← België

Arrest 201109 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 22/02/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.109 Rolnummer: A. 194574/IX-6584 Zaak: Arrest 201109 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 22/02/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-03 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-07-02 08:56 Fiche Arrest nr 201.109 van 22 februari 2010 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 201.109 van 22 februari 2010 in de zaak A. 194.574/IX-6584 In zake: Christiaan BUYSSE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Lahousse kantoor houdend te Mechelen Leopoldstraat 64 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Buitenlandse Zaken, bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Alain Verriest en Patrik De Maeyer kantoor houdend te Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen ------------------------------------------------------------------------------------------------- -- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 6 november 2009, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van: - het koninklijk besluit van 28 juni 2009 waarbij Guido Grauwels, Jan Bouchet en Marc Reyntjens op 1 augustus 2008 worden bevorderd tot de eerste administratieve klasse van de Kanselarijcarrière; - “de impliciete weigering tot aanwijzing en benoeming in voormelde bevordering van verzoeker”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Adjunct-auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld. IX-6584-1/17 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 januari
  3. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pascal Lahousse, die verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Patrik De Maeyer, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Melissa Celis, gemachtigd om ter terechtzitting advies te verlenen, heeft een met dit arrest eensluidend advies verleend. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Bij besluit van 10 juli 2008 verklaart de Minister van Buitenlandse Zaken op datum van 1 juli 2008 drie betrekkingen van de Nederlandse taalrol in de eerste administratieve klasse van de Kanselarijcarrière vacant. In het totaal voldoen negentien ambtenaren van de tweede administratieve klasse van de Kanselarijcarrière aan de statutaire anciënniteitsvoor- waarden om tot de eerste administratieve klasse te worden bevorderd. 3.
  6. Op 11 juli 2008 onderzoekt het directiecomité van de federale overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamen- werking de titels en verdiensten van deze negentien ambtenaren. Luidens de notulen van de vergadering van het directiecomité worden de titels en verdiensten van de kandidaten beoordeeld op basis van vijf criteria: de dossierkennis, de beschikbaarheid, de inzet, de prestaties sinds de benoeming in de tweede klasse, en de bekwaamheid om een consulaat te beheren en leiding te geven. Daarnaast kan ook rekening worden gehouden met de anciënniteit. IX-6584-2/17 Wat de verzoeker betreft, luidt de beoordeling van het directieco- mité als volgt: “De heer Buysse, geboren op 17.08.1945, is in 1980 tot de Kanselarijcar- rière toegetreden. Hij werd bevorderd tot de tweede administratieve klasse in november 1990 toen hij kanselier was in Ankara. Hij was daarna op post in Moskou en Rome. Van augustus 2002 tot augustus 2006 was hij Kanselier bij onze ambassade in Londen. Van augustus 2006 tot september 2007 heeft hij op het hoofdbestuur gewerkt en nu is hij op post in Parijs. Volgens het verslag van de postinspectie van november 1999 is de heer Buysse een kanselier die zijn beroep kent en zijn dossiers goed beheert. De postinspecteurs onderstreepten ook zijn zin voor organisatie, besluitvaardig- heid en efficiëntie. Ook zijn posthoofd, Ambassadeur P. Nothomb, beschouw- de hem als een zeer gewaardeerde medewerker. In al zijn evaluatieverslagen, waarbij de laatste evaluatie dateert van 16 november 2001, omschreef hij betrokkene als eerlijk en betrouwbaar, begrijpend doch kordaat en als iemand die kon organiseren en leiding geven. Hij had een vlotte pen, werkte snel en accuraat, ook in stresssituaties, had zeer veel orde, nam initiatief, was toegewijd en steeds beschikbaar. Samengevat kon gesteld worden dat de heer Buysse een zeer goede kanselier is. Uit het evaluatieverslag van zijn posthoofd in Rome van 26 juni 2002 bleek dat hij zijn dossiers goed kende en beheerde. Hij was betrouwbaar, efficiënt en reageerde snel. Hij was zakelijk en billijk met het personeel. Hij was een waardevol medewerker die echter op het vlak van de menselijke relaties zijn ondergeschikte medewerkers beter tot voorbeeld zou hebben kunnen strekken. In Londen heeft hij het verhuisproject van de kanselarij goed gestuurd en tot een einde gebracht, binnen de budgettaire bepalingen. Hij heeft handig mogelijke problemen opgevangen wat betreft de kantoren van de Gewesten. De dienst Organisatie en Logistiek (P&O4) was zeer tevreden over de samenwerking met de heer Buysse die zijn volle steun heeft gegeven aan deze ingewikkelde operatie. Uit het evaluatieverslag van zijn posthoofd in Londen bleek nog dat mede door hem een gedeeltelijke BTW vrijstelling kon worden gekregen op de renovatiewerken die het gebouwenfonds 375.000 euro hebben opgebracht. Dit verslag bevestigde ook de appreciatie van het posthoofd in Rome. Tijdens de korte periode bij het hoofdbestuur, waar hij werkzaam was bij de dienst gebouwen, gaf hij soms de indruk zich niet volledig in de dienst te investeren. Sinds september 2007 is hij op post in Parijs waar eens temeer blijkt dat hij een kanselier is die zijn beroep kent en zijn dossiers goed beheert. Ook hij beantwoordt volgens het Comité aan de bevorderingscriteria.” Wat de kandidaten betreft die uiteindelijk zullen worden bevorderd, luidt de beoordeling van het directiecomité als volgt: “
  7. Guido Grauwels De heer Grauwels, geboren op 17.06.1955, is in 1980 tot de Kanselarijcar- rière toegetreden. Hij werd bevorderd tot de tweede administratieve klasse in IX-6584-3/17 juni 1989 toen hij Kanselier was in New Delhi. Hij was vervolgens op post in Nairobi, Peking, Kampala en Quito. Sinds augustus 2004 vervult hij de functie van Kanselier in Jakarta. In het evaluatieverslag d.d. 30 juni 2001 van de Ambassadeur in Kampala, C. Peeters, stelt het posthoofd vast dat hij met een zeer gedegen kennis en uitzonderlijke vaardigheid de kanselarijsectie van de ambassade leidde. Betrokkene gaat oordeelkundig te werk en geeft blijk van een zeer grote verantwoordelijkheidszin. Zijn posthoofd onderstreept verder zijn doorzet- tingsvermogen, zijn bijzondere zin voor nauwkeurigheid en accuraatheid en ook zijn absolute beschikbaarheid wanneer op hem beroep moest worden gedaan bij de organisatie van ministeriële bezoeken. De positieve evaluatie van betrokkene werd bevestigd door het postin- spectieverslag dat werd opgemaakt naar aanleiding van de inspectie van de Ambassade in Kampala. In zijn beoordeling van mei 2002 heeft het Comité erkend dat het uitsluitend positieve geluiden opgevangen had met betrekking tot het functioneren van de heer Grauwels sinds zijn aankomst te Quito, waardoor het positieve beeld van betrokkene alleen maar verder wordt bevestigd. Hij beschikt over een grondige kennis van administratieve en consulaire zaken, evenals over de nodige leiderscapaciteiten. Hij is eerlijk en loyaal en vertoont een grote inzet. De posten die hij in de loop van zijn carrière aandeed, tonen eveneens zijn beschikbaarheid aan. Betrokkene is een uitstekend kanselier. De evaluatieverslagen van 2002, 2003 en 2004 van zijn posthoofd te Quito tonen aan dat de heer Grauwels een kalm, voorzichtig, ervaren, betrouwbare en zeer toegewijde ambtenaar is. Hij is een perfectionist die er niet voor terugschrikt bepaalde problematische dossiers tot op het bot te onderzoeken, ook wanneer hem dit extra werkuren kost. Hij is een harde werker die bovendien een uitstekend beoordelingsvermogen heeft. Hij onderhoudt uitstekende contacten met de Belgische gemeenschap en geniet tevens sympathie van zijn EU-collega’s. Hij heeft goede professionele betrekkingen met zijn medewerkers. De postinspectie van juni 2004 onderstreept zijn exemplarisch beheer van de boekhouding en van de budgettaire enveloppen. Hij valt op door de grondige en plichtsgetrouwe aanpak van alle taken die tot zijn verantwoordelijkheid behoren. In Jakarta stelt de Ambassadeur in zijn evaluatieverslag vast dat de heer Grauwels zijn job door en door kent. Hij houdt daarnaast alle instructies nauwgezet bij en blijft op de hoogte van de vele administratieve en politieke veranderingen die van belang kunnen zijn voor de Belgen in het buitenland. Door zijn rustige en geduldig optreden heeft hij het personeel gemotiveerd. Hij heeft een goede band gecreëerd met de Belgische kolonie in Jakarta en heeft uitstekende werkrelaties zowel met de ereconsuls als met zijn EU- en Schengencollega’s. Zijn ervaring, inzet en professionalisme zijn ook nuttig geweest in de intense weken en maanden na de Tsunami van 26 december 2004 en bij het bezoek van Minister De Gucht in februari
  8. Hij heeft ook nadien veel gedaan om het netwerk te verfijnen zodat in geval van een noodtoestand nog beter contact kan worden gelegd met de landgenoten. Te vermelden zijn ook de inspanningen die hij heeft gedaan om het kanselarijgebouw te vernieuwen en de residentie beter te beveiligen. Het Directiecomité bevestigt opnieuw dat de heer Grauwels in de hoogste mate aan alle criteria beantwoordt voor deze bevordering. [...]
