id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.046 Rolnummer: A. 150416/VII-37603 Zaak: Arrest 201046 - Monumenten en Landschappen - 18/02/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-22 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-07-02 08:54 Fiche Arrest nr 201.046 van 18 februari 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 201.046 van 18 februari 2010 in de zaak A. 150.416/VII-37.
- In zake: Catheline D'IETEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Bouckaert kantoor houdend te Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 5 april 2004, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken van 16 januari 2004 waarbij de villa "Le Pangolin", gelegen aan de Berkenlaan 11 te Knokke-Heist, als monument beschermd wordt. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld. VII-37.603-1/7 De verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 januari
- Kamervoorzitter Luc Hellin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pieter Vandenheede, die loco advocaat Jan Bouckaert verschijnt voor de verzoekster, en advocaat Saartje Callens, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Ann Van Mingeroet heeft een andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoekster is eigenaar van de villa "Le Pangolin", gelegen aan de Berkenlaan 11 te Knokke-Heist. 3.
- In een nota van 23 december 2002 stelt de afdeling Monumenten en Landschappen voor om onder meer de villa "Le Pangolin" te beschermen als monument omwille van het algemeen belang gevormd door de artistieke, historische, te dezen architectuurhistorische, en de socio-culturele waarde. 3.
- Op 5 februari 2003 beslist de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken om de voornoemde villa als monument op een ontwerp van lijst te plaatsen van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten. Een afschrift van dit voorlopig beschermingsbesluit wordt bij brief van 20 februari 2003 naar de verzoekster en de betrokken besturen verstuurd. VII-37.603-2/7 3.
- Op 18 maart 2003 dient de verzoekster een bezwaarschrift in bij de administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten & Landschappen West-Vlaanderen. 3.
- Dit bezwaar wordt door de afdeling Monumenten en Landschappen besproken in haar verslag van 7 mei
- 3.
- De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (hierna : KCML) verleent op 3 juli 2003 een gunstig advies. 3.
- Op 16 januari 2004 beslist de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken de voornoemde villa als monument te beschermen wegens de artistieke, historische en socio-culturele waarde. Dit besluit wordt op 5 februari 2004 aangetekend naar de verzoekster verstuurd. 3.
- Op 8 maart 2004 vraagt de verzoekster aan de KCML om kennis te krijgen van het advies van de KCML. Dit schrijven wordt op 2 april 2004 beantwoord en het gevraagde advies wordt haar meegedeeld. IV. Onderzoek van de middelen Eerste middel Standpunt van de partijen
- De verzoekster roept in een eerste middel de schending in van artikel 2, 2/, van de artikelen 3 en 5, § 2, 2/ en 3/, van artikel 5, § 8, en van artikel 7 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, van het intussen opgeheven besluit van de Vlaamse regering van 20 april 1994 betreffende de samenstelling, de organisatie, de bevoegdheden en de werking van de KCML, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet) en van het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel. 4.
- In een eerste onderdeel van dit middel betoogt de verzoekster dat de schending van de ingeroepen bepalingen en beginselen er in bestaat dat de villa "Le Pangolin" in het bestreden besluit beschermd wordt zonder dat wordt VII-37.603-3/7 aangetoond dat het door haar ingediende bezwaar werd onderzocht of dat er bij de beoordeling van het klasseringsdossier rekening mee werd gehouden. Zij zet hierbij uiteen dat uit de motivering van een beslissing de redenen moeten kunnen worden afgeleid die een overheid ertoe gebracht hebben om gemaakte opmerkingen en bezwaren naast zich neer te leggen en tot een ander standpunt te komen of dat een overheid in een beslissing duidelijk verwijst naar een welbepaald advies waarbij zij zich aansluit. De verzoekster argumenteert dat de motivering van het voorlopig beschermingsbesluit identiek is aan de motivering van het bestreden besluit en dat dit erop wijst dat geen rekening is gehouden met het door haar ingediende bezwaar. Volgens de verzoekster weigert de KCML inzage te verlenen in het proces-verbaal van het onderzoek en de behandeling van de ingediende bezwaren en opmerkingen, wat er volgens haar op wijst dat haar opmerkingen en bezwaren niet onderzocht werden. De verzoekster concludeert dat er een schending is van de formele en materiële motiveringsplicht en van het beginsel volgens hetwelk de overheid bij haar besluitvorming rekening moet houden met alle elementen en factoren die haar beslissing kunnen beïnvloeden.
- De verwerende partij antwoordt dat om te voldoen aan de motiveringsverplichting ofwel uitdrukkelijk de beschermingswaarden van het monument moeten worden opgenomen of dat er moet worden verwezen naar het advies van de KCML dat hetzij uitdrukkelijk moet worden opgenomen in het beschermingsbesluit ofwel eraan moet worden toegevoegd. Zij argumenteert voorts dat de formele motiveringsplicht geen verplichting schept om in het beschermingsbesluit expliciet de ingediende opmerkingen en bezwaren te beantwoorden en dat de beschermingswaarden niet veranderen door een openbaar onderzoek zodat het logisch is dat de motivering van een voorlopig beschermingsbesluit identiek is aan de motivering van een definitief beschermingsbesluit. Voorts stelt de verwerende partij dat de bezwaren beoordeeld zijn en dat het beschermingsdossier vervolgens is voorgelegd aan de KCML dat hiervan kennis heeft genomen, de beoordeling van de bezwaren juist heeft bevonden en een gunstig advies heeft gegeven.
