id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.047 Rolnummer: A. 153351/VII-37418 Zaak: Arrest 201047 - Monumenten en Landschappen - 18/02/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-22 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-07-02 08:54 Fiche Arrest nr 201.047 van 18 februari 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 201.047 van 18 februari 2010 in de zaak A. 153.351/VII-37.
- In zake: Francis DE SMET bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Gerard Soete en Geert Ampe kantoor houdend te Oostende Kerkstraat 8, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Veerle Tollenaere kantoor houdend te Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 1 juli 2004, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken van 16 april 2004 waarbij het voormalig buitenhuis, gelegen aan de Generaal Lemanlaan 151 te Brugge (Assebroek), beschermd wordt als monument en waarbij de omringende ruime ommuurde tuin met inbegrip van het gietijzeren hekken, gelegen op hetzelfde adres, beschermd wordt als dorpsgezicht. II. Verloop van de rechtspleging
- De verzoeker heeft een toelichtende memorie ingediend. Auditeur Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. VII-37.418-1/6 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 januari
- Kamervoorzitter Luc Hellin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Vincent Christiaens, die loco advocaat Geert Ampe verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Elsbeth De Vylder, die loco advocaat Veerle Tollenaere verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Ann Van Mingeroet heeft een andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoeker is eigenaar van de woning met grond gelegen aan de Generaal Lemanlaan 151 te Brugge (Assebroek), kadastraal gekend te Brugge, 21ste afdeling, sectie A, perceel nr. 76D. 3.
- In een nota van 6 mei 2003 stelt de afdeling Monumenten en Landschappen voor om die woning en voormalig buitenhuis als monument te beschermen omwille van het algemeen belang gevormd door de historische en socio- culturele waarde en de omringende ruime ommuurde tuin met inbegrip van het gietijzeren hekken te beschermen als dorpsgezicht omwille van de historische waarde. 3.
- Op 27 juni 2003 beslist de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken om voornoemd buitenhuis als monument en zijn tuin als dorpsgezicht op een ontwerp van lijst te plaatsen van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten. Een afschrift van dit voorlopig beschermingsbesluit wordt bij brief van 9 juli 2003 naar de verzoeker en de betrokken besturen verstuurd. VII-37.418-2/6 3.
- Op 7 en 8 augustus 2003 dient de verzoeker een bezwaarschrift in bij de administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten & Landschappen West-Vlaanderen. 3.
- De afdeling Monumenten en Landschappen maakt op 30 oktober 2003 een verslag op "Openbaar onderzoek". 3.
- De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (hierna : KCML) verleent op 8 januari 2004 een gunstig advies. 3.
- Op 16 april 2004 beslist de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken het voormalig buitenhuis als monument te beschermen wegens de historische en sociaal-culturele waarde en de omringende ruime ommuurde tuin met inbegrip van het gietijzeren hekken als dorpsgezicht wegens de historische waarde. Dit besluit wordt op 4 mei 2004 aangetekend naar de verzoeker verstuurd. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft nagelaten binnen de wettelijk voorgeschreven termijn een memorie van antwoord in te dienen, zodat de buiten deze termijn ingediende memorie van antwoord uit de debatten geweerd wordt. V. Onderzoek van de middelen Eerste middel Standpunt van de partijen
- De verzoeker roept in een eerste middel de schending in van artikel 2, tweede alinea, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, alsook de afwezigheid van feitelijke grondslag. Hij stelt dat het gebouw geen architectuurhistorische waarde heeft omdat er niets overblijft van het oorspronkelijke gebouw - het gebouw werd achteraan afgebroken en voorzien van een blinde muur waar vroeger vensters waren en in de zolder werden moderne vensters aangebracht. Voorts stelt hij dat de VII-37.418-3/6 binnenafwerking door de vorige eigenaar is aangepast, dat de actuele interieurelementen geen gaaf bewaarde interieurelementen zijn en dat het bestreden besluit geen element aanhaalt dat de sociaal-culturele waarde van het betrokken goed illustreert.
