← België

Arrest 201056 - Penitentiair recht - 18/02/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.056 Rolnummer: A. 195473/IX-6721 Zaak: Arrest 201056 - Penitentiair recht - 18/02/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-22 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-07-02 08:55 Fiche Arrest nr 201.056 van 18 februari 2010 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 201.056 van 18 februari 2010 in de zaak A. 195.473/IX-6721 In zake : Luc FELSKA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Evelyne Grouwels kantoor houdend te Riemst Tongersesteenweg 36/1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 11 februari 2010, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van 8 februari 2010 van de gevangenisdirecteur te Hasselt waarbij Luc Felska de tuchtsanctie wordt opgelegd van drie maanden individueel regime. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 februari 2010, om 09.30 uur. Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Yves Mondelaers, die loco advocaat Evelyne Grouwels verschijnt voor de verzoeker, en attaché Xaveer Laureyns, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. IX-6721-1/6 Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. De verzoeker is opgesloten in de gevangenis te Hasselt. Hij verblijft in een cel met vier gedetineerden. 3.
  5. Bij een controle van de cel op 6 februari 2010 worden “verschei- dene verdachte substanties” en verboden voorwerpen gevonden. Naast het bed van de verzoeker stond een stoel met een bord op waarin “een witte substantie” lag. Er wordt ook vastgesteld dat de verzoeker “vermoedelijk onder invloed van drugs bleek te zijn”. Hij wordt bij wege van voorlopige maatregel op veiligheidscel geplaatst. 3.
  6. Er wordt op 8 februari 2010 een hoorzitting georganiseerd in het kader van een tuchtprocedure. De verzoeker geeft toe dat hij een jointje gerookt heeft maar dat “de rest” niet van hem is. Zijn raadsvrouw betwist het bewijs van de feiten. De verzoeker wijst een derde aan als eigenaar van het verboden goed, maar verklaart zich daaromtrent niet nader. 3.
  7. Op 8 februari 2010 neemt de gevangenisdirecteur de hier bestreden beslissing. De verzoeker krijgt de tuchtsanctie opgelegd van drie maanden individueel regime. De motivering luidt: “- aangezien ervaring ons leert dat zulke gevonden substantie meestal drugs is; - aangezien drugs in de gevangenis voor ongewenste neveneffecten zorgt, zoals afpersing, agressie,...; - aangezien betrokkene in het verleden ook al werd betrapt op het gebruik/bezit van drugs; - aangezien er een duidelijke drugproblematiek aanwezig is bij betrokke- ne. Er zijn voldoende elementen om te vermoeden dat de drugs aan betrokkene toebehoorden.” IX-6721-2/6 IV. Onderzoek van de vordering
  8. Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerleg- ging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat de zaak hoogdringend is. Ernst van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  9. De verzoeker voert de schending aan van het redelijkheidsbeginsel doordat de opgelegde tuchtstraf “totaal niet in verhouding staat met de gebeurde feiten”. Hij stelt dat er geen onderzoek gebeurde naar de “witte substantie”, noch naar het feit van wie de drugs afkomstig zijn en dat de directeur zijn beslissing op vermoedens baseert. Het is volgens hem kennelijk onredelijk een zware tuchtstraf te steunen op vermoedens. Beoordeling
  10. Het middel steunt op de schending van de evenredigheidsregel. Dergelijk middel is een subsidiair middel dat slechts onderzocht kan worden wanneer de feiten en hun toerekening aan de betrokkene vast staat. Het bewijs van de feiten kan niet ter sprake gebracht worden bij het onderzoek van het aangepast karakter van de straf; wanneer de feiten niet bewezen zijn kan immers geen tuchtstraf worden opgelegd. De verzoeker haalt twee middelen, die niet tegelijkertijd onderzocht kunnen worden, door elkaar.
  11. In een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid komt het de verzoeker toe de grootst mogelijke duidelijkheid te scheppen in de argumenten die hij aanvoert. De Raad van State onderzoekt in dit geval de problematiek die de verzoeker in de eerste plaats aan de orde stelt. IX-6721-3/6
  12. Beperkt tot de vraag of de tuchtstraf in verhouding staat tot de vastgestelde feiten, stelt de Raad van State, binnen de marginale toetsingsbevoegd- heid die hij terzake bezit, in dit geval vast dat de gevangenisdirecteur de grenzen van de redelijkheid niet kennelijk overschreden heeft. De problematiek van de drugs is een ernstig probleem in de gevangenissen dat ook verband houdt met de interne en uiteindelijk ook de externe veiligheid, zodat een streng optreden gerechtvaardigd is.
