← België

Arrest 201134 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 22/02/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.134 Rolnummer: A. 176631/X-13012 Zaak: Arrest 201134 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 22/02/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-03 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-02 08:57 Fiche Arrest nr 201.134 van 22 februari 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 201.134 van 22 februari 2010 in de zaak A. 176.631/X-13.

  1. In zake: de b.v.b.a. ODDI gevestigd te 9160 LOKEREN Nieuwpoortstraat 120 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Godfried De Smedt kantoor houdend te 9160 LOKEREN Roomstraat 40 tegen: de deputatie van de provincieraad van OOST-VLAANDEREN --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  2. Het beroep, ingesteld op 11 september 2006, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 13 juli 2006 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen houdende verwerping van het beroep van de b.v.b.a. ODDI tegen het besluit van 27 maart 2006 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Lokeren waarbij de vergunning wordt geweigerd voor de regularisatie van een natuurvijver op een perceel gelegen te Lokeren, Nieuwpoortstraat 120, kadastraal bekend sectie D, nrs. 2514/L en 2525/R. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. X-13.012-1/11 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 januari
  4. Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Marie-Laure De Smedt, die loco advocaat Godfried De Smedt verschijnt voor de verzoekende partij, en Anne-Marie De Geest, bestuurssecretaris, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. Op 28 november 2005 (datum van het ontvangstbewijs) vraagt de verzoekende partij bij het stadsbestuur van Lokeren een regularisatievergunning aan voor “aanleg natuurvijver” op een terrein te Lokeren, Nieuwpoortstraat 120, kadastraal bekend sectie D, nrs. 2514/L en 2525/R. In een bij de aanvraag gevoegde brief wordt onder meer het volgende gesteld: “Bij deze doen wij een aanvraag om op dit goed: - Een natuurvijver te graven en aan te leggen met afmetingen +/- 12 m x 8m - Een prieeltje te plaatsen aan de oevers van deze vijver van 3m x 3m”. 3.
  7. Het voormelde terrein is overeenkomstig het op 7 november 1978 vastgestelde gewestplan Sint-Niklaas-Lokeren gelegen in agrarisch gebied. Het is niet gelegen binnen de grenzen van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. 3.
  8. Op 5 december 2005 geeft de afdeling Land een ongunstig advies omtrent de aanvraag, waarin onder meer het volgende wordt gesteld: X-13.012-2/11 “Vanuit landbouwkundige overwegingen kan worden aanvaard dat op de normale huiskavel binnen het voorziene woongebied een eigentijdse tuin met vijver wordt aangelegd, maar er kan niet worden aanvaard dat het achterliggend landbouwgebied en/of open ruimte verder wordt ingenomen voor verdere ‘residentialisering’ van deze ruimte: dit is duidelijk strijdig met de agrarische gebiedsbestemming die er nu bestaat. Verder zou dat ook betekenen dat hier juridisch agrarisch gebied blijft bestaan dat meegerekend wordt om tot de 750.000 ha agrarisch gebied te komen zoals vastgelegd in het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen en dat feitelijk geen agrarisch gebied meer is! Indien men het verantwoord acht hier de bestemming te wijzigen zal dat dan ook effectief dienen te gebeuren via duidelijke beleidskeuzes in het kader van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan in een RUP”. 3.
  9. Op 6 februari 2002 geeft het college van burgemeester en schepenen van de stad Lokeren een gunstig preadvies, vermits “de al dan niet aanwezigheid van de vijver (...) niets (verandert) aan het huidig gebruik van de desbetreffende achtergronden die beschouwd kunnen worden als een geheel uitmakend met de achterliggende tuin”. 3.
  10. Op 16 maart 2006 geeft de gemachtigde ambtenaar een ongunstig advies, waarin onder meer het volgende wordt gesteld: “Overwegende dat een vijver als een normale accommodatie kan worden beschouwd bij een residentiële woning; Overwegende echter dat de aanvraag niet in overeenstemming is met de bepalingen van het bovenvermeld gewestplan; Overwegende tevens dat de mogelijkheid bestaat om de vijver te voorzien in de tuinstrook, binnen het woongebied met landelijk karakter, mede gelet op het ongunstig advies van de afdeling Land waarin wordt gesteld dat de open ruimte wordt ingenomen voor verdere residentialisering, wat duidelijk strijdig is met de bestemming van het agrarisch gebied”. 3.
