← België

Arrest 201113 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 22/02/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.113 Rolnummer: A. 194476/X-14455 Zaak: Arrest 201113 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 22/02/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-01 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-07-02 08:57 Fiche Arrest nr 201.113 van 22 februari 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 201.113 van 22 februari 2010 in de zaak A. 194.476/X-14.

  1. In zake:
  2. Frank MUHRING
  3. Véronique VANLOON bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Reiner Tijs kantoor houdend te 2000 ANTWERPEN Frankrijklei 93 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de gemeente PUURS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Wim Mertens en Marc Boes kantoor houdend te 3580 BERINGEN Scheigoorstraat 5 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  4. De vordering, ingesteld op 30 oktober 2009, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 31 augustus 2009 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Puurs waarbij aan Jan Dirks de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het verbouwen van een woning gelegen te Puurs, Kapelstraat 36, op een perceel kadastraal bekend sectie C, nr. 205/f. II. Verloop van de rechtspleging
  5. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 januari
  6. X-14.455-1/11 Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Reiner Tijs, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Joris Gebruers, die loco advocaten Wim Mertens en Marc Boes verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  7. III. Feiten 3.
  8. Op 28 mei 2009 (datum van het ontvangstbewijs) dient Jan Dirks bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Puurs een aanvraag in tot het verkrijgen van de stedenbouwkundige vergunning voor het “verbouwen (van een) woonst” gelegen te Puurs, Kapelstraat 36, op een perceel kadastraal bekend sectie C, nr. 205/f. De betrokken woning is volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 5 augustus 1976 vastgestelde gewestplan Mechelen, gelegen in woongebied met landelijk karakter. Zij is niet gelegen binnen de grenzen van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg, en maakt evenmin deel uit van een behoorlijk vergunde niet vervallen verkaveling. In de bij die aanvraag horende beschrijvende nota wordt onder meer gesteld dat “de aanvrager recent het pand heeft aangekocht en er volgende veranderingen wenst aan te brengen: bij gebrek aan ruimte op de verdieping wordt de achtergebouw opgetrokken met een plat dak tot 13,00 m lengte. Dit om twee volwaardige kamers te hebben op de verdieping ...”. Uit het bouwplan blijkt dat dit achtergebouw op het gelijkvloers een bouwdiepte heeft van 13 m en een hoogte van 3 m, en dat daarop, vertrekkend van in het dak, een uitbouw wordt voorzien met een diepte van 4 m en een hoogte van 3 m. De verzoekende partijen zijn eigenaar en bewoner van de links aanpalende woning gelegen Kapelstraat 38 te Puurs. X-14.455-2/11 3.
  9. Tijdens het openbaar onderzoek over de aanvraag dienen de verzoekende partijen een bezwaarschrift in. Dit bezwaarschrift wordt door het college van burgemeester en schepenen in zitting van 31 augustus 2009 deels weerlegd en deels tegemoet getreden door het opleggen van bepaalde voorwaarden. 3.
  10. Bij het thans bestreden besluit van eveneens 31 augustus 2009 verleent het college van burgemeester en schepenen de gevraagde stedenbouwkundige vergunning onder de erin opgelegde voorwaarden. 3.
  11. Nadat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar deze vergunning op 25 september 2009 had geschorst, beslist het college van burgemeester en schepenen op 5 oktober 2009, met een omstandige motivering het geschorste besluit te willen handhaven. Op 23 oktober 2009 beslist de Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport dat een “vernietiging van die vergunning zich niet opdringt”. IV. Onderzoek van de vordering
  12. Krachtens artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Moeilijk te herstellen ernstig nadeel Standpunt van de partijen
  13. In het verzoekschrift zetten de verzoekende partijen het moeilijk te herstellen ernstig nadeel uiteen als volgt: “VIII.1 ALGEMEEN
  14. Luidens artikel 17, §2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging van een administratieve rechtshandeling worden bevolen indien ernstige middelen aanwezig zijn én indien tevens blijkt dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden X-14.455-3/11 akte een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen aan de verzoekende partij. Hoger werd het ernstig (kennelijk gegrond) middel toegelicht. Hieronder toont verzoekende partij concreet aan dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging haar een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.
  15. De woning die verzoekende partij wenst uit te breiden bevindt zich in een omgeving met een sterk landelijk karakter. De tuin van verzoekende partijen vertoont een open gerichtheid op het omliggende landschap.
