id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.136 Rolnummer: A. 181944/X-13223 Zaak: Arrest 201136 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 22/02/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-03 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-07-02 08:57 Fiche Arrest nr 201.136 van 22 februari 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 201.136 van 22 februari 2010 in de zaak A. 181.944/X-13.223. In zake: 1. Patrick VAN VYNCKT 2. Victor CLEYMAET bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Opsommer kantoor houdend te 9700 OUDENAARDE Kasteelstraat 8 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: 1. de gemeente NEVELE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bert Roelandts en Laurent Proot kantoor houdend te 9000 GENT Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen 2. de deputatie van de provincieraad van OOST-VLAANDEREN --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 24 maart 2007, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 11 januari 2007 van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen houdende goedkeuring van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Lokaal bedrijventerrein” van de gemeente Nevele, en “bij samenhang” van het besluit van de gemeenteraad van Nevele van 24 oktober 2006 houdende definitieve vaststelling van dit gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 24 januari 2007. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 173.961 van 13 augustus 2007 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. X-13.223-1/21 De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Ann Eylenbosch heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De eerste verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 november 2009. Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Laurent Proot, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, is gehoord. Auditeur Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Bij besluit van 31 januari 2006 stelt de gemeenteraad van Nevele het ontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Lokaal bedrijventerrein” voorlopig vast. 3.2. Tijdens het openbaar onderzoek, georganiseerd van 9 maart 2006 tot en met 8 mei 2006, worden meerdere bezwaarschriften ingediend, onder meer door de verzoekers. X-13.223-2/21 3.3. Bij besluit van 5 mei 2006 verleent de Vlaamse minister bevoegd voor de ruimtelijke ordening een voorwaardelijk gunstig advies over het ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan. Ook de bestendige deputatie verleent op 4 mei 2006 een voorwaardelijk gunstig advies over het ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan. De gemeentelijke commissie voor de ruimtelijk ordening (hierna: GECORO) heeft na het openbaar onderzoek geen advies verleend binnen de gestelde termijn. 3.4. Bij het tweede bestreden besluit van 24 oktober 2006 heeft de gemeenteraad van Nevele de bezwaren beantwoord en het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Lokaal bedrijventerrein” definitief vastgesteld. 3.5. Bij het eerste bestreden besluit van 11 januari 2007 heeft de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Lokaal bedrijventerrein” van de gemeente Nevele goedgekeurd. Dit goedkeuringsbesluit is bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 24 januari 2007. IV. Ontvankelijkheid van het beroep 4.1. De eerste verwerende partij betwist de hoedanigheid en het belang van de verzoekers. In het bijzonder werpt zij op dat de verzoekers hun hoedanigheid niet bewijzen en geen wettig belang hebben bij de gevraagde vernietiging. 4.2. In bijlage bij de memorie van wederantwoord brengen de verzoekers de nodige bewijsstukken bij ter staving van hun hoedanigheid van pachter van de door het bestreden plan getroffen gronden, respectievelijk eigenaar van een aan het plangebied onmiddellijk aanpalend goed. Zij doen hierdoor in beginsel blijken van het rechtens vereiste belang. Te dezen brengt de verwerende partij geen argumenten bij die tot een andere conclusie nopen. 4.3. De exceptie kan niet worden aangenomen. X-13.223-3/21 V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 5. In een eerste middel voeren de verzoekers de schending aan van artikel 8, §§ 1 en 2 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid (hierna : DIWB), “Doordat het eerste bestreden besluit een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan goedkeurt, vastgesteld door het tweede daarmee samenhangende bestreden besluit, zonder dat voldaan werd aan de watertoets zoals bepaald in artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid. Terwijl voormeld artikel 8 enerzijds uitdrukkelijk het volgende bepaalt: § 1. De overheid die over een vergunning, een plan of programma moet beslissen, draagt er zorg voor, door het weigeren van de vergunning of door goedkeuring te weigeren aan het plan of programma dan wel door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan of programma, dat geen schadelijk effect ontstaat of zoveel mogelijk wordt beperkt en, indien dit niet mogelijk is, dat het schadelijk effect wordt hersteld of, in de gevallen van de vermindering van de infiltratie van hemelwater of de vermindering van ruimte voor het watersysteem, gecompenseerd. Wanneer een vergunningsplichtige activiteit, een plan of programma, afzonderlijk of in combinatie met een of meerdere bestaande vergunde activiteiten, plannen of programma’s, een schadelijk effect veroorzaakt op de