  11. Op 27 maart 2006 weigert het college de gevraagde vergunning te verlenen, met verwijzing naar het ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar. 3.
  12. Op 8 mei 2006 stelt de verzoekende partij administratief beroep in tegen de weigeringsbeslissing van het college. In dit beroepsschrift wordt onder meer het volgende gesteld: “de argumenten, aangebracht door de gemachtigde ambtenaar alsmede door de afdeling Land, (kunnen) niet overtuigen en wel om volgende redenen: Ten eerste sluit het perceel waarop de natuurvijver is aangelegd, volledig aan op de tuin, gelegen achter de woning van de verzoekster en maakt er als het ware deel van uit; (...) X-13.012-3/11 De aankoop van het desbetreffende perceel ‘achtergrond’ had precies tot doel om te worden ingelijfd bij de reeds bestaande eigendom van verzoekster. Het stuk achtergrond maakte destijds immers deel uit van een groter geheel en werd precies met het oog op de inlijving bij de aan de Nieuwpoortstraat grenzende bouwpercelen, door de vorige eigenaar verdeeld in vier stukken. (...) Ten tweede is het onmogelijk om in de tuin achter de woning bedoelde vijver aan te leggen gezien zich in deze tuin reeds een tuinhuis, een verplaatsbaar zwembad en diverse aanplantingen bevinden en de resterende oppervlakte niet toelaat om bedoelde vijver aan te leggen; (...) Ten derde het perceel waarop de natuurvijver werd aangelegd vormt een, van het agrarisch gebied, afgesloten eenheid met een oppervlakte van ± 475 m² (...) Het perceel in kwestie is aan alle zijden omheind en is bijkomend aan de zuidoost zijde afgescheiden door een natuurlijke gracht. (...) Door deze ingeslotenheid kan het perceel nooit of te nimmer nog deel uitmaken van een ruimer agrarisch gebied; Op dergelijke minieme oppervlakte is überhaupt geen enkele (economisch rendabele) landbouwactiviteit mogelijk; Ten vierde moet opgemerkt worden dat, als men de toestand ter plaatse in acht neemt, de naastliggende percelen (...) die eveneens tot het ‘agrarisch gebied’ behoren, in min of meerdere mate werden aangelegd als tuin (door o.m. aanleg gazon, bouw tuinhuis, edm.), waardoor elk agrarisch karakter aan de betrokken zone wordt ontnomen. (...) Ten vijfde is de aangelegde vijver opgevat als een natuurvijver met grondwater en dus geen siervijver. De grond op het perceel is er van nature zeer drassig, reden waarom een natuurvijver hier als de meest voor de hand liggende oplossing werd ervaren”. 3.
