id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.133 Rolnummer: A. 179611/IX-5516 Zaak: Arrest 201133 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 22/02/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-03 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-07-02 08:57 Fiche Arrest nr 201.133 van 22 februari 2010 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 201.133 van 22 februari 2010 in de zaak A. 179.611/IX-5516 In zake : Gerda POPLEU bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Vincent De Wolf kantoor houdend te Brussel Guldenvlieslaan 68/9 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stefaan Verbouwe kantoor houdend te Brussel Tervurenlaan 270 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 19 december 2006, strekt tot de nietigverklaring van: - het koninklijk besluit van 1 september 2006 waarbij Nicolas Nennen, met ingang van 10 januari 2005 bevorderd wordt door verhoging in weddeschaal (lees: verhoging in graad) tot de graad van adviseur 13 A bij de Centrale Diensten van de FOD Justitie, dienst Juridische Zaken; - de beslissing van het directiecomité van de FOD Justitie om de kandidatuur van Gerda Popleu voor de voormelde betrekking niet voor te dragen. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Joke Goris heeft een verslag opgesteld. IX-5516-1/28 De verzoekster heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 februari 2010. Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht. Advocaat Benoît Snoeks, die loco advocaat Vincent De Wolf verschijnt voor de verzoekster, en advocaat Stefaan Verbouwe, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op het ogenblik van de bestreden beslissingen is de verzoekster attaché bij de dienst Gerechtskosten van het Directoraat-generaal Rechterlijke Organisatie binnen de FOD Justitie. 3.2. Met een dienstorder van 29 november 2004 wordt bekendgemaakt dat er 12 verschillende betrekkingen van adviseur rang 13 A vacant zijn, alle te begeven bij het Centraal Bestuur van de FOD Justitie, door bevordering door verhoging in graad. De voormelde dienstorder bevat als bijlage de profielbeschrijving van de vacante betrekkingen. Het competentieprofiel van de functie van adviseur- diensthoofd van de dienst Juridische Zaken luidt als volgt: IX-5516-2/28 “Competentieprofiel Functiespecifieke competenties - organiseren, leiden - sturen - coachen en ontwikkelen van individu’s en het team - grondige kennis van diverse juridische disciplines - de informatie- en documentatiebronnen integreren binnen het kader van de opdrachten - netwerken uitbouwen - doelstellingen definiëren, opvolgen en behalen - overtuigen generieke competenties - verantwoordelijkheidszin en initiatief nemen - zin hebben voor vervolmaking en aanpassing - autonoom beslissingen kunnen nemen - geschiktheid tot communicatie : vlot kunnen communiceren bij contacten met een uiteenlopend publiek: burgers, Kabinet, DG, advocaten, Parket, ... - loyauteit en integriteit - resultaatsgericht - stressbestendig - in teamverband kunnen werken” 3.3. De verzoekster stelt zich onder meer kandidaat voor de functie van adviseur-diensthoofd van de dienst Juridische Zaken. Naast de verzoekster zijn er nog 9 andere kandidaten voor diezelfde betrekking. 3.4. In zijn vergadering van 23 maart 2005 behandelt het directie- comité van de FOD Justitie de bevorderingen door verhoging in graad tot de betrekkingen van adviseur - 13 A in het Centraal Bestuur. Alvorens de 10 ingediende kandidaturen voor de betrekking van adviseur-diensthoofd van de dienst Juridische Zaken te bespreken, bepaalt het directiecomité op grond van de functiebeschrijving de evaluatiecriteria en hun weging. Deze luiden als volgt: “Criterium 1: organiseren, leiden Criterium 2: grondige kennis van diverse juridische disciplines Criterium 3: netwerken uitbouwen Criterium 4: overtuigen Criterium 5: kennis van de tweede taal Criterium 6: communicatief zijn Criterium 7: kunnen werken in teamverband” IX-5516-3/28 Vervolgens bespreekt het directiecomité de verschillende kandidaturen voor de betrekking van adviseur-diensthoofd van de dienst Juridische Zaken. De kandidatuur van de verzoekster wordt beoordeeld als volgt: “Mevrouw Gerda Popleu Leeftijd: 47 jaar. Diploma: licentiaat in de rechten. Mevrouw Popleu is in dienst getreden als stagedoend opsteller op 16 november 1979 bij de Dienst Vreemdelingenzaken. Op 1 januari 1985 werd zij bevorderd door overgang naar het hoger niveau tot de graad van bestuurssecretaris bij het bestuur Algemene Diensten (verzending, dienst Justel). Vanaf 1998 was zij werkzaam als jurist bij de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer. Sinds 2004 is mevrouw Popleu als attaché verbonden aan de dienst Gerechtskosten van het directoraat-generaal Rechterlijke Organisatie waar zij voldoende kennis heeft verworven over de werking en de regels die in de dienst worden toegepast. Tijdens het zwangerschapsverlof van mevrouw Gillot was zij belast met de juridische aangelegenheden verbonden met de gerechtskosten. Zij ziet niet altijd de gevolgen op lange termijn in. Mevrouw Popleu ondervindt relationele problemen met haar collega's. Haar werkwijze kan als opdringerig en soms overweldigend worden omschreven. Wanneer haar collega's aanwezig zijn, is zij opdringerig en wendt zij zich tot hen voor heel wat vragen, wat als ongepast wordt ervaren en de werking van de dienst kan verstoren. Mevrouw Popleu heeft blijk gegeven van onbezonnenheid in een mogelijk kies dossier door onvoldoende discreet te zijn over de inhoud van het dossier en de bedoelingen van het bestuur, wat een incident heeft veroorzaakt met het kabinet van de minister en een externe partner van het bestuur. Bij haar kandidatuurstelling laat mevrouw Popleu een ervaring gelden met minderjarige vreemdelingen toen ze op de Dienst Vreemdelingenzaken werkte. Bij de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer had ze ook dit dossier in behandeling. Voor de betrekking van hoofd van de juridische dienst laat de kandidaat haar ervaring als klachtenbehandelaar bij de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer gelden. Haar bestaande technische competenties en ervaring voor die 2 vacante plaatsen wegen niet op tegen de minpunten die hiervoor zijn aangehaald. Deze minpunten werden ook deels verwoord in de directieraad van 3.10.2001 en van 21.2.2002. Mevrouw Popleu kreeg intussen de kans autonoom te werken, maar ze kon ook niet volledig overtuigen dat zij een hogere functie aankan. De kandidaat beschikt over kwaliteiten van jurist wat analyse en redactie betreft. Zij lijkt meer geschikt om ‘alleen’ te werken. Wanneer relaties met collega's in stand moeten worden gehouden, veroorzaakt haar karakter veeleer conflicten dan een harmonieuze arbeidsrelatie. De kandidaat beschikt thans niet over de kwaliteiten om een dienst te leiden zoals vermeld in de functiebeschrijving.” IX-5516-4/28 Na de bespreking van de diverse kandidaturen gaat het directiecomité over tot de vergelijking van de kandidaten: “Vergelijking en aanwijzing van de kandidaten De leden van het Directiecomité vergelijken de kwalificaties en verdiensten van alle kandidaten en beschouwen deze in het kader van de te begeven betrekking. De kandidatuur van de heer Ide is aanzienlijk beter gemotiveerd dan die van de heer Nennen en de heer Van Outrive, mevrouw Hamer en mevrouw Popleu. Mevrouw Van Oost en mevrouw Eeckhoudt en de heer Vanhoutte verschaffen weinig specifieke gegevens ter ondersteuning van hun kandidatuur. Mevrouw Eeckhoudt en de heer Vanhoutte zijn beiden kandidaat voor alle vacant verklaarde functies. Mevrouw Eeckhoudt geeft evenwel de voorkeur aan deze betrekking. Zij verwijst hierbij naar haar huidige functies als hoofd van de juridische dienst van een vakbond, welke functie gelijkenis vertoont met het profiel van hoofd van de dienst Juridische Zaken. De heer Nennen geeft blijk van duidelijke en bewezen kwaliteiten inzake de organisatie en de leiding van een dienst. De bekwaamheden van de kandidaat op dit vlak worden inzonderheid bewezen in het kader van de voorlopige leiding van de dienst sedert het vertrek van zijn leidinggevend