id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.100 Rolnummer: A. 182333/X-13239 Zaak: Arrest 201100 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 19/02/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-01 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-07-02 08:55 Fiche Arrest nr 201.100 van 19 februari 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 201.100 van 19 februari 2010 in de zaak A. 182.333/X-13.
- In zake:
- de v.z.w. Aktiecomitee ter beveiliging van het Leefmilieu op de Linkeroever (A.B.L.L.O.)
- Annick BESSELEERS
- Suzanna DE BACKER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hans Van Dooren kantoor houdend te 9220 HAMME Stationsstraat 50 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Aerts kantoor houdend te 9000 GENT Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 6 april 2007, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 19 januari 2007 van de Vlaamse regering houdende de definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Afbakening regionaalstedelijk gebied Sint-Niklaas”. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 178.287 van 7 januari 2008 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. X-13.239-13.245-1/25 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 december
- Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hans Van Dooren, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Paul Aerts, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur An Van Mingeroet heeft een advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Het afbakeningsproces van het regionaalstedelijk gebied Sint- Niklaas, opgestart in de loop van 2001, werd uitgevoerd volgens de stappen die in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen worden voorzien en dit in nauwe samenwerking tussen de drie bestuursniveaus, met name het Vlaamse Gewest, de provincie Oost-Vlaanderen en de gemeenten Sint-Niklaas en Temse. Het afbakeningsproces leidt tot de nota “Afbakeningsvoorstel, afbakening regionaalstedelijk gebied Sint-Niklaas” van 30 januari
- In dit afbakeningsvoorstel leest men aangaande het voorziene detailgebied “stedelijk woongebied Bellestraat” dat in dit gebied minimaal een equivalent van 9 ha bedrijventerrein moet worden ontwikkeld met een hoofdontsluiting langs de Heidebaan. X-13.239-13.245-2/25
- In het advies van 23 maart 2005 van de afdeling Wegen Oost-Vlaanderen, voorafgaand aan de plenaire vergadering van 24 maart 2005 met betrekking tot het voorontwerp van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan afbakening regionaalstedelijk gebied Sint-Niklaas” (hierna : GRUP), wordt onder meer het volgende gesteld : “Met de principes van een duurzaam mobiliteitsbeleid is duidelijk rekening gehouden bij dit voorontwerp van RUP. Het mag echter in de toekomst niet bij principes blijven. We vragen dan ook dat bij de realisatie van de diverse bedrijventerreinen en het aansnijden van de bijkomende woongebieden door alle betrokken overheden telkens de mobiliteitsaspecten goed mee worden bestudeerd. De invulling van bedrijventerreinen (zoals grootte en aard van de bedrijven) moet gebeuren rekening houdend met de draagkracht inzake mobiliteit en veiligheid in de wijde omgeving. (...) In deelgebied 4 : Gemengd stedelijk ontwikkelingsgebied Bellestraat- Zonneke voorziet art. 6.2.
- van de stedenbouwkundige voorschriften dat het gebied ontsloten wordt via de Heidebaan. De afdeling Wegen en Verkeer Oost- Vlaanderen is geen voorstander van een nieuwe ontsluiting op de N70 (Heidebaan). De kruispunten in de buurt (Passtraat en Eekhoornstraat) zijn gevaarlijke kruispunten. De creatie van een nieuw gevaarlijk punt dient vermeden te worden. Wij zijn dan ook voorstander van een ontsluiting via Europapark Noord. Dit is voorstel 4 op pg. 39 van de toelichtingsnota”.
- Rekening houdend met het voormelde advies leest men in het verslag over de voormelde plenaire vergadering wat volgt : “
- AWV stelt zich vragen bij de ontsluiting van het bedrijventerrein via de N70 (Heidebaan). Vermits er verschillende gevaarlijke punten zijn op deze weg, wordt een bijkomend kruispunt niet aanvaard. AWV is voorstander van de onstluiting zoals voorgesteld in concept 4 in de toelichtingsnota waarbij de ontsluiting van het gebied voorzien wordt via Europapark Noord. J.Z. stelt dat voor deze ontsluiting bijkomende onteigeningen nodig zijn. Sint-Niklaas vermeld dat op lange termijn de oostelijke tangent zal worden gerealiseerd waarbij de ontsluiting van dit gebied verder kan worden onderzocht. Zij zijn voorstander van een ontsluiting langs de N
- R.L. stelt voor om een bijkomend overleg te voorzien tussen Sint-Niklaas, AWV en ARP om tot een goede oplossing voor deze ontsluiting te komen. ...
- Conclusie - ... - Bijkomend overleg tussen AWV, Sint-Niklaas en ARP is nodig onder meer met betrekking tot de problematiek van de oostelijke tangent en de ontsluiting van het gemengd stedelijk ontwikkelingsgebied Bellestraat-Zonneke”.
- Bij besluit van de Vlaamse regering van 17 maart 2006 wordt het ontwerp van GRUP voorlopig vastgesteld. In dit ontwerp worden 8 deelgebieden opgenomen: X-13.239-13.245-3/25 deelgebied 1: grenslijn; deelgebied 2: stedelijk woongebied Clementwijk; deelgebied 3: stedelijk woongebied Vijfstraten; deelgebied 4: gemengd stedelijk ontwikkelingsgebied Bellestraat-Zonneken; deelgebied 5: gemengd regionaal bedrijventerrein Europark Zuid II; deelgebied 6: gemengd stedelijk ontwikkelingsgebied De Winningen; deelgebied 7: stedelijk landbouwgebied Tweede Moerput-Kloottiende- Galgstraat Hamelveld; deelgebied 8: oostelijke tangent. Uit de toelichtingsnota (p. 47) bij het GRUP blijkt dat het deelgebied 4 “Gemengd stedelijk ontwikkelingsgebied Bellestraat-Zonneke” gemengd moet worden ontwikkeld. Er wordt ruimte voorzien voor bedrijvigheid en voor verscheidene woontypes. De ruimte voorzien voor bedrijvigheid situeert zich in het gebied tussen de Heidebaan en de Bellestraat. Vertaald naar verordenende stedenbouwkundige voorschriften wordt de ruimte ingekleurd als “woongebied” (art. 4) en “gemengd regionaal bedrijventerrein” (art.5) met in overdruk groenstructuur.
- In het voormelde besluit van 17 maart 2006 van de Vlaamse regering houdende de voorlopige vaststelling van het ontwerp van GRUP leest men onder de stedenbouwkundige voorschriften van deelgebied 4, en meer bepaald onder artikel 5 “Gemengd Regionaal Bedrijventerrein” : “(...) 5.
- De hoofdontsluiting van het gemengd regionaal bedrijventerrein wordt voorzien via de Heidebaan of via Europapark Noord. Rechtstreekse ontsluitingen van individuele bedrijven op de N70 zijn niet toegelaten.”. Niettegenstaande de voormelde mogelijke ontsluiting via Europapark Noord, wordt de symbolische aanduiding (pijl) voor de ontsluiting in het grafische plangedeelte enkel weergegeven voor de ontsluiting via de Heidebaan. In de meer vermelde toelichtingsnota bij het ontwerp wordt verder bepaald dat aangaande het deelgebied 4 en rekening houdend met bemerkingen op de plenaire vergadering, de volgende wijziging in de stedenbouwkundige voorschriften werd aangebracht : X-13.239-13.245-4/25 “Deelgebied 4 : Gemengd stedelijk ontwikkelingsgebied Bellestraat- Zonneken De stedenbouwkundige voorschriften zijn met betrekking tot de ontsluiting van het gemengd regionaal bedrijventerrein flexibeler gemaakt, zodat een eventuele ontsluiting via Europapark Noord eveneens mogelijk is”. Voorts bepaalt deze nota nog wat volgt : “Vermits echter het bedrijventerrein op korte termijn ontwikkeld dient te worden en vanuit het afbakeningsproces werd bepaald dat de hoofdontsluiting langsheen de Heidebaan zou worden voorzien, wordt de inrichting van voorstel 2 vertaald naar het grafisch plan. Deze mogelijkheid om de ontsluiting te voorzien via Europapark Noord blijft natuurlijk ook bestaan.”.
- De eerste verzoekende partij is een milieuvereniging en dient tegen het ontwerp van GRUP een “principieel” bezwaarschrift in, dat niet tot één van de deelgebieden is beperkt, maar waarin zij aanvoert “dat de stedelijke verdichting dient te worden gerealiseerd volgens het zogenaamde Lobbenstadmodel om op die manier te ontsnappen aan het zogenaamde dilemma van de compacte stad”. Meer bepaald leest men het volgende in dit bezwaarschrift : “BEZWAARSCHRIFT VAN ABLLO vzw TEGEN HET ONTWERP VAN GEWESTELIJK RUIMTELIJK UITVOERINGSPLAN (dd. 17/03/2006). DE AFBAKENING VAN HET REGIONAALSTEDELIJK GEBIED VAN SINT-NIKLAAS. openbaar onderzoek van 18 april tot 16 juni 2006
- INLEIDING. Door middel van dit bezwaarschrift, behandeld op de raad van bestuur van ABLLO vzw van 13juni 2006, wenst ABLLO vzw uitdrukkelijk bezwaar aan te tekenen tegen het ontwerp van gewestelijk uitvoeringsplan dd. 17/03/06): de afbakening van het regionaalstedelijk gebied van Sint-Niklaas. ABLLO vzw stelt vast dat de afbakening van het regionaalstedelijk gebied gebeurd is volgens het principe van de compacte stad: de voorgestelde stedelijke uitbreidingen worden concentrisch omheen de oudere stadsdelen gepland. Daardoor worden een aantal groene vingers die vandaag nog diep in de stad doordringen, steeds verder volgebouwd en wordt de afstand naar het groen voor de inwoners van de stad steeds groter. ABLLO vzw tekent uitdrukkelijk bezwaar daartegen aan en wenst de stedelijke verdichting gerealiseerd te zien volgens het lobbenstadmodel. Het lobbenstadmodel is ontwikkeld in de jaren 1990 door Tjallingii en wordt thans heel vaak als stedenbouwkundige oplossing verkozen om te ontsnappen uit het dilemma van de compacte stad.