  13. Op 13 juli 2006 verwerpt de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen het beroep van de verzoekende partij. Dit is het bestreden besluit, waarin onder meer het volgende wordt gesteld: “dat de aanvraag in strijd is met de bestemmingsbepaling van het agrarisch gebied meer bepaald omdat de aanvraag niet in functie staat van een agrarische of para-agrarische bedrijvigheid; Overwegende dat volgens artikel 145sexies § 1 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening in alle gebieden die op de gewestplannen zijn aangewezen naast de werkzaamheden, handelingen en wijzigingen die gericht zijn op de realisatie van de bestemming ook werkzaamheden, handelingen en wijzigingen, activiteiten of inrichten kunnen worden toegestaan die gericht zijn op de instandhouding, de ontwikkeling en het herstel van de natuur en het natuurlijke milieu en van landschapswaarden, voor zover ze door hun beperkte impact de realisatie van de algemene bestemming niet in het gedrang brengen; Overwegende dat de wetgeving op de ruimtelijke ordening en de stedenbouw de bevoegde overheid opdraagt een verantwoorde toekomstige aanleg te waarborgen en dat hiertoe op grond van artikel 43 § 2 1e lid van het bovenvermeld decreet van 22 oktober 1996 de nodige voorwaarden kunnen gesteld worden of tot de weigering besloten; dat elke aanvraag aldus dient beoordeeld met het oog op een verantwoorde stedenbouwkundige uitbouw van het betrokken gebied; Overwegende dat de aanvraag betrekking heeft op het regulariseren van een natuurvijver op een terrein aansluitend bij de residentiële woonkavel van de X-13.012-4/11 aanvrager, de vijver wordt ingeplant binnen een straal van 50m rond de woning in agrarisch gebied; dat een vijver als een normale accommodatie kan beschouwd worden bij een residentiële woning doch dat de aanvraag er eigenlijk op neerkomt de landbouwgrond om te vormen tot tuin; dat de natuurwaarde van deze vijver eerder beperkt is gelet op de kunstmatige uitvoering met rechte en steile wanden en zonder moeraszones, de ruimte errond is aangeplant met sierstruiken en bomen; dat uit voorgaande volgt dat de aanvraag niet voldoet aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 145sexies §1; dat de aanvraag strijdig is met de juridische bestemming van het agrarisch gebied, een bestemmingswijziging dient te gebeuren via duidelijke beleidskeuzes en volgens een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan; Overwegende dat het agrarisch gebied niet gebaat is met een verdere verresidentialisering van de landbouwgronden, wat toch één van de gevolgen is van voorliggend voorstel; dat in deze optiek wordt opgemerkt dat het eigendom aan de achterzijde wel degelijk paalt aan een landbouwperceel zodat er geen sprake is van een geïsoleerd gelegen perceel; dat er mogelijkheid is om deze vijver te realiseren in de tuinstrook, binnen het woongebied met landelijk karakter; Overwegende dat de totaliteit van de in aanvraag opgenomen werken uit ruimtelijk en stedenbouwkundig oogpunt onaanvaardbaar zijn”. IV. Onderzoek van de middelen A.Uiteenzetting van de middelen 4.1.
  14. In het eerste middel wordt de “schending van de motiveringsverplichting” ingeroepen. In het verzoekschrift wordt het middel als volgt toegelicht: “
  15. Overwegende dat de bestreden beslissing dd. 13 juli 2006 van de Bestendige Deputatie nietig is omdat zij onvoldoende gemotiveerd is. Dat ingevolge de wet van 29 juli 1991 (B.S. 12.09.1991) elke administratieve rechtshandeling met een individuele strekking die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden - quod est in casu -

(1)gegrond moet zijn op motieven,
(2)die afdoende moeten zijn
(3)en die in de akte zelf op omstandige wijze staat beschreven’. Dat de kenmerken waaraan de formele motivering moet beantwoorden de volgende zijne: • de motivering impliceert dat verwezen wordt naar de concrete feiten die ten grondslag liggen van de beslissing; • de motivering moet de toepasselijke jurisdictionele regels vermelden waarop de beslissing is gebaseerd; • de motivering moet tevens aangeven hoe en waarom de aangehaalde juridische regels tot de beslissing in kwestie hebben geleid. Dat de verplichting om dergelijke administratieve rechtshandelingen formeel te motiveren immers beschouwd moet worden als een uitvloeisel van het fundamentele recht van de burger op informatie in zijn betrekkingen met het bestuur. X-13.012-5/11 Van groot belang is tevens dat opdat de juridische en de feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen als ‘afdoende’ bestempeld kunnen worden, deze pertinent, correct en ter zake dienend moeten zijn. Een vage, onduidelijke, irrelevante, ongeldige, onnauwkeurige of niet-plausibele motivering volstaat niet. Anders gezegd, de motivering moet zowel juridisch als feitelijk correct zijn.