kwantitatieve toestand van het grondwater dat niet door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan of programma kan worden voorkomen, kan die vergunning slechts worden gegeven of kan dat plan of programma slechts worden goedgekeurd omwille van dwingende redenen van groot maatschappelijk belang. In dat geval legt de overheid gepaste voorwaarden op om het schadelijke effect zoveel mogelijk te beperken, of indien dit niet mogelijk is, te herstellen of te compenseren. § 2. De overheid houdt bij het nemen van die beslissing rekening met de relevante door de Vlaamse regering vastgestelde waterbeheerplannen, bedoeld in hoofdstuk VI, voorzover die bestaan. De beslissing die de overheid neemt in het kader van § 1 wordt gemotiveerd, waarbij in elk geval de doelstellingen en de beginselen van het integraal waterbeleid worden getoetst. En anderzijds beide bestreden beslissingen erkennen dat de ontwikkeling van het terrein als een lokaal bedrijventerrein een effect zal hebben op de bestaande waterhuishouding omdat de vandaag onbebouwde percelen na realisatie van het GRUP volledig zullen bebouwd en verhard worden; Zodat de bestreden beslissingen nietig zijn wegens schending van artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid. Toelichting : Voormeld decreet trad in werking op 24/11/2003. Bij het nemen van de bestreden besluiten waren verweerders gebonden door dit decreet. Uit de memorie van toelichting blijkt dat ook op het niveau van de planvorming een watertoets dient te worden uitgevoerd. X-13.223-4/21 In de Toelichtingsnota van februari 2006 wordt het volgende gesteld over de watertoets: ‘Het decreet integraal waterbeleid van 18 juli 2003 bepaalt dat voor elk (ruimtelijk) plan de watertoets moet gebeuren, nl. nagaan of het plan geen schadelijk effect heeft op het natuurlijk water(systeem). De zone waarop het RUP betrekking heeft, is volgens de kaarten van Natuurlijk Overstroombare Gebieden en van de Recent Overstroombare Gebieden niet gelegen in een watergevoelig gebied. De bestaande waterlopen die in de zone voorkomen worden maximaal gerespecteerd en worden ingebufferd. Indien nodig kunnen waterbekkens in de bufferzone worden aangelegd. De ontwikkelaar VENECO zal in de verkoopsovereenkomsten een maximum afvoernorm van 21/ha/sec opnemen. Bovendien leggen de stedenbouwkundige voorschriften op dat de verhardingsmogelijkheden van parkings en wegen maximaal waterdoorlatend moet zijn, zodat de repercussie van het RUP op de waterhuishouding heel beperkt is.’ De Vlaamse Minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening stelde in zijn advies uitdrukkelijk het volgende: ‘Overwegende dat voorliggend plan aanleiding geeft tot een substantiële toename van de bebouwing en verharding over een relatief omvangrijke oppervlakte en aldus moet onderzocht worden op zijn impact op de waterhuishouding, dat de ruimte en de manier moet aangegeven worden waarop het af te voeren hemelwater moet gebufferd worden, dat de watertoets in dit dossier op dit vlak te summier is opgesteld.’ Artikel 8 van voormeld decreet legt de verplichting op aan de verwerende partijen om preventief op te treden en de mogelijke schadelijke effecten zelf reeds te beoordelen op het niveau van de planning en indien nodig, het plan te weigeren of voorwaarden op te leggen. Artikel 3, § 2 17/ van het voormeld decreet definieert het begrip ‘schadelijk effect’: ‘Ieder betekenisvol nadelig effect op het milieu dat voortvloeit uit een verandering van de toestand van watersystemen of bestanddelen ervan die wordt teweeggebracht door een menselijke activiteit; die effecten omvatten mede effecten op de gezondheid van de mens en de veiligheid van de vergunde of vergund geachte woningen en bedrijfsgebouwen, gelegen buiten overstromingsgebieden, op het duurzaam gebruik van water door de mens, op de fauna, de flora, de bodem, de lucht, het water, het klimaat, het landschap en het onroerend erfgoed, alsmede de samenhang tussen een of meer van deze elementen;’ Uit de memorie van toelichting bij het ontwerp van voormeld decreet wordt aangaande de watertoets het volgende gesteld: ‘Dit artikel geeft uitvoering aan het principe van de integratie van integraal waterbeleid bij de planvorming en vergunningverlening. Telkens wanneer er een beslissing wordt genomen op andere beleidsterreinen van het Vlaamse Gewest en van de overige besturen, moet er op basis van dit artikel rekening worden gehouden met het integraal waterbeleid. De betrokken overheid moet dan als het ware het dossier aan een ‘watertoets’ onderwerpen vooraleer een beslissing te nemen. Deze ‘watertoets’ kan in het algemeen worden opgevat als het proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de mogelijke schadelijke effecten van plannen, programma’s of vergunningsbesluiten op het watersysteem. De grootste winst ligt dus bij de vroegtijdige informatievoorziening en afweging. Daarmee fungeert de ‘watertoets’ ook als een belangrijk preventief instrument.’ X-13.223-5/21 Dat verwerende partijen tekort komen aan deze verplichting en dat aan deze verplichting niet kan voldaan worden door het enkel en alleen uiten van intenties in de toelichtingsnota. Dat duidelijk blijkt uit de toelichtingsnota dat tweede verweerder zelfs niet de moeite heeft genomen om een onderzoek te voeren naar de mogelijke schadelijke effecten. Dat op geen enkele wijze blijkt dat verwerende partijen effectief een watertoets hebben uitgevoerd zoals opgelegd door artikel 8 van voormