id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.034 Rolnummer: A. 177151/X-13038 Zaak: Arrest 201034 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 18/02/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-03 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-07-02 08:54 Fiche Arrest nr 201.034 van 18 februari 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 201.034 van 18 februari 2010 in de zaak A. 177.151/X-13.
- In zake: het openbaar bestuur ZWARTE-SLUISPOLDER gevestigd te 9960 ASSENEDE Hollekensstraat 5 tegen: de gemeente ASSENEDE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Lachaert kantoor houdend te 9820 MERELBEKE Hundelgemsesteenweg 166, bus 5 Tussenkomende partij: de b.v.b.a. BRAEMS STEVEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Astère Patyn kantoor houdend te 9940 EVERGEM Schoonstraat 64 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 26 september 2006, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 20 juni 2006 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Assenede waarbij aan de b.v.b.a. BRAEMS STEVEN de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor de regularisatie van de versteviging van een bestaande gracht gelegen te Assenede, Stoepstraat 7J, kadastraal bekend sectie D, nr. 1271/e, “en alle beslissingen en werkwijzen die deel uitmaken van betreffend besluit en het beslissingsproces tot dit besluit”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. X-13.038-1/12 De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 14 februari
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld. De tussenkomende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 december
- Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat John Toury, die loco advocaat Peter Lachaert verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Astère Patyn, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 25 april 2006 vraagt de tussenkomende partij bij het gemeentebestuur van Assenede een stedenbouwkundige vergunning voor de “regularisatie versteviging aan een bestaande gracht”. De werken situeren zich in de noordelijke helft van de gracht die deel uitmaakt van het perceel aan de Stoepestraat 7J te Assenede, kadastraal bekend sectie D, nr. 1271/e. Uit het bij de aanvraag horende plan blijkt dat de “versteviging” werd uitgevoerd door middel van “ter plaatse gestort beton” in de bedding van de gracht. 3.
- Krachtens het bij koninklijk besluit van 14 september 1977 vastgestelde gewestplan Gentse en Kanaalzone is het voornoemde perceel gelegen in een gebied voor ambachtelijke bedrijven of een gebied voor kleine en X-13.038-2/12 middelgrote ondernemingen. Het is tevens gelegen binnen de grenzen van het bij ministerieel besluit van 7 november 1990 goedgekeurde bijzonder plan van aanleg “AKMO” van de gemeente Assenede. 3.
- Op 15 mei 2006 brengt de verzoekende partij volgend advies uit over de aanvraag: “We ontvingen in goede orde Uw schrijven dd 25/04/2006 (...) betreffende de in de rand gemelde bouwaanvraag waarbij het advies van ons bestuur wordt gevraagd. Deze aanvraag werd onderzocht en wordt ongunstig geadviseerd omwille van het volgende: - Bij een plaatsbezoek wordt vastgesteld dat kwestieuze oeverversterking is aangebracht ter stutting van de langsstaande hangaar. - Zoals uit bijgaande foto blijkt, hindert de aangebrachte oeverversterking de afwatering van het achterliggende gebied. - De eigendomsscheiding is gelegen midden de waterloop; dit houdt echter niet in dat een ‘halve’ bedding van deze gracht mag ‘ingenomen’ worden middels demping met stabilisé; hiertoe dient vooraf een toelating te worden bekomen van de mede-eigenaar aan de andere zijde van kwestieuze gracht alsmede van ons bestuur. Dientengevolge stelt het bestuur voor dat de aanneming van de polder, WOLFERT BVBA, Hollekenstraat 17 te 9960 Assenede, ten laste van de BVBA Steven BRAEMS, betreffende oeverversterking verwijdert en in plaats ervan een overwelving aanbrengt mede met het oog op de tot-stand-brenging van een stabiliserend effect voor de langsstaande hangaar, alsmede met oog op een vrijwaring van de afvoer van het oppervlaktewater van het achterliggende gebied, met inachtname van het volgende: - Voor de aanvang van de werken dienen te worden verwittigd : o dijkgraaf (...); o de mede-eigenaar van de bedding van kwestieuze gracht. - De overwelving wordt aangebracht in een bed van verdicht zand of ‘stabilisé-zand’. Vooraleer de stabiliserende zandlaag aan te brengen, moet de bedding uitgeschept worden van alle onstabiele inhoud (modder, planten, plantenresten, afval, etc.;) en dit tot op de vaste bodem. - De as van de overwelving zal overeenstemmen met de as van de waterloop. - Er dienen betonbuizen te worden gebruikt van/met een diameter van 40 cm, elke buis dient voorzien te zijn van een rubberen ring met het oog op een goede afdichting. - In het midden van de overwelving dient een inspectieput te worden aangebracht. Het deksel ervan zal bovengronds zichtbaar blijven en gemakkelijk afneembaar zijn. - Aan de beide uiteinden dienen degelijke kopmuren te worden aangebracht”. 3.