- De verzoekster repliceert dat de motiveringsplicht vereist dat uit de motivering van het beschermingsbesluit blijkt dat de opmerkingen en bezwaren onderzocht zijn en dat er bij de beoordeling van het beschermingsdossier rekening mee gehouden is, wat te dezen volgens haar niet gebeurd is. Zij stelt voorts dat de VII-37.603-4/7 KCML zich de inhoud van het advies van de administratie niet heeft toegeëigend waaruit blijkt dat de KCML de ingediende opmerkingen en bezwaren niet heeft onderzocht of betrokken bij de beoordeling van het beschermingsdossier. Dat het bestreden besluit gesteund is op dezelfde motieven als het voorlopig beschermingsbesluit, toont volgens de verzoekster aan dat er met haar opmerkingen en bezwaren geen rekening is gehouden.
- In haar laatste memorie herhaalt de verzoekster dat haar bezwaren en opmerkingen niet onderzocht werden en dat er geen rekening mee werd gehouden bij de beoordeling van het beschermingsdossier. Zij stelt dat de motivering van het bestreden besluit louter een veralgemening is waaruit niet kan worden afgeleid dat ze is gesteund op het geïndividualiseerd onderzoek van haar eigendom. Beoordeling
- Het hiervoor besproken middelonderdeel steunt op de vaststelling van de verzoekster dat, ondanks het feit dat zij een omstandig bezwaarschrift ingediend heeft, zij alvorens het annulatieberoep aan te tekenen, enkel kennis kreeg van het bestreden besluit. Het advies van de KCML, waarnaar in de bestreden beslissing wordt verwezen, bevat geen antwoord op haar bezwaar. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat dit bezwaarschrift onderzocht en beantwoord werd. De verzoekster voert op basis hiervan aan dat de decretale verplichting om het bezwaarschrift te onderzoeken en te beantwoorden geschonden is. Aan de verzoekster is alleen het bestreden beschermingsbesluit meegedeeld en dat besluit beperkt er zich toe in zijn aanhef te verwijzen naar het ministerieel besluit van 5 februari 2003 houdende ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten en naar het advies van de KCML van 3 juli
- VII-37.603-5/7 Het besluit tot voorlopige bescherming van 5 februari 2003 en de motiveringsnota werden weliswaar meegedeeld aan de verzoekster, maar bevatten zelf geen nuttige formele redengeving die toestaat te begrijpen waarom, spijts de bezwaren van de verzoekster, het monument van algemeen belang is en de beschermingsprocedure is voortgezet. Noch uit de aanhef, noch uit de inhoud van het bestreden besluit kan worden afgeleid dat de bezwaren van de verzoekster zijn onderzocht en beantwoord en dat die niet van die aard waren om de overheid er toe te brengen de beschermingsprocedure niet verder te zetten. Ook het advies van de KCML van 3 juli 2003 waarnaar in het bestreden besluit wordt verwezen bevat geen onderzoek van de bezwaren van de verzoekster. Dat advies is trouwens ook niet samen met de bestreden beslissing meegedeeld aan de verzoekster. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht opgelegd door de motiveringswet is erin gelegen dat de betrokken bestuurde in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen vinden op grond waarvan de beslissing werd genomen. Het is noodzakelijk dat de beslissing duidelijk de fundamentele redenen doet kennen die haar verantwoorden, of minstens toelaat na te gaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij deze feiten correct heeft beoordeeld, of zij de geformuleerde bezwaren heeft onderzocht en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, zodat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Het bestreden besluit bevat geen enkele nuttige formele redengeving die toestaat te begrijpen waarom de beschermingsprocedure werd voortgezet, de bezwaren van de verzoekster ten spijt. Aan het bestreden beschermingsbesluit is een brede raadpleging voorafgegaan, onder meer van de verzoekster. De verwerende partij is er toe gehouden de ingediende adviezen, opmerkingen en bezwaren te onderzoeken én bij haar beoordeling te betrekken. In de gegeven omstandigheden wordt niet aangenomen dat de verzoekster voldoende op de hoogte van de motieven van de eindbeslissing is en derhalve in de mogelijkheid verkeerde om met kennis van zaken tegen het bestreden besluit op te komen. Het blijkt integendeel dat de verzoekster volledig in het ongewisse is gebleven van het al dan niet onderzocht zijn van haar bezwaren tot op het ogenblik VII-37.603-6/7 dat zij, slechts na en omwille van het instellen van haar annulatieberoep, inzage verkreeg van het administratief dossier. Het eerste onderdeel van het eerste middel is gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken van 16 januari 2004 in zoverre daarbij de villa "Le Pangolin", gelegen aan de Berkenlaan 11 te Knokke-Heist, als monument beschermd wordt.
- Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het gedeeltelijk vernietigde besluit.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achttien februari tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Dieter Decock, griffier. De griffier De voorzitter Dieter Decock Luc Hellin VII-37.603-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.046 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div