ambtenaar. De heer Van Outrive treedt in- feite reeds op als hoofd van dienst in zijn huidig directoraat-generaal en bewijst, bij de uitoefening van deze functie, dat hij de vereiste bekwaamheden bezit inzake organisatie en leiding. Mevrouw Hamer heeft kennelijk de bekwaamheid vereist voor de organisatie en de leiding van een team en treedt in het kader van haar huidige functies bij de Dienst voor het Strafrechtelijk Beleid overigens op als coach. De heer Ide zou zijn houding moeten aanpassen ingeval hem verantwoordelijkheid zou worden toevertrouwd die organisatie en de leiding over personen zou onderstellen. De beroepsloopbaan van de heer Lefebvre heeft hem tot dusver niet de mogelijkheid geboden te bewijzen dat hij bekwaam is een team medewerkers te organiseren en te leiden. Het profiel van de kandidaat omschrijft hem veeleer als een deskundige. Mevrouw Eeckhoudt was tijdens haar aanstelling bij de dienst Erediensten belast met de begeleiding van het personeel alvorens te worden gedetacheerd naar een vakbond waar zij, volgens haar kandidatuur, de leiding heeft over de juridische dienst. De heer Vanhoutte heeft de leiding over een klein team medewerkers wiens werk hij organiseert. Mevrouw Popleu heeft enkele medewerkers begeleid toen zij belast was met de dienst Algemene Zaken. Het profiel van de kandidaat past evenwel veeleer voor individueel werk dan voor de organisatie en de leiding van een team medewerkers. Mevrouw Van Oost is vlot in de omgang en besteedt veel aandacht aan haar collega's, zowel op professioneel als op menselijk vlak. De kwaliteit van de menselijke relaties van deze kandidaat wint het evenwel van de vereisten die nodig zijn om een team te leiden. De heer Nennen heeft zijn juridische kennis op verschillende vlakken kunnen uitbouwen, inzonderheid bij de juridische dienst van de Franse Gemeenschap, alsook bij de dienst Juridische zaken en geschillen, waar hij sedert 1996 dossiers over geschillen inzake zeer uiteenlopende aangelegenheden behandelt. Mevrouw Hamer heeft haar juridische kennis kunnen uitbouwen en verdiepen in het kader van de verschillende functies die zij sedert 1979 heeft bekleed bij het departement. De heer Ide is een polyvalent IX-5516-5/28 jurist die een goede juridische ervaring kan doen gelden. De heer Van Outrive is erkend voor zijn juridische deskundigheid, inzonderheid inzake handelsrecht waarin hij een referentiepunt is geworden. De heer Lefebvre is een uitstekend jurist die lange ervaring heeft kunnen verwerven inzake strafrecht bij het bestuur Strafinrichtingen waar hij sedert 1989 werkt. De huidige opdrachten van mevrouw Eeckhoudt als hoofd van de juridische dienst van een vakbond moeten haar de mogelijkheid bieden de vereisten inzake uitgebreide juridische kennis te vervullen. Mevrouw Van Oost kan een brede juridische ervaring aanvoeren, onder meer bij de dienst Juridische Zaken van het bestuur Strafinrichtingen. Mevrouw Popleu verwijst naar juridische ervaring verworven bij de behandeling van klachtendossiers bij Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer. De heer Vanhoutte hecht meer belang aan oplossingen die de mogelijkheid bieden dossiers vlug af te sluiten dan aan juridische analyse voor het nemen van beslissingen. Alle kandidaten hebben de vereiste bekwaamheden om netwerken te organiseren en uit te bouwen met betrekking tot diverse referentiecentra die de besluitvorming kunnen vergemakkelijken. Van deze bekwaamheid geven vooral de heer Nennen, die een echt netwerk van referentiepersonen heeft uitgebouwd, zowel op intern vlak als bij externe juridische instanties, alsook mevrouw Hamer, die dit systeem aanwendt bij de Dienst voor het Strafrechtelijk Beleid, blijk. De heer Ide en mevrouw Popleu drukken zich zeer vlot uit in het Frans en hebben een brevet van kennis van de tweede taal afgegeven door Selor. De heren Van Outrive, Vanhoutte en Nennen hebben een zeer goede kennis van de tweede taal, die laatstgenoemde nog heeft geperfectioneerd via opleidingen bij OFO. Mevrouw Van Oost spreekt moeiteloos Frans. Mevrouw Hamer en de heer Lefebvre hebben een passieve kennis van de tweede taal. De kandidatuur van mevrouw Eeckhoudt verstrekt geen bijzonderheden over haar eventuele kennis van het Nederlands. Mevrouw Hamer onderscheidt zich door haar vlotte communicatie, zowel mondeling als schriftelijk. Mevrouw Eeckhoudt was vlot in het kader van het contact met haar gesprekspartners bij de dienst Erediensten. De heren Van Outrive en Vanhoutte hebben de vereiste bekwaamheden inzake communicatie en relaties met andere personen. Mevrouw Van Oost kan luisteren naar anderen, zowel op professioneel als op menselijk vlak en heeft geen problemen bij communicatie met collega's. De heer Ide is veeleer doeltreffend in individueel werk; zijn gedrag en zijn uitgesproken standpunten kunnen leiden tot moeilijkheden en integratieproblemen in een groep. De heer Lefebvre is een waardevol persoon die zich makkelijk kan integreren in een sociale groep, maar minder makkelijk schijnt te communiceren in een team. Mevrouw Popleu zou de goede werking van een dienst kunnen verstoren door haar opdringerig gedrag ten aanzien van haar collega's. De dames Eeckhoudt, Hamer en Van Oost en de heren Nennen, Van Outrive en Vanhoutte bezitten de nodige menselijke kwaliteiten en ervaring om harmonieus te kunnen functioneren binnen een team, bekwaamheden die in mindere mate aanwezig zijn bij de heren Ide en Lefebvre en bij mevrouw Popleu.” IX-5516-6/28 Vervolgens gaan de leden van het directiecomité over tot de aanwijzing bij geheime stemming van de kandidaten die zullen worden voorge- dragen. Het resultaat van deze stemming is als volgt: “Resultaat van de stemming (in alfabetische volgorde): Voorgedragen kandidaten: - Eeckhoudt Raymonde - Hamer Isabelle - Ide Filip - Lefebvre Francis - Nennen Nicolas - Van Oost Josiane - Van Outrive Alain Niet-voorgedragen kandidaten: - Popleu Gerda - Vanhoutte Eric Kandidaat die niet over de vereiste anciënniteit beschikt: - Anthony Christiaens” Aldus besluit het directiecomité om voor de betrekking van adviseur-diensthoofd van de dienst Juridische Zaken, zeven kandidaten voor te dragen en om de verzoekster - evenals een andere kandidaat - niet voor te dragen. Alvorens tot de rangschikking over te gaan van de zeven kandidaten die ten gevolge van de voormelde stemming worden voorgedragen, vergelijkt het directiecomité nogmaals de kwalificaties en verdiensten van de betrokken zeven kandidaten. Daarop volgt een geheime stemming om de rangschikking van de voorgestelde kandidaten te bepalen. De kandidatuur van de heer Nennen wordt hierbij als eerste gerangschikt. 3.5. Door middel van een nota van 10 november 2005 worden de voordrachten voor bevordering door verhoging in graad meegedeeld aan de verzoekster. Hierbij krijgt zij kennis van de notulen van het directiecomité van 23 maart 2005 met betrekking tot die vacatures waarvoor zij zich kandidaat heeft gesteld. 3.6. Bij aangetekend schrijven van 24 november 2005 dient de verzoekster bezwaar in tegen de voormelde voordrachten voor bevordering door IX-5516-7/28 verhoging in graad, waarbij zij in een begeleidend schrijven vraagt om te worden gehoord: “Bezwaarschrift tegen het voorstel voor de betrekking van adviseur bij de dienst Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen Bezwaarschrift tegen het voorstel voor de betrekking van adviseur bij de Dienst Juridische Zaken Hierbij vindt u de motivering om bezwaar in te dienen tegen de voorstellen voor voorgaande betrekkingen. Deze motivering geldt voor beide betrekkingen gezien de motivatie om mij niet te weerhouden voor de betrekking van adviseur bij de Dienst Juridische Zaken gebaseerd is op de motivatie weer te vinden in deze van de betrekking van adviseur bij de dienst Voogdij. Uit de notulen dd. 23 maart 2005 blijkt dat:
- a)ik, tijdens de zwangerschap van Mevr. Gillot, belast was met de juridische aangelegenheden verbonden met de gerechtskosten, maar dat ik niet altijd de gevolgen op lange termijn inzie. Antwoord: Mevr. Gillot was op zwangerschapsverlof sedert begin maart 2004 tot en met half augustus 2004. In de twee maanden voorafgaand aan haar zwangerschapsverlof hebben we enkel maar 4 weken samengewerkt omwille van 2 weken ziekteverlof van ondergetekende en ziekteverlof en jaarlijks verlof van Mevr. Gillot. Het is onmogelijk om op 4 weken tijd dergelijk moeilijke dienst over te nemen in de indertijd bestaande omstandigheden (tekort aan budgetten waardoor deskundigen niet konden uitbetaald worden). Indien men met Mevr. Gillot contact wenste tijdens haar afwezigheid, diende dit contact te verlopen via een bureauchef. Hoe kan men juridische dossiers bespreken via een bureauchef die wel een grote ervaring in het dagelijks werk heeft, maar niet op het juridisch vlak? Tijdens haar zwangerschap heb ik me vooral geconcentreerd op een aantal grote dossiers waarvoor ik het personeel niet nodig had, zoals o.a.: - de erkenning van de DNA-labo's; dit dossier heeft de volledige maand mei 2004 in beslag genomen. Het kabinet wenste dat de wettelijke bepalingen werden nageleefd en dat deze erkenningen - via KB - gepubliceerd diende te zijn tegen einde mei. De bevoegde dienst bij het D-G Wetgeving beschikte niet over de nodige tijd om alles binnen deze maand te verwerken, en er werd indertijd beslist om de taken te delen. Al het voorbereidende werk zou door een jurist van de dienst Gerechtskosten worden gedaan en het KB zou opgesteld worden door het D-G Wetgeving; - onderzoek naar een aantal dossiers overgemaakt door de Dienst Juridische Zaken waarbij enorme bedragen werden gevorderd van de Belgische Staat, o.a. een gerechtelijke internationaal dossier waarbij ongeveer een half miljoen euro werd gevorderd van de dienst Gerechtskosten (een aantal collega's van de dienst Juridische Zaken werkt - juist om mijn nauwkeurigheid - graag met mij samen). Ik geloof dat ik het belang op lange termijn wel inschat daar door een grondig onderzoek van zulke dossiers precedentenrechtspraak kan voorkomen worden voor massa's onnodige betalingen; - onderzoek naar de reden en eventuele oplossing voor de betaling van de grote kosten voor het ‘Tapdossier’; IX-5516-8/28 - dossier in verband met de psychologische bijstand van de getuigen na het proces Dutroux; - lid van de werkgroep Gerechtskosten binnen het BPR-project. Andere leden van deze werkgroep waren dankbaar voor mijn aanwezigheid omwille van mijn juridische expertise in het algemeen en over het onderhandelen van het aantal personeelsleden in een ‘to be- fase’; Naast de werkzaamheden binnen de dienst, heb ik ook nog de taak van Secretaris van de Nederlandstalige Stagecommissie. Indien een commissie dient opgeroepen te worden, moet dit binnen wettelijk bepaalde termijnen gebeuren en dien je over organisatietalent te beschikken om alles administratief rond te krijgen tussen de overheid en de vakbonden. Bepaalde problemen dienen eerst juridisch onderzocht te worden alvorens men de stagiairs kan oproepen. Dit alles dient binnen zeer korte termijnen te gebeuren. De werking van dit team is momenteel zeer goed op elkaar ingesteld.
- b)ik relationele problemen ondervindt (sic) met haar (sic) collega's en dat mijn werkwijze opdringerig en overweldigend was, dat ik mij tot hen wendde met heel wat vragen wat als ongepast wordt ervaren en zo de werking van de dienst verstoorde. Antwoord: Voor de periode tot half augustus, verwijs ik naar de situatie beschreven in vorig antwoord. Indien ik een antwoord diende te formuleren had ik de ervaring van de dienst nodig om een foutloos antwoord te kunnen geven, gezien de minieme kennisoverdracht die Mevr Gillot mij heeft kunnen verschaffen. Tijdens de periode na haar zwangerschap tot het einde van het jaar heb ik Mevr. Gillot maar enkele keren gezien wegens mijn langdurige afwezigheid (jaarlijks verlof + langdurige ziekte met hospitalisatie + maand half-time om medische redenen). In deze context vraag ik me af uit wat mijn opdringerigheid, etc.. kan bestaan hebben. Daarbij komt dat ik over een kantoor beschik dat enkel de naam ‘archief’ waardig is. Zodoende kan ik geen personeelsleden van de dienst ontvangen om hun vragen te stellen, en diende ik me telkens male te verplaatsen tot in de dienst om mijn vragen te stellen in een kantoor met 8 personeelsleden. Tevens werd mij door de Adviseur-generaal gevraagd voor een beslissing steeds het advies van de beide bestuurschefs in te winnen, gezien zowel Mevr. Laboureur (ongeveer 1 week inlooptijd) als ondergetekende (4 weken inlooptijd) nog niet voldoende op de hoogte waren van de dienst op het moment dat Mevr. Gillot met ziekteverlof vertrok.
- c)ik blijk heb gegeven van onbezonnenheid in een mogelijk kies dossier door onvoldoende discreet te zijn over de inhoud van het dossier en de bedoelingen van het bestuur. Antwoord: Graag had ik geweten over welk kies dossier het gaat, welk incident dit veroorzaakt heeft met het Kabinet en met een externe partner? Dit dossier is mij niet ter kennis gebracht zodat ik mijn rechten van verdediging (met eventuele getuigen) niet heb kunnen uitoefenen. Gezien ik mijn recht tot verdediging niet heb kunnen uitoefenen, en een aantal andere kandidaten dit hebben kunnen lezen, verzoek ik om schrapping of correcties van deze gegevens in mijn dossier en toekomstige notulen (Wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, Hoofdstuk III, art. 9 en volgende..., en haar uitvoeringsbesluit van 13 februari 2001). IX-5516-9/28
- d)ik intussen de kans kreeg autonoom te werken, maar ze niet volledig kan overtuigen een hogere functie aan te kunnen. Antwoord: Hier zou ik graag meer duidelijkheid hebben over welke periode er wordt gesproken. Spreekt men hier over de periode sinds 2002 of sinds 2004? Voor de periode sinds 2004 verwijs ik naar mijn antwoord hierboven. Voor de periode 2002 - 2003 werkten de juristen steeds onder de leiding van één of meerdere commissieleden. De leden die mijn dossiers begeleidden, behandelden en ondertekenden deze zonder problemen. Voor wat betreft mijn specialisatie (nl. de aangiften) heb ik naar aanleiding van het in voege treden van de nieuwe wetgeving, samen met Mevr. Gheude, in 2003 een tweetalig handboek voor de gebruikers geschreven, dat nog steeds consulteerbaar is op de website van de Privacycommissie.
- e)ik bij de Commissie voor de bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer een dossier van een minderjarige heb behandeld. Antwoord: Ik heb bij de Commissie een dossier behandeld betreffende Fedasil met betrekking tot de niet-begeleide minderjarige vreemdelingen, meer in het bijzonder in verband met de bewijskracht van hun handtekening op de mededeling die zij zouden ontvangen bij aankomst in België. Het is in verband met dit dossier dat de Commissie (naast andere instanties) verzocht heeft wetgevend initiatief te nemen betreffende deze speciale vorm van voogdij.
- f)dat ik ‘mij weinig heb ingewerkt in deze materie’. Antwoord: In het kader van de voorgaande zijn (sic) is het is mij niet duidelijk of hiermee bedoeld wordt het aspect ‘juridische analyse’ of de materie ‘internationale wederzijdse rechtshulp in strafzaken’ of wordt met materie ‘het specifieke voogdijrecht, het vreemdelingenrecht en aanverwante disciplines’ bedoeld? Betreft deze zinsnede de ‘juridische analyse’, dan kan ik melden dat het één der taken van een jurist op de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer er juist uit bestond een kritische juridische analyse te maken van o.a. wetsontwerpen. Betreft deze zinsnede de ‘internationale wederzijdse rechtshulp in strafzaken’, dan oordeel ik - na lezing van de wetgeving over de Voogdij - dat deze materie geen onderdeel uitmaakt van desbetreffende wetgeving. Betreft deze zinsnede ‘het specifieke voogdijrecht, het vreemdelingenrecht en aanverwante disciplines’, dan stel ik mij de vraag waarom ik - bij het kandideren voor dezelfde plaats naar aanleiding van een interne oproep die plaatsgevonden heeft in 2003 - mij per schrijven vanwege de dienst Selectie dd. 16 december 2003 werd gemeld dat ik in de shortlist werd weerhouden. Van de 8 kandidaten werden er maar 2 geselecteerd en werd ik als tweede gerangschikt. Bij mijn weten was het niet om een gebrek aan juridische kennis in de materie dat ik niet als eerste werd geselecteerd (zie bijlage).