- Op 20 juni 2006 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Assenede de gevraagde vergunning. Dit is het bestreden besluit waarin onder meer het volgende overwogen wordt: X-13.038-3/12 “Legaliteit Volgens de planologische voorzieningen van het bij KB dd. 14.09.1977 goedgekeurd gewestplan Gentse en Kanaalzone is het goed gelegen in een gebied voor ambachtelijke bedrijven of een gebied voor kleine en middelgrote ondernemingen. Het terrein maakt deel uit van een BPA ‘AKMO’, maar niet van een goedgekeurde en niet vervallen verkaveling. Het perceel is gelegen langsheen een gewestweg. Opportuniteit Aanvrager wenst een regularisatie te bekomen van een versteviging van een bestaande gracht, om reden dat zijn gebouw begon te verzakken door het afkalven van de gracht. Het betreft hier een private gracht gelegen tussen 2 eigendommen. De werken werden uitgevoerd op de eigendom van de aanvrager. Het advies van het bestuur van de Zwarte Sluispolder dd.15.05.06 wordt niet bijgetreden omdat hierin wordt voorgesteld de gracht te overwelven ten gunste van de aanpalende eigenaar rechts en het aangewezen is de grachten voor de afvoer van het oppervlaktewater zoveel mogelijk te vrijwaren van overwelvingen. Het bestuur van de Zwarte Sluispolder dient zich ook niet uit te spreken over de technische uitvoering van de oeverversteviging gezien het hier een private gracht betreft die uitmondt in een polderwaterloop. Tijdens het beperkt publiek onderzoek werden geen bezwaren ingediend. - advies AWV dd. 16.05.06: gunstig. Voorstel Stedenbouwkundige vergunning B wordt verleend gezien de werken in overeenstemming zijn met de wettelijke bepalingen, met de goede ruimtelijke aanleg van de plaats en met zijn onmiddellijke omgeving”. IV. De regelmatigheid van de rechtspleging
- De door de verzoekende partij ingediende memorie van antwoord ten aanzien van het verzoekschrift tot tussenkomst is niet in de procedure voorzien en wordt uit de debatten geweerd.
- Door de verzoekende partij werden op haar verzoekschrift tot nietigverklaring zegels ter waarde van 350 euro gekleefd. Op het verzoekschrift tot nietigverklaring dienden slechts zegels ter waarde van 175 euro te worden gekleefd. Derhalve werd 175 euro ten onrechte betaald. Er bestaat aanleiding toe dit bedrag terug te betalen. V. Nadere omschrijving van het voorwerp van het beroep
- In het verzoekschrift vordert de verzoekende partij niet alleen de nietigverklaring van de stedenbouwkundige vergunning van 20 juni 2006, maar ook van “alle beslissingen en werkwijzen die deel uitmaken van betreffend besluit en het beslissingsproces tot dit besluit”. X-13.038-4/12 Daargelaten de vraag of deze “beslissingen en werkwijzen” voor vernietiging vatbare akten zijn, moet worden vastgesteld dat artikel 2, § 1 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State voorschrijft, hetgeen overigens de rechten van verdediging vergen, dat het voorwerp van het beroep door de verzoekende partij zelf in haar verzoekschrift wordt bepaald. Door de wijze waarop zij haar beroep tegen voornoemde “beslissingen en werkwijzen” formuleert laat de verzoekende partij het, in strijd met het voornoemde voorschrift, aan de Raad van State over het uiteindelijk voorwerp van het beroep te bepalen. Het annulatieberoep is bijgevolg beperkt tot de stedenbouwkundige vergunning van 20 juni
- VI. Ontvankelijkheid van het beroep De aangevoerde excepties
- Als eerste exceptie werpt de tussenkomende partij volgende exceptie van laattijdigheid op: “(...) De verzoekende partij beweert dat zij pas op 28/07/2006 kennis heeft gekregen van kwestieuze beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Assenede nadat zij hiervan bij verwerende partij een afschrift had gevraagd in het kader van de wetgeving inzake de openbaarheid van bestuur. Deze bewering wordt door geen enkel stuk gestaafd waardoor niet kan nagegaan worden of het annulatieberoep tijdig werd ingesteld door de verzoekende partij. Bovendien dient aangenomen te worden dat de verzoekende partij reeds veel eerder kennis heeft gekregen of minstens kennis diende gekregen te hebben van de kwestieuze regularisatievergunning. Als adviesverlenende overheid in dit dossier wist zij dat het ontvangstbewijs van de aanvraag dateert van 25/04/2006 (...). Evenzeer diende zij op de hoogte te zijn van het feit dat overeenkomstig art. 52 § 1 DRO binnen de 75 dagen vanaf de datum van het ontvangstbewijs, aan de aanvrager diende kennis gegeven te worden, van de beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen tot verlening of weigering van de vergunning; dus voor 04/07/
- In die omstandigheden dient aangenomen te worden dat eiseres alleszins voor 28/07/2006 kennis gekregen heeft/diende gekregen te hebben van de kwestieuze regularisatie-vergunning. Niettemin maakt zij pas per aangetekend schrijven tegen ontvangst bewijs dd. 26/09/2006 haar verzoekschrift tot nietigverklaring over aan de griffie van de Raad van State. D.i. buiten de wettelijke termijn tot nietigverklaring”.
- Als tweede exceptie werpt de tussenkomende partij de volgende exceptie van gemis aan belang op: X-13.038-5/12 “De gracht waarvan de tussenkomende partij een deel van de oever verstevigd heeft is volgens de planologische voorzieningen van het bij KB dd. 14.09.1977 goedgekeurd gewestplan Gentse en Kanaalzone gelegen in een gebied voor ambachtelijke bedrijven of een gebied voor kleine en middelgrote ondernemingen en maakt deel uit van een BPA ‘AKMO’; zie terzake bestreden besluit. Derhalve is hij niet gelegen binnen het poldergebied waarvoor eiseres bevoegd is. Bovendien is het een private gracht (dit blijkt expliciet uit het bestreden besluit; cf. infra). Bijgevolg valt moeilijk in te zien hoe eiseres over een griefhoudend belang beschikt om de vernietiging van kwestieus besluit te vorderen. Zij heeft voor kwestieuze gracht immers geen enkele bevoegdheid. Derhalve is het annulatieberoep ingesteld door verzoekende partij tegen kwestieus besluit onontvankelijk bij gebrek aan griefhoudend belang”.
- Als derde exceptie werpt de tussenkomende partij het volgende op: “Het verzoekschrift tot nietigverklaring is onvolledig. Meer bepaald ontbreken een aantal stukken die verzoekende partij op straffe van onontvankelijkheid diende voor te leggen. Is de verzoekende partij een rechtspersoon, dan moet het bewijs worden geleverd dat de beslissing om het beroep in te stellen op regelmatige wijze is genomen binnen de voor het beroep bepaalde termijnen door het orgaan dat de wet of de statuten bevoegd verklaart. Ligt niet een dergelijke beslissing voor, dan zal de Raad van State ambtshalve vaststellen dat de persoon die zich als procesvertegenwoordiger van de rechtspersoon heeft aangediend - zelfs al is dat een advocaat-, zonder mandaat heeft gehandeld, aangezien een zulkdanig handelen precies het bestaan impliceert van de (tijdige) beslissing van het bevoegde orgaan, om in rechte op te treden. (A. Mast, M. Van Damme, J. Dujardin & J. Vande Lanotte, ‘Overzicht van het Belgisch administratief recht’, Antwerpen Kluwer Rechtswetenschappen 2002 p. 1078-1079 nr. 1064 en de verwijzingen aldaar). In casu ligt het bewijs niet voor dat de beslissing om het beroep in te stellen op regelmatige wijze is genomen binnen de voor het beroep bepaalde termijnen door het orgaan dat de wet of de statuten bevoegd verklaart. Krachtens art. 45 Polderwet van 03/06/1957 treedt de dijkgraaf in rechte op voor de polder overeenkomstig de aanwijzingen van het bestuur en na daartoe gemachtigd te zijn door de algemene vergadering en door de gouverneur voor andere rechtsgedingen als eiser dan de bezitsvorderingen en de vorderingen in kortgeding. In casu is art. 45 Polderwet niet nageleefd. Eiseres heeft aan Uw Raad tesamen met het verzoekschrift tot nietigverklaring geen beslissing voorgelegd van de beweerde algemene vergadering van de polder dd. 22/09/2006 houdende machtiging aan de dijkgraaf om in rechte op te treden voor de polder. Evenmin blijkt uit enig stuk dat alle leden van de algemene vergadering van de polder op regelmatige wijze uitgenodigd werden om deel te nemen aan deze algemene vergadering. Derhalve kan noch Uw Raad, noch de tussenkomende partij, noch de verwerende partij vaststellen of de algemene vergadering op rechtsgeldige wijze en binnen de 60 dagen na kennisname van kwestieuze beslissing de dijkgraaf van eiseres heeft kunnen machtigen om onderhavig annulatieberoep in te stellen. X-13.038-6/12 Bovendien heeft eiseres aan Uw Raad tesamen met het verzoekschrift tot nietigverklaring geen machtiging van de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen voorgelegd waaruit blijkt dat de dijkgraaf van de Zwarte Sluispolder onderhavige procedure mag voeren. De machtiging door de gouverneur mag verleend worden nadat het verzoekschrift is ingediend (...). Dit volstaat opdat Uw Raad verplicht is, zelfs ambtshalve, de onontvankelijkheid van het verzoekschrift tot nietigverklaring vast te stellen”. Beoordeling
- Wat betreft de eerste exceptie moet worden vastgesteld dat het louter in vraag stellen van de stelling van de verzoekende partij dat zij op 28 juli 2006 kennis heeft gekregen van het bestreden besluit niet als een behoorlijk geadstrueerde exceptie van laattijdigheid kan worden beschouwd. De redenering in verband met de termijn bedoeld in artikel 52, § 1 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet) kan niet worden aangenomen, al was het maar omdat artikel 53, §1 van dit decreet de hypothese dat er binnen die termijn geen beslissing is genomen uitdrukkelijk voorziet.
- Wat betreft de tweede exceptie volgt, anders dan de tussenkomende partij voorhoudt, uit de planologische bestemming van het perceel waarop het bestreden besluit betrekking heeft niet dat de gracht onttrokken zou zijn aan het werkingsgebied van de verzoekende partij. Uit het door de verzoekende partij neergelegde plan van haar werkingsgebied blijkt dat de betrokken gracht daarin begrepen is. De verzoekende partij is betrokken geweest bij het totstandkomen van het bestreden besluit omdat de verwerende partij alvorens haar besluit te nemen het advies van de verzoekende partij heeft ingewonnen. Op grond hiervan geniet de verzoekende partij van een vermoeden van belang bij onderhavige vordering. In haar verzoekschrift wijst de verzoekende partij op het als volgt luidende artikel 3 van het koninklijk besluit van 30 januari 1958 houdende algemeen politiereglement van de polders en van de wateringen: “Wat betreft de droogleggings- en bevloeiïngswegen, welke bij de artikelen 1 en 2 niet zijn voorzien en welke in het gebied van de polders en van de wateringen gelegen zijn, is het verboden: (...) 2/ er de bedding of de oevers van te verplaatsen of te wijzigen of op enige wijze hun normale en geregelde staat te schenden, onder meer door innemingen, door neerzettingen of door het wegnemen van beplantingen, X-13.038-7/12 van graszoden, aarde, slijk, zavel, kiezel of andere materialen, zonder machtiging van het bestuur’; (...)”. In het bestreden besluit wordt overwogen dat de betrokken gracht “uitmondt in een polderwaterloop”. In het licht van deze gegevens slaagt de tussenkomende partij er niet in het voornoemde vermoeden te weerleggen.
- In haar derde exceptie beroept de tussenkomende partij zich op het als volgt luidende artikel 45, tweede lid van de wet van 3 juni 1957 betreffende de polders: “Hij treedt in rechte op voor de polder overeenkomstig de aanwijzingen van het bestuur en na daartoe gemachtigd te zijn door de algemene vergadering en door de gouverneur voor andere rechtsgedingen als eiser dan de bezitsvorderingen en de vorderingen in kortgeding”. De verzoekende partij legt een uittreksel uit de notulen van haar algemene vergadering neer waaruit blijkt dat deze algemene vergadering op 22 september 2006 beslist heeft tot het instellen van voorliggend annulatieberoep. De verzoekende partij legt een afschrift van het besluit van 22 november 2006 van de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen neer, waarbij deze aan de dijkgraaf de machtiging verleent tot het instellen van het beroep. Dergelijke machtiging mag, zoals de tussenkomende overigens zelf erkent, worden verleend nadat het verzoekschrift is ingediend.
- De excepties worden verworpen. VII. Onderzoek van het tweede middel Standpunt van de partijen
- In het verzoekschrift wordt als tweede middel het volgende aangevoerd: “Motivering van het besluit Het College van Burgemeester en Schepenen typeren deze waterloop als een private gracht. Een private gracht is een gracht die het overtollig aflopend oppervlaktewater afvoert van een erf ten behoeve van één ingelande. Deze waterloop wordt dan X-13.038-8/12 als ‘privaat’ bestempelt omdat slechts één private persoon privaat belang heeft bij de functionering van deze waterloop en er daarbij geen belangen van derde ingelanden betrokken zijn. Het huishoudelijk reglement van de Zwarte-Sluispolder, KB dd. 5 december 1969 beschrijft in zijn artikel 46 een niet-private-gracht als: ‘de lei- en langsgrachten; alle andere grachten en kavelsloten onder welke benaming ook, die in rechtstreekse of onrechtstreekse verbinding staan met al of niet gerangschikte waterlopen of met de hierboven genoemde lei- of langsgrachten en die niet dienstig zijn voor de ontwatering of bevloeiing van gronden in gebruik bij één en dezelfde uitbater’ In het bijzonder politiereglement van de Zwarte-Sluispolder wordt een en ander ook verder geregeld. In zijn motivering stelt het College van Burgemeester en Schepenen dat ons bestuur de door ons bestuur voorgestelde overwelving wil aanbrengen ter vrijwaring van de belangen van de aanpalende eigenaars aan de andere zijde van de waterloop: uittreksel: ‘ten gunste van de aanpalende eigenaar’. Hierdoor geeft het College van Burgemeester en Schepenen aan dat deze gracht geen private waterloop is, aangezien ook de aangelanden aan de andere zijde van de waterloop manifest betrokken partij zijn. Er weze er hierbij op gewezen dat de aangelanden aan de andere oeverzijde zes KMO’s zijn/zullen zijn waarvan het water van betreffende aanpalende percelen cq met eropstaande bedrijfsgebouwen moet afgevoerd worden via deze gracht naar de hoofd-waterloop in casu wl. nr 8.210-2/cat. Het College van Burgemeester en Schepenen is zeer goed op de hoogte van deze feitelijke toestand, zoals ook bleek tijdens het onderhoud terzake tussen het polderbestuur en het College van Burgemeester en Schepenen, voornoemd. Het College van Burgemeester en Schepenen is ook goed op de hoogte van het feit dat ‘eigendom’ en ‘beheer’ van de bedding van een waterloop twee onafhankelijke aspecten ervan zijn. In de 400.000 Ha laaggelegen gebieden beheerd door de openbare besturen van polders en wateringen in Vlaanderen functioneren meerdere honderden kilometers grachten die private eigendom zijn van de aangelanden, doch die een ‘kollektief belang, resp. een kollektieve functie’ hebben voor de meerdere aangelanden wiens eigendommen afwateren via kwestieuze grachten en die dientgevolge in beheer zijn bij het bevoegde polderbestuur. Enkele jaren terug zijn zo bijvoorbeeld in de gebieden van polders en wateringen meerdere grachten, waarvan de bedding in private eigendom is en blijft, doch dewelke een collectieve functie hebben, geklasseerd bij de ‘geklasseerde onbevaarbare waterlopen’. Dus ook geklasseerde onbevaarbare waterlopen zijn dikwijls in private eigendom. Er weze hier opgemerkt dat ‘de klassering van waterlopen’ in poldergebieden alleen als doel heeft: de toewijzing van de kosten van het onderhoud en instandhouding aan kwestieuze waterloop te regelen, door het aanwijzen van het openbaar bestuur dat deze kosten zal dragen. De onderhoudslasten en kosten van de verbeteringswerken en instandhoudingwerken aan de als zodanig niet-geklasseerde waterlopen zijn ten laste van de aangelanden. Voornoemde aangehaalde motivering kan derhalve kwestieus besluit niet dragen noch naar de feiten, noch naar rechte, noch naar beleid”.