  1. Dat verzoekende partij ten zeerste gegriefd is door de beslissing van de Bestendige Deputatie waar deze het hoger beroep tegen de beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen niet heeft ingewilligd. Dat de Bestendige Deputatie daarbij niet of niet afdoende gemotiveerd heeft geantwoord op de grieven welke door verzoekende partij werden uiteengezet in haar aangetekend schrijven dd. 8 mei 2006 houdende beroep tegen de beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen. Dat de grieven van verzoekende partij als volgt samengevat konden worden: 1) het perceel achtergrond werd precies verdeeld en verkocht met het doel tot inlijving bij de aan de Nieuwpoortstraat grenzende percelen; 2) het is onmogelijk om in de tuin achter de woning bedoelde vijver aan te leggen vermits er onvoldoende oppervlakte rest; 3) het perceel ‘achtergrond’ waarin de natuurvijver zich bevindt vormt een van het achterliggende agrarisch gebied afgesloten eenheid daar het aan alle zijden omheind is en afgescheiden is door een natuurlijke gracht; (...) 4) de naastliggende percelen aan dat van verzoekende partij behoren eveneens tot agrarisch gebied en werden aangelegd als tuin waarin onder andere een tuinhuisjes werden aangeplant; (...) 5) De aangelegde vijver is geen siervijver, maar is opgevat als natuurvijver met grondwater; (...) Dat in de bestreden beslissing TOTAAL NIET geantwoord werd op de eerste en de vierde hoger vermelde grief van verzoekende partij. Dat wat betreft de tweede hoger vermelde grief de bestreden beslissing het volgende bepaalt: ‘dat er mogelijkheid is om deze vijver te realiseren in de tuinstrook, binnen het woongebied met landelijk karakter.’ Dat deze stelling regelrecht in strijd is met de grief van verzoekende partij en met de werkelijkheid, dat verzoekende partij in haar aangetekend schrijven dd. 8 mei 2006 juist aangetoond heeft dat er onvoldoende resterende oppervlakte is om de vijver binnen de oorspronkelijke tuin aan te leggen. Dat in de bestreden beslissing dan ook niet gemotiveerd wordt waarom de vijver wel binnen de oorspronkelijke tuinstrook gerealiseerd zou kunnen worden. Dat wat betreft de derde grief de bestreden beslissing het volgende bepaalt: ‘dat in deze optiek wordt opgemerkt dat het eigendom aan de achterzijde wel degelijk paalt aan een landbouwperceel zodat er geen sprake is van een geïsoleerd perceel.’ Dat ook deze stelling niet afdoende gemotiveerd is om reden en zelfs feitelijk onjuist is aangezien het bewuste perceel achtergrond sinds jaar en dag omzoomd is met +/- 100 knotwilgen en afgescheiden is van de achterliggende landbouwgrond met een gracht. (...) Dat het kwestieuze perceel achtergrond om die reden zelfs niet meer kan gebruikt worden als landbouwgrond gelet op de ontoegankelijkheid ervan langs de achterliggende landbouwgrond. In de bestreden beslissing wordt niet gemotiveerd waarom met deze vaststaande feiten geen rekening wordt gehouden. Dat kwestieuze stelling regelrecht indruist tegen de stukken van het dossier. Dat wat betreft de vijfde grief van verzoekende partij de bestreden beslissing het volgende bepaalt: ‘dat de natuurwaarde van de vijver eerder beperkt is gelet op de kunstmatige uitvoering met rechte en steile wanden en zonder moeraszones, de ruimte errond is aangeplant met sierstruiken en bomen.’ X-13.012-6/11 Dat ook dit onderdeel van de motivering niet correct en te weinig gemotiveerd is. Dat het perceel van nature uit drassig is, dat gebruikt wordt gemaakt van grondwater, waardoor het waterpeil van de vijver onderhevig is aan de seizoenen, t.t.z. veel water in de winter, weinig water in de zomer, waardoor de natuurvijver zelfs eerder als poel dan als vijver te beschouwen is. Dat wanden werden aangebracht om dichtslibbing te voorkomen, dat van de wanden van de vijver overigens niets meer te zien is. Dat de bestreden beslissing geen enkele rekening heeft gehouden met deze argumenten, en dat zelfs niet gemotiveerd wordt waarom er geen rekening mee werd gehouden.