- g)ik al leiding heb gegeven aan enkele medewerkers als hoofd van de dienst Algemene Zaken, maar dat ik echter geschikter lijk om zelfstandig te werken daar mijn karakter veeleer tot conflicten leidt dan tot een harmonieuze werkrelatie. Antwoord: Op het vroegere D-G Algemene Diensten ben ik effectief aangesteld geweest als diensthoofd van Algemene Zaken en later - na het zeer spijtige overlijden van Mevr. Hamaide - van Justel. Bij de dienst Algemene Zaken was één mijner opdrachten van de toenmalige directeur-generaal Leliard zeer strikt te zijn en strenge controles uit te voeren ten opzichte van de dienst Verzending, gezien het veelvuldig gesjoemel met prikkaarten. Dient men daarom de persoon, die zijn taak IX-5516-10/28 uitvoert en daarbij personen betrapt bij gesjoemel en daaropvolgend disciplinaire straffen voorstelt, als een conflictueus karakter te beschouwen? Bij de dienst JUSTEL ben ik na tien jaar vertrokken, niet zozeer omwille van conflicten, maar eerder omdat deze dienst niet de mogelijkheid verschaft om uw juridische kennis - waarvoor iedereen toch een aantal jaren heeft gestudeerd - op peil te houden of bij te werken. Ik heb trouwens JUSTEL steeds blijven verdedigen omdat ik het goed werkinstrument vond en nog steeds vind. Nadien heb ik nog een aantal collega's van die dienst gezien die hun grote spijt uitdrukten wegens mijn vertrek op JUSTEL. Bijlage: brief van 16/12/2003” 3.7. Op 21 december 2005 wordt de verzoekster gehoord in het raam van de bezwaarprocedure. De notulen van de zitting van het directiecomité van 21 december 2005 bevatten de volgende weergave van deze hoorzitting: “3. Mevrouw Popleu Gerda. Mevrouw Popleu Gerda had zich kandidaat gesteld voor de vacante betrekking adviseur 13 A in het Directoraat-generaal Wetgeving en Fundamentele Rechten - dienst Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen en de vacante betrekking adviseur 13A bij de Diensten van de voorzitter - dienst Juridische Zaken. Mevrouw wenst tijdens deze hoorzitting aan te tonen dat zij niet enkel en alleen geschikt is om alleen te werken en zij bovendien geen relationele problemen ondervindt met haar collega's; Zij verwijst naar haar argumenten zoals aangehaald in haar brief van 24 november 2005 en verklaart dat deze argumenten opgaan voor beide functies; Wat betreft de bewering dat zij niet altijd de gevolgen op lange termijn inziet waarbij verwezen wordt naar de periode waarin zij Mevrouw Gillot verving in haar functie, belast met de juridische aangelegenheden verbonden met de gerechtskosten, geeft zij aan dat zij zo goed als geen informatie had verkregen van Mevrouw Gillot omdat zij haar nauwelijks heeft gezien in de maanden die voorafgingen aan de overdracht van bevoegdheden omwille van ziekteverloven e.a. Tijdens de overname van bevoegdheden kon Mevrouw Gillot enkel maar bereikt worden met tussenkomst van de bureauchef die een buitenlijn heeft naar Frankrijk. Zij verwijst naar de goeie samenwerking die plaatsvond in de werkgroep Gerechtskosten binnen het BPR- project, een weinig autonoom project waar zij haar capaciteiten in groepsverband gebruikte, Wat betreft de opmerking dat ze relationele problemen ondervindt met haar collega's, dat ze zich veel tot hen wendde met vragen, bemerkt zij dat de IX-5516-11/28 adviseur- generaal haar had gevraagd om bij elke beslissing contact op te nemen met de 2 bureauchefs en dus moest ze wel veel bij hen langs gaan. Ze bemerkt het feit dat ze langdurig ziek was en daarna een tijdje halftime heeft gewerkt er de oorzaak van is dat ze niet meer autonoom kan werken. Ze erkent dat er in januari conflicten waren met de dienst gerechtskosten. Probleem is dat zij niet meer weet wat nu wel of niet kan, ze wenst dit probleem voor te leggen aan haar functionele chef in het kader van de ontwikkelcirkels. Een lid van het directiecomité stelt de vraag hoe het nu is na 1 jaar. Betrokkene antwoordt dat zij het gevoel heeft dat ze nu wel autonoom kan functioneren. Zij verwijst ook naar de mogelijkheden van opleiding bij OFO. Op de vraag waarom zij de overplaatsing vanuit Justel heeft aanvaard antwoordt zij dat deze functie een betere link heeft met haar juridische competenties. Op de vraag wat voor haar prioriteiten zijn antwoordt zij dat de mensen hun werk moeten kunnen doen, daarvoor hebben ze nood aan uitleg (weten waar de fouten zitten en wat is de oplossing) en transparantie qua wijzigingen in wetgeving.” 3.8. Na haar te hebben gehoord en haar bezwaar te hebben onderzocht, besluit het directiecomité zijn beslissing van 23 maart 2005 te handhaven en de rangschikking van de verzoekster te behouden: “3) Mevrouw Gerda Popleu Het feit dat Mevrouw Popleu niet over alle informatie beschikte kan geen beletsel vormen om planmatig te werk te gaan. De goede samenwerking die zij had met collega's in een werkgroep is geen indicatie naar de relaties die men heeft tot een team waarvan men de leiding heeft. Het directiecomité noteert dat Mevrouw Popleu tijdens de hoorzitting heeft bevestigd dat er zich relationele problemen voordoen. Het feit dat zij steeds advies moest vragen aan 2 dienstchefs kan geen argument zijn om haar eventuele opdringerigheid en relationele problemen te verklaren. Op de schriftelijke vraag van Mevrouw Popleu betreffende het delicate dossier dat werd aangehaald in het PV van 23 maart 2005 verduidelijkt het directiecomité dat Mevrouw Popleu, in het kader van een onderzoek betreffende stallingskosten in Antwerpen, een Antwerpse politieke mandataris op de hoogte bracht van de mutatie. De gegevens opgenomen in de processen-verbaal van bevordering vallen niet onder het toepassingsgebied van de Wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens. Volgens artikel 3 § 2 van zelfde wet is die enkel van toepassing op geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, alsmede op elke niet-geautomatiseerde verwerking van IX-5516-12/28 persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden opgenomen. Mevrouw Popleu heeft het Directiecomité niet overtuigd van haar leidinggevende capaciteiten. Dit blijkt uit haar antwoord op de vraag inzake prioriteiten waar zij het uitsluitend heeft over expertise. Het directiecomité bevestigt haar vooropgestelde rangschikking.” Deze beslissing wordt door middel van een nota op 30 juni 2006 aan de verzoekster meegedeeld, samen met een afschrift van het integrale gedeelte van de notulen van het directiecomité van 21 december 2005 inzake het betrokken agendapunt. De verzoekster ontvangt deze nota op 12 juli 2006. 3.9. Bij aangetekend schrijven van 25 juli 2006 dient de verzoekster een bezwaarschrift in tegen de beslissing van het directiecomité van 21 december 2005 om de beslissing van 23 maart 2005 te handhaven. 3.10. Bij koninklijk besluit van 1 september 2006 wordt de heer Nennen bevorderd binnen het Franstalige kader door verhoging in graad tot de graad van adviseur 13 A, in de functie van adviseur-diensthoofd van de dienst Juridische Zaken. Dit is de eerste bestreden beslissing. Zij wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 20 oktober 2006. IV. Ontvankelijkheid van het tweede voorwerp van het beroep Standpunt van de partijen 4. De verwerende partij werpt op dat het beroep niet ontvankelijk is, in zoverre het gericht is tegen de tweede bestreden beslissing. Volgens de verwerende partij is het niet duidelijk welke beslissing van het directiecomité wordt aangevochten. Omwille van die onduidelijkheid zou de vordering als onontvankelijk moeten worden afgewezen wat de tweede bestreden beslissing betreft. 5. De verzoekster repliceert in haar memorie van wederantwoord dat het gaat om de beslissing van het directiecomité om haar kandidatuur niet voor te dragen. Deze beslissing is op 23 mei 2005 ( lees: 23 maart 2005) genomen door het directiecomité en bevestigd op 21 december 2005. IX-5516-13/28 Beoordeling 6. Uit het feitenrelaas blijkt dat er twee beslissingen van het directiecomité voorliggen, namelijk: - de beslissing van 23 maart 2005 om de verzoekster niet voor benoeming voor te dragen; - de beslissing van 21 december 2005, waarbij het directiecomité het bezwaar van de verzoekster afwijst en zijn eerdere beslissing van 23 maart 2005 aangaande de rangschikking handhaaft. 