  13. Het middel is deels niet ontvankelijk, deels niet ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  14. De verzoeker voert de schending aan van artikel 6 EVRM. Hij stelt dat zijn recht op een eerlijk proces miskend is. Hij zet daarbij uiteen dat niet onderzocht is wat de ‘witte substantie’ eigenlijk is of vanwaar zij afkomstig is. Hij heeft tijdens het verhoor de eigenaar aangewezen, maar daar is geen rekening mee gehouden. Er is ook geen getuigenverhoor à décharge afgenomen. Door rekening te houden met zijn verleden heeft hij geen recht gekregen op een eerlijk proces. Beoordeling
  15. Artikel 6 EVRM is niet van toepassing op procedures gevoerd door organen van het actief bestuur. De schending van die bepaling kan aan het bestuur niet tegengeworpen worden.
  16. In de mate aangenomen zou kunnen worden dat artikel 6 EVRM wel degelijk toegepast kan worden op betwistingen betreffende tuchtstraffen tegen gedetineerden, verwijst de Raad van State naar de vaste rechtspraak dat het annulatieberoep bij de Raad van State beroep aan de betrokkene de mogelijkheid biedt zijn zaak behandeld te zien worden op een wijze die voldoet aan artikel 6 EVRM.
  17. Het middel is niet ernstig. IX-6721-4/6 C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  18. De verzoeker voert de schending aan van de formele motiverings- verplichting, voorzien in de wet van 29 juli
  19. Hij stelt dat de bestreden beslissing summier en zelfs verkeerd gemotiveerd is, aangezien de directeur het bewijs van de feiten steunt op vermoe- dens. De ‘witte substantie’ is niet van hem afkomstig en is ook niet onderzocht, zodat niet bewezen is dat het om drugs gaat. Ook de omvang van de tuchtstraf is niet gemotiveerd. Beoordeling
  20. Het bestreden besluit is formeel gemotiveerd. Wat er vermeld is, lijkt ook het bestreden besluit te kunnen dragen. De verzoeker tilt zwaar aan het feit dat de gevangenisdirecteur zich gesteund heeft op vermoedens met betrekking tot de aanwezigheid en het gebruik van drugs. De drugsproblematiek is een verbreid en gekend fenomeen in de gevangenissen. De penitentiair beambten hebben derhalve ter zake een ervaring opgebouwd -zowel wat het herkennen van de substantie als wat de personen die gebruiken betreft-, waarop de directeur zich, behoudens tegenindicatie, geredelijk kan steunen om, met de spoed die van hem vereist wordt, de goede gang van zaken in de inrichting te verzekeren. Ook zonder over een onomstotelijk bewijs te beschikken kan de gevangenisdirecteur geredelijk op de vaststellingen van zijn beambten op het vlak van de herkenning van drugs en van druggebruik steunen om de betrokkene tuchtrechtelijk te bestraffen, zeker wanneer de gevangene tegenover hem niet aannemelijk maakt dat de penitentiair beambte zich in zijn geval ten onrechte op zijn ervaring beroept. De gevangenisdirecteur verwijst aldus terecht naar de vaststellin- gen van zijn beambten met betrekking tot de aanwezigheid en het bezit van drugs evenals het druggebruik door de verzoeker. Het voorzichtig taalgebruik dat in het bestreden besluit gehanteerd wordt vermindert de bewijswaarde van de verklaring van de penitentiaire beambten niet. De blote aanwijzing door de verzoeker van een IX-6721-5/6 eigenaar van de drugs moest de gevangenisdirecteur in die omstandigheden niet aanzetten om de verzoeker, die overigens zelf toegegeven heeft een joint gebruikt te hebben, van schuld vrij te pleiten of om een nader onderzoek te voeren. Het bestreden besluit zet ook duidelijk uiteen waarom de verzoeker gestraft wordt. De strenge straf wordt pertinent verantwoord door de verwijzing naar de “ongewenste neveneffecten”.
  21. Het middel is niet ernstig. BESLISSING
  22. De Raad van State verwerpt de vordering.
  23. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 18 februari 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-6721-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.056 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.