  16. Onderstaand beeld geeft een goed idee van het landelijk karakter van de omgeving. (...)
  17. De vergunning doet afbreuk aan dit landelijk karakter en doet afbreuk aan de ruimtelijke draagkracht. Het perceel wordt immers derwijze bebouwd dat er haast geen open ruimte op het perceel meer overblijft.
  18. De bebouwing is bovendien niet in overeenstemming met deze uit de omliggende omgeving wat bouwdiepte, bouwhoogte en configuratie betreft.
  19. Met deze bebouwing wordt ook afbreuk gedaan aan het licht en zicht in de tuin van verzoekende partijen. Bovendien strookt het materiaalgebruik (rode baksteen op snelbouwsteen) niet met hetgeen in de omgeving verwacht kan worden. Deze bebouwing is esthetisch niet verantwoord.
  20. De gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar merkte dan ook in zijn beslissing tot schorsing terecht op dat de aanvraag ten opzichte van de bestaande toestand niet aansluit wat betreft de schaal, bestemming, inplanting en algemeen karakter en uitzicht, bij de normale uitbouw van de plaats.’
  21. Deze elementen worden hieronder nog concreter toegelicht. VIII.2 ONVERENIGBAARHEID MET HET LANDELIJK EN OPEN KARAKTER
  22. Volgens het van kracht zijnde gewestplan (Mechelen, KB 5 augustus 1976) is het perceel gelegen in woongebied met een landelijk karakter. Dit landelijk karakter dient te worden in stand gehouden. Typisch voor landelijke gebieden is de klemtoon op de natuur en het weidse zicht. Vertogende partijen hebben mede om deze reden hun woning aan de Kapelstraat gekocht. Een van de meerwaarden van de woning van verzoekende partijen is de aangelegde tuin en het weidse zicht. Dit zicht zal voor een belangrijk deel worden ontnomen door de geplande constructie.
  23. Onderstaande foto geeft een beeld van het zicht dat verzoekende partijen vanuit hun tuin genieten. (...)
  24. De geplande constructie zou volgend effect ressorteren: (...)
  25. De aanvraag betreft het verbouwen van de woning waarbij een volume op de verdieping wordt voorzien tot op een diepte van 13 meter uit de rooilijn, en een hoogte van 6 m. Hierdoor verkrijgt de tuin van verzoekende partijen een stedelijk uitzicht welk onverenigbaar is met het landelijk karakter van de omgeving waarvan verzoekende partijen thans genieten. Dit is uiteraard een ernstige wijziging van de plaatselijke gesteldheid en veroorzaakt aldus een ernstige inbreuk op het algemene uitzicht van de plaats. Dit nadeel is ernstig en moeilijk te herstellen. VIII.3 GEEN AANSLUITING BIJ NORMALE UITBOUW VAN DE PLAATS
  26. De onmiddellijke omgeving wordt gekenmerkt door kleinschalige bebouwing met een beperkt volume.
  27. De uitbouw past wat betreft de schaal, bestemming, inplanting en algemeen karakter en uitzicht, niet bij de normale uitbouw van de plaats. Er wordt een enorme wachtgevel bij gecreëerd aan de zijde van de alleenstaande X-14.455-4/11 woning van verzoekende partijen. Het perceel wordt bijna volledig volgebouwd. Daardoor krijgt ook de tuin van verzoekende partijen een ingesloten karakter, waar thans een volledig open karakter heerst. Dit nadeel is ernstig en moeilijk te herstellen. VIII.4 ESTHETISCH
  28. Het esthetisch aspect speelt in zake ruimtelijke ordening een belangrijke ro1: ‘Overwegende dat artikel 1, tweede lid, van de wet van 29 maart 1962 bepaalt dat de ruimtelijke ordening wordt ontworpen zowel uit economisch, sociaal en esthetisch oogpunt als met het doel ’s lands natuurschoon ongeschonden te bewaren; dat, daargelaten de vraag in hoeverre die bepaling niet enkel bij het opmaken van plannen van aanleg, maar ook bij het onderzoek van vergunningsaanvragen in acht genomen moet worden, het in gebieden waarvoor er, zoals te dezen, geen bijzonder plan van aanleg of verkavelingsvergunning is, in elk geval de taak is van de vergunningsverkavelende overheid om geval per geval te onderzoeken of de bouwaanvraag beantwoordt aan de eisen van een goede plaatselijke ordening en zij daarbij de aanvraag o.m. vanuit esthetisch oogpunt dient te beoordelen;’
  29. De esthetiek heeft een belangrijke impact op de belevingswaarde van verzoekende partijen. De esthetiek van de plaats wordt ernstig aangetast.