7. Met de beslissing van 21 december 2005 bevestigt het directiecomité de gemotiveerde rangschikking vervat in zijn beslissing van 23 maart 2005 na de bezwaren van de kandidaten te hebben behandeld en verworpen. Uit het aangevoerde middel valt af te leiden dat de verzoekster kritiek uitoefent zowel ten aanzien van de beslissing en de motieven van 21 december 2005 als van die van 23 maart 2005. De beslissing van 21 december 2005 dient, wat verzoekster betreft, geacht te worden de beslissing van 23 maart 2005 vervangen te hebben nu ze het bezwaar van de verzoekster afwijst en de rangschikking van 23 maart 2005, met inbegrip van de motieven ervan, handhaaft. Het beroep dient dan ook geacht te zijn gericht tegen de beslissing van 21 december 2005. 8. Deze beslissing is een voorbeslissing in de complexe rechtshandeling die uitmondt in de bevordering van Nicolas Nennen. Deze voorbeslissing is voor de verzoekster een definitieve en grievende beslissing nu de verzoekster niet gerangschikt werd en zij krachtens artikel 27bis van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het rijkspersoneel dan ook niet door de minister kon voorgedragen worden om door de Koning benoemd te worden. IX-5516-14/28 De beslissing van het directiecomité is dan ook een aanvechtbare rechtshandeling in de zin van artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. 9. Vastgesteld dient te worden dat de beslissing van het directiecomité weliswaar de verzoekster ter kennis werd gebracht op 12 juli 2006, doch dat de kennisgeving van deze beslissing geen melding maakt van de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State zodat, krachtens artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, op het ogenblik van het instellen van voorliggend beroep de beroepstermijn tegen de beslissing van het directiecomité niet verlopen was. 10. Het beroep tegen de beslissing van 21 december 2005 van het directiecomité is ontvankelijk. V. Onderzoek van het enig middel Standpunt van de partijen 11. De verzoekster voert in een enig middel de schending aan van de artikelen 10 en 11 Grondwet, met name de plicht tot vergelijking van titels en verdiensten, van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, met name gelijkheid van procedure, interne - lees: materiële - motivering van een beslissing, de afwezigheid van de tegenstrijdigheid van motieven en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en machtsoverschrijding. In een eerste onderdeel van het middel wijst de verzoekster erop dat de eerste bestreden beslissing gesteund is op de tweede bestreden beslissing, die bestaat in de weigering om de verzoekster voor benoeming voor te dragen, en dit om verschillende redenen. Deze weigering is echter op geen enkel feit gebaseerd waarvoor zij werd gehoord, geëvalueerd, of bevraagd. Zij stelt dat zij zich onmogelijk kan verdedigen tegen geruchten of subjectieve meningen. Volgens de verzoekster hadden specifieke procedures gevoerd moeten worden indien haar een ongunstige beslissing had moeten worden betekend. Zij zou dan immers moeten zijn gehoord in het raam van een evaluatie- of tuchtprocedure, hetgeen niet gebeurd is. De verzoekster stelt voorts, ondanks herhaalde vraag, nooit een functiebeschrijving IX-5516-15/28 gekregen te hebben, zodat moeilijk valt in te zien hoe de overheid kan oordelen over de wijze waarop zij haar functie invult. De verzoekster stelt dat de verwijten jegens haar op geen enkel document berusten. Door zich te baseren op verwijten die niet officieel werden weerhouden en die dermate vaag en subjectief werden geformuleerd, is de beslissing om de verzoekster van de bevorderingsprocedure uit te sluiten, niet op afdoende wijze gemotiveerd. De verzoekster verwijst vervolgens naar de vergadering van het directiecomité van 23 maart 2005, waarin haar een vijftal verwijten werden gemaakt Zij stelt dat het merendeel van deze negatieve bemerkingen op geen enkel duidelijk feit berust, zodat zij zich hiertegen zo goed als onmogelijk kan verdedigen. Het feit op gespannen voet te staan met een collega is niet van die aard dat zij geen dienst zou kunnen besturen, zoals het directiecomité beweert. Verder stelt zij dat de vergelijking door middel van “holle, vage en subjectieve” maatstaven niet afdoende is in de zin van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991. Bovendien heeft de verzoekster slechts in de loop van de bevorderingsprocedure kennis gekregen van het dossier waarin haar “onbezonnenheid” wordt verweten. Zij betwist evenwel een fout te hebben gemaakt in dit dossier en stelt dat het aan de verwerende partij toekomt om een fout aan te tonen door middel van de daartoe ingerichte statutaire procedure en niet door middel van een bevorderingsprocedure. De verzoekster voegt hieraan toe dat “de onwettigheid van de tweede bestreden handeling meegevoerd wordt door het feit dat indien de verzoekster niet bij de eerste procedure werd uitgesloten op het niveau van het directiecomité, haar kandidatuur onderzocht kon worden met de mogelijkheid om te worden geselecteerd voor benoeming”. In het tweede onderdeel betoogt de verzoekster dat het advies van het directiecomité waarop de eerste bestreden beslissing is gesteund, diverse tegenstrijdigheden bevat. Zij wijst hier in de eerste plaats op het vage karakter van de verschillende evaluatiecriteria, die volgens haar voor interpretatie vatbaar zijn. Verder houdt zij voor dat uit de motivering blijkt dat zij voor diverse criteria een belangrijkere ervaring kan laten gelden dan overige kandidaten, in het bijzonder de benoemde kandidaat. De verzoekster licht dit vervolgens verder toe voor elk evaluatiecriterium afzonderlijk: - betreffende het vijfde evaluatiecriterium - “kennis van de tweede landstaal” - voert de verzoekster aan dat haar talenkennis wordt geattesteerd door het brevet van Selor, terwijl de heer Nennen enkel een cursus ter perfectionering van zijn taalkennis heeft gevolgd. In zijn vergadering van 23 maart 2005 stelde het IX-5516-16/28 directiecomité echter dat “een passieve tweetaligheid neigend naar een functionele tweetaligheid een pluspunt is”. De andere kandidaten hebben zich, wat hun taalkennis betreft, er toe beperkt te vermelden dat zij in min of meer goede mate de andere landstaal machtig zijn. Niettemin werden verschillende van deze kandidaten geselecteerd, in tegenstelling tot de verzoekster. - met betrekking tot het eerste evaluatiecriterium - “organiseren, leiden” - betoogt de verzoekster dat verschillende van haar kwalificaties op dit vlak niet aan bod zijn gekomen, zoals de leiding in de diensten “Algemene zaken en verzending” en “Justel”. De verzoekster wijst er op dat de benoemde kandidaat slechts tijdelijk een dergelijke functie zou hebben bekleed en er geen enkele precisering zou zijn gegeven over de duur en de inhoud van deze functie. Andere kandidaten, zoals de heer Lefebvre en mevrouw Van Oost, zouden op dit punt geen enkele specifieke ervaring kunnen laten gelden, maar zijn toch geselecteerd. De heer Ide zou volgens het directiecomité dan weer “zijn houding moeten aanpassen ingeval hem verantwoordelijkheid zou worden toevertrouwd”. Aan hem zou een gelijkwaardige ervaring worden toegeschreven als aan een gedetacheerde agent - mevrouw Van Eeckhoudt - zonder dat de overheid echter kan nagaan of zij haar functie van juridisch chef-diensthoofd van de vakbond naar behoren invult. - inzake het tweede evaluatiecriterium - “grondige kennis van diverse juridische disciplines” - stelt de verzoekster dat haar bekwaamheden niet naar voor zijn gebracht, omdat er slechts melding zou zijn gemaakt van de behandeling van de dossiers voor de Commissie ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Zij voert aan dat zij echter nog talrijke andere ervaringen heeft binnen de FOD Justitie, zoals deze binnen de dienst “Algemene zaken en verzending”, “Justel”, “Gerechtskosten”,... Deze