  2. Dat de bestreden beslissing er zonder meer vanuit gaat dat de aanvraag tot regularisatie van de betrokken natuurvijver de verresidentialisering van de landbouwgronden tot gevolg heeft. Dat deze stelling niet afdoende gemotiveerd wordt en zelfs gesteund is op incorrecte en eenzijdige gevolgtrekkingen van de Bestendige Deputatie. Dat immers uit de stukken blijkt dat de natuurvijver geen residentieel karakter heeft, doch eerder aansluit bij het agrarische karakter van de achterliggende doch afgescheiden landbouwgronden. Dat de bestreden beslissing niet naar recht verantwoord waarom zij de natuurvijver als residentieel bestempeld. Dat samengevat de bestreden beslissing van de Bestendige Deputatie niet voldoet aan de substantiële motiveringsverplichting aangezien zij zowel juridisch als feitelijk niet, minstens niet afdoende gemotiveerd is”. 4.1.
  3. In het tweede middel wordt “schending van de wet” aangevoerd. In het verzoekschrift wordt het middel als volgt toegelicht: “Overwegende dat de administratieve overheid een schending begaat van de wet in haar motieven in rechte in geval haar beslissing niet gegrond is op een wettelijke juridische basis of in het geval zij het bestaan, de draagwijdte of de uitvoeringsmodaliteiten van haar eigen bevoegdheden miskent. Overwegende dat het daarbij tot de taak van de Raad van State behoort om na te gaan of de administratieve overheid in alle redelijkheid tot de door haar gedane vaststellingen van de feiten is kunnen komen of er in het dossier geen gegevens zijn die onverenigbaar zijn met die vaststellingen. Dat het de stelling is van verzoekende partij dat de bestreden beslissing gebaseerd is op een manifest verkeerde vaststelling van de feiten, die van doorslaggevende aard geweest is bij het nemen ervan, waardoor kwestieuze bestreden beslissing in strijd is met de wettelijke bepalingen. Overwegende dat artikel 145sexies § 1 van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening in alle gebieden die op de gewestplannen zijn aangewezen naast de werkzaamheden, handelingen en wijzigingen die gericht zijn op de realisatie van de bestemming ook werkzaamheden, handelingen en wijzigingen, activiteiten of inrichtingen kunnen worden toegestaan die gericht zijn op de instandhouding, de ontwikkeling en het herstel van de natuur en het natuurlijke milieu en van landschapswaarden, voor zover ze door hun beperkte impact de realisatie van de algemene bestemming niet in het gedrang brengen. (...) Dat toegepast op feitelijke situatie in casu, regularisatie van de natuurvijver mogelijk is:
(1)Het betreft een natuurvijver, eerder een poel, waarbij gebruik gemaakt wordt van de grondwaterstand, m.a.w. de poel is onderhevig aan de seizoenen. Verder is deze poel -welke zonder enig menselijk ingrijpen gevuld zit met honderden kikvorsjes, X-13.012-7/11 stekelbaarzen en andere kleine visjes - een aantrekkingspunt van allerhande (water)vogels. Er werden verder geen sierelementen zoals fonteinen, beeldhouwwerken, etc...aangebracht. Dat zulks afdoende uit de stukken blijkt. Met andere woorden, de vijver is wel degelijk gericht op instandhouding, ontwikkeling of herstel van de natuur, natuurlijke milieu en landschapswaarden.