- DE LOBBENSTAD (TJALLINGII, 1996). Er is in de literatuur al lang discussie over de ideale stedenbouwkundige vorm van een duurzame stad: is de compacte stad wel zo duurzaam als vaak wordt aangenomen (...). Hoe duurzaam is compact en hoe compact is duurzaam. Deze discussie staat bekend als het dilemma van de compacte stad: ongebreidelde stadsuitbreiding gaat ten koste van het platteland, maar opofferen van al het stedelijk groen om de stad compacter te maken is evenmin wenselijk. X-13.239-13.245-5/25 Dan heeft de stedeling gebrek aan groen op loopafstand én is bijvoorbeeld het oplossen van de waterproblematiek van de stad onmogelijk. TJALLINGII (1992, 1994, 1996) komt tot de conclusie dat de LOBBENSTAD wellicht de meest interessante vorm is voor een ecologische stad, de ecopolis. Van Bolt
(1982)neemt Tjallingii de gesloten zeshoek over, voor het centrum, omdat die gunstigst is voor investeringskosten en onderhoud. Naar de rand van de stad is een radiale lobbenstructuur het best, gescheiden door blauw-groenvingers. In een lobbenstad is de verkeersketen (openbaar vervoer) de drager van de radiale stedelijke lobben, de waterketen is de drager van de groene wiggen. Het zijn dus als het ware blauw-groenvingers die diep doordingen in het stedelijke weefsel. (...) Figuur
- De lobbenstad.(figuur uit Tjallingii, 1996) Die radiale blauw-groenvingers worden zo mogelijk aangesloten op het Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN). Ze brengen meer natuur bij het stadscentrum en geven mogelijkheden voor piek- en seizoensberging van hemelwater. De blauw-groenvingers hebben ook belangrijke sociale functies: ze zijn aantrekkelijk voor wandelen fietsrecreatie vlak bij de deur, ze scheppen mogelijkheden voor aantrekkelijke en korte fietsroutes naar het centrum en hebben een gunstige invloed op stadsklimaat. Steden zijn warm en hebben tegelijk vaak gebrek aan ventilatie. Blauw-groenvingers warmen minder snel op dan de stenige lobben. Zo ontstaan drukverschillen die voor extra ventilatie (door convectie) zorgen. Het is hier dat tal van randstedelijke functies een plaats kunnen vinden: kinderboerderij, volkstuintjes, kerkhof, sportpleinen... Wanneer goed nagedacht wordt over patroon en proces (= beheer) kan de natuur- én sociale waarde van de blauw-groenvingers dus heel hoog zijn en ontstaat er tegelijk ruimte voor het oplossen van milieuproblemen. Om de stedelijke waterproblematiek aan te pakken, is er juist veel bufferings- en infiltratieruimte in én nabij de stad nodig. Wanneer een kwartier fietsen naar het centrum en centraal station als een redelijke reistijd wordt aangehouden, kan de lengte van de stedelijke lobben ongeveer 2500 meter zijn. Tjallingii stelt de breedte van de bebouwde lobben op ongeveer 600 meter vast, zodat het groen binnen loopafstand blijft. De as van deze radiale stadswijken is voorzien van zeer krachtig, frequent, comfortabel en bovengronds openbaar (rail)vervoer. Bedrijfsterreinen zijn langs auto- en railverbindingen geprojecteerd. In Lobbensteden kunnen stedelingen van twee walletjes eten: er is zowel blauw en groen in de buurt als zeer krachtig openbaar vervoer, en het centrum van de stad ligt binnen fietsafstand. Met de lobbenstad heeft Tjallingii een mogelijke uitweg geschetst uit de ‘compacte stad discussie’. Lobbensteden hebben een zéér lange grens met het platteland. Dat is een tegenstelling met de compacte stad waar de grens tussen stad en platteland juist zo kort mogelijk is (...) Verdere concentrische uitbreiding van compacte steden leidt op de duur tot onleefbare situaties als Athene ... . Het groen ligt ver weg van het centrum: stedelingen vluchten naar het platteland. Het stoppen van de stadsvlucht, met name van gezinnen met jongere kinderen, vraagt ook om (avontuurlijke) groene ruimte, op loopafstand van de woning. Voor het herstel van de stedelijke biodiversiteit, om meer streekeigen planten en dieren in de stad aan te trekken is er (groene) ruimte nodig. Waterproblemen oplossen zoals zuivering van afvalwater, infiltratie, bergen en bufferen van water in de stad vraagt (blauwe) ruimte dicht bij de woningen. Schoon water is er een belangrijke voorwaarde voor natuurontwikkeling: kwaliteitsvol groen kan niet zonder kwaliteitsvol blauw. Welnu, in de lobbenstad worden al deze door stedelingen gewenste groene én blauwe ruimten dan ook als blauw/groene vingers tussen de stedelijke X-13.239-13.245-6/25 bebouwde lobben ontworpen. Daardoor blijft ‘plattelandskwaliteit’ voor zoveel mogelijk stedelingen binnen loopafstand aanwezig (...).
- ABLLO vzw WIL DE LOBBENSTAD SINT-NIKLAAS. Het voorstel voor de afbakening van het regionaalstedelijk gebied van Sint-Niklaas heeft een concentrische uitbreiding van de stad voor gevolg, wat zal leiden tot een verder uitdijende compacte stad met de eerder beschreven nadelen. Dat is bijvoorbeeld opvallend bij de voorziene stedelijke ontwikkeling richting De Ster, aan weerszijden van de Bellestraat / Zonneken, in het noordoosten van de stad Sint-Niklaas. Maar ook in het noordwesten van de stad maakt men dezelfde fout met het voorgestelde randstedelijk woongebied Clementwijk. Daardoor wordt de blauw-groenvinger langs de oude spoorzate- nu Stropersfietsroute volgebouwd, op een door de wijk omsingeld groot stadspark na (...) Figuur 2 ABLLO vzw wil geen verder uitdijende compacte stad Sint-Niklaas. (...) ABLLO vzw pleit ervoor dat niet te doen. Toepassen van het lobbenstadmodel op Sint-Niklaas komt er bijvoorbeeld voor het noordwesten van Sint-Niklaas op neer dat de lintbebouwde invalswegen (ondermeer Vlyminckxhoek/Plezantstraat), Sint-Gillisbaan/Vrouweneenckhoekstraat/ Bekelstraat) breder en compacter worden uitgebouwd en als stedelijke brede lob doordringen in het groene ommeland. De taakstelling voor woningen kan dan daar, binnen stadslobben gerealiseerd worden. De concentratie van bewoning in bredere lobben rond de lintbebouwde invalswegen kan natuurlijk alleen maar als die invalswegen tegelijk voorzien worden van kwaliteitsvol openbaar vervoer. Lintbebouwing is namelijk ook te weinig compact voor rendabel openbaar vervoer. Dat alles heeft dan voor gunstig gevolg dat de brede blauw-groenvinger langs en omheen de Stropersfietsroute kan blijven bestaan en diep in Sint-Niklaas kan doordringen. Er ontstaat een langere randzone tussen stad en platteland. Plattelandskwaliteit blijft dan te voet of met de fiets bereikbaar vanuit het centrum. In de vrijgehouden blauw-groenvinger kan dan ruimte worden gevonden voor zachte, groene sociale en ecologische functies waar Sint-Niklaas nood aan heeft: een stadsbos, een stedelijke kinderboerderij, volkstuintjes, maar ook waterberging en infiltratiezones in combinatie met de zachtere recreatievormen bij de waterpartijen zoals hengelen en de fit-o-meter. Naar het noorden toe kan deze blauw-groenvinger aansluiting vinden richting Stropersbossen. Recent heeft de Vlaamse Landmaatschappij in Sint-Gillis Waas trouwens inspanningen gedaan om groene en blauwe infrastructuur aan te brengen, aansluitend op het Vlaams Ecologisch netwerk De Stropersbossen. ABLLO vzw meent dat ook de voorgestelde afbakening van het regionaalstedelijk gebied van Sint- Niklaas in het westen, zuiden en oosten van de stad er met een dergelijke lobbenstadbenadering er véél duurzamer zou kunnen uitzien.
- BEDENKINGEN BIJ UITDIJENDE TUINWIJKEN OMHEEN SINT-NIKLAAS. ABLLO vzw vreest dat er een verband bestaat tussen de concentrische afbakening van het regionaalstedelijk gebied Sint-Niklaas en een impliciete keuze voor te éénzijdig tuinstedelijke uitbreiding, met weliswaar véél maar erg versnipperd groen. ABLLOvzw heeft daar moeite mee en vraagt die keuze te heroverwegen en veel beter te motiveren. We leggen hierna uit waarom: In feite gaat de lobbenstad over een andere invulling van de ideeën die Ebenezer HOWARD al formuleerde op het einde van de negentiende eeuw als antwoord op de sociale onrust in de industriesteden van Groot-Brittannië. HOWARD
(1898)bracht met zijn ‘three magnets’-theorie een nieuw woonconcept: de tuinstad. Daarin werden de voordelen van de stad en die van X-13.239-13.245-7/25 het platteland gecombineerd in ‘new-towns’. (...). Ieder perceel zijn huis met eigen private tuin. De kritiek op dergelijke tuinsteden is onder meer het gebrek aan compactheid ervan, waardoor bijvoorbeeld de bediening ervan met openbaar vervoer slecht mogelijk is. Verspreide bewoning is duur wat nutsvoorzieningen betreft, produceert milieuproblemen en mobiliteitsproblemen die onbeheersbaar zijn. Fishman
(1990)beschrijft een dergelijke situatie als een broadacres city: the new city has an urban form that is too congested to be efficient, too chaotic to be beautiful and too dispersed to possess the diversity and vitality of a great city (...), no one can find the centre of a new city and its borders are even more elusive... in the old central cities, the jobless have moved in, the jobs out... Tuinsteden leiden tot ‘broadacres cities’ met de genoemde nadelen van dien. Ongecontroleerde uitbreiding van tuinsteden leidt op de duur tot onleefbare situaties als Los Angeles, een stad van bijna 100 vierkante kilometer, ...
- BESLUIT/ SYNTHESE VAN HET BEZWAAR van ABLLO vzw. ABLLO vzw tekent om bovenstaande redenen fundamenteel bezwaar aan tegen het ontwerp van gewestelijk uitvoeringsplan dd. 17/03/06 : de afbakening van het regionaalstedelijk gebied van Sint-Niklaas. Sint-Niklaas zal daardoor concentrisch verder uitdijen, wat zal leiden tot een compacte stad met grote nadelen. Anderzijds vreest ABLLO vzw dat er een verband bestaat tussen de concentrische afbakening van het regionaalstedelijk gebied Sint-Niklaas en een impliciete keuze voor te éénzijdig tuinstedelijke uitbreiding, met weliswaar véél maar erg versnipperd groen. ABLLO vzw wenst dus dat de afbakening van het van het regionaalstedelijk gebied van Sint-Niklaas herzien wordt volgens het beschreven en hier heel kort voorgestelde lobbenstadmodel. ABLLO vzw vindt ondermeer het voorgestelde randstedelijk woongebied Clementwijk maar ook de stedelijke uitbreiding in de omgeving van Bellestraat/Zonneken flagrant in tegen spraak met dat model. Ook de voorgestelde afbakening van het regionaalstedelijk gebied van Sint-Niklaas in het westen, zuiden en oosten van de stad zou er met een dergelijke lobbenstadbenadering véél duurzamer kunnen uitzien.
- GECITEERDE LITERATUUR. FISHMAN, R.
- America’s New Town. Megalopolis unbound in Wilson Quaterly, winter 1990: 25-
- HOWARD, Ebenezer,
- To-Morrow: A Peaceful Path to Social Reform
(1898). JENS, M. et al. (red.). 1996 reprint in
- The compact city. A sustainable urban form ? London, E&FN SPON uitgeverij 350 pp. ill. 0-419-21300-
- LAGROU, E.
- Sociologie en architectuur. Cursus Hoger architectuurinstituut Sint-Lucas Gent/Brussel. 130 pp. III. ROMBAUT, E.
- Considerations about the urban fringe af an ecopolis: a plea for a ‘lobe-city’ (21/9/01).. Referaat op het internationaal congres: open ruimtefuncties onder verstedelijkingsdruk (open space functions under urban pressure) in Gent op 19-21 september
- Gepubliceerd in de ‘Proceedings’ bij het congres. ROMBAUT, E. & K. MICHIELSEN.
- Water en Natuur in stad en buitengebied. Pleidooi voor een blauw/groen netwerk. juni
- Gepubliceerd in het handboek ‘Groenbeheer, een verhaal met toekomst’ uitgegeven door het ministerie van de Vlaamse gemeenschap. 576 pp. (AMINAL, afdeling Bos en Groen) i.s.m. VELT vzw. Redactie Prof. Dr. M. Hermy (KULeuven). ISBN 90-8066-222-4, pagina 514 - 551, ill. TJALLINGII, S.
- Ecologisch verantwoorde stedelijke ontwikkeling. IBN-DLO Rapport nr 706 Wageningen 129 pp., ill. TJALLINGII, S.
- An ecological approach to urban planning. In van der Vegt et al. (eds). sustainable urban development, research and experiments. Delft University press. ISBN 90-407-1039-2 X-13.239-13.245-8/25 TJALLINGII, S.
- Ecological conditions. Strategies and structures in environmental planning. IEN Scientific contributions
- Wageningen, IBN-DLO. 320 PP. ill. ISBN 90-801112-3-6 WILLIAMS, K. et al. (red.).
- Achieving sustainable urban form. London, E&FN SPON uitgeverij 388p.ill. 0-419-24450-
- DIT BEZWAARSCHRIFT WERD OPGEMAAKT DOOR ABLLO vzw OP DE RAAD VAN BESTUUR VAN ABLLO vzw van 13 JUNI 2006 DIT BEZWAARSCHRIFT WERD AFGEGEVEN CONFORM DE VOORSCHRIFTEN AAN HET STADSBESTUUR VAN SINT- NIKLAAS”.
- De tweede verzoekster woont in de Eekhoornstraat nr. 20, de derde verzoekster woont in de Kallohoekstraat nr. 59, dit is binnen het deelgebied 4 “Gemengd stedelijk ontwikkelingsgebied Bellestraat-Zonneke” van het bestreden GRUP. De voormelde verzoeksters stellen zich in het bijzonder tegen de afbakening van dit deelgebied te verzetten.
- Op 2 juni 2006 brengt de gemeenteraad van de stad Sint-Niklaas over het ontwerp van GRUP een advies uit.
- Op 15 juni 2006 brengt de provincieraad van Oost-Vlaanderen een advies uit. In dit advies wordt aandacht gevraagd voor de mobiliteit en wordt meer specifiek met betrekking tot deelgebied 4 gesteld dat er reeds voldoende aansluitingen aanwezig zijn op de N
- Op 12 september 2006 adviseert de Vlacoro het ontwerp van GRUP gunstig mits voldaan wordt aan bepaalde voorwaarden en opmerkingen.
- Het bezwaarschrift van de eerste verzoekende partij wordt door de Vlacoro als volgt beantwoord : “De bezwaarindiener stelt dat het ontwerp van RUP in strijd is met ‘het lobbenstadmodel’, als voorbeeld van een duurzame stadsontwikkeling. Dit ontwikkelingsmodel biedt een uitweg uit het dilemma van de compacte stad. Het model voorziet in groene ruimte op loopafstand, biedt een oplossing voor de waterproblematiek in steden, laat krachtig openbaar vervoer toe, maakt andere vormen van mobiliteit aantrekkelijker, gaat stadsvlucht tegen,... Vlacoro stelt dat het voorliggend ontwerp van RUP voldoet aan de bepalingen uit het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen met betrekking tot de stedelijke gebieden. Het principe van gedeconcentreerde bundeling wordt in het RSV doorvertaald naar doelstellingen die resulteren in verschillende ontwikkelingsperspectieven. In het RUP wordt er een invulling gegeven aan verschillende van deze ontwikkelingsperspectieven, met uitzondering voor die elementen waarin in het afbakeningsproces nog geen consensus werd gevonden of die in deze specifiek stedelijke context niet van toepassing zijn. Tevens stelt Vlacoro dat er rekening is gehouden met de open ruimte structuur op regionaal niveau, die het stedelijk gebied dooradert en passend vertaald wordt in het X-13.239-13.245-9/25 stedelijk gebied. Tezelfdertijd zien we nog een aantal resterende openruimtegebieden die het stedelijk gebied beperkt binnendringen, en wordt er in de herbestemde gebieden tevens rekening gehouden met het uitbouwen van stedelijke groenvoorzieningen (stadspark, puitvoetbos) of aanwezige groenstructuren. Tevens zijn er een aantal initiatieven die nog verder zullen onderzocht worden zoals een stadsrandbos ten noorden van de Clementwijk. Vlacoro kan bijgevolg instemmen met de grote structuur zoals deze nu is vastgelegd omwille van de hierboven aangehaalde elementen, hoewel dit niet zal resulteren in een lobbenstad. Vlacoro adviseert verder om bij de concrete invulling van het stedelijk woongebied Clementwijk en van het ontwikkelingsgebied Bellestraat - Zonneke, in het kader van de inrichtingsstudies te onderzoeken of en hoe groene verbindingen met het buitengebied kunnen voorzien worden. Deze groene verbindingen kunnen ook een waterbergende functie vervullen. Op deze manier kunnen de facto blauw-groene vingers doorheen het stedelijk gebied gerealiseerd worden en kan een functionele verbinding voor voetgangers en fietsers met het buitengebied blijven bestaan. De vraag of het lobbenstadmodel het meest duurzame model is, is een vraag die dit particuliere RUP overstijgt. Er kan hieromtrent bijkomend onderzoek worden verricht in het kader van de herziening van het RSV”.
- Op 10 november 2006 beslist de Vlaamse regering om de vervaltermijn voor de definitieve vaststelling van het GRUP met zestig dagen te verlengen.
- Op 4 januari 2007 brengt de Raad van State, Afdeling Wetgeving, advies uit over het ontwerp van besluit van de Vlaamse regering houdende de definitieve vaststelling van het GRUP (L. 41.914/1).
- Bij besluit van de Vlaamse regering van 19 januari 2007 wordt het GRUP definitief vastgesteld. Dit is het bestreden besluit. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Ontvankelijkheid van het beroep ten aanzien van de eerste verzoekende partij
- In haar verzoekschrift betoogt de eerste verzoekende partij betreffende de ontvankelijkheid van haar beroep wat volgt : “2.
- Verzoekster sub. 1 is een regelmatige V.Z.W. opgericht op 10.12.
- Haar maatschappelijk doel werd omschreven als volgt : ‘... heeft tot doel de belangen van natuur en milieu, in de breedst mogelijke betekenis te bestuderen, te behartigen en te verdedigen op de linker Schelde-oever en in het Waasland (in hoofdzaak Moerbeke, Stekene, Sint-Gillis-Waas, Beveren, Zwijndrecht, Kruibeke, Temse, X-13.239-13.245-10/25 Waasmunster en Sint-Niklaas). ABLLO VZW maakt deel uit van de Bond Beter Leefmilieu en ABLLO VZW zal haar mening vormen, kenbaar maken en verdedigen over natuur- en milieu-aangelegenheden die het regionaal belang overstijgen’. Het processueel vereiste belang van verzoekster bij de behartiging van diverse belangen van natuur en milieu in de ruimste zin van het woord werd door Uw Raad reeds verschillende malen aanvaard. Verzoekster heeft zelf reeds doen blijken van haar belang in deze materie door het indienen van een conceptueel sterk onderbouwd bezwaarschrift. Inzake ruimtelijke ordening en planning en de invloed daarvan op de problematiek van de verkeerscongestie is zij in het bijzonder al jaren als regionale koepel actief en herbergt zij onder haar bestuurders en leden diverse deskundigen”.
- De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van het beroep van de eerste verzoekende partij als volgt : “
- Eerste verzoekende partij betreft ‘een regelmatige vzw opgericht op 10.12.1976'. In het verzoekschrift tot schorsing verwijst eerste verzoekende partij naar haar maatschappelijke doel, omschreven als volgt : (...) Volgens eerste verzoekende partij heeft zij reeds doen blijken van haar belang door het indienen van ‘een conceptueel sterk onderbouwd bezwaarschrift’. Verenigingen zonder winstoogmerk mogen in rechte optreden ter verdediging van het doel of de doeleinden waarvoor zij zijn opgericht. In zonder de milieuverenigingen beschikken krachtens de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu, over een persoonlijk vorderingsrecht bij de gewone rechtbanken. Voor de Raad van State kunnen diezelfde milieuverenigingen in rechte optreden op voorwaarde dat zij de rechtspersoonlijkheid bezitten en mits te voldoen aan de voorwaarden die gelden voor alle andere fysieke en rechtspersonen, te weten doen blijken van een persoonlijk, rechtstreeks en geoorloofd belang alsmede van de vereiste hoedanigheid. Uit rechtspraak van de Raad van State blijkt dat de procesbekwaamheid van (eerste) verzoekende partij als VZW beperkt wordt door het specialiteitsbeginsel. ‘... dat inzonderheid milieuverenigingen krachtens de wet van 12 februari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu, over een persoonlijk vorderingsrecht beschikken bij de gewone rechtbanken, dat voor de Raad van State diezelfde milieuverenigingen in rechte kunnen optreden op voorwaarde dat zij de rechtspersoonlijkheid bezitten en mits te voldoen aan de voorwaarden die gelden voor alle andere fysieke en rechtspersonen, te weten doen blijken van een persoonlijk, rechtstreeks en geoorloofd belang alsmede van de vereiste hoedanigheid ; dat de milieuvereniging van de vereiste hoedanigheid getuigt wanneer de ingestelde vordering kan worden ingepast in het doel dat zij heeft gesteld, die doelen niet samenvalt met de behartiging van het algemeen belang zelf en evenmin samenvalt met het persoonlijk belang van de leden van de vereniging ;’ (zie arrest R.v.St. nr. (...) van 13 juni 2003 inzake (...); nr.( ...) van 29 december 2000 inzake (...) ; nr. (...) van 7 juni 2000 inzake (...) ; nr. (...) van 29 juni 1998 inzake (...)). Uit de statuten van eerste verzoekende partij blijkt dat haar maatschappelijk doel hoofdzakelijk bestaat uit het bestuderen, behartigen en verdedigen van de belangen van natuur en milieu, in de breedst mogelijke betekenis. Het werkingsgebied heeft betrekking op de linker Scheldeoever en in het Waasland, X-13.239-13.245-11/25 in hoofdzaak Moerbeke, Stekene, SintGillis-Waas, Beveren, Zwijndrecht, Kruibeke, Temse, Waasmunster en Sint-Niklaas. Deze doelstelling staat gelijk met het algemeen belang, waardoor het optreden van verzoekende partij gelijk staat met een actio popularis. Uit de bewoordingen van het verzoekschrift blijkt dat de hoedanigheid van eerste verzoekende partij enerzijds samenvalt met de behartiging van het algemeen belang en anderzijds met het persoonlijk belang van haar leden. ‘Nul ne plaide par procureur’ (zie o.a. arrest R.v.St. nr. (...) van 17 april 1997 inzake (...)). Eerste verzoekende partij beschikt dan ook niet over het rechtens vereiste belang en over de vereiste hoedanigheid om de vordering in te stellen. Deze exceptie van niet-ontvankelijkheid van de vordering tot nietigverklaring kan zelfs ambtshalve worden opgeworpen (zie arrest R.v.St. nr. (...) van 13 juni 2003 inzake (...))”.
- In haar memorie van wederantwoord beantwoordt de eerste verzoekende partij deze exceptie als volgt : “2.5.
- De verwerende partij stelt ten aanzien van eerste verzoekster dat de procesbekwaamheid van VZW’s en van milieu-verenigingen in het bijzonder wordt beperkt door het specialiteitsbeginsel. In casu zou uit de bewoordingen van het verzoekschrift moeten blijken dat de hoedanigheid van eerste verzoekster enerzijds zou samenvallen met de behartiging van het algemeen belang (en alsdusdanig verworden tot een actio popularis) en anderzijds de loutere optelling zijn van het persoonlijk belang van haar leden. Het staat buiten betwisting dat een rechtspersoon slechts bekwaam is in rechte op te treden met het oog op de verwezenlijking van het doel waarvoor hij is opgericht. Het statutair doel van verzoekster is - ratione loci - duidelijk omschreven en niet in die mate ruim dat het in wezen voor iedereen zou kunnen gelden. Verzoekster focust haar geografische actieradius inzonderheid op en rond de linkerschelde-oever en het Waasland. De problematiek van ruimtelijke ordening en mobiliteit in en rond Sint-Niklaas vormt al jaren één van haar aandachtspunten. Verzoekster kan verwijzen naar het in huidig dossier voorliggend bezwaar dat zij heeft uitgewerkt, maar kan net zo goed het dossier van de ontsluitingswegen (Westelijke - en Oostelijke Tangenten) aanhalen waar zij in overleg staat met verweerster en het lokale bestuur en waar zij ondermeer via bezwaarschriften in het beslissingsproces tracht mee te worden betrokken. Verzoekster was via inspraakprocedures betrokken bij de hertekening van het stadscentrum Sint-Niklaas (corridor station - markt - Parklaan, met aparte busstroken en fietslanen). Verzoekster is al decennia actief rond de problematiek van de verbinding van de linkerschelde-oever met Antwerpen. Specifiek rond Sint-Niklaas was verzoekster één van de drijvende krachten achter de sluiting van de door de intercommunale Mi-Wa (Midden-Waasland) in het centrum van St.Niklaas geëxploiteerde verbrandingsinstallatie (arrest Hof van Beroep Gent dd. 20.11.2001 inzake 2000/AR/1340) na een mede door verzoekster gevoerde milieustakingsvordering. Het belang van verzoekster in die procedure werd door het Hof van Beroep aanvaard. Verzoekster kan ook nog verwijzen naar een (mede) door eerste verzoekster gevoerde procedure, met huidige verweerster als verwerende partij, in het dossier 122.746/VII-27.029 met als voorwerp de milieuvergunning verleend X-13.239-13.245-12/25 aan de NV INDAVER voor bouw en exploitatie van een verbrandingsinstallatie voor hoogkalorisch afval (wervelbed-oven), waarbij de eerste Auditeur, met betrekking tot het specialiteitsbegsinel, als volgt de exceptie van verweerster verwierp : ‘De verzoekende partij heeft haar werkingsgebied duidelijk omschreven, en het is een vrij beperkt geografisch gebied. Er is helemaal geen sprake van een discrepantie tussen de mogelijke impact van de bestreden vergunning en de grootte van het werkingsgebied’. Op een ogenblik dat de heer Eerste Auditeur in dit dossier Indaver adviseerde tot de schorsing van dat besluit, werd met de huidige verwerende partij een dading afgesloten (wat leidde tot arrest nr. (...) dd. 04.01.2007 houdende vaststelling van afstand van geding, maar waarbij de verwerende partij welk degelijk verzoekster als belanghebbende partij aanvaardde nu zij met haar een dading afsloot. Verzoekster is dus wel degelijk werkzaam en actief, zowel binnen het geografisch als materieel werkingsgebied zoals aangegeven in haar statuten. Verzoekster verwijst in dit verband ook nog naar Uw arrest nr. (...) dd. 04.03.1998 waar nog eens duidelijk werd aangegeven waaraan de omschrijving van het belang dient te beantwoorden. ‘Overwegende dat verenigingen zonder winstoogmerk krachtens de wet van 26 juni 1921 waarbij aan de verenigingen zonder winstgevend doel en aan de instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid wordt verleend, in rechte mogen optreden ter verdediging van het doel of de doeleinden waarvoor zij zijn opgericht; dat inzonderheid de milieuverenigingen, krachtens de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu, over een persoonlijk vorderingsrecht beschikken bij de gewone rechtbanken; dat voor de Raad van State diezelfde milieuverenigingen in rechte kunnen optreden op voorwaarde dat zij de rechtspersoonlijkheid bezitten en mits te voldoen aan de voorwaarden die gelden voor alle andere fysieke en rechtspersonen, te weten doen blijken van een persoonlijk, rechtstreeks en geoorloofd belang alsmede van de vereiste hoedanigheid; dat een milieuvereniging van de vereiste hoedanigheid getuigt wanneer de ingestelde vordering kan worden ingepast in het doel dat zij zich heeft gesteld, dit doel niet samenvalt met de behartiging van het algemeen belang zelf en evenmin samenvalt met het persoonlijk belang van de leden van de vereniging; Overwegende dat uit de statuten van de v.z.w. Boterstraatactiecomité blijkt dat haar primaire doelstelling is het vrijwaren, instandhouden en bevorderen van de kwaliteit van het leefmilieu in de buurt van het industrieterrein ‘De Bruwaan’, te Oudenaarde, zoals vastgelegd in het geldende gewestplan; dat zij met dat doel de omwonenden van het industrieterrein ‘De Bruwaan’ en de eigenaars van de daaraan palende onroerende eigendommen verenigt; dat ten gevolge van de bestreden gewestplanwijziging een feitelijke buffer tussen het bestaande industrieterrein ‘De Bruwaan’ en de onmiddellijke omgeving zou verdwijnen; dat op die plaats een magazijn en een afvalwaterzuiveringsinstallatie worden ingeplant; dat rekening gehouden met de ligging en de configuratie van het betrokken terrein, met de inplanting, de bouwhoogte en de omvang van de geplande bouwwerken en met de bestemming, zowel van het terrein als van de constructies, aangenomen dient te worden dat de bestreden beslissingen ter plaatse de leefbaarheid en het landelijk woonklimaat, m.a.w., de kwaliteit van het lokale leefmilieu ernstig zullen aantasten; dat het bestrijden van de betrokken gewestplanwijziging en van de betrokken bouwvergunningen binnen het statutair doel van de vereniging kan worden ingepast; dat voorts de genoemde vereniging niet de behartiging nastreeft van een X-13.239-13.245-13/25 algemeen belang of van een belang dat voor iedereen kan gelden; dat zij een lokale milieuvereniging is met een beperkt geografisch werkingsgebied, die optreedt tegen eerder lokale beslissingen ter verdediging van een duidelijk gelocaliseerd en specifiek belang; dat dit belang niet bestaat in een loutere optelling of samenvoeging van individuele belangen van haar leden, maar in een belang dat voor alle leden van dezelfde aard is en dezelfde oorzaak of oorsprong heeft en dat, hoewel het misschien niet door ieder van hen met dezelfde intensiteit wordt aangevoeld, toch aan allen gemeen is, samenhorigheid schept en aanzet tot samenwerking op grond van solidariteit met het oog op een grotere doeltreffendheid; dat de verzoekende vereniging met haar annulatieberoepen zeker niet rechtstreeks de behartiging of verdediging van individuele belangen van haar leden beoogt; dat de omstandigheid dat luidens de statuten, de leden een ‘ideologie’ moeten aankleven die volledig overeenstemt met het doel en de doeleinden van de vereniging en bovendien eigendom moeten bezitten, of woonachtig moeten zijn, of hun zetel moeten hebben gevestigd, of bij hun aanvraag tot lidmaatschap de duidelijke intentie moeten voorleggen om binnen het jaar eigenaar te worden of te komen wonen in de nabijheid van het industrieterrein ‘De Bruwaan’ te Oudenaarde, eerder de legitimiteit van de opdracht, op te komen ter verdediging van het collectief belang van haar leden ter zake van het leefklimaat in de omgeving van het betrokken industrieterrein, bekrachtigt’; Eerste verzoekster meent derhalve aan alle door Uw Raad gestelde vereisten te voldoen om tot huidige procedure te worden toegelaten”. Beoordeling
- De verenigingen zonder winstoogmerk kunnen krachtens de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, in rechte optreden ter verdediging van het doel of de doeleinden waarvoor zij zijn opgericht. Voor de Raad van State kunnen die verenigingen in rechte optreden op voorwaarde dat zij de rechtspersoonlijkheid bezitten en mits te voldoen aan de voorwaarden die gelden voor alle andere fysieke en rechtspersonen, te weten doen blijken van een persoonlijk, rechtstreeks, actueel en geoorloofd belang alsmede van de vereiste hoedanigheid. Een vereniging getuigt van de vereiste hoedanigheid wanneer de ingestelde vordering kan worden ingepast in het doel dat zij zich heeft gesteld, dit doel niet samenvalt met de behartiging van het algemeen belang zelf en evenmin samenvalt met het persoonlijk belang van de leden van de vereniging, en er een band van evenredigheid bestaat tussen het materieel en territoriaal actieterrein van de verzoekende partij enerzijds en de draagwijdte van de bestreden beslissing anderzijds.
- Het maatschappelijk doel van de eerste verzoekende partij wordt in haar statuten (art. 3) als volgt omschreven : X-13.239-13.245-14/25 “de belangen van natuur, milieu, in de breedst mogelijke betekenis te bestuderen, te behartigen en te verdedigen op de linker Schelde-oever en in het Waasland (in hoofdzaak Moerbeke, Stekene, Sint-Gillis-Waas, Beveren, Zwijndrecht, Kruibeke, Temse, Waasmunster en Sint-Niklaas). ABBLO vzw maakt deel uit van de Bond Beter Leefmilieu en ABLLO vzw zal dus ook haar mening vormen, kenbaar maken en verdedigen over natuur- en milieu- aangelegenheden die het regionaal belang overstijgen”.
- Het bestreden besluit betreft de definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “afbakening regionaalstedelijk gebied Sint-Niklaas” en heeft een weerslag op het leefmilieu binnen het territoriaal actieterrein van de eerste verzoekende partij. Zo vormt het bestreden besluit bepaalde deelgebieden die volgens het gewestplan bestemd waren als agrarisch gebied om tot bedrijventerreinen of woongebieden. Wat bijvoorbeeld het deelgebied 4 betreft, wordt de gewestplanbestemming agrarisch gebied omgevormd tot een gemengd stedelijk ontwikkelingsgebied Bellestraat-Zonneken voor een bedrijventerrein van 11 ha en een stadsuitbreiding van 583 woningen.
- Aangenomen moet worden dat er een voldoende band van evenredigheid bestaat tussen het materieel en territoriaal actieterrein van de eerste verzoekende partij en de draagwijdte van de bestreden beslissing. In tegenstelling tot wat de verwerende partij betoogt, valt dit doel niet samen met de behartiging van het algemeen belang. Evenmin kan de stelling van de verwerende partij worden bijgetreden dat de hoedanigheid van de eerste verzoekende partij samenvalt met het persoonlijk belang van haar leden. Gelet op de voormelde statutaire doelstelling van de eerste verzoekende partij en de door haar bestreden bedreiging voor het leefmilieu moet worden aangenomen dat zij optreedt ter vrijwaring van een collectief belang dat de individuele belangen van haar leden overstijgt. De exceptie is niet gegrond. Ontvankelijkheid van het beroep ten aanzien van de tweede en de derde verzoeksters
- De verwerende partij betwist het belang van de tweede en de derde verzoeksters als volgt : “Tweede en derde verzoekende partijen worden in het verzoekschrift tot nietigverklaring omschreven ‘als inwoners van het specifieke deelgebied 4’. Tweede en derde verzoekende partijen beperken zich tot deze loutere bewering. Zij laten na om op concrete wijze aan te duiden of zij al dan niet eigenaar dan wel bewoner zijn van de desbetreffende woning en op een kadastraal plan aan te duiden waar deze woning dan wel juist zou zijn gelegen, zich situerend ten opzichte van het regionaal bedrijventerrein waartegen het X-13.239-13.245-15/25 bezwaar van eerste en tweede verzoekende partijen in het bijzonder zou zijn gericht. Aangezien het niet aan uw Raad noch aan het Auditoraat toekomt om de concrete gegevens van de beweringen in het verzoekschrift na te gaan, is het verzoekschrift tot nietigverklaring niet ontvankelijk. Het verzoek tot nietigverklaring in hoofde van alle verzoekende partijen, minstens in hoofde van eerste verzoekende partij, is derhalve niet-ontvankelijk”.
- De tweede en de derde verzoeksters beantwoorden deze exceptie in hun memorie van wederantwoord als volgt : “Het belang van tweede en derde verzoekster volgt uit het feit dat zij wonen in respectievelijk de Eekhoornstraat en de Kallohoekstraat, beide gelegen ten noorden van de N70 en midden in het deelgebied
- Verzoekers zijn eigenaars van deze woningen maar hun belang volgt uit het feit dat hun leefomgeving wordt aangetast door verwezenlijking van het bestreden besluit, wat veeleer los straat van hun eigendomsrechten”. Beoordeling
- Uit de door de tweede en de derde verzoeksters bijgebrachte stukken blijkt dat zij wonen binnen het deelgebied 4 “Gemengd stedelijk ontwikkelingsgebied Bellestraat-Zonneke” van het bestreden GRUP. Alleen al daardoor doen zij in principe blijken van het vereiste belang bij het bestrijden van de bestemming van dit deelgebied. De verwerende partij toont het tegendeel niet aan.
- De verwerende partij voert nog aan dat het belang van de tweede en de derde verzoekende partijen beperkt is in zoverre hun beroep “het deelgebied 4 : gemengd stedelijk ontwikkelingsgebied Bellestraat-Zonneken betreft”. De Raad van State moet op de exceptie alleen ingaan indien hij zou oordelen dat het bestreden besluit dient vernietigd te worden. V. Onderzoek van de middelen. A. Het tweede middel, het vierde middel en het vijfde middel Uiteenzetting van het tweede middel, het vierde middel en het vijfde middel
- In het tweede middel stellen de verzoekende partijen wat volgt : X-13.239-13.245-16/25 “TWEEDE MIDDEL, genomen uit de schending van de motiveringsverplichting, zoals uitdrukkelijk opgelegd in de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. doordat - eerste onderdeel - verweerster de tegenwerpingen zoals die zijn uitgedrukt in de in het kader van het openbaar onderzoek geformuleerde bezwaren en in de verschillende adviezen slechts in algemene termen samenvat en weergeeft, zonder in concreto en individueel deze bezwaren en adviezen te onderzoeken, te bespreken en eventueel te weerleggen; uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt minstens formeel niet waarom de andersluidende adviezen niet werd gevolgd. en doordat - tweede onderdeel - geen of alleszins geen afdoende motieven zijn terug te vinden omtrent enerzijds de hinder die voor de omwonenden gepaard gaat met de bestaande en grotendeels niet vergunde activiteit en, anderzijds, omtrent de verenigbaarheid met de goede plaatselijke ordening. terwijl, de op de Overheid wegende motiveringsverplichting er precies toe strekt om de rechtsonderhorige toe te laten in de beslissing die motieven terug te vinden die hem moeten toelaten met kennis van zaken een oordeel te vormen over de mogelijkheid om de betrokken beslissing nog verder aan te vechten. Toelichting : eerste onderdeel - Individuele bestuurshandelingen moeten uitdrukkelijk worden gemotiveerd wat impliceert dat in de beslissing zelf de juridische en feitelijke overwegingen moeten worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen en dit op een afdoende wijze. De motieven moeten er niet alleen zijn, ze moeten ook terug te vinden zijn in de beslissing. De formele motivering heeft dus betrekking op de kenbaarheid van de motieven. De bestuurden moeten terzelfder tijd kennis kunnen nemen van de beslissing en van de motieven waarop zij is gesteund. De algemene (formele) motiveringsplicht komt er in wezen op neer dat de betrokken bestuurde in de hem aanbelangende beslissing, zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen. Hierdoor weet de betrokkene waarom een voor hem ongunstige beslissing is getroffen, derwijze dat hij zich met de ter beschikking staande rechtsmiddelen kan verweren tegen die beslissing door aan te tonen dat de erin tot uitdrukking gebrachte motieven niet gegrond zijn. Dit houdt in dat in het besluit zelf de juridische en feitelijke (aanduiding van de precieze, concrete feitelijke gegevens waarom in het licht van de aangehaalde bepalingen de beslissing is genomen) overwegingen moeten worden opgenomen en wel op ‘afdoende wijze’. In casu is zelfs bij een eerste, zelfs oppervlakkig nazicht van het GRUP, duidelijk dat de inplanting van een bedrijventerrein aan de rand van een gebied voor bewoning en gelegen in een vroeger agrarisch gebied, ruimtelijk zeer moeilijk inpasbaar is. Wanneer de overheid afwijkt van een normaal aangehouden beleidslijn, of nog en algemeen telkens wanneer de overheid ‘een niet voor de hand liggende beslissing neemt’ (...) geldt de motiveringsverplichting nog strikter en leidt dit tot een strengere motiveringsplicht. In casu moeten verzoekers het doen met de melding dat dit allemaal nog zo erg niet is en dat zij later, bij de individuele aanvragen, hun bezwaren maar moeten laten gelden. Daar wringt nu precies het schoentje : dit fundamentele bezwaar - geen inplanting van een bedrijventerrein aan de rand van een gebied bestemd voor bewoning - kan niet worden opgevangen op het niveau van de individuele vergunningsaanvraag. Aan een degelijk ruimer te onderbouwen visie inzake ruimtelijke ordening ontleent het instrument van de RUP nu precies haar bestaansreden. tweede onderdeel X-13.239-13.245-17/25 - De formele motiveringsverplichting heeft, in materies van ruimtelijke ordening - steeds een dubbel aspect, nl. de verenigbaarheid met het bestemmingsvoorschrift en de verenigbaarheid met de goede plaatselijke ordening (zie in dit verband reeds de Omzendbrief van 08.07.1997 als toelichting bij het K.B. van 28.12.1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen). Het is in de bestreden beslissing tevergeefs zoeken naar enige motivering omtrent de ruime overlast waarvan sprake in de bezwaarschriften”.
- In het vierde middel stellen de verzoekende partijen wat volgt : “VIERDE MIDDEL, genomen uit de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals geconcretiseerd in het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel (het ‘patere legem’ beginsel). Doordat het rechtszekerheidsbeginsel wordt aanzien als één van de basiskenmerken van het rechtstaatsprincipe : zowel de regelgeving, het bestuursoptreden en de rechtspraak moeten eraan beantwoorden (...); de overheid is daarbij alleszins gehouden door haar eigen regelgeving en beslissingen; Terwijl verwerende partij, door goedkeuring van dit GRUP, terug komt op een aantal voorheen fundamenteel genomen opties zoals die blijken uit de bepalingen van het Gewestplan en de nadien verleende BPA’s en verkavelingsvergunningen. Toelichting : Verzoekers hebben al gewezen op het feit op de belangrijke bestemmingswijzigingen voor diverse deelgebieden die volgen uit dit GRUP. Nu mag het ongetwijfeld zo zijn dat de overheid via het instrumentarium van structuur- en uitvoeringsplannen kan terugkomen op eerder genomen beleidsopties, vereist is dan wel dat zij dit met de grootste omzichtigheid doet, precies gelet op het rechtszekerheidsbeginsel. Jarenlang waken over de uitbouw van een groene leefomgeving met vol respect voor het behoud van het agrarisch gebied aan de rand, komt tegenstrijdig over met de plotse inplant van een bedrijvencentrum”.
- In het vijfde middel stellen de verzoekende partijen wat volgt : “VIJFDE MIDDEL, genomen uit de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals geconcretiseerd in de verplichting die op de overheid weegt om het grondwettelijk recht op een gezond leefmilieu te garanderen en daarbij toepassing te maken van het op de overheid wegend voorzorgsbeginsel. Doordat verweerster zich in essentie beperkt tot de vaststelling dat de inplanting van een bedrijvencentrum aan de rand van een woongebied volgens de bepalingen van het R.S.V. ‘niet onmogelijk is’ en dat ‘bij de aanvraag van de concrete stedenbouwkundige vergunning en milieuvergunning de hinderaspecten van de geplande bedrijvigheid verder aan bod zullen komen’. Terwijl, zelfs al zou men op basis van de theoretische modellen aannemen dat een dergelijke inplanting op zich niet strijdig is met de bepalingen van het structuurplan, deze vaststelling op zich niet volstaat wanneer er andere concrete elementen zijn die wijzen op een concrete onmogelijkheid om dergelijke functies te verweven. Toelichting : X-13.239-13.245-18/25 Verweerster had bij haar besluitgeving toepassing dienen te maken van het ‘voorzorgsbeginsel’, dat in ons materieel recht is geïncorporeerd ingevolge art. 1.2.1., § 2 van het Decreet van de Vlaamse Raad van 05.04.1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid [B.S., 03.06.1995, gewijzigd bij het Decreet van 19.04.1995 tot aanvulling van het Decreet van 05.04.1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel betreffende bedrijfsinterne milieuzorg, B.S., 04.07.1995, err. B.S., 27.10.1995, en bij Decreet van 08.07.1996, B.S., 14.10.1996], art. 129 van het Verdrag van Amsterdam (‘bij de bepaling en de uitvoering van elk beleid en elk optreden van de Gemeenschap wordt een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid verzekerd. Het optreden van de Gemeenschap, dat een aanvulling vormt op het nationale beleid, is gericht op verbetering van de volksgezondheid, preventie van ziekten en aandoeningen bij de mensen en het wegnemen van bronnen van gevaar voor de menselijke gezondheid’), de verklaring van 13.06.1992 inzake milieu en ontwikkeling van de Conferentie van Rio de Janeiro inzake milieu en ontwikkeling (‘teneinde het milieu te beschermen zullen staten naar hun vermogen op grote schaal de voorzorgsbenadering moeten toepassen. Daar waar ernstige of onomkeerbare schade dreigt, dient het ontbreken van volledige wetenschappelijke zekerheid niet als argument te worden gebruikt voor het uitstellen van kosteneffectieve maatregelen om milieuaantasting te voorkomen’), de artt. 4 en 5 van de Richtlijn 75/442/EG van 15.07.1975, zoals gewijzigd bij Richtlijn 91/156/EG van 18.03.1991, de Richtlijn 96/61/EG van 24.09.1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging en art. 1.1.2 & 4.1.2.
- VLAREM II. Er is geen enkele grond denkbaar om de toepassing van het voorzorgsbeginsel te beperken op vergunningsplichtige installaties of inrichtingen, elke maatregel die een impact heeft of kan hebben op de leefomgeving in ruime zin van mens en dier, moet via het voorzorgsbeginsel worden getoetst aan het grondwettelijk recht op een gezonde leefomgeving. Op grond van dit beginsel heeft Uw Raad reeds geoordeeld dat een vervuilende industrie kan worden gesloten, zelfs als er geen zekerheid was ten aanzien van het bestaan van een gevaar voor het leefmilieu, vermits het loutere bestaan van een risico volstaat (...). Art. 23 van de Grondwet garandeert een recht op een gezond leefmilieu. Uw Raad linkte het voorzorgsbeginsel aan het grondwettelijk recht op een gezond leefmilieu (...). (...). In de bezwaarschriften is gewezen op het feit dat de Kallohoekstraat (deelgebied 4) die nu fungeert als wandelstraat voor de wandeltochten georganiseed door diverse verenigingen en voor de kinderen die op het internaat van het Medisch Pedagogisch Instituut in de Eekhoornstraat wonen en dat de in het GRUP beschreven ontsluiting via de Kallohoekstraat ook gevolgen heeft voor de leefbaarheid in de Eekhoornstraat. Een zelfde ‘voorzorgsplicht’ volgt ook uit het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, dat in art. 24 aan het kind het recht verleent ‘op genot van de grootst mogelijke mate van gezondheid’, wat nog tot grotere omzichtigheid moet aanzetten”. Beoordeling
- In het auditoraatsverslag wordt geoordeeld dat deze middelen niet dienen te worden onderzocht omdat zij specifiek betrekking hebben op het deelgebied 4 Gemengd stedelijk ontwikkelingsgebied Bellestraat-Zonneken en het X-13.239-13.245-19/25 auditoraatsverslag in de zaak A.182.340/X-13.245 heeft uitgewezen dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd in zoverre dit op het voormelde deelgebied betrekking heeft.
- Uit het arrest nr 201.099 van 19 februari 2010 blijkt dat het voormelde standpunt niet kan worden bijgetreden. B. Het eerste middel Uiteenzetting van het eerste middel
- In een eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van “de materiële motiveringsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur” : “Doordat iedere bestuurshandeling moet worden gedragen door motieven die in rechte en in feite aanvaardbaar moeten zijn en die daarom, naar aanleiding van het wettigheidstoezicht, moeten kunnen worden gecontroleerd. Terwijl blijkt dat de verwerende partij bij het nemen van het litigieuze besluit zich heeft beperkt tot het overnemen van het niet-bindend advies van de VLACORO zonder de motieven zelf te onderzoeken en mee te nemen in haar besluitvorming. Toelichting (-) De materiële motiveringsplicht houdt in dat iedere bestuurshandeling moet worden gedragen door motieven die in rechte en in feite aanvaardbaar moeten zijn, en die daarom, naar aanleiding van het wettigheidstoezicht moeten kunnen worden gecontroleerd. Deze motieven moeten blijken hetzij uit de beslissing zelf, hetzij uit het administratief dossier. De materiële motiveringsplicht is een algemeen beginsel, meer specifiek een beginsel van behoorlijk bestuur. Algemeen wordt aangenomen dat de materiële motiveringsplicht uit ten minste drie onderdelen bestaat : de motieven moeten kenbaar zijn, feitelijk juist zijn en ten slotte draagkrachtig zijn, d.i. de beslissing effectief rechtens kunnen dragen en verantwoorden (...). (-) In het advies van VLACORO wordt het principiële bezwaar van eerste verzoekster niet naar de grond beantwoord en maakt de VLACORO zich er in wezen van af met de bedenking dat ‘de vraag of het lobbenstadmodel het meest duurzame model is, een vraag is die dit particuliere RUP overstijgt. Er kan hieromtrent bijkomend onderzoek worden verricht in het kader van de herziening van het R.S.V.’ Dit is natuurlijk de wereld op zijn kop vermits het RUP precies de concretisering is van een voorafgaand structuurplan. De opmerking van de VLACORO dat het voorliggend GRUP voldoet aan de bepalingen uit het RSV vormt geen antwoord op de principiële bezwaren van verzoekster sub. 1 die zeer duidelijk de boni heeft aangegeven die volgen uit de keuze voor het lobbenstadmodel. Bovendien geeft de VLACORO zelf aan dat haar redenering kaduuk is waar zij zelf aangeeft dat ingevolgde de realisatie van het GRUP de lobbenstad als conceptueel model niet meer zal kunnen worden gerealiseerd (‘Vlacoro kan bijgevolg instemmen met de grote structuur zoals die nu is vastgelegd omwille van de hierboven aangehaalde elementen, hoewel dit niet zal resulteren in een lobbenstand’). X-13.239-13.245-20/25 Van die principiële discussie is in het bestreden besluit geen spoor te vinden. Enkel wordt onder rubriek A. Algemeen overwogen dat ‘de groene verbindingen in de stedelijke woongebieden Clementwijk en Bellestraat - Zonneke uitdrukkelijker in de inrichtingsstudies aan bod moeten komen en ook een waterbergende functie kunnen vervullen’. Hiermee is op geen enkele manier geantwoord, noch in het advies van de VLACORO noch in het bovenliggend en thans bestreden Besluit op de fundamentele bezwaren die verzoekster heeft laten gelden. Het GRUP is het algemeen verordend beleidsinstrument bij uitstek waarin dergelijke fundamentele beleidsopties moeten worden genomen. (-) In de specifiek op het deelgebied 4 toegespitste bezwaren is aangegeven dat de inplanting van een gemend regionaal bedrijventerrein aan de rand en aansluitend bij bestaande en nieuwe zones bestemd voor bewoning, een totale vernietiging inhoudt van de leefkwaliteit van de betrokken woonzones. Het bestreden besluit stelt dat een dergelijke inplanting volgens de bepalingen van het R.S.V. ‘niet onmogelijk is’ en dat ‘bij de aanvraag van de concrete stedenbouwkundige vergunning en milieuvergunning de hinderaspecten van de geplande bedrijvigheid verder aan bod zullen komen’. Hiermee is niet geantwoord op het principiële bezwaar dat de enkele inplanting van een dergelijk breedmazig bedrijventerrein zelf reeds onomkeerbare milieu-effecten zal meebrengen die niet zullen kunnen worden opgevangen door individuele milieuvergunningsvoorwaarden. Hiermee is evenmin geantwoord op de argumentatie en verwijzing in het bezwaarschrift dat in het verleden door Uw Raad reeds is aangenomen dat ‘het de Raad van State niet mogelijk is uit te maken op grond van welke motieven de verwerende partijen, mede rekening houdende met de hoger vermelde gegevens betreffende de bestaande, overeenkomstig de voorschriften van de stedenbouwwet en haar uitvoeringsbesluiten tot stand gekomen ruimtelijke ordening van het betrokken gebied en de uit de uitvoering van de vergunde werken voortvloeiende belasting van dat gebied, hebben kunnen oordelen dat die werken de ruimtelijke ordening niet kunnen schaden’ (...). Wat in 1991 gold, moet nog gelden. De verwerende partij moet precies aangegeven waarom zij meent dat de inplanting van een dergelijk bedrijventerrein in casu niet tot grote hinder zal leiden. De verwijzing naar inplantingsstudies is daarbij niet voldoende. (-) Aan de hand van dergelijke onbestaande (of hoogstens zeer summiere) motivering is het Uw Raad onmogelijk om bij de uitoefening van het wettigheidstoezicht na te gaan of de verwerende partij bij de uitoefening van haar bevoegdheid en het nemen van haar vergunnigsbeslissing, is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen”. Beoordeling
- Als antwoord op het bezwaar van de eerste verzoekende partij dat het ontwerp van GRUP in strijd is met het “lobbenstadmodel”, stelt de Vlacoro dat het voorliggend ontwerp van GRUP voldoet aan de bepalingen van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen met betrekking tot de stedelijke gebieden, waarvan de verzoekende partijen het tegendeel niet aantonen, en stelt zij verder wat volgt : “Tevens stelt Vlacoro dat er rekening is gehouden met de open ruimte structuur op regionaal niveau, die het stedelijk gebied dooradert en passend X-13.239-13.245-21/25 vertaald wordt in het stedelijk gebied. Terzelfdertijd zien we nog een aantal resterende openruimtegebieden die het stedelijk gebied beperkt binnendringen en wordt er in de herbestemde gebieden tevens rekening gehouden met het uitbouwen van stedelijke groenvoorzieningen (stadspark, puitvoetbos) of aanwezige groenstructuren. Tevens zijn er een aantal initiatieven die nog verder zullen onderzocht worden zoals een stadsrandbos ten noorden van de Clementwijk. Vlacoro kan bijgevolg instemmen met de grote structuur zoals die nu is vastgelegd omwille van de hierboven aangehaalde elementen, hoewel dit niet zal resulteren in een lobbenstad. Vlacoro adviseert verder om bij de concrete invulling van het stedelijk woongebied Clementwijk en van het ontwikkelingsgebied Bellestraat-Zonneke, in het kader van de inrichtingsstudies te onderzoeken of en hoe groene verbindingen met het buitengebied kunnen voorzien worden. Deze groene verbindingen kunnen ook een waterbergende functie vervullen. Op deze manier kunnen de facto blauw-groene vingers doorheen het stedelijk gebied gerealiseerd worden en kan een functionele verbinding voor voetgangers en fietsers met het buitengebied blijven bestaan. (...)”. Uit het voorgaande blijkt dat de Vlacoro het bezwaar van de eerste verzoekende partij wel degelijk heeft onderzocht en beantwoord en, rekening houdend met het voorgestelde lobbenstadmodel, ook een aantal suggesties doet voor de invulling van de Clementwijk en het ontwikkelingsgebied Bellestraat-Zonneke. De verzoekende partijen tonen voorts niet aan dat de verwerende partij in casu op kennelijk onredelijke wijze voor “een compacte stad” en niet voor het “lobbenstadmodel” als stadsontwikkelingsmodel heeft gekozen. Het middel is in zoverre ongegrond.
- In het auditoraatsverslag wordt geoordeeld dat het tweede middelonderdeel niet dient te worden onderzocht om de reden vermeld onder randnummer
- Om de reden vermeld onder randnummer 32 kan dit standpunt niet worden bijgetreden. C. Het derde middel Uiteenzetting van het derde middel
- In een derde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van “het decreet van de Vlaamse regering van 05.04.1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (B.S. 03.06.1995), inzonderheid de bepalingen van titel IV inzake milieueffect- en veiligheidsrapportage” : “Doordat geen openbaar document werd opgemaakt waarin van een voorgenomen plan of programma en van de redelijkerwijze in beschouwing te X-13.239-13.245-22/25 nemen alternatieven, de te verwachten gevolgen voor mens en milieu in hun onderlinge samenhang op een systematische en wetenschappelijk verantwoorde wijze worden geanalyseerd en geëvalueerd, en aangegeven wordt op welke wijze de aanzienlijke milieueffecten vermeden, beperkt, verholpen of gecompenseerd kunnen worden Terwijl dergelijke MER-rapportage verplicht is voorafgaand aan de goedkeuring van voorgenomen plannen en programma’s (art. 4.2.1), waarbij de goedkeuring van een GRUP duidelijk kwalificeert als dergelijk plan of programma (art. 4.1.1.§1, 4/). Toelichting In haar toelichtingsnota stelt verweerster dat kan worden voldaan door het zogenaamde integratiespoor (...). Art. 4.2.
- §5 van het Decreet stelt dat wanneer een plan of programma dat overeenkomstig dit artikel al dan niet aan milieueffectrapportage moet worden onderworpen en dat is opgezet in een thematisch gewestelijk of ruimtelijk uitvoeringsplan, bedoeld in art. 37 van het Decreet van 18.05.1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, nadien wordt omgezet in een thematisch gewestelijk of provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan dat wel valt onder de toepassing van dit hoofdstuk, dan is voor dat ruimtelijk uitvoeringsplan voldaan aan de bepalingen van dit hoofdstuk als : - het daaraan voorafgaande planningsproces beantwoordt aan de in artikel 4.1.4 §2 bedoelde essentiële kenmerken; - het daarvoor opgestelde plan-MER is opgesteld conform de bepalingen van dit hoofdstuk en kan gelden als plan-MER voor het thematisch gewestelijk of provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan Het is onder toepassing van de eerste voorziene uitzondering dat de verwerende partij het wil doen voorkomen als zou hebben voldaan aan deze bepalingen. In toepassing van art. 4.1.4 §2 moet verweerster bijgevolg kunnen aantonen dat haar planningsproces voldoet aan volgende voorwaarden : - de systematische en wetenschappelijk verantwoorde analyse en evaluatie van de te verwachten .... gevolgen voor mens en milieu, van een voorgenomen actie en van de redelijkerwijze in beschouwing te nemen alternatieven voor de actie of onderdelen ervan, en de beschrijving en de evaluatie van de mogelijke maatregelen om de gevolgen van de voorgenomen actie op een samenhangende wijze te vermijden, te beperken, te verhelpen of te compenseren - de kwaliteitsbeoordeling van de verzamelde informatie - de actieve openbaarheid van de rapportage en de besluitvorming over de voorgenomen actie. Daaraan is duidelijk niet voldaan. De verwerende partij verwijst tevergeefs naar ‘het doorlopen planningsproces (2001-2004) en de inhoudelijke resultaten ervan (die) uitvoering zijn besproken in Deel 3 van de toelichtingsnota. De vele overlegmomenten (projectteam, overleggroep en informatievergadering) wijzen op een betrokkenheid van verschillende partners bij het proces en dus bij de uitwerking van het uiteindelijke voorstel tot afbakening (document).’ In dit deel 3 - voorafgaand onderzoek en overleg - wordt verwezen naar besprekingen met het studiebureel en intern overleg met een aantal drukkingsgroepen en naar het feit dat ‘enkele keren een informatievergadering werd gehouden voor de gemeente- en provincieraadsleden’. Dit voldoet alleszins niet aan de voorwaarde van ‘actieve openbaarheid’ vermits de omwonenden hierbij niet rechtstreeks werden betrokken en zij evenmin kennis hebben gekregen van de verslaggeving of notulen van dit overleg. X-13.239-13.245-23/25 In de mate dat de betrokken notulen van die zogenaamde besprekingen in al die overlegplatformen niet worden voorgebracht, is het trouwens onmogelijk - ook voor Uw Raad - om uit te maken of ook is voldaan aan de vereiste van ‘kwaliteitsbeoordeling’”. Beoordeling
- Zoals de verwerende partij in haar memorie van antwoord aanvoert, en door de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord niet wordt betwist, moet worden aangenomen dat de toelichtingsnota bij het GRUP, waarin niet alleen verwezen wordt naar het door de verzoekende partijen aangehaalde voorafgaand onderzoek en overleg, zoals weergegeven in deel 3 “Voorafgaand onderzoek en overleg : resultaten van het afbakeningsproces”(blz. 10-20), maar waarin ook onder deel 4 “aandachtspunten als gevolg van sectorale regelgeving”, punt B. Plan-M.E.R (blz. 21-25) de onderzochte alternatieven uiteengezet werden, tijdens het openbaar onderzoek ter inzage werd gelegd, zodat de verzoekende partijen niet op goede gronden kunnen voorhouden dat de omwonenden hiervan geen kennis zouden hebben gekregen. De verzoekende partijen kunnen niet eerst in hun laatste memorie op ontvankelijke wijze het bestaan of de rechtmatigheid van de voormelde ter inzagelegging betwisten. Zij tonen niet aan dat de vereiste van “actieve openbaarheid” zoals bedoeld in artikel 4.1.
- § 2, 3/ van het decreet van 5 april 1995 houdende de algemene bepalingen inzake milieubeleid zijn geschonden. Evenmin tonen de verzoekende partijen aan dat de verwerende partij de overige door artikel 4.1.4, § 2 gestelde voorwaarden zou hebben geschonden en in casu “een eigenlijk plan-MER” had dienen op te stellen. Het middel is ongegrond.
- Het is noodzakelijk voor de oplossing van het geschil dat de ontvankelijkheid en de gegrondheid van het tweede onderdeel van het eerste middel, alsook van het tweede, vierde en vijfde middel door een lid van het auditoraat worden onderzocht en dat daarover verslag wordt uitgebracht. BESLISSING
- De debatten worden heropend.
- Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek. X-13.239-13.245-24/25 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negentien februari 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Astrid Truyens, griffier. De griffier De voorzitter Astrid Truyens Roger Stevens X-13.239-13.245-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.100 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.287 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.221 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div