zouden ten onrechte niet zijn vermeld. Haar ervaringen zouden eveneens polyvalent zijn. De verzoekster wijst er op dat niet wordt betwist dat zij “beschikt over kwaliteiten van jurist wat analyse en redactie betreft”. - betreffende het derde evaluatiecriterium - “netwerken uitbouwen” - voert de verzoekster aan dat het directiecomité toegeeft dat alle kandidaten over de bekwaamheid beschikken om hieraan te beantwoorden. Zij ziet niet in waaruit de specifieke kwalificatie van de heer Nennen bestaat om een uitgebreid netwerk van referentiepersonen te hebben opgebouwd, daar zijn functie er ambtshalve in bestaat contacten te leggen met een groot aantal personen. IX-5516-17/28 - met betrekking tot het vierde evaluatiecriterium - “overtuigen” - houdt de verzoekster voor dat uit het advies van het directiecomité blijkt dat dit criterium bij haar kandidatuur niet werd onderzocht. Dit zou nochtans in haar voordeel zijn uitgevallen. - inzake het zesde criterium - “communicatief zijn” - merkt de verzoekster op dat het directiecomité in zijn advies van 23 maart 2005 over haar in de voorwaardelijke wijs spreekt wanneer het directiecomité het heeft over de mogelijkheid dat zij de goede werking van de dienst zou verstoren. Zij wijst er tevens op dat het advies op dit punt geen interne - lees: materiële - motivering bevat. Verder stelt de verzoekster dat op dit punt de kandidatuur van de heer Nennen niet met de andere kandidaturen werd vergeleken. Voorts zouden voor andere kandidaten, zoals de heer Ide en Lefebvre, negatieve elementen naar voor gebracht zijn. Nochtans werden deze kandidaten wel geselecteerd, echter zonder hiervoor een specifieke reden op te geven en zonder een reden te vermelden voor de weigering om de verzoekster voor benoeming voor te stellen. - betreffende het zevende evaluatiecriterium - “kunnen werken in teamverband”- is er volgens de verzoekster sprake van een stereotiepe motivering. Zij stelt niet te begrijpen waarom de voorgaande positieve ervaringen binnen haar werkgroep niet in overweging zijn genomen om zich daarentegen te focussen op een relationele moeilijkheid met betrekking tot een andere agent. De verzoekster besluit dat de motivering niet toelaat om na te gaan waarom haar kandidatuur niet werd geselecteerd, terwijl aan andere kandidaten dezelfde verwijten zouden kunnen worden gemaakt als aan de verzoekster - en dit volgens haar zonder enige grond - of terwijl die andere kandidaten minder kwalificaties dan haar voorlegden. De verzoekster wijst erop dat het bestuur ertoe verplicht is door middel van het administratief dossier aan te tonen op welke motivering en rechtsgrond een beslissing is gesteund. Volgens artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 is een motivering vereist die afdoende is. Een dergelijke motivering is belangrijk in het raam van een vergelijking van titels en verdiensten bij een kandidatuur voor een openbaar ambt aangezien zij het mogelijk moet maken, zowel voor de betrokkene als voor de Raad van State, om de redenering van het bestuur bij het nemen van zijn beslissing te volgen. IX-5516-18/28 12. De verwerende partij antwoordt met betrekking tot de aangevoerde schending van het gelijkheidsbeginsel, het beginsel van de gelijke toegang tot de openbare ambten en de motiveringsplicht, dat de kandidaturen wel degelijk objectief met elkaar werden vergeleken. De notulen van het directiecomité van 23 maart 2005 bevatten een uitgebreide vergelijking. Ook in het koninklijk besluit van 1 september 2006 worden de kandidaturen vergeleken. Volgens de verwerende partij toont de verzoekster niet aan in welke mate deze vergelijking niet zou zijn gebeurd. De verwerende partij betoogt voorts dat de verzoekster zich enkel verweert tegen het feit dat zij niet werd voorgedragen, doch geen elementen aanvoert waaruit zou moeten blijken dat haar kandidatuur gunstiger had moeten worden beoordeeld dan de zeven voorgedragen kandidaturen, laat staan dan de kandidatuur van de benoemde heer Nennen. Nochtans moest zij het directiecomité ervan overtuigen dat zij over leidinggevende capaciteiten beschikte en voldeed aan de functievereisten en het competentieprofiel. De verzoekster ontwikkelt hieromtrent geen enkele argumentatie, zodat het onderdeel van het middel elke grondslag mist. Voorts beweert de verzoekster ten onrechte dat zij geen functieomschrijving heeft ontvangen, nu deze werd meegedeeld als bijlage bij de vacantverklaring van de diverse betrekkingen en werd weergegeven in de notulen van het directiecomité van 23 maart 2005 die haar eveneens werden meegedeeld. Wat betreft de aangevoerde miskenning van de motiveringsplicht, benadrukt de verwerende partij dat het directiecomité tussen verschillende kandidaten moest kiezen op basis van de verdiensten van deze personen. Zij trachtte hierbij een globale beoordeling te doen van elke kandidaat om tot een zo goed mogelijke evaluatie te komen. De diverse positieve en negatieve feiten die bekend zijn, werden derhalve in de beoordeling betrokken. De feiten waarnaar verwezen wordt, staan dan ook los van enige disciplinaire procedure of evaluatieprocedure in het raam waarvan de verzoekster gehoord zou moeten zijn. De verwerende partij vervolgt dat de motieven duidelijk in de notulen van het directiecomité en in het Koninklijk Besluit zelf tot uitdrukking zijn gebracht, zodat er geen sprake is van een schending van de motiveringsplicht. De verzoekster heeft volgens de verwerende partij wel degelijk kennis van de motieven. De verwerende partij wijst er in dat verband op dat de verzoekster in staat was om een bezwaarschrift in te dienen en daarin de haar verweten punten toe te lichten. De IX-5516-19/28 verwerende partij voert aan dat het directiecomité naar duidelijke feiten of gebeurtenissen verwijst die van die aard zijn dat de verzoekster deze perfect kan plaatsen. Het argument dat een spanning met één collega niet aantoont dat de verzoekster de dienst niet kan leiden, moet volgens de verwerende partij worden afgewezen omdat het directiecomité zijn beslissing ten aanzien van de verzoekster heeft genomen op basis van een totale beoordeling van haar functioneren, zonder dat één feit de bovenhand had. De verschillende feiten die haar worden verweten, moeten dan ook samen worden gelezen zonder dat één feit doorslaggevend is. Op basis van die feitelijke gegevens heeft het directiecomité vervolgens een beoordeling gemaakt waarbij ook de inhoudelijke capaciteiten in rekening werden gebracht en de kandidatuur van de verzoekster werd vergeleken met de andere kandidaturen. Deze beoordeling door het directiecomité gebeurde op basis van zeven criteria, die impliceren dat sprake was van een appreciatieruimte en een discretionaire bevoegdheid. Het directiecomité moest oordelen over tien kandidaten die allen een zekere bekwaamheid hadden. Na vergelijking van de kandidaten, besloot het directiecomité om de verzoekster niet voor te dragen. De verwerende partij ontkent niet dat de verzoekster kwaliteiten heeft als jurist, doch voor de functie die zij ambieerde, heeft het directiecomité na bestudering van de kandidaturen en rekening houdend met haar bekwaamheid en geschiktheid, geoordeeld dat de verzoekster niet geschikt was voor de betrokken functie. De verwerende partij wijst erop dat de verzoekster zich kandidaat had gesteld voor een leidinggevende functie. Het competentieprofiel was ook in die zin opgesteld dat het primordiaal was dat de kandidaat kon leiden en organiseren, wat een grote verantwoordelijkheidszin vereist. In haar kandidaatstelling toonde de verzoekster geenszins aan dat zij hiertoe geschikt was. De verschillende elementen die in de notulen van het directiecomité van 23 maart 2005 werden opgesomd, tonen aan dat de verzoekende partij niet als leidinggevende kan functioneren: zij heeft relationele problemen met collega’s, is meer geschikt om alleen te werken, heeft een opdringerige werkwijze, ... De verzoekster voldoet dus niet aan de functievereisten zoals omschreven in het competentieprofiel, zodat