangen op 13/10/2003. Tegen die beslissing ga ik in beroep (overeenkomstig artikel 53, § 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996) om volgende redenen : De werken zijn niet te beschouwen als verbouwen. De oorspronkelijk vrijstaande schuur werd volledig herbouwd, en er werd een verbinding gerealiseerd met de woning (cfr. vaststellingen PV in bijlage). Hierdoor werd het volume van de oorspronkelijke woning aanzienlijk uitgebreid. De aanvraag voldoet niet aan de uitzonderingsbepaling vervat in art. 145bis 1/ van het D.R.O. en komt niet voor vergunning in aanmerking. X-12.474-11/17 Alle motieven waarop dit beroep rust zijn in dit beroepsschrift opgenomen. Bij dit beroepsschrift zijn geen bijlagen gevoegd (toelichtingen of memories)’; Overwegende dat uit de motivering van het beroepsschrift blijkt dat de gemachtigde ambtenaar beroep heeft ingesteld om reden dat de werken volgens hem niet te beschouwen zijn als verbouwen aangezien de oorspronkelijke vrijstaande schuur volledig werd verbouwd en een verbinding werd gerealiseerd met de woning, zoals blijkt uit ‘vaststellingen PV in bijlage’, waardoor het volume van de oorspronkelijke woning aanzienlijk werd uitgebreid; dat vermeld proces-verbaal in de gegeven omstandigheden niet anders kan worden aanzien dan als een bijlage ter ondersteuning van het beroep die er een integrerend deel van uitmaakt; dat dit proces-verbaal evenwel niet als bijlage bij het beroepsschrift was gevoegd, zoals blijkt uit de uitdrukkelijke vermelding in fine ‘Bij dit beroepsschrift zijn geen bijlagen gevoegd (toelichtingen of memories)’ en uit de afwezigheid van een inventaris van de bijlagen; dat dit ter terechtzitting overigens niet wordt tegengesproken; dat de argumentatie van de verwerende partij dat onder ‘bijlagen, opgesteld ter ondersteuning van dit beroep’ enkel kan worden begrepen ‘nieuwe stukken ter ondersteuning van het beroepsschrift’ geen steun vindt in de bepaling van artikel 53, § 2, tweede lid, 1/, dat in algemene bewoordingen alle ‘bijlagen, opgesteld ter ondersteuning van dit beroep en die er een integrerend deel van uitmaken’ viseert, zonder daarbij een onderscheid te maken naar gelang het geval deze bijlagen aan verzoeker reeds bekend zijn of niet; dat het procesverbaal krachtens voormeld artikel 53, § 2, tweede lid, 2/, op straffe van nietigheid bij het beroepsschrift diende te zijn gevoegd; dat blijkt dat dit niet het geval was; dat luidens het derde lid van voormeld artikel deze bepaling ook van toepassing is op beroepen, ingesteld voor het van kracht worden van deze bepaling; dat de bevoegde Vlaamse minister het beroep om deze reden onontvankelijk had dienen te verklaren; dat het middel kennelijk gegrond is; Overwegende dat in deze zaak geen gelijkenis bestaat met deze waarover de Raad van State zich uitsprak in het arrest (...); dat in de voorliggende zaak het beroep van de gemachtigde ambtenaar niet gekenmerkt wordt door de schijnbare interne tegenstrijdigheid die zich voordeed in de zaak (...) waarin het beroep van de gemachtigde ambtenaar enerzijds verwijst naar feitelijke gegevens die blijken uit ‘vaststellingen PV in bijlage’ en anderzijds stelt dat bij dit beroepschrift geen bijlagen gevoegd zijn (toelichtingen of memories); dat deze tegenstrijdigheid inderdaad slechts schijnbaar was aangezien bij het beroepschrift geen toelichtingen of memories gevoegd waren in de zin van de arresten (...) en (...) of met andere woorden geen ‘bijlagen opgesteld ter ondersteuning van dit beroep en die er integrerend deel van uitmaken’ in de zin van artikel 53, §2, 1/ van het decreet dat geenszins in algemene bewoordingen is gesteld, doch slechts teruggrijpt naar de aan concrete dossiergegevens gebonden bewoordingen waarin de Raad van State zich uitdrukte in deze arresten uit 1974 en 1976, uitgesproken tijdens de eerste jaren na de wet van 22 december 1970 waarbij aan de gemachtigde ambtenaar de mogelijkheid werd geboden administratief beroep bij de regering in te stellen tegen de beslissingen van de bestendige deputatie; dat in de voorliggende zaak geen schijnbare tegenstrijdigheid voorhanden is aangezien enerzijds het beroepschrift niet uitdrukkelijk verwijst naar bijlagen die overigens niet werden opgesteld en anderzijds het stuk waarop de aanvrager alludeert opgenomen is in het aanvraagdossier vermeld als stuk 3 op de aan de aanvrager medegedeelde inventaris van de stukken die aan de Vlaamse regering worden toegezonden en door de aanvrager konden worden ingekeken en waarvan afschrift kon worden bekomen; dat volgens een vaste administratieve praktijk voorafgaand aan of tijdens de hoorzitting een door de aanvrager te ondertekenen verklaring wordt X-12.474-12/17 opgesteld waarin wordt bevestigd dat hij inzage heeft gekregen van het volledige dossier, ter voldoening aan artikel 53, §2, 3/; dat in de voorliggende zaak door de aanvrager geen inzage werd gevraagd van het dossier; dat hieruit blijkt dat de aanvrager geen poging heeft ondernomen om op grond van de stukken voorkomend in het concrete dossier aan te tonen dat hem effectief bijlagen opgesteld ter ondersteuning van het beroep en die er een integrerend deel van uitmaken, niet ter kennis werden gebracht; dat de aanvrager aldus voorbijgaat aan de bijzondere omstandigheden van de zaak die kennelijk niet toelaten een gewoon dossierstuk te bestempelen als een van het beroepschrift deel uitmakende bijlage; dat het beroep van de gemachtigde ambtenaar om deze redenen ontvankelijk is”. IV. Onderzoek van het middel A. Enig middel Uiteenzetting van het middel 16. De verzoekster voert in een enig middel de schending aan van artikel 53, §2, tweede lid, 1/ van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), “zoals gewijzigd door art. 67 van het decreet van 21 november 2003”. Zij voert daartoe aan : “1. De als geschonden aangehaalde bepaling luidt als volgt: ‘De kennisgeving aan de aanvrager bevat minstens: 1/ op straffe van nietigheid een afschrift van het beroepschrift, waaruit blijkt op welke datum het beroep werd ingesteld en welke de redenen zijn waarop het beroep is gegrond, met eventuele bijlagen opgesteld ter ondersteuning van dit beroep en die er een integrerend deel van uitmaken; 2/ een inventaris van de overige stukken die aan de Vlaamse regering en niet aan de aanvrager worden toegezonden; (...) Indien de aanvrager, de Vlaamse regering of de instantie die het beroep bij de Vlaamse regering voorbereidend onderzoekt, vaststelt dat aan de verplichting van het eerste lid 2/ en 3/ niet is voldaan, kan hieraan alsnog worden verholpen’. Daaruit volgt derhalve dat de kennisgeving van het hoger beroep van de stedenbouwkundige ambtenaar aan de aanvrager niet alleen een afschrift van het beroepsschrift moet bevatten, maar ook van de bijlage(n), die opgesteld zijn ‘ter ondersteuning van dit beroep en die er een integrerend deel van uitmaken’. De ‘overige’ stukken, d.w.z. de stukken die niet essentieel ter ondersteuning van een beroepsgrief worden aangevoerd, moeten aan de aanvrager niet meegedeeld worden. Het volstaat er een inventaris van mee te delen. Zelfs de inventaris is geen substantieel vormvoorschrift, vermits er zonodig kan aan ‘worden verholpen’ wanneer het uit het oog verloren werd. Wat betreft de stukken die essentieel zijn in de opbouw van de motieven van de in hoger beroep komende stedenbouwkundige ambtenaar is: X-12.474-13/17 • de bepaling algemeen en ‘(maakt zij geen) onderscheid naargelang het geval deze bijlagen aan verzoeker reeds bekend zijn of niet'’, • de sanctie onomkoombaar, nl. de nietigheid; de sanctie kan enkel vermeden worden wat betreft de stukken die de beroepsgrieven niet onmiddellijk ondersteunen. Dit is inmiddels door Uw Raad in een procedure overeenkomstig art. 94 van het procedurereglement beslist in het arrest (...), van 10 maart 2005. 2. In randnummer 7 van het feitenrelaas is reeds uitvoerig toegelicht dat de stedenbouwkundige ambtenaar in zijn hoger beroep de door de bestendige deputatie weerhouden redenering wat betreft de functie en het gebruik van het pand sedert 1965 betwist en zich daarvoor uitsluitend beroept op de omstandigheid dat het gebouw sindsdien ‘kadastraal gekend is als een landgebouw’ en dat zij een desbetreffende stelling ‘bevestigd’ wordt door ‘de registratie van het kadaster’. Andere beroepsgrieven en/of andere bewijsmiddelen roept de stedenbouwkundige ambtenaar in zijn beroepakte niet in. 3. Uit de inventaris, gehecht aan de beroepakte, moet blijken dat de stedenbouwkundige ambtenaar meteen aan de minister o.m. de ‘betreffende fragmenten van het kadasterplan’ heeft bezorgd, door de verzoekende partij uiteraard meteen begrepen als de kadastrale documenten waarvan sprake in de motivering. Uit het bestreden besluit moet echter blijken dat nog andere kadastrale documenten aan de minister werden overgemaakt, doch deel uitmakend van het aanvraagdossier, zijnde nummer 3 van de inventaris. Het zouden kadastrale documenten zijn die door het gemeentebestuur aan de stedenbouwkundige ambtenaar zijn overgemaakt nadat deze zijn advies reeds had ondertekend en/of verzonden. 