  30. Het college van burgemeesters en schepenen heeft de achterbouw toegestaan op voorwaarde dat deze zou worden opgetrokken uit roodbruine baksteen. De muur welke als basis zou dienen (waarvan het nog maar de vraag is of deze voldoende stabiel is), werd evenwel opgetrokken uit grijze industriestenen. Bezwaarindienende partijen zullen met andere woorden uitzicht hebben op een muur die deels uit grijze snelbouwsteen bestaat en gedeeltelijk uit rode baksteen. Dit is uiteraard een esthetisch wangedrocht.
  31. Er is aldus geen enkele uniformiteit. Visueel-vormelijk is dit onaanvaardbaar.
  32. Verzoekende partijen hebben steeds veel zorg besteed aan de aanleg van hun tuin. Onderstaande foto toont zowel het aangelegde karakter van de tuin als het weidse zicht dat zij genieten. (...)
  33. Deze tuin past mooi in de landelijke omgeving waarin beroepende partijen wonen en waarin zeer veel aandacht wordt besteed aan de omgeving en de natuur. De vergunde constructie zou ervoor zorgen dat een blinde muur, bestaande uit twee verschillende materialen, de esthetiek van de aangelegde tuin volledig teniet zal doen.
  34. Niet alleen wordt het zicht/licht door de muur ontnomen, bovendien is de constructie (rode baksteen op grijze snelbouwsteen) op esthetisch vlak niet aanvaardbaar.
  35. Het nadeel is ernstig en moeilijk te herstellen. VIII.5 ZONLICHT
  36. De vergunde constructie is 6 meter hoog en ontneemt daardoor aan de verzoekende partijen volledig het zonlicht op hun terras (de muur neemt op de zuid-west kant de zon volledig weg). De met zorg aangelegde tuin wordt door de muur in een schaduwtuin herschapen. Onderstaande foto spreekt voor zich: (...)
  37. Het nadeel is ernstig en moeilijk te herstellen. VIII.6 TOT SLOT
  38. Bij het erkennen van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel beschikt uw Raad ongetwijfeld over een grote beoordelingsmarge, waarbij het toekennen van een schorsing mede gebaseerd zal zijn op voorgebrachte nadelen en de geloofwaardigheid hiervan, doch ook op de ernst van de onwettigheid waarvan verzoekende partij het slachtoffer is. In casu wordt alleszins geen oneigenlijk X-14.455-5/11 gebruik gemaakt van de schorsingsprocedure en kan op basis van een eenvoudige analyse van de feiten eenduidig vastgesteld worden dat verzoekende partijen slachtoffer zijn van een kennelijke onwettigheid waarvan het ondergaan een moeilijk te herstellen ernstig nadeel oplevert. 67.Al deze elementen op zich, maar zeker in hun samenhang genomen, geven duidelijk aan dat verzoekende partij door de bestreden beslissingen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel leidt. Er bestaat aanleiding tot schorsing van de bestreden beslissing”.
  39. In haar nota met opmerkingen antwoordt de verwerende partij wat volgt: “Voorafgaande opmerking Op basis van de inhoud van het verzoekschrift en de bijgebrachte stukken tonen verzoekende partijen geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel aan dat zou veroorzaakt worden door de tenuitvoerlegging van de alhier bestreden beslissing. Verwerende partij benadrukt dat het voorwerp van de alhier bestreden beslissing gaat over de uitbreiding van een woning. Die uitbreiding bedraagt volgens Model I Statistiek van de bouwvergunningen (...) 30,37 m² en 91,11 m³. Van belang is echter dat er tussen het perceel van verzoekende partijen en het perceel, voorwerp van de alhier bestreden vergunning, reeds een 3 meter hoge grijze betonstenen muur is. Daardoor zien verzoekende partijen niets van de uitbreiding op de gelijkvloerse verdieping vermits die achter en onder die bestaande muur gesitueerd is. Uiteindelijk zal de zichtbare uitbreiding een oppervlakte hebben van 4m op 2,5 m of 10 m² met een volume van 25 m³ (zie vergund plan: ‘verdiep’) Over deze beperkte uitbreiding zal uw Raad moeten oordelen of ze een moeilijk te herstellen ernstig nadeel veroorzaakt. IV.