het logisch is dat zij niet werd voorgedragen. In haar bezwaarschrift van 24 november 2005 bespreekt de verzoekster voornamelijk feitelijke elementen, maar gaat zij slechts in een laatste punt in op haar capaciteiten als leidinggevende. Wat betreft de door de verzoekster voorgehouden tegenstrijdigheden in het advies van het directiecomité, merkt de verwerende partij IX-5516-20/28 op dat het directiecomité in de notulen van 23 maart 2005 wel degelijk verwijst naar de functies die de verzoekster reeds bekleedde. Dat sommige hiervan meer worden belicht dan andere, is niet van aard om te stellen dat er een tegenstrijdigheid is. De motiveringsplicht vereist volgens de verwerende partij niet van een bestuurlijke overheid dat op alle opgeworpen punten even diep wordt ingegaan. Bovendien zou niet zijn aangetoond dat het enkele feit dat de ervaringen bij de dienst “Algemene Zaken en Verzending” en “Justel” onderbelicht zouden zijn, ertoe zou hebben geleid dat de verzoekende partij niet werd voorgedragen. De bestreden beslissingen zijn immers gegrond op een globale beoordeling van de kandidatuur van de verzoekende partij, zonder dat het aspect van de vereiste juridische kennis doorslaggevend was. Het enkele feit dat zij op bepaalde vlakken meer ervaring heeft dan andere kandidaten, is niet van die aard dat zij had moeten worden voorgedragen. Ook met betrekking tot de andere evaluatiecriteria, wijst de verwerende partij er op dat de kandidaten op diverse punten werden beoordeeld en de verzoekster hierbij de ene keer sterker, de andere keer slechter scoorde dan andere kandidaten. Het directiecomité meende op basis van het totale beeld van de verzoekster dat er onvoldoende elementen waren om haar voor te dragen, zeker nu zij een leidinggevende functie moest vervullen. In tegenstelling tot wat de verzoekster voorhoudt, werd de heer Nennen wel beoordeeld wat zijn communicatievaardigheden betreft, vermits werd gesteld dat hij moest communiceren met diverse partners. Er werd dus een totale beoordeling doorgevoerd. Het feit dat de verzoekster een betere taalkennis had dan sommige andere kandidaten, wordt niet ontkend, maar is niet van die aard om haar enkel daarom voor te dragen. De verwerende partij besluit dat de verzoekster niet aantoont dat zij op basis van de diverse kandidaturen, getoetst aan de functieomschrijving en de wegings- en evaluatiecriteria, duidelijk beter scoorde dan degene die uiteindelijk werd benoemd. De verzoekster beperkt zich in hoofdzaak tot een verweer omtrent bepaalde negatieve aspecten omtrent haar persoon, doch verliest uit het oog dat het haar toekomt om aan te tonen, wil zij getuigen van het vereiste belang, zowel wat haar vordering als het aangevoerde middel betreft, dat een vergelijking van de kandidaturen ertoe had moeten leiden dat haar kandidatuur als eerste moest worden gerangschikt. Zij toont echter niet aan dat niet op afdoende wijze gemotiveerd wordt waarom de kandidatuur van de heer Nennen werd gekozen boven de andere kandidaturen. IX-5516-21/28 13. De verzoekster repliceert dat de verwerende partij met betrekking tot het eerste onderdeel van het middel erkent dat haar beoordeling gesteund is op geruchten die niet kunnen worden hard gemaakt door stukken. Zij herhaalt dat zij nooit de mogelijkheid heeft gehad haar argumenten te laten gelden betreffende de negatieve feiten die haar worden verweten, noch zich heeft kunnen verdedigen tegen onduidelijke, vage grieven. Zo krijgt ze geen functieomschrijving van haar huidige functie en wordt haar verweten niet te voldoen aan de eisen van haar werkgever. Voorts benadrukt de verzoekster dat het administratief dossier geen enkel document bevat dat de haar verweten feiten hard maakt, zodat zij geen grond hebben. Uit de notulen van het directiecomité blijkt evenwel dat het deze feiten zijn die als loutere beweringen de motieven vormen om haar niet te selecteren. Voorts stelt de verzoekster dat zij niet dient te bewijzen dat zij als enige in aanmerking komt voor de functie. Zij moet enkel de onwettigheid van de benoemingsbeslissing aantonen. In geval van vernietiging maakt zij immers opnieuw kans om te worden benoemd. Wat het tweede onderdeel van het middel betreft, stelt de verzoekster dat de verwerende partij enkele bijzondere vaardigheden van de verzoekster erkent, maar dat de bestreden beslissingen niet aangeven waarom geen rekening werd gehouden met deze positieve elementen om de kandidatuur van de verzoekster niet te selecteren. De opgegeven motivering laat de verzoekster niet toe om na te gaan waarom haar kandidatuur niet werd geselecteerd, terwijl aan andere kandidaten dezelfde verwijten zouden kunnen worden gemaakt of terwijl die andere kandidaten minder kwalificaties dan haar konden voorleggen. 14. In haar laatste memorie benadrukt de verzoekster dat zij vanaf september 2005 gevraagd heeft dat het werk op duidelijke manier zou verdeeld worden. Zij heeft nooit enige beschrijving van haar functie gekregen, en dit ondanks haar aanvragen. Zij stelt dat het voor het directiecomité derhalve onmogelijk was om de wijze te beoordelen waarop zij haar functie uitoefende. Nog in 2006 werden haar geen verantwoordelijkheden toegewezen. IX-5516-22/28 Beoordeling Eerste onderdeel van het middel 15. Anders dan wat de verwerende partij voorhoudt, is niet vereist dat de verzoekster aantoont dat haar kandidatuur gunstiger zou moeten zijn beoordeeld dan de andere kandidaturen. Het volstaat dat zij een onwettigheid aantoont die ertoe kan leiden dat zij een nieuwe kans tot benoeming krijgt. In zoverre de verwerende partij aanvoert dat de verzoekster geen belang heeft bij het middel, faalt de exceptie naar recht. 16. De stelling van de verzoekster dat zij in het verleden reeds moest worden gehoord over de feiten die in het raam van de bevorderingsprocedure in haar nadeel werden aangevoerd, kan niet worden aangenomen. Negatieve feiten konden derhalve in overweging genomen worden voor zover ze terdege voor bewezen konden worden geacht. Opdat het directiecomité een negatieve bemerking zou kunnen aanvoeren, is dus niet vereist dat zij een tuchtrechtelijke fout zou aantonen, noch dat zij in het verleden een tuchtprocedure zou hebben aangevat. De verzoekster toont niet aan dat de verwerende partij ertoe gehouden was om haar te evalueren, naar aanleiding waarvan negatieve feiten desgevallend naar boven hadden kunnen komen, noch dat ze positief geëvalueerd werd terwijl de overheid kennis had van voor die evaluatie als negatief te beschouwen feiten. 17. De verzoekster kan evenmin worden gevolgd waar zij stelt dat de negatieve bemerkingen te onduidelijk, vaag en subjectief waren om zich hiertegen te kunnen verdedigen. De verwerende partij betoogt terecht dat uit het bezwaarschrift van de verzoekster duidelijk blijkt dat zij deze verwijten zelf verder kon toelichten en dus duidelijk wist waarover het ging. De negatieve bemerkingen waren derhalve niet te vaag om zich ertegen te kunnen verdedigen. Waar zij beweert dat het verwijt betreffende “onbezonnenheid” in een bepaald dossier te vaag zou zijn om haar rechten van verdediging te kunnen uitoefenen, moet erop worden gewezen dat de rechten van verdediging niet spelen in het raam van een bevorderingsprocedure. Het enige waarin is voorzien, is het indienen van een bezwaarschrift. Voorts heeft de verzoekster zich in het raam van de bevorderingsprocedure ook effectief kunnen verweren. Zij heeft immers de mogelijkheid benut om een bezwaarschrift in te IX-5516-23/28 dienen en heeft zich tijdens de hoorzitting kunnen verdedigen. Dat een dergelijk verweer slechts plaatsvond binnen de bevorderingsprocedure, is niet problematisch nu, zoals reeds vermeld, er geen noodzaak was om de verzoekende partij eerder de gelegenheid te geven om haar standpunt kenbaar te maken. Voorts hield de beslissing van het directiecomité van 23 maart 2005 slechts een voorlopige rangschikking in, die naar aanleiding van de bezwaren nog kon worden herzien. 18. De afwezigheid van een functiebeschrijving belet niet dat de benoemende overheid zich een beeld mag vormen over de wijze waarop zij functioneert. 