4. Vaststaat dat de kadastrale documenten, of ze nu deel uitmaakten van nummer 3 dan wel ook van nummer 4 van de inventaris, evident de kroonstukken of kroonbewijzen uitmaakten van de stelling van de stedenbouwkundige ambtenaar en mitsdien op straffe van nietigheid niet alleen aan de minister moesten worden bezorgd, maar gelijktijdig ook aan de verzoekende partij. 5. De omstandigheid dat van de kadastrale informatie, door het gemeentebestuur aan de stedenbouwkundige ambtenaar bezorgd bij brief van 2 december 2003 en deel uitmakend van het aanvraagdossier - nummer 3 van de inventaris - reeds melding werd gemaakt in de slotoverweging van het besluit van de bestendige deputatie, noch de omstandigheid dat de minister van oordeel lijkt te zijn dat het stuk 4 weinig of niet relevant is, is voor de toepassing van de als geschonden aangeduide bepaling totaal niet relevant, vermits dit tot het debat en de beoordeling ten gronde behoort, waaraan de aanvrager van de vergunning niet doeltreffend kan deelnemen indien hij van die stukken niet eens kennis heeft. Dit klemt te dezen des te meer nu uit de beslissing van de minister moet blijken dat de nummering van de stukken niet correct is en dat het stuk, waarnaar de beroeper zou bedoeld hebben te verwijzen, zich bevindt in het aanvraagdossier, zijnde nummer 3 van de inventaris, en geen deel uitmaakte van de ‘betreffende fragmenten van het kadasterplan’, vermeld onder nummer 4 van de inventaris. Hoe kon de verzoekende partij dit weten? Onverschillig welk nummer aan een stuk wordt gegeven en onverschillig zelfs of het al of niet in de inventaris voorkomt, het moet meteen ook aan de aanvrager meegedeeld worden wanneer het om een kroonbewijsstuk gaat, wat moet beoordeeld worden uitgaande van wat de in beroep X-12.474-14/17 komende ambtenaar er heeft willen mee bewijzen en niet van het gewicht dat de minister er uiteindelijk heeft aan gehecht. 6. Het ganse betoog van de minister is voor het overige naast de kwestie. De rechtspraak die hij aanhaalt heeft betrekking op de vroegere regelgeving en/of op andere feitelijke omstandigheden. Overigens is het opvallend dat de minister, behoudens het arrest nummer (...) van 26 oktober 2004 dat te dezen niet relevant is, enkel verwijst naar de arresten nummers (...), waarvan ook sprake in de voorbereidende werken (VI. Parl., zittijd 02/03, stuk 1800, nr. 1, blz. 25), doch niet naar de recentere rechtspraak van Uw Raad die nog veel strengere eisen stelt dan in die arresten. Zo nam het arrest nummer (...) d.d. 4 februari 2003 aan dat de stedenbouwkundige ambtenaar, die bij zijn beroepsakte aan de minister het administratief dossier voegt, ook dit laatste tegelijkertijd aan de aanvrager moet overmaken. Het Arbitragehof heeft die rechtspraak niet ongrondwettig bevonden (arresten nr. 99/98 van 24 september 1998 en nr. 101/2003 van 17 juli 2003). Precies tegen die rechtspraak heeft de decreetgever van 21 november 2003 gereageerd, zoals blijkt uit dezelfde parlementaire werken (‘Deze ingreep gaat in op bepaalde evoluties in de rechtspraak van de Raad van State’). Hij heeft de vormvoorschriften willen milderen. Alleen nog de stukken die de stedenbouwkundige ambtenaar -terecht of onterecht - substantieel ter ondersteuning van zijn beroep inroept, moeten voortaan meteen en tegelijkertijd aan de minister en aan de aanvrager worden meegedeeld. Gebeurt dit niet, dan is de sanctie onverbiddelijk: ‘op straffe van nietigheid’. Het decreet laat geen eindeloze discussies toe over de vraag of het normdoel al of niet op een andere manier mogelijks is bereikt. Hetgeen te dezen overigens kennelijk niet het geval is, vermits de verzoekende partij slechts uit de beroepsakte en uit het bestreden besluit heeft kunnen vernemen dat er meerdere kadastrale documenten aan de minister zijn voorgelegd, feit waarvan zij hoegenaamd geen kennis had. 7. De minister had derhalve, zoals Uw Raad het letterlijk zegde in het arrest (...) van 10 maart 2005, het hoger beroep moeten onontvankelijk verklaren. 