  9. Jan Bouchet IX-6584-4/17 De heer Bouchet, geboren op 27.03.1947, behoort tot de Kanselarijcarrière sinds
  10. Hij was kanselier in Atlanta toen hij bevorderd werd tot de tweede administratieve klasse in juli
  11. Daarna heeft hij de functie van kanselier vervuld in Wenen en Den Haag. Vervolgens was hij van juli 2002 tot augustus 2006 op post in Kopenhagen en nu is hij toegevoegd aan het hoofdbestuur. In zijn beoordelingsverslag van 26 juni 2001 meldde zijn posthoofd in Den Haag, Ambassadeur J. Swinnen, dat de heer Bouchet opvallend blijk had gegeven van bekwaamheid op het consulaire en administratieve vlak en dat zijn deskundigheid gepaard ging met snel inzicht en een goede dosis gezond verstand. Zijn posthoofd onderstreepte de meer dan verdienstelijke inzet die hij aan de dag had gelegd in verband met de verhuizing naar de nieuwe kanselarij, wat een bijzonder zware opdracht was gebleken. Ondanks de moeilijke omstandigheden had betrokkene plichtbewust, zorgvuldig en geduldig de onderhandelingen met eigenaars, architecten, aannemers en leveranciers voortgezet en zodoende het project op de rails kunnen houden. Hij onderhield goede relaties met de acht ereconsulaten in het rechtsgebied van de ambassade. Ambassadeur Swinnen bevestigde de kanttekeningen uit zijn vorig evaluatieverslag: tijdsdruk had wel eens invloed op de kwaliteit van verslagen en berichten en zijn posthoofd voelde zich regelmatig verplicht hem aan te zetten tot betere toegankelijkheid jegens en communicatie met het personeel alsook tot aanwending van meer gezag. Zijn optreden in deze was volgens Ambassadeur Swinnen te discreet en voorzichtig, en soms iets te schroomvol. In zijn beoordelingsverslag van 26 juni 2002 bevestigde zijn Posthoofd opnieuw deze beoordeling. Hij onderstreepte o.a. dat de heer Bouchet verdienstelijke inspanningen had geleverd om de bijwerking van het Rijksregister in goede banen te leiden, met het oog op de verkiezingen van
  12. In Kopenhagen meldde zijn posthoofd in zijn beoordelingsverslag van 25 juni 2003 dat de heer Bouchet een grondige kennis en een lange ervaring had op het gebied van consulaire en administratieve zaken. Hij toonde een grote verantwoordelijkheidszin bij de controle van de documenten en hechtte groot belang aan het bijwerken van wijzigingen aan de visareglementering. Hij bracht zijn medewerkers hiervan uitvoerig op de hoogte en organiseerde coördinatievergaderingen. Op die manier werden de verkiezingen goed voorbereid en konden deze rimpelloos verlopen. Hij werd door zijn medewer- kers geapprecieerd. Hij onderhield uitstekende relaties met collega’s kanseliers, landgenoten, en met de plaatselijke autoriteiten. De heer Bouchet kweet zich op uitstekende wijze van zijn taken. Deze positieve waardering werd bevestigd in zijn evaluatieverslagen van 22 juni 2004 en 2005, en door het inspectieverslag van september
  13. Hij werkte alle administratieve en computerprogramma’s bij en slaagde in oktober 2003 voor het UEG examen in Brussel. In zijn functie van zaakgelastigde heeft hij steeds zijn verantwoordelijkheidszin getoond. Op dit ogenblik levert hij uitstekende prestaties op de dienst Nationaliteit. Ook hij beantwoordt in hoge mate aan de gestelde criteria voor bevordering tot de eerste klasse. [...]
  14. Marc Reyntjens De heer Reyntjens, geboren op 05.11.1948, is in 1993 tot de Kanselarijcar- rière toegetreden. Hij werd bevorderd tot de tweede klasse in mei 1999 toen hij consul was in Belgrado. Hij was vervolgens op post in Dublin en op de IX-6584-5/17 Permanente vertegenwoordiging bij de EU in Brussel. Sinds september 2004 is hij toegevoegd aan de postinspectie op het hoofdbestuur. In Belgrado concludeerde het posthoofd in zijn beoordelingsverslag dat de heer Reyntjens tot de elitegroep behoort van ‘unconditionals’ van de kanselarijloopbaan, op wie het departement en het posthoofd op gelijk welk ogenblik een beroep kunnen doen, om het hoofd te kunnen bieden aan dringende taken. Zijn doordachte inzet ten aanzien van het werk, zijn frisse en aangename persoonlijkheid in de omgang met anderen, zijn ervaring en technische bekwaamheden, zijn leiderskwaliteiten werden zeer op prijs gesteld en waren een voorbeeld voor anderen. Hij kende de consulaire materies, had een geïnformatiseerd visumbestand tot stand gebracht, werkte zeer efficiënt, bepaalde goed zijn prioriteiten, waakte erover dat de taken scrupuleus binnen de gestelde tijd werden uitgevoerd. Zijn orde en organisatie maakten het mogelijk dat de evacuatieoperatie in maart 1999 dank zij zijn onderrichtingen goed verliep. Hij gaf goede leiding aan het personeel, wist bemiddelend of vermanend op te treden indien nodig, onderhield ook goede contacten met collega’s van andere ambassades, zoals bleek uit het organise- ren van Schengenvergaderingen onder het Belgisch voorzitterschap in
  15. Hij was er op de ambassade ook de belangrijkste verantwoordelijke voor de informatica, waarvoor hij een opvallende interesse had en de recente ontwikkelingen van nabij opvolgde. Ook in Dublin bevestigde zijn posthoofd in een eerste beoordelingsverslag de lovende woorden van zijn collega in Belgrado. In een tweede verslag verwees het posthoofd naar zijn beschikbaarheid om op verzoek van het departement een opdracht uit te voeren in Kinshasa, naar zijn vraag tot overplaatsing naar Brussel om familiale redenen en naar de goede samenwer- king. Van 2001 tot 2004 was de heer Reyntjens werkzaam bij de permanente vertegenwoordiging bij de EU. Hij stond er in voor het beheer van het personeel van Belgoeurop en Bru-cops, de boekhouding en het financieel beheer van deze posten voor het beheer van de gebouwen waarin zij gehuisvest waren. Hij nam er zijn taak op na een lange ziekteperiode van de vorige titularis, slaagde erin de achterstand opgelopen in heel wat dossiers in te halen. Zijn inspanningen om de uiteenlopende personeelsstatuten van deze posten op elkaar af te stemmen was een succes volgens zijn posthoofd. Hij wist ook de nodige nuttige relaties aan te knopen om een vlot beheer van de post mogelijk te maken. Zijn kennis van de administratieve regelgeving en van het departement hielpen hierbij. Door zijn dagelijkse inzet konden de Permanente vertegenwoordiger en adjunct zich volop met hun kerntaken inlaten. Zijn verschillende taken oefende hij kordaat en stipt uit, zijn beschikbaarheid was groot. Hij had ook het nodige gezag om zijn moeilijke opdrachten tot een goed einde te brengen. Sinds september 2004 is hij postinspecteur. In zijn beoordelingsverslag vermeldt zijn diensthoofd dat de heer Reyntjens door zijn grondige kennis en zijn evenwichtige analyses zijn oordeel steeds doordacht en precies weet te vormen en waar het nodig is overlegt hij met zijn collega’s inspecteurs maar neemt met veel verantwoordelijkheidszin zijn eigen, soms moeilijke maar overwogen beslissingen met wijsheid en kracht. Vermeld wordt nog zijn zin voor initiatief en vindingrijkheid om tot oplossingen te komen. Opnieuw wordt ook verwezen naar zijn zin voor orde en organisatie. Hij werkt systematisch, noteert alles, stelt de juiste vragen, maakt de juiste bevindingen, werkt zeer efficiënt. Het Comité bevestigt deze beoordelingen en looft de grote inzet en toewijding, beroepszin en buitengewoon plichtsbesef van de heer Reyntjens. Het Comité betreurt maar respecteert dat deze uitstekende consul een aanvraag tot vervroegde pensionering heeft ingediend mede ingegeven door IX-6584-6/17 zijn gezondheidstoestand. Het Comité rekent hem tot één van de beste kandidaten die in aanmerking komen voor deze bevordering.” Na dit onderzoek van de titels en verdiensten van alle kandidaten gaat het directiecomité over tot een geheime stemming volgens de procedure vastgelegd in het huishoudelijk reglement. Op grond van deze stemming worden Guido Grauwels, Marc Reyntjens en Jan Bouchet respectievelijk als eerste, tweede en derde kandidaat gerangschikt. De verzoeker wordt als vijfde kandidaat gerangschikt. Het directiecomité stelt voor om de drie vacante betrekkingen van de Nederlandse taalrol in de eerste administratieve klasse van de Kanselarijcarrière toe te wijzen aan de drie eerst gerangschikte kandidaten. 3.
  16. Met een brief van 18 september 2008 wordt de verzoeker in kennis gesteld van het voorstel van het directiecomité. Een kopie van het verslag van de vergadering van het directiecomité van 11 juli 2008 is bijgevoegd. De brief maakt melding van de mogelijkheid om binnen een termijn van twintig dagen een bezwaar in te dienen bij het directiecomité. 3.
  17. Op 15 oktober 2008 dient de verzoeker een gemotiveerd bezwaarschrift in tegen de beslissing van het directiecomité om Marc Reyntjens voor bevordering voor te dragen. De verzoeker stelt dat zijn kandidatuur niet op gelijke wijze werd geëvalueerd als deze van Marc Reyntjens. 3.
  18. Op 23 januari 2009 onderzoekt het directiecomité de argumenten die door de verzoeker in zijn bezwaarschrift worden aangevoerd. In het bijzonder gaat het directiecomité na of er nieuwe elementen zijn die zo belangrijk zijn dat zij een aanpassing van de voorgestelde rangschikking verantwoorden. Het directiecomité stelt daarover het volgende: “De heer Christiaan Buysse heeft een bezwaarschrift tegen het bevorde- ringsvoorstel van het Directiecomité ingediend, in het bijzonder tegen de beslissing de heer Reyntjens voor te dragen voor bevordering. Hij vindt dat zijn kandidatuur niet op gelijke wijze geëvalueerd werd als die van de heer Reyntjens en vraagt om de beslissing van het Directiecomité te herzien en hem te willen voordragen als kandidaat voor de bevordering. Hij argumenteert dat vergeleken met de rapportage over de activiteiten van de heer Reyntjens het overzicht van zijn carrière erg minimalistisch is, IX-6584-7/17 o.a. door de niet vermelding van zijn werkzaamheden op zijn toppost -een hardshippost- Moskou (1993-1998). Hij was bijvoorbeeld geslaagd, in moeilijke tijden, na een titanenwerk van maanden, de boekhouding te regulariseren, of, o.m. de Russen, onder Belgisch voorzitterschap, wegwijs te maken in het Schengenvisasysteem. Hij argumenteert dat de negatieve evaluatie van zijn activiteiten op P&O4.1 -die ook een negatieve indruk bij zijn collega’s wekt- niet gebaseerd is op een evaluatieverslag conform de geëigende procedure waardoor hij ook geen recht op verdediging genoot en verzoekt daarom om aan zijn toenmalige (augustus 2006-augustus 2007) hiërarchische oversten opdracht te geven tot de opmaak van een evaluatieverslag. In verband met zijn werkzaamheden op P&O4.
  19. vermeldt hij dat hij niet de betrekking had kunnen opnemen die hem beloofd werd, dat hij het dossier Londen verder opgevolgd had en dat hij zeer intensief gewerkt had. Hij presenteert een vergelijkende tabel Buysse-Reyntjens (aantal jaren in dienst/op post/welke posten) die volgens hem doorslaggevend zou moeten zijn bij een bevorderingsvoorstel en argumenteert dat zijn collega’s en hijzelf benadeeld zijn door de anciënniteitsprong van de heer Reyntjens die gedeeltelijk berust op gegevens die niet met beroepsprestaties te maken hebben. [...] Ten eerste herinnert het Directiecomité eraan, dat het, na het onderzoek van de prestaties van de heer Buysse over zijn gehele carrière, tot het besluit kwam dat de heer Buysse aan alle bevorderingscriteria beantwoordt. In het klassement -resultaat van alle individuele geheime stemmen van de leden van het Directiecomité- behoort de heer Buysse tot de best geklasseerde kandida- ten (5/19). Het Comité benadrukt dat het voor zich neemt, in zijn beoordeling, niet in detail alle professionele ervaringen en dienststaten van de kandidaten exhaustief op te noemen, gelet op het feit dat de leden tijdens de bespreking over de dienststaten van alle kandidaten beschikken. Bepaalde markante feiten, zowel positief als negatief, worden in de beoordeling opgenomen om de mate waarin de kandidaten beantwoorden aan de vooropgestelde criteria te staven of te illustreren. Voor wat betreft de periode op post in Moskou, heeft het Directiecomité, in zijn beoordeling van 11 juli 2008, wel rekening gehouden met de prestaties van de heer Buysse. Het heeft onder meer kennis genomen van het uitstekende evaluatieverslag van 6 januari 2006 van Ambassadeur Thierry de Gruben waarin deze zich positief uit niet alleen over de prestaties van de heer Buysse in Londen maar ook in Moskou waar de heer Buysse ook onder zijn gezag had gewerkt. De periode op P&O4 was maar een transitie van korte duur in de carrière van de heer Buysse. Het Directiecomité wil nog de aandacht vestigen op het feit dat de functie die de heer Reyntjens, zonder enige adjunct, bij de Permanente Vertegenwoor- diging bij de Europese Unie bekleed heeft, een zeer zware functie was, die zonder twijfel vergelijkbaar is met de taken van een consul in een grote post in het buitenland. Deze functie bij de PV is zelfs zo belangrijk dat ze tegenwoordig en in de toekomst door hoge ambtenaren uitgeoefend wordt. Het Comité merkt ook op dat de functie van postinspecteur geen ‘gunst’ is zoals door de heer Buysse gesuggereerd. Ten slotte herinnert het Comité ook eraan dat anciënniteit geen bevorde- ringscriterium is. Gelet op het voorafgaande, ziet het Directiecomité geen reden om zijn voorstellen of het klassement te veranderen.” IX-6584-8/17 Het directiecomité bevestigt met unanimiteit het klassement van 11 juli 2008 en stelt dienvolgens definitief voor om de drie eerst gerangschikte kandidaten te bevorderen in de vacante betrekkingen van de eerste administratieve klasse van de Kanselarijcarrière. 3.
  20. Bij koninklijk besluit van 28 juni 2009 worden Guido Grauwels, Jan Bouchet en Marc Reyntjens op 1 augustus 2008 bevorderd tot de eerste administratieve klasse van de Kanselarijcarrière. Dit is het eerste bestreden besluit. De motivering ervan steunt in essentie op het advies van het directiecomité van 11 juli
  21. Ze herneemt ook argumenten uit het advies van het directiecomité van 23 januari
  22. Het besluit overweegt voorts: “[...] dat, op basis van de vergelijking tussen alle ambtenaren van de tweede administratieve klasse van de Kanselarijcarrière die op 11 juli 2008 de statutaire voorwaarden vervulden, het Directiecomité van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelings- samenwerking van oordeel was dat drie kandidaten, te weten de heren G. Grauwels, J. Bouchet en M. Reyntjens over die bekwaamheden beschikken die het best beantwoorden aan de criteria die werden vastgesteld door het Directiecomité om over te gaan naar de eerste administratieve klasse van de Kanselarijcarrière; dat het resultaat van deze vergelijking is dat de andere kandidaten niet aan deze criteria beantwoorden op een wijze die hen zou doen uitstijgen boven deze drie kandidaten; dat deze vaststelling bevestigd werd door de resultaten van de geheime stemming;” Dit besluit wordt bij vermelding bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 11 september
  23. 3.
  24. De verzoeker onderkent in het voormelde koninklijk besluit van 28 juni 2009 de impliciete weigering om hem zelf tot de eerste administratieve klasse van de Kanselarijcarrière te bevorderen. Dit is de tweede bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid
  25. De verwerende partij werpt in haar nota een exceptie van onontvankelijkheid van de vordering op voor zover ze gericht is tegen de tweede bestreden beslissing. Zij laat gelden dat de verzoeker geen belang heeft bij de IX-6584-9/17 vernietiging van de impliciete weigering om hem te bevorderen, omdat noch uit de toepasselijke reglementering, noch uit de door de verzoeker aangevoerde middelen blijkt dat in hoofde van de overheid een rechtsplicht bestaat om de verzoeker te bevorderen. Zij wijst er voorts op dat de verzoeker geen uitzonderlijke omstandighe- den aanvoert die met zich zouden kunnen brengen dat hij wél belang heeft bij het bestrijden van de impliciete weigering om hem te bevorderen. Ook uit het dossier blijken volgens de verwerende partij geen dergelijke omstandigheden.
  26. Vermits hierna zal blijken dat niet is voldaan aan één van de grondvoorwaarden voor het bevelen van de schorsing, moet de opgeworpen exceptie in de huidige stand van de rechtspleging niet worden onderzocht. V. Onderzoek van de vordering
  27. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Enig middel Standpunt van de partijen
  28. De verzoeker voert in het middel de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het gelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. De verzoeker betoogt dat de motivering van het benoemingsbe- sluit duidelijk moet maken welke redenen de benoemende overheid ertoe hebben gebracht de benoemde kandidaten boven de andere te verkiezen. Aangezien er slechts drie vacante betrekkingen zijn voor “17” (lees: negentien) kandidaten, moet volgens hem een ernstige en zeer duidelijke vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten worden gemaakt. De overheid moet in het benoemingsbesluit IX-6584-10/17 vermelden op grond van welke objectieve, redelijke en pertinente criteria zij de voorkeur geeft aan de benoemde kandidaten, of minstens moet zij in dat besluit concrete gegevens opnemen die de teleurgestelde kandidaten in staat stellen die criteria te achterhalen. Te dezen heeft de verwerende partij dat volgens de verzoeker niet gedaan. De verzoeker wijst er voorts op dat krachtens het beginsel van de gelijke toegang tot de openbare ambten vereist is dat bij benoemingen naar keuze de geschiktheid, de aanspraken en de verdiensten van de kandidaten worden onderzocht op grond van objectieve, redelijke en pertinente criteria. Te dezen is de voordracht door het directiecomité op 11 juli 2008 gebeurd bij geheime stemming. Dit ontslaat de verwerende partij echter niet van de verplichting om de motieven van haar keuze kenbaar te maken. De verzoeker stelt dat hij volledig in het ongewisse blijft van de redenen waarom hij niet wordt voorgesteld voor bevordering en dat elk rationeel argument dienaangaande ontbreekt. Er is volgens hem ook geen onderlinge afweging gebeurd van de respectieve titels en verdiensten van de bevorderde kandidaten. Volgens de verzoeker is voorts de plicht tot zorgvuldigheid bij de feitenvinding niet gerespecteerd. Hij stelt dat hij de verwerende partij uitdrukkelijk daarop heeft gewezen door in zijn bezwaarschrift een zeer expliciete afweging te maken van zijn titels en verdiensten met deze van Marc Reyntjens. Hij heeft vijf ernstige argumenten ingeroepen waaruit blijkt dat hij direct zichtbare, grotere aanspraken op bevordering heeft dan Marc Reyntjens. De benoemende overheid heeft kennis gekregen van deze argumenten, maar heeft op generlei wijze hiermee rekening gehouden. De verzoeker stelt dat hij de notulen van het directiecomité waaruit blijkt dat zijn bezwaarschrift werd behandeld, niet heeft ontvangen. Volgens hem heeft de verwerende partij op zijn bezwaren nooit een antwoord geformuleerd, laat staan meegedeeld. De verzoeker besluit uit het voorgaande dat de verwerende partij de gelijke toegang tot het bevorderingsambt heeft geweigerd en derhalve het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel heeft geschonden. Voorts heeft de verwerende partij niet aan correcte feitenvinding gedaan, waardoor het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel werden geschonden. Ook de formele motiveringswet en het motiveringsbeginsel heeft zij miskend. IX-6584-11/17
  29. De verwerende partij antwoordt dat bij bevorderingen en benoemingen in beginsel een positieve motivering volstaat, dit wil zeggen dat de overheid moet vermelden waarom een bepaalde kandidaat wordt benoemd of bevorderd, maar niet waarom de andere kandidaten niet worden benoemd of bevorderd. Volgens de verwerende partij moet uit de formele motivering van het bevorderingsbesluit wel blijken, vooreerst, welke objectieve, redelijke en pertinente criteria werden gehanteerd, voorts, dat daadwerkelijk een vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten heeft plaatsgehad en, ten slotte, op grond van welke concrete redenen de voorkeur wordt gegeven aan de bevorderde. De verwerende partij wijst erop dat te dezen de aanspraken van de kandidaten werden onderzocht in het licht van de vijf criteria, vermeld in de notulen van het directiecomité van 11 juli 2008 en 23 januari 2009 en in het bestreden besluit. Uit de notulen van 11 juli 2008 blijkt bovendien dat de kandidaten daadwerkelijk één voor één werden besproken en vergeleken. In de notulen van 11 juli 2008 en 23 januari 2009 vermeldt het directiecomité uitdrukkelijk dat het niet nodig is in detail alle professionele ervaringen en dienststaten van de kandidaten exhaustief op te noemen, aangezien de leden over de dienststaten van alle kandidaten beschikken. Alleen markante feiten worden vermeld, om de mate waarin de kandidaten beantwoorden aan de vooropgestelde criteria te staven of te illustreren. In het bestreden besluit zelf wordt volgens de verwerende partij duidelijk en uitdrukkelijk vermeld waarom Guido Grauwels, Jan Bouchet en Marc Reyntjens worden bevorderd. Er kan derhalve geen sprake zijn van een schending van de formele motiveringsplicht. Met betrekking tot verzoekers argument dat geen rekening is gehouden met zijn bezwaarschrift, verwijst de verwerende partij naar hetgeen in de notulen van het directiecomité van 23 januari 2009 wordt vermeld als antwoord op dit bezwaarschrift. Zij stelt dat daaruit blijkt dat, na onderzoek van de