(2)De vijver heeft geen enkele, minstens slechts een zeer beperkte impact op de algemene bestemming. Het perceel achtergrond waarop de vijver aangebracht werd was reeds sedert jaar en dag langs alle zijden omzoom(
  1. d)door knotwilgen en was van de achterliggende landbouwgronden gescheiden door een gracht van +/- 1 meter breedte. Mede daardoor en mede door het feit dat het perceel zeer drassig van aard was en nog steeds is, kwam/komt het perceel achtergrond als dusdanig niet meer in aanmerking voor veeteelt en/of teelt van gewassen. De impact op de algemene bestemming is met andere woorden nihil, integendeel, de vijver bevordert het landelijk en natuurlijk karakter van de omgeving. Dat de bestreden beslissing op geen enkele wijze rekening heeft gehouden met voormelde vaststaande feiten, sterker nog, dat zonder enige motivatie een manifeste verkeerde draagwijdte aan de feiten werd gegeven. Dat samengevat de aanvraag van verzoekende partij tot regularisatie van de natuurvijver wel degelijk binnen het toepassingsgebied van artikel 145sexies § 1 van het decreet van 18 mei 1999 valt. Dat de bestreden beslissing derhalve in strijd is met de wettelijke bepaling”. 4.1.3. In het derde middel wordt de schending aangevoerd van het gelijkheidsbeginsel. In het verzoekschrift wordt het middel als volgt toegelicht: “Overwegende dat de eigenaars van de naburige percelen aan het perceel van verzoekende partij ook eenzelfde stuk achtergrond hebben aangekocht, zoals is te zien op stuk (...). Dat ook deze achtergronden werden ingelijfd bij de respectievelijke bestaande tuinen. Dat deze achtergronden "bebouwd" zijn met een tuinhuis, een garage, een vijver, een terras met chalet,.... Dat verzoekende partij dit staaft met (...) Dat bovendien alle voormelde percelen beschikken over een volledig aangelegde tuin. Dat deze directe buren van verzoekende partij niet worden gesanctioneerd en dat de door hen opgerichte ‘gebouwen’ zonder meer worden gedoogd en mogelijks zelfs zijn geregulariseerd. Dat dit een feitelijke vaststelling inhoudt van een ongelijke behandeling. Dat verzoekende partij deze ongelijkheid heeft opgeworpen bij de Bestendige Deputatie. Dat in de bestreden beslissing van de Bestendige Deputatie zelfs niet wordt geantwoord op dit argument. Dat in de bestreden beslissing aldus manifest het gelijkheidsbeginsel wordt miskend. Dat het Gecoördineerde Decreet inzake ruimtelijke ordening de bevoegde overheid verplicht zich een opvatting te vormen omtrent de bestemming van het perceel en dat van de buurt waarin het perceel is gelegen. Dat deze opvatting, op straffe van willekeur en miskenning van het gelijkheidsbeginsel, een zekere continuïteit moet vertonen. X-13.012-8/11 Dat in casu vastgesteld dient te worden dat de bestuurlijke overheden voor zichzelf een bepaalde gedragslijn aangenomen hebben en dat deze gedragslijn niet doorgetrokken wordt in dit dossier. Dat dit een schending van het gelijkheidsbeginsel uitmaakt”. B. Beoordeling van de middelen 4.2.1. Artikel 145sexies, § 1 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO), luidt als volgt: “In alle gebieden die op de gewestplannen zijn aangewezen, kunnen naast de werkzaamheden, handelingen en wijzigingen die gericht zijn op de realisatie van de bestemming ook werkzaamheden, handelingen en wijzigingen, activiteiten of inrichtingen worden toegestaan die gericht zijn op de instandhouding, de ontwikkeling en het herstel van de natuur en het natuurlijk milieu en van landschapswaarden, voorzover ze door hun beperkte impact de realisatie van de algemene bestemming niet in het gedrang brengen”. 4.2.2. In zoverre de verzoeker de schending inroept van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen dient het middel te worden begrepen als zijnde afgeleid uit de schending van het toenmalige artikel 53, § 3 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996. 