8. Het middel is derhalve, zoals trouwens ook vastgesteld in het arrest (...) van 10 maart 2005, kennelijk gegrond, zodat het eveneens kan worden afgedaan overeenkomstig de procedure van art. 94 van het procedurereglement”. Beoordeling 17. Het toentertijd geldende artikel 53, §2 van het gecoördineerde decreet luidde als volgt : “Het college van burgemeester en schepenen alsook de gemachtigde ambtenaar kunnen bij de Vlaamse regering in beroep komen binnen dertig dagen na de ontvangst van de beslissing van de bestendige deputatie tot verlening van een vergunning. Dit beroep, evenals de termijn voor instelling van het beroep, schorst de vergunning. Het wordt tezelfder tijd ter kennis van de aanvrager en van de Vlaamse regering gebracht. Komt de gemachtigde ambtenaar in beroep, dan geeft deze daarvan bovendien kennis aan het college. De kennisgeving aan de aanvrager bevat minstens : 1° op straffe van nietigheid een afschrift van het beroepschrift, waaruit blijkt op welke datum het beroep werd ingesteld en welke de redenen zijn waarop het beroep is gegrond, met eventuele bijlagen, opgesteld ter ondersteuning van dit X-12.474-15/17 beroep en die er een integrerend deel van uitmaken; 2° een inventaris van de overige stukken die aan de Vlaamse regering en niet aan de aanvrager worden toegezonden; 3° welke instantie het beroep bij de Vlaamse regering voorbereidend onderzoekt, dat hij op het adres van deze instantie kan vragen om gehoord te worden bij de Vlaamse regering of haar gemachtigde, om het dossier in te kijken en om er afschriften uit te bekomen. Indien de aanvrager, de Vlaamse regering of de instantie die het beroep bij de Vlaamse regering voorbereidend onderzoekt, vaststelt dat aan de verplichting van het eerste lid, 2° en 3°, niet is voldaan, kan hieraan alsnog worden verholpen. Onverminderd de definitieve rechterlijke beslissingen waarin schending van vormvoorschriften werd vastgesteld, is het voorgaand lid eveneens van toepassing op beroepen, ingesteld voor het van kracht worden van deze bepaling, en tevens op de beroepen waarover opnieuw zal worden beslist na een vernietigingsarrest van de Raad van State. (...)”. 18. Volgens de voormelde bepaling moeten dus enkel eventuele bijlagen, die bij het beroepschrift voor de hogere overheid zijn gevoegd, ook aan de aanvrager worden bezorgd. In casu wordt in het beroepschrift, naast de rubriek “bijlage”, niets vermeld. De “registratie van het kadaster”, waarvan in het beroepschrift van de gemachtigde ambtenaar melding wordt gemaakt, wordt in het bestreden besluit omschreven als “een uittreksel uit het kadasterplan op schaal 1/2000 (...), gereproduceerd door de gemeente Koekelare waarop de gedetailleerde perceelsgegevens (toestand 2002) zijn vermeld voor het betrokken perceel, zoals de namen van de eigenaars (...), straat en huisnummer (Lekestraat 83), de oppervlakte (410 m²), het kadastraal inkomen (47 euro) en een omschrijving (landgebouw)” en dat “gehecht is aan het schrijven van 2 december 2003 van de gemeente Koekelare (...)”. Dit uittreksel maakte deel uit van het aanvraagdossier, zoals dit reeds bij de behandeling van verzoeksters aanvraag voor de deputatie bekend was, en waarvan in de inventaris van het beroepschrift van de gemachtigde ambtenaar melding wordt gemaakt. 19. Gelet op het voorgaande maakte het kwestieuze uittreksel deel uit van de in de inventaris bij het beroepschrift vermelde “overige stukken die aan de Vlaamse regering en niet aan de aanvrager worden toegezonden”, zoals bedoeld in artikel 53, § 2, tweede lid, 2/ van het gecoördineerde decreet. Het kan niet begrepen worden als “een bijlage ter ondersteuning van het beroep die er een integrerend deel van uitmaakt”, zoals bedoeld onder 1/ van het voormelde artikel, zodat het bestreden besluit de laatst vermelde bepaling niet schendt. Het middel is ongegrond. X-12.474-16/17 BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achttien februari 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, met bijstand van Astrid Truyens, griffier. De griffier De voorzitter Astrid Truyens Roger Stevens X-12.474-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.029 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div