aangevoerde bezwaren, door het directiecomité werd geoordeeld dat de verzoeker geen direct zichtbare, grotere aanspraken heeft op bevordering dan Marc Reyntjens, en dat om die reden het unaniem vastgestelde klassement van 11 juli 2008 werd bevestigd. IX-6584-12/17 De omstandigheid dat de notulen van de vergadering van het directiecomité van 23 januari 2009 niet onmiddellijk ter kennis van de verzoeker werden gebracht, leidt volgens de verwerende partij niet tot de onwettigheid van het bevorderingsbesluit. Zij wijst erop dat vermits de verzoeker in kennis werd gesteld van de notulen van de vergadering van het directiecomité van 11 juli 2008, hem geen informatie werd onthouden die hij nodig had om zijn bezwaarrecht nuttig te kunnen uitoefenen. Voorts laat zij gelden dat volgens de rechtspraak van de Raad van State een gebrek in de kennisgeving van de beslissing in principe de wettigheid van de beslissing niet aantast. Derhalve is volgens de verwerende partij de wettigheid van de beslissing evenmin aangetast in het geval van een gebrek in de kennisgeving van een voorafgaand advies. Beoordeling
  30. Op de overheid die onder haar personeel tot een bevordering naar keuze beoogt over te gaan, rust de verplichting om -ook al beschikt zij over een ruime appreciatiebevoegdheid- de titels en verdiensten van alle kandidaten daadwerkelijk en op grond van objectieve en pertinente criteria, die in relatie staan tot de te begeven betrekking, te onderzoeken en te vergelijken teneinde de kandidaat die in redelijkheid geacht mag worden over de grootste geschiktheid en aanspraken te beschikken, te kunnen bevorderen. Deze verplichting is onder meer gesteund op het beginsel van de gelijke toegang tot de openbare ambten, dat zelf zijn grondslag vindt in artikel 10 van de Grondwet, en op het zorgvuldigheidsbeginsel, dat de overheid ertoe noopt zich met het oog op haar besluitvorming grondig te informeren en met zorg voor te bereiden. Ingevolge de formele motiveringsplicht, vervat in de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, dient uit de overwegingen van het bevorderingsbesluit, formeel en uitdrukkelijk te blijken, vooreerst, dat de benoemende overheid effectief de titels en verdiensten van de kandidaten heeft vergeleken op grond van beschikbare, relevante informatie en met toepassing van objectieve en pertinente criteria, en, voorts, op grond van welke motieven geput uit deze vergelijking van titels en verdiensten de voorkeur wordt gegeven aan een bepaalde kandidaat. De toepassing van het voorschrift betreffende de geheime stemming doet aan die formele motiveringsplicht geen afbreuk. IX-6584-13/17 Voor benoemings- en bevorderingsbesluiten volstaat een positieve motivering. Uit het besluit zelf -of minstens uit de stukken waarnaar het besluit verwijst en waarvan de inhoud door de belanghebbenden, waaronder de teleurgestel- de kandidaten, dan gekend moet zijn- dient afdoende te blijken waarom de uiteindelijk benoemde kandidaat de voorkeur heeft gekregen. De benoemende overheid moet aldus vermelden waarom een bepaalde kandidaat wordt benoemd, maar niet waarom de andere kandidaten niet worden benoemd. De Raad van State heeft ten aanzien van de uiteindelijke keuze van de overheid slechts een marginale toetsingsbevoegdheid. De Raad kan de desbetreffende beslissing van de overheid slechts vernietigen wanneer de gegevens van de zaak en de door de verzoeker aangebrachte middelen tot de conclusie leiden dat de overheid bij het maken van haar keuze kennelijk onredelijk heeft gehandeld, doordat zij voorbij is gegaan aan de direct zichtbare, grotere aanspraken van een andere kandidaat.
  31. Te dezen blijkt uit het eerste bestreden besluit waarom de verwerende partij ervoor heeft gekozen om Guido Grauwels, Jan Bouchet en Marc Reyntjens te bevorderen tot de eerste administratieve klasse van de Kanselarijcar- rière. Het eerste bestreden besluit motiveert omstandig deze keuze. In tegenstelling tot hetgeen de verzoeker aanvoert, worden in dit besluit expliciet de criteria vermeld die door het directiecomité werden aangewend om de kandidaten te beoordelen en onderling tegen elkaar af te wegen. De titels en verdiensten van de drie genoemde kandidaten worden uiteengezet en er wordt op gewezen dat het directiecomité op basis van de vergelijking tussen alle ambtenaren van de tweede administratieve klasse van de Kanselarijcarrière die op 11 juli 2008 de statutaire voorwaarden vervulden, van oordeel was dat de drie genoemde kandidaten over de bekwaamhe- den beschikken die het best beantwoorden aan de vastgestelde criteria. Ten slotte stelt het eerste bestreden besluit dat uit de vergelijking van alle kandidaten blijkt dat de andere kandidaten niet aan deze criteria beantwoorden op een wijze die hen zou doen uitstijgen boven de drie genoemde kandidaten, wat werd bevestigd door de resultaten van de geheime stemming. Het eerste bestreden besluit lijkt aldus te voldoen aan de formele motiveringsplicht. Voorts lijkt uit het eerste bestreden besluit en de stukken van het administratief dossier te kunnen worden afgeleid dat wel degelijk een onderzoek IX-6584-14/17 heeft plaatsgevonden van de titels en verdiensten van alle voor de bevordering in aanmerking komende kandidaten op grond van een aantal criteria. Tijdens zijn vergadering van 11 juli 2008 heeft het directiecomité, voorafgaandelijk aan het onderzoek van de aanspraken van de kandidaten, de vijf criteria vastgelegd op