  40. Landelijk en open karakter ? * Verzoekende partijen menen dat door de afgeleverde vergunning het zicht van de verzoekende partijen voor een belangrijk deel zal worden ontnomen door de geplande constructie. Tevens stellen verzoekende partijen dat een woongebied met landelijk karakter typisch gekenmerkt is door het weidse zicht op de natuur. * In eerste instantie blijkt uit de foto’s die verzoekende partijen zelf hebben bijgebracht samen met hun bezwaar dat zij geen enkel weids zicht hebben op de natuur hebben gelet op de aanwezige dichte en hoge beplanting en begroeiing in hun eigen tuin.(...) Op de foto’s die verzoekende partijen zelf bij hun bezwaarschrift hebben gevoegd is het huidige zicht terug te vinden. De foto’s die het College van Burgemeester en Schepenen van Puurs gevoegd heeft bij haar handhavingsbesluit van 05.10.2009 geven ook een zeer duidelijk zicht op de omgeving en op de woning van verzoekende partijen die een achterbouw hebben die even diep is ingeplant dan het voorwerp van de aanvraag. Verder dient benadrukt te worden dat door de tenuitvoerlegging van de alhier bestreden vergunning aan het zicht op die tuin helemaal geen afbreuk wordt gedaan. Tussen het perceel van verzoekende partijen en het voorwerp van de aanvraag staat een scheidingsmuur die opgetrokken is uit grijze gasbetonblokken met een hoogte van 3 meter. Dit is een bestaande toestand die helemaal niets te maken heeft met de alhier bestreden vergunning. X-14.455-6/11 In hun bezwaar naar aanleiding van het onderzoek de commodo ad incommodo hadden verzoekende partijen reeds kritiek op het esthetisch aspect van de bestaande scheidingsmuur, doch dit is in het vraagstuk van de beoordeling van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet terzake vermits er geen enkel oorzakelijk verband is tussen het beweerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel en de alhier bestreden vergunning wat betreft die bestaande muur. Het beweerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel moet enkel en alleen beoordeeld worden voor wat betreft het voorwerp van de aanvraag en niet voor wat betreft de constructie in zijn geheel. Er stond reeds een woning; er was reeds een scheidingsmuur van 3 meter aanwezig. Nu zal er, ingevolge de tenuitvoerlegging van de stedenbouwkundige vergunning aan de uiterste westkant een extra zichtbaar volume bijkomen van 2,5 meter hoogte zodanig dat de totale hoogte 6 meter bereikt. De verzoekende partijen doen het uitschijnen alsof die extra hoogte zal gebouwd worden over een diepte van 13 meter. Dit is niet zo. Aan het bestaande pand wordt enkel een stuk verdieping bijgebouwd met een extra diepte van 4 meter. Dit is duidelijk te zien op het vergunde plan ‘verdiep’. In wezen gaat het dus om een bijkomende constructie met een diepte van 4 meter, een breedte van 2,50 meter en een hoogte van 2,50 meter afgewerkt met plat dak. Dit is dus een zeer beperkte uitbreiding. Het beweerde weidse zicht - dat er niet is - zal niet ontnomen worden door de geplande constructie. (...) De door verzoekende partijen in het verzoekschrift aangebrachte arceringen op de foto’s zijn misleidend en geven een vertekend beeld (...). Op basis van de foto’s die bij het dossier gevoegd worden en het kadastraal plan (...) blijkt duidelijk dat de omgeving niet ongeschonden is en er heel wat constructies staan op een vrij grote minstens vergelijkbare bouwdiepte. De plaatselijke gesteldheid wordt door het voorwerp van de alhier bestreden vergunning niet ernstig gewijzigd. Alleszins is het hier geen ernstig nadeel dat wordt veroorzaakt. IV.
