id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.055 Rolnummer: A. 195471/IX-6720 Zaak: Arrest 201055 - Penitentiair recht - 18/02/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-22 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-02 08:55 Fiche Arrest nr 201.055 van 18 februari 2010 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 201.055 van 18 februari 2010 in de zaak A. 195.471/IX-6720 In zake : Rudi BROECKAERT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jürgen Millen kantoor houdend te Hoeselt Tongersesteenweg 4 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 12 februari 2010, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van 8 februari 2010 van de gevangenisdirecteur te Hasselt waarbij Rudi Broeckaert de tuchtsanctie wordt opgelegd van drie maanden individueel regime. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 februari 2010, om 09.30 uur. Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Elisa Van Broeck, die loco advocaat Jürgen Millen verschijnt voor de verzoeker, en attaché Xaveer Laureyns, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. IX-6720-1/6 Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoeker is opgesloten in de gevangenis te Hasselt. Hij geniet van de modaliteit van beperkte vrijheid en verblijft in de gevangenis in een cel met vier gedetineerden. 3.
- Bij een controle van de cel op 6 februari 2010 worden “verschei- dene verdachte substanties” en verboden voorwerpen gevonden en wordt vastgesteld dat de verzoeker “vermoedelijk onder invloed van drugs bleek te zijn”. Hij wordt bij wege van voorlopige maatregel op veiligheidscel geplaatst. 3.
- Er wordt een hoorzitting georganiseerd in het kader van een tuchtprocedure. De door de verzoeker aangewezen raadsman wordt uitgenodigd, maar hij verschijnt niet ter zitting. Bij brief van 7 februari 2010 protesteert de raadsman tegen het feit dat zijn cliënt niet over een tuchtdossier beschikt en hij de verdediging derhalve niet met kennis van zaken kan voeren. De verzoeker zelf betwist tijdens het verhoor dat de gevonden drugs van hem waren en dat hij gebruikt heeft. 3.
- Op 8 februari 2010 neemt de gevangenisdirecteur de hier bestreden beslissing. De verzoeker krijgt de tuchtsanctie opgelegd van drie maanden individueel regime. De motivering luidt: “- aangezien ervaring ons leert dat zulke gevonden substantie meestal drugs is; - aangezien drugs in de gevangenis voor ongewenste neveneffecten zorgt, zoals afpersing, agressie,...; - aangezien betrokkene in het verleden ook al werd betrapt op het gebruik/bezit van drugs; - aangezien er een duidelijke drugproblematiek aanwezig is bij betrokke- ne. Er zijn voldoende elementen om te vermoeden dat de drugs aan betrokkene toebehoorden.” IX-6720-2/6 IV. Onderzoek van de vordering
- Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerleg- ging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat de zaak hoogdringend is. Ernst van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoeker voert de schending aan van artikel 108, § 2, van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden. Hij betoogt dat er een fouillering op het lichaam uitgevoerd is zonder bevel van de directeur. Beoordeling
- De verzoeker legt geen enkel bewijsgegeven voor waaruit zou kunnen opgemaakt worden dat hij op 8 februari 2010 het voorwerp uitgemaakt heeft van een fouille op het lichaam.
- Het middel ontbeert feitelijke grondslag. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoeker voert de schending aan van de formele motiverings- verplichting. De motivering van het bestreden besluit zou niet nauwkeurig en concreet zijn in de zin van de omzendbrief 1777, aangezien de directeur zich steunt IX-6720-3/6 op zijn ervaring dat de aangetroffen substantie meestal drugs zijn en hij besluit dat “er voldoende elementen zijn om te vermoeden” dat de drugs aan de verzoeker zouden toebehoren. Vermoedens kunnen niet nagetrokken worden en kunnen derhalve geen deugdelijke grondslag vormen voor de tuchtstraf. Beoordeling
- Uit het rapport aan de directeur blijkt dat tijdens de celcontrole van 6 februari 2010 ‘verscheidene verdachte substanties en verboden voorwerpen zijn gevonden”. De verzoeker bleek volgens de penitentiair beambte ook onder de invloed van drugs te zijn. De verzoeker heeft zijnerzijds op de hoorzitting toegegeven dat er drugs in de cel aangetroffen werden en over de herkomst ervan heeft hij een wisselende verklaring afgelegd.
- De drugsproblematiek is een verbreid en gekend fenomeen in de gevangenissen. De penitentiair beambten hebben derhalve ter zake een ervaring opgebouwd -zowel wat het herkennen van de substantie als wat de personen die gebruiken betreft-, waarop de directeur zich, behoudens tegenindicatie, geredelijk kan steunen om, met de spoed die van hem vereist wordt, de goede gang van zaken in de inrichting te verzekeren. Ook zonder over een onomstotelijk bewijs te beschikken, kan de gevangenisdirecteur geredelijk op de vaststellingen van zijn beambten op het vlak van de herkenning van drugs en van druggebruik steunen om de betrokkene tuchtrechtelijk te bestraffen, zeker wanneer de gevangene tegenover hem niet aannemelijk maakt dat de penitentiair beambte zich in zijn geval ten onrechte op zijn ervaring beroept.
- De gevangenisdirecteur verwijst aldus terecht naar de vaststelling- en van zijn beambten met betrekking tot de aanwezigheid en het bezit van drugs evenals het druggebruik door de verzoeker. Het voorzichtig taalgebruik dat in het bestreden besluit gehanteerd wordt vermindert de bewijswaarde van de verklaring van de penitentiair beambte niet. Het bestreden besluit zet duidelijk uiteen waarom de verzoeker gestraft wordt.
- Het middel is niet ernstig. IX-6720-4/6 C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoeker voert de schending aan van zijn rechten van verdediging, van zijn recht op een eerlijk proces als algemeen rechtsbeginsel en van artikel 6 EVRM. Hij spitst het middel toe op het feit dat hij niet de mogelijkheid gehad heeft om het tuchtdossier in te kijken en hij derhalve zijn verdediging niet naar behoren kon voorbereiden.
- In de uitnodiging voor de hoorzitting, die de verzoeker voor ontvangst ondertekend heeft op 6 februari 2010 is formeel vermeld dat hem toen een exemplaar van het rapport aan de directeur, van het overzicht van zijn vroegere sancties en van het gehele tuchtdossier overhandigd is. Dat de verzoeker zulks niet aan zijn raadsman medegedeeld heeft en dat deze er bijgevolg vanuit gegaan is dat het tuchtdossier niet was medegedeeld en dat het geen zin had op de hoorzitting te verschijnen, dient volledig voor zijn rekening te blijven. Hij kan dit nu niet aan het bestuur tegenwerpen.
- Uit het verslag van verhoor blijkt ook dat de verzoeker zich zelf ook verdedigd heeft tegen de tenlasteleggingen. Hij heeft ter zitting ook geen opmerking gemaakt over de onvolledigheid van het dossier of over het feit dat hij dat dossier niet kende.
- Het middel is niet ernstig. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op 175 euro. IX-6720-5/6 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 18 februari 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-6720-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.055 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div