- In de toelichtende memorie argumenteert de verzoeker dat het laattijdig indienen van de memorie van antwoord en het administratief dossier aantoont dat de verwerende partij beseft dat het bestreden besluit ten onrechte is genomen.
- De verzoeker stelt in zijn laatste memorie dat hij zich het recht voorbehoudt nog stukken neer te leggen ter staving van zijn feitelijke uiteenzetting omdat hij verschalkt werd door de verwerende partij die laattijdig haar memorie van antwoord en het administratief dossier heeft neergelegd. Voorts stelt hij dat van rechtswege de vraag zou moeten rijzen of de verwerende partij kan voorhouden dat zijn uiteenzetting feitelijke grondslag mist en de toets van de realiteit niet kan doorstaan.
- De verwerende partij heeft geen laatste memorie ingediend. Beoordeling
- Het bestreden besluit motiveert de architectuurhistorische en sociaal-culturele waarde van het monument als volgt : "De historische waarde, in casu architectuurhistorische waarde, wordt als volgt omschreven : - Als zijnde een gaaf bewaard voorbeeld van een buitenhuis in classicistische stijl die samen met de ruime tuin als één geheel is geconcipieerd. De typerende symmetrisch opgebouwde gevel is opengewerkt met een centrale inkomtravee benadrukt door imitatievoegen en beluikte vensteropeningen, rondboogvormig op de begane grond en rechthoekige op de verdieping en allen voorzien van gaaf bewaard schrijnwerk. - Als zijnde een voormalig buitenhuis met gaaf bewaarde interieurelementen die zowel de directoire als de empire illustreren. De sociaal-culturele waarde wordt als volgt omschreven, Als zijnde een voorbeeld van een buitenhuis uit het eerste kwart van de 19de eeuw dat getuigt van de verfijnde levensstijl van de gegoede burgerij of adel". Het ministerieel besluit houdende vaststelling van een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten van 27 juni 2003 omschreef de historische en socio-culturele waarde van het "voormalig buitenhuis" op dezelfde wijze. VII-37.418-4/6
- Reeds in zijn bezwaarschrift van 8 augustus 2003 heeft de verzoeker er op gewezen dat er "bezwaarlijk van historische waarde gesproken (kan) worden" en dat het monument zijn landelijk karakter heeft verloren. Klaarblijkelijk heeft de verzoeker geen kennis gehad van de argumentatie die zijn bezwaar afwijst. Het stuk dat die argumentatie bevat bevindt zich wel in het laattijdig neergelegd administratief dossier. Het standpunt dat de verzoeker heeft ingenomen in huidig geding is hetzelfde als in zijn bezwaarschrift en het bevat geen kennelijk onjuiste gegevens. De door hem aangehaalde feitelijke gegevens met betrekking tot de afbraak van een gedeelte van het oorspronkelijke gebouw, de blinde muur en de grondig gewijzigde interieurelementen blijken niet van ernst ontbloot te zijn, zodat bij gebrek aan een tijdig neergelegd administratief dossier, de feitelijke gegevens als bewezen worden geacht. De bestreden beslissing is aldus niet afdoende gemotiveerd. Het eerste middel is gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken van 16 april 2004 in zoverre daarbij het voormalig buitenhuis, gelegen aan de Generaal Lemanlaan 151 te Brugge (Assebroek), beschermd wordt als monument en in zoverre daarbij de omringende ruime ommuurde tuin met inbegrip van het gietijzeren hekken, gelegen op hetzelfde adres, beschermd wordt als dorpsgezicht.
- Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het gedeeltelijk vernietigde besluit.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. VII-37.418-5/6 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achttien februari tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Dieter Decock, griffier. De griffier De voorzitter Dieter Decock Luc Hellin VII-37.418-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.047 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div