  41. Geen aansluiting bij een normale uitbouw van de plaats. * Verzoekende partijen beweren dat de onmiddellijke omgeving wordt gekenmerkt door kleinschalige bebouwing met een beperkt volume. * In eerste instantie wenst verwerende partij te benadrukken dat verzoekende partijen zelf een veel grotere bebouwing op hun perceel hebben dan die bebouwing die nu zal gerealiseerd worden door de alhier bestreden vergunning. Die uitbouw is zeker verenigbaar met de bebouwing die verzoekende partijen hebben. Tussen het voorwerp van de alhier bestreden vergunning en de zijgevel van verzoekende partijen is een zeer grote open ruimte aanwezig wat blijkt uit de foto’s die gevoegd zijn bij stuk
  42. De tuin van verzoekende partijen krijgt geen ingesloten karakter door de realisatie van de alhier bestreden vergunning gelet op het feit dat er reeds een zeer hoge beplanting en begroeiing aanwezig is. Men kan helemaal niet spreken van een volledig open karakter van de thans bestaande tuin van verzoekende partijen. Verzoekende partijen verzwijgen dat zij een zeer grote garage met grote bouwdiepte op hun perceel hebben zoals blijkt uit de foto’s gevoegd bij stuk
  43. Het beweerde ‘geen aansluiting bij de normale uitbouw van de plaats’ is geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel. IV.
  44. Esthetisch. Zoals verzoekende partijen zelf in hun bezwaar hebben gesteld (...) is de huidige bestaande grijze muur mogelijk gemeenschappelijk. X-14.455-7/11 Dit betekent dat wanneer verzoekende partijen over het esthetisch karakter van die bestaande muur opmerkingen hebben, zij daar zelf ook kunnen aan doen. Alleszins staat de bestaande muur niet in oorzakelijk verband met het beweerde nadeel. In de alhier bestreden vergunning heeft het College van Burgemeester en Schepenen van Puurs terecht geoordeeld dat de nieuw op te trekken muur moet uitgevoerd worden in roodbruine gevelsteen zoals de hele bestaande woning aangezien die nieuw op te trekken muur tot tegen de perceelsgrens komt en het dus een steeds zichtbare muur zal blijven en er waarschijnlijk nooit tegenaan gebouwd zal worden. Het beweerde esthetische nadeel is geen ernstig nadeel en wordt niet alleen veroorzaakt door de uitvoering van de alhier bestreden vergunning. Voor zover er al een nadeel zou zijn, quod non, wordt dit veeleer veroorzaakt door de bestaande muur en niet door het voorwerp van de alhier bestreden vergunning. IV.
  45. Zonlicht. De oprichting van de muur van de uitbreiding komt niet op de zuidwest kant t.a.v. verzoekende partijen maar op de westkant zodanig zelfs dat enkel en alleen de zeer late avondzon zou kunnen verminderd worden voor verzoekende partijen. De foto die verzoekende partijen hebben opgenomen op blz. 17 van hun verzoekschrift toont duidelijk de hoogtes aan van de nok van de woning nr 36 en de nok van de woning nr 34 die nog hoger is. Op het stuk 18 dat door verwerende partij wordt bijgebracht, is door de stedenbouwkundig ambtenaar van de gemeente Puurs aangeduid hoe hoog de nieuwe achterbouw zal komen indien het vergunde plan wordt uitgevoerd. Die hoogte is dus duidelijk lager dan de reeds bestaande nokhoogtes van de twee naast verzoekende partijen liggende woningen en ook veel lager dan de nokhoogte van verzoekende partijen zelf Ook de foto die verzoekende partijen op blz. 18 van hun verzoekschrift hebben opgenomen is zeer misleidend. Die foto toont een arcering aan die vertrekt bij de nok van de te verbouwen woning nr
  46. Dit is manifest misleidend. Ook de arcering op de foto pag. 15 van het verzoekschrift is zeer misleidend vermits deze arcering start op een hoogte van ongeveer iets meer dan 8 meter terwijl dit in werkelijkheid slechts 6 meter zou mogen bedragen. Er kan dus geen sprake zijn van een ernstig nadeel door vermindering van zonlicht. Het standpunt van verzoekende partijen dat door de tenuitvoerlegging van de alhier bestreden vergunning hun aangelegde tuin ‘een schaduwtuin’ wordt is manifest onjuist en kan zeker niet veroorzaakt worden door de tenuitvoerlegging van de alhier bestreden beslissing. Er is dus helemaal geen sprake zijn van een ernstig nadeel ingevolge de zichtbare uitbreiding van 10 m² en 25 m³. Conclusie: Er is geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Verzoekende partijen brengen onvoldoende gegevens bij om een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ingevolge de tenuitvoerlegging van de alhier bestreden beslissing aan te tonen”. Beoordeling
  47. Luidens artikel 17, § 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State dient de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de X-14.455-8/11 feiten te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen. Artikel 8, eerste lid, 3/ van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, bepaalt dat het enig verzoekschrift dient te bevatten “een uiteenzetting van de feiten die van aard zijn aan te tonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte de verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, waarbij alle stukken worden gevoegd die het risico op dergelijk nadeel aantonen”. Uit deze bepaling volgt dat de verzoekende partijen in hun verzoekschrift duidelijk en concreet dienen aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaan of dreigen te ondergaan, en dat met nadien bijgebrachte feiten en verklaringen en niet bij het verzoekschrift gevoegde stukken geen rekening kan worden gehouden. De verzoekende partijen mogen zich in hun uiteenzetting niet beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar dienen integendeel zeer concrete en precieze gegevens aan te brengen waaruit blijkt dat zij persoonlijk een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ondergaan of dreigen te ondergaan.