4.2.3. Aan de opgelegde motiveringsplicht is voldaan wanneer de uitspraak over het administratief beroep duidelijk de met de plaatselijke aanleg of ruimtelijke ordening verband houdende redenen opgeeft waarop de overheid haar beslissing steunt, derwijze dat het de aanvrager of belanghebbende derden mogelijk is met kennis van zaken tegen de beslissing op te komen, en dat de Raad van State de hem opgedragen wettigheidscontrole kan uitoefenen. Om aan die motiveringsplicht te voldoen is het dus niet vereist dat op alle in het beroep aangevoerde argumenten wordt geantwoord. In de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht is de Raad van State enkel bevoegd om na te gaan of de bevoegde administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is gekomen. 4.2.4. In het bestreden besluit wordt vooreerst gesteld dat “de aanvraag in strijd is met de bestemmingsbepaling van het agrarisch gebied”. Deze overweging wordt door de verzoekende partij niet bekritiseerd. X-13.012-9/11 Daargelaten de vraag of de overweging een dragend motief van het bestreden besluit is, blijkt uit de gegevens van de zaak niet dat de verwerende partij de feitelijke gegevens onjuist zou hebben beoordeeld door te overwegen dat “er mogelijkheid is om deze vijver te realiseren in de tuinstrook”, temeer daar de verzoekende partij in haar beroepschrift bij de bestendige deputatie heeft gesteld dat er zich momenteel in deze tuinstrook “een tuinhuis, een verplaatsbaar zwembad en diverse aanplantingen bevinden”. Dat het achterliggende perceel zoals de verzoekende partij opwerpt “omzoomd is met +/- 100 knotwilgen en afgescheiden is van de achterliggende landbouwgrond met een gracht”, doet geen afbreuk aan de overweging in het bestreden besluit dat het grenst aan een landbouwperceel. Het middel bekritiseert de feitelijke vaststellingen van het bestreden besluit niet waarin wordt gewezen op “de kunstmatige uitvoering met rechte en steile wanden en zonder moeraszones” van de vijver en op het feit dat de ruimte rond de vijver “is aangeplant met sierstruiken en bomen”. In het aan de verwerende partij gericht beroepsschrift heeft de verzoekende partij met betrekking tot de vijver enkel het volgende aangevoerd: “de aangelegde vijver (
  2. is)opgevat als een natuurvijver met grondwater en dus geen siervijver. De grond op het perceel is er van nature zeer drassig, reden waarom een natuurvijver hier als meest voor de hand liggende oplossing werd ervaren”. Het is niet kennelijk onredelijk dat de verwerende partij op grond van de beschikbare gegevens geoordeeld heeft dat “de natuurwaarde van deze vijver eerder beperkt is”. Aan die vaststelling wordt geen afbreuk gedaan door elementen die de verzoekende partij - in navolging van haar beroepsschrift in de administratie procedure - aanvoert, zoals het feit dat gebruik wordt gemaakt van grondwater. Het gaat niet op dat de verzoekende partij pas voor de Raad van State nieuwe feitelijke gegevens met betrekking tot de vijver voorbrengt en deze op grond hiervan een nieuwe kwalificatie als poel geeft. Om aan de motiveringsplicht te voldoen was het niet vereist dat in het bestreden besluit werd geantwoord op de in het administratief beroep aangevoerde argumenten dat de “achtergrond” precies werd aangekocht om hem “in te lijven” bij zijn woonperceel en dat ook de “achtergronden” van naastliggende percelen tot tuin werden omgevormd. X-13.012-10/11 De verzoekende partij slaagt er niet in om de onwettigheid aan te tonen van het oordeel in het bestreden besluit dat “de aanvraag niet voldoet aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 145sexies §1”. 4.2.5. Het gelijkheidsbeginsel verzet zich ertegen dat personen die zich in dezelfde toestand bevinden ongelijk behandeld worden, tenzij er voor het verschil in behandeling een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. De verzoekende partij die aanvoert dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden, moet dit in het verzoekschrift met voldoende concrete en precieze gegevens aantonen. De verzoekende partij voldoet niet aan de laatstgenoemde voorwaarde aangezien hij geen enkele concrete regularisatievergunning voor een bouwwerk op een “achtergrond” van de opgegeven percelen aanhaalt maar er zich toe beperkt te stellen dat dergelijke bouwwerken “mogelijks zelfs zijn geregulariseerd”. 4.2.6. De drie middelen zijn ongegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tweeëntwintig februari 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Roger Stevens X-13.012-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.134 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.