grond waarvan dit onderzoek diende te gebeuren. Met name gaat het om de dossierkennis, de beschikbaarheid, de inzet, de prestaties sinds de benoeming in de tweede klasse, en de bekwaamheid om een consulaat te beheren en leiding te geven. Deze criteria lijken op het eerste gezicht als objectieve, redelijke en pertinente criteria te moeten worden aangemerkt. Elke kandidatuur werd vervolgens aan de hand van diezelfde criteria onderzocht en beoordeeld, wat heeft geresulteerd in een uitgebreide motivering per kandidaat in de notulen van het directiecomité. In deze motivering heeft het directiecomité ten slotte aangegeven in welke mate de verschillende kandidaten beantwoorden aan de voormelde criteria en dienvolgens in aanmerking komen voor een eventuele bevordering. Zo werd met betrekking tot de verzoeker gesteld dat hij volgens het directiecomité “beantwoordt aan de bevorderingscriteria”. Met betrekking tot Guido Grauwels daarentegen werd besloten dat hij “in de hoogste mate” aan alle criteria voor de bevordering voldoet. Ook Jan Bouchet beantwoordt “in hoge mate” aan de gestelde criteria en Marc Reyntjens wordt tot “één van de beste kandidaten” gerekend die in aanmerking komt voor de bevorde- ring. Het door het directiecomité gevoerde onderzoek op grond van de voormelde criteria lijkt aldus wel degelijk een vergelijking in te houden van de titels en verdiensten van de verschillende kandidaten. De rangschikking van de genoemde kandidaten door het directiecomité steunt op deze vergelijking en is op het eerste gezicht niet het loutere gevolg van de geheime stemming. De notulen van de vergadering van het directiecomité van 11 juli 2008 werden aan de verzoeker betekend, zodat hij de mogelijkheid heeft gehad om een bezwaar in te dienen, wat hij overigens heeft gedaan. De verzoeker kan dan ook niet worden gevolgd in zijn stelling dat hij in het ongewisse zou zijn gebleven over de redenen waarom hij niet is voorgesteld voor bevordering. Uit de voormelde notulen blijkt namelijk dat de verzoeker als vijfde kandidaat werd gerangschikt en enkel de drie eerst gerangschikte kandidaten ter bevordering werden voorgesteld, aangezien slechts drie betrekkingen vacant waren. Daarnaast zijn in de voormelde notulen ook de bevindingen van het onderzoek van zijn titels en verdiensten in functie van de vijf vooropgestelde criteria opgenomen, naast de bevindingen van het onderzoek van de titels en verdiensten van de andere kandidaten. IX-6584-15/17 Het door de verzoeker ingediende bezwaarschrift werd op 23 januari 2009 door het directiecomité behandeld. Daarbij werd ingegaan op de door de verzoeker aangevoerde argumenten. Deze waren naar het oordeel van het directiecomité echter niet van aard om een wijziging van de voorgestelde rangschikking te verantwoorden. Derhalve kan niet worden aangenomen dat geen rekening werd gehouden met verzoekers argumenten en aldus onzorgvuldig zou zijn gehandeld. Weliswaar moet met de verzoeker worden vastgesteld dat niet blijkt dat de notulen van de vergadering van het directiecomité van 23 januari 2009 aan hem zijn betekend. Evenwel dient te dezen te worden opgemerkt dat de verzoeker niet uiteenzet en aantoont op welke wijze dit gebrek aan kennisgeving het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel zou schenden, noch hoe dit zou impliceren dat niet aan correcte feitenvinding is gedaan. Hiervóór is reeds gebleken dat wel degelijk een vergelijkend onderzoek van de titels en verdiensten van de verschillende kandidaten lijkt te hebben plaatsgevonden, en dit op grond van objectieve, redelijke en pertinente beoordelingscriteria die voor iedere kandidaat dezelfde waren en die op iedere kandidaat op een objectieve en gemotiveerde wijze toegepast zijn geworden. In het eerste bestreden besluit wordt uitvoerig gemotiveerd waarom precies Guido Grauwels, Jan Bouchet en Marc Reyntjens worden bevorderd. Tevens worden in het eerste bestreden besluit, wat specifiek de bevordering van Marc Reyntjens betreft, argumenten vermeld die het directiecomité tijdens zijn vergadering van 23 januari 2009 heeft ontwikkeld als antwoord op het door de verzoeker ingediende bezwaar, zodat de verzoeker uit de lezing van het eerste bestreden besluit kon vernemen dat zijn bezwaarschrift effectief door het directiecomité behandeld is geworden en welk standpunt het bestuur dienaangaande heeft ingenomen. Ten slotte beweert de verzoeker wel dat hij kennelijk grotere aanspraken kan maken op een bevordering dan Marc Reyntjens, maar de gegevens met betrekking tot anciënniteit en beklede posten die hij te dezen in zijn bezwaar- schrift voor het directiecomité heeft aangevoerd, kunnen de Raad van State in de huidige stand van de rechtspleging niet ervan overtuigen dat de verwerende partij haar discretionaire beoordelingsbevoegdheid te buiten is gegaan wanneer zij heeft besloten dat de verzoeker geen dergelijke aanspraken aannemelijk maakt. Het enige middel is niet ernstig. IX-6584-16/17
  32. Vermits de verzoeker geen ernstig middel aanvoert, is alvast niet voldaan aan één van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen te kunnen bevelen. Deze vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 22 februari 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts Bert Thys IX-6584-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.109 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.210.635 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.