- In haar memorie van antwoord voert de verwerende partij onder meer het volgende aan: X-13.038-9/12 “(In het bestreden besluit) wordt gemotiveerd waarom het advies van verzoekster niet wordt bijgetreden: het advies stelt voor de gracht te overwelven, terwijl het net aangewezen is om grachten voor de afvoer van oppervlaktewater zoveel mogelijk te vrijwaren van overwelvingen; daarenboven kan verzoekster zich niet uitspreken over de technische uitvoering van de oeverversteviging nu het om een private gracht gaat. Het advies van verzoekster wordt dus niet gevolgd. Dit is voldoende als motivatie nu dient vastgesteld dat verzoekster in haar ongunstig advies d.d. 15/05/2006 zelf weinig ‘stof’ tot tegenargumentering aanbrengt: zoals onder het eerste middel reeds uiteengezet, motiveert verzoekster haar ongunstig advies nauwelijks of niet : uit een bijgevoegde foto zou dienen afgeleid dat de oeverversteviging in kwestie de afwatering van het achterliggend gebied hindert (?). Één foto is zeker en vast onvoldoende als argument voor een negatief advies. Uit de foto blijkt bovendien dat de oeverversteviging de gracht niet of nauwelijks beperkt in breedte. Verzoekster toont helemaal niet aan of en op welke manier de oeverversteviging de afwatering zou hinderen”.
- In haar verzoekschrift tot tussenkomst stelt de tussenkomende partij in essentie dat de verwerende partij in het bestreden besluit “op duidelijke en afdoende wijze” motiveert waarom het advies van de verzoekende partij niet wordt gevolgd.
- In haar memorie van wederantwoord stelt de verzoekende partij dat “in toepassing van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen” de motivering niet afdoende is. Zij voegt er onder meer aan toe dat de bouw van de steunmuur binnen het waterafvoerend profiel van de gracht het risico op overstroming verhoogt en een betekenisvol nadelig effect uitmaakt in de zin van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid. Beoordeling
- Door zich in haar memorie van wederantwoord te beroepen op het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid geeft de verzoekende partij op onontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan haar middel. Blijft de vraag of de in het bestreden besluit opgenomen formele motieven afdoende zijn in de zin van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen.
- Om te voldoen aan de haar opgelegde motiveringsverplichting dient de vergunningverlenende overheid in haar besluit de met een degelijke X-13.038-10/12 ruimtelijke ordening verband houdende redenen aan te geven die haar beslissing verantwoorden. Deze redengeving dient des te meer concreet en precies te zijn wanneer de vergunningverlenende overheid afwijkt van een concreet gemotiveerd ongunstig advies.
- In haar ongunstig advies heeft de verzoekende partij gesteld dat “de aangebrachte oeverversterking de afwatering van het achterliggende gebied (hindert)”. Het staat buiten kijf dat voor een bouwwerk in de bedding van een gracht de afwatering een aspect is van de goede plaatselijke aanleg. Het bestreden besluit bevat formele motieven met betrekking tot het in het voornoemde advies voorgestelde alternatief van overwelving, maar behoudt het stilzwijgen over de gevolgen van de vergunde werken op de afwatering. Aldus is de verenigbaarheid met de goede plaatselijke aanleg niet afdoende gemotiveerd.
- Het tweede middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het besluit van 20 juni 2006 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Assenede waarbij aan de b.v.b.a. BRAEMS STEVEN de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor de regularisatie van de versteviging van een bestaande gracht gelegen te Assenede, Stoepstraat 7J, kadastraal bekend sectie D, nr. 1271/e.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Het door de verzoekende partij op het verzoekschrift tot nietigverklaring onverschuldigd gekweten recht, ten belope van 175 euro, dient te worden terugbetaald. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. X-13.038-11/12 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achttien februari 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Roger Stevens X-13.038-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.034 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div