19. De verzoekster stelt dat de beslissing van het directiecomité om haar kandidatuur niet voor te dragen, gesteund is op geruchten en subjectieve meningen, die geen steun vinden in stukken. In dit verband moet worden vastgesteld dat de betrokken geruchten en subjectieve meningen een algemene appreciatie vormen van de wijze van werken van de verzoekster. Ook al houdt een dergelijke appreciatie noodzakelijkerwijze een zekere subjectiviteit in, uit stukken die de verzoekster zelf overlegt, blijkt dat die appreciatie het resultaat is van een gezamenlijke bespreking van haar kandidatuur door de leden van het directiecomité, wat de geloofwaardigheid ervan vergroot. Er kan enkel worden vastgesteld dat de verzoekster zich kwaliteiten aanmeet die niet op dezelfde wijze worden ervaren door haar werkomgeving. 20. Het directiecomité besluit dat de verzoekster niet geschikt is om een dienst te leiden, doch - in tegenstelling tot wat de verzoekende partij laat uitschijnen - steunt het directiecomité dit oordeel niet op het enkele feit dat zij op gespannen voet zou staan met één welbepaalde collega. Het advies van het directiecomité verwijst immers ook naar haar “opdringerige en soms overweldigende” werkwijze, evenals het feit dat zij aanwezige collega’s herhaaldelijk stoort voor vragen, “wat als ongepast wordt ervaren en de werking van de dienst kan verstoren”. Het directiecomité voegde hieraan toe dat het karakter van de verzoekster in relaties met collega’s eerder conflicten veroorzaakt dan harmonieuze arbeidsrelaties bevordert. De bewering van de verzoekster dat het loutere feit op gespannen voet te staan met een collega niet van die aard is dat zij geen dienst zou kunnen leiden, mist derhalve feitelijke grondslag. Hoedanook lijkt het niet kennelijk IX-5516-24/28 onredelijk om uit de voormelde bevindingen af te leiden dat de verzoekster niet over de vereiste bekwaamheden beschikt om een dienst te leiden. 21. Het eerste onderdeel van het enige middel is niet gegrond. Tweede onderdeel van het middel 22. De zeven door het directiecomité gehanteerde evaluatiecriteria waren - in volgorde van de weging die eraan werd toegekend - “organiseren, leiden”, “grondige kennis van diverse juridische disciplines”, “netwerken uitbouwen”, “overtuigen”, “kennis van de tweede taal”, “communicatief zijn” en “kunnen werken in teamverband”. In tegenstelling tot wat de verzoekster beweert, zijn deze criteria duidelijk. De verzoekster geeft trouwens zelf niet aan welke diverse interpretaties er dan wel mogelijk zouden zijn. 23. Voorts moet worden opgemerkt dat de beoordeling van kandidaturen aan de hand van de voormelde evaluatiecriteria in het raam van de voorliggende bevorderingsprocedure een zekere appreciatieruimte laat aan de betrokken overheid. Een dergelijke beoordeling kan door de Raad van State slechts worden gesanctioneerd indien zij kennelijk onredelijk is. Het argument van de verzoekster dat de verwerende partij enkele bijzondere vaardigheden van de verzoekster erkent, maar dat de bestreden beslissingen niet aangeven waarom geen rekening werd gehouden met deze positieve elementen om de kandidatuur van de verzoekende partij niet te selecteren, kan niet worden bijgetreden. In het voorstel van het directiecomité moet de benoemende overheid weliswaar de redenen, voortvloeiende uit een degelijke vergelijking van titels en verdiensten, die tot een welbepaalde rangschikking hebben doen besluiten, vinden. Het directiecomité mag zich niet beperken tot het uiteenzetten van de verdiensten van de kandidaat waarvan het de benoeming voordraagt. Indien de kandidatuur van de begunstigde wordt besproken volgens welbepaalde criteria dan moet blijken dat ook de andere kandidaten aan deze criteria werden getoetst en hoe zij daarop scoren. In casu blijkt uit de beslissingen van het directiecomité dat de kandidaturen uitvoerig werden onderzocht en vergeleken. De verwerende partij stelt terecht dat het voorstel van het directiecomité gebaseerd is op een globale beoordeling van de kandidaten, over de diverse evaluatiecriteria samengenomen. Het feit dat de verzoekster op bepaalde punten beter zou scoren, IX-5516-25/28 impliceert nog niet dat zij in een globale beoordeling, die ook de minder sterke punten van de verzoekende partij omvat, niet van benoeming kon worden uitgesloten. Hierbij moet voor ogen worden gehouden dat aan de diverse evaluatiecriteria een weging toekwam, en het criterium “organiseren, leiden” het belangrijkste bleek. Net daar kwam de verzoekster te kort. Herhaaldelijk wijst het directiecomité hierop: - bij de bespreking van haar kandidatuur: “[...] Haar bestaande technische competenties en ervaring voor die 2 vacante plaatsen wegen niet op tegen de minpunten die hiervoor zijn aangehaald. Deze minpunten werden ook deels verwoord in de directieraad van 3.10.2001 en van 21.2.2002. Mevrouw Popleu kreeg intussen de kans autonoom te werken, maar ze kon ook niet volledig overtuigen dat zij een hogere functie aankan. De kandidaat beschikt over kwaliteiten van jurist wat analyse en redactie betreft. Zij lijkt meer geschikt om ‘alleen’ te werken. Wanneer relaties met collega’s in stand moeten worden gehouden, veroorzaakt haar karakter veeleer conflicten dan een harmonieuze arbeidsrelatie. De kandidaat beschikt thans niet over de kwaliteiten om een dienst te leiden zoals vermeld in de functiebeschrijving.” - bij de beoordeling van haar bezwaarschrift: “De goede samenwerking die zij had met collega’s in een werkgroep is geen indicatie naar de relaties die men heeft tot een team waarvan men de leiding heeft. Het directiecomité noteert dat Mevrouw Popleu tijdens de hoorzitting heeft bevestigd dat er zich relationele problemen voordoen. Het feit dat zij steeds advies moest vragen aan twee dienstchefs kan geen argument zijn om haar eventuele opdringerigheid en relationele problemen te verklaren. [...] Mevrouw Popleu heeft het Directiecomité niet overtuigd van haar leidinggevende capaciteiten. Dit blijkt uit haar antwoord op de vraag inzake prioriteiten waar zij het uitsluitend heeft over expertise. Het directiecomité bevestigt haar vooropgestelde rangschikking.” Dit wordt ook nog bevestigd door de beoordeling van het directiecomité van de kandidatuur van de verzoekster bij de vergelijking van de verschillende kandidaturen: IX-5516-26/28 “Mevrouw Popleu heeft enkele medewerkers begeleid toen zij belast was met de dienst Algemene Zaken. Het profiel van de kandidaat past evenwel veeleer voor individueel werk dan voor de organisatie en leiding van een team medewerkers.” “Mevrouw Popleu zou de goede werking van een dienst kunnen verstoren door haar opdringerig gedrag ten aanzien van haar collega’s.” “De dames Eeckhoudt, Hamer en Van Oost en de heren Nennen, Van Outrive en Vanhoutte bezitten de nodige menselijke kwaliteiten en ervaring om harmonieus te kunnen functioneren binnen een team, bekwaamheden die in mindere mate aanwezig zijn bij de heren Ide en Lefebvre en bij mevrouw Popleu.” Uit deze motiveringen blijkt afdoende dat de verzoekster niet werd geselecteerd omdat zij geen blijk gaf van de nodige kwaliteiten om een dienst te leiden. Gelet op het globale karakter van de beoordeling op basis van gewogen evaluatiecriteria, is er dan ook geen sprake van enige tegenstrijdigheid indien de verzoekster voor enkele criteria - zoals bijvoorbeeld de taalkennis - beter werd beoordeeld dan bepaalde andere kandidaten, maar zij toch niet werd voorgedragen voor benoeming. De verzoekster toont niet aan dat deze globale beoordeling kennelijk onredelijk zou zijn. 24. Het tweede onderdeel van het enige middel is niet gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. IX-5516-27/28 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 22 februari 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Bert Thys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-5516-28/28 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.133 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div