  48. De verzoekende partijen houden in de eerste plaats voor dat de bestreden beslissing niet alleen “afbreuk doet aan het landelijk en open karakter”, doch ook “aan het licht en zicht in (hun) tuin” en dat “deze bebouwing esthetisch niet verantwoord is”. De verwerende partij werpt terecht op dat “uit de foto’s die verzoekende partijen zelf hebben bijgebracht samen met hun bezwaar blijkt dat zij geen enkel weids zicht hebben op de natuur gelet op de aanwezige dichte en hoge beplanting in hun eigen tuin”.
  49. Gelet op de bestaande drie meter hoge scheidingsmuur en op de daarvóór door de verzoekende partijen aangeplante leibomen, welke hoger reiken dan die scheidingsmuur, zal het zicht van de verzoekende partijen op de geplande uitbreiding beduidend beperkter zijn dan hetgeen zij, zoals terecht aangevoerd door de verwerende partij, doen uitschijnen op de simulatietekening die zij op de in hun verzoekschrift bijgebrachte foto’s hebben aangebracht.
  50. Wat betreft de ontstentenis van een “aansluiting bij (de) normale uitbouw van de plaats”, waardoor volgens de verzoekende partijen hun “tuin een ingesloten karakter krijgt, waar thans een volledig open karakter heerst”, dient te X-14.455-9/11 worden vastgesteld dat de impact van die uitbouw, gelet op de omvang ervan zoals deze blijkt uit het inplantingsplan, beperkt is, zodat niet aannemelijk is dat dit gegeven een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel kan uitmaken.
  51. Voorts blijkt uit de voorwaarden opgelegd in het bestreden besluit en uit de goedgekeurde plannen dat de reeds bestaande muur over een diepte van 4 m met 3 m wordt verhoogd, en dat deze uitbreiding moet worden uitgevoerd in rood-bruine gevelsteen. Tevens blijkt dat de reeds bestaande muur en een deel van de uitbreiding aan het zicht van de verzoekende partijen wordt onttrokken door aanplantingen en leibomen. Er kan in de gegeven omstandigheden dan ook niet worden aangenomen dat het “uitzicht” op deze uitbreiding als een ernstig nadeel kan worden aangemerkt.
  52. Ten slotte dient te worden vastgesteld dat de betrokken uitbreiding zich volgens de aanduiding op de plannen aan de zuid-west kant van de tuin van de verzoekende partijen bevindt. Er kan dan ook niet worden ingezien dat ingevolge het gedeelte van de uitbreiding dat boven de scheidingsmuur én de door de verzoekende partijen aangeplante leibomen zal uitkomen, “de met zorg aangelegde tuin ... in een schaduwtuin (zal worden) herschapen”.
  53. Er dient dan ook te worden vastgesteld dat de uiteenzetting van de verzoekende partijen geen concrete en precieze gegevens bevat die aannemelijk maken dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen in de zin van artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat niet is voldaan aan een van de door artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING
  54. De Raad van State verwerpt de vordering. X-14.455-10/11 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tweeëntwintig februari 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Bovin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Astrid Truyens, griffier. De griffier De voorzitter Astrid Truyens. Johan Bovin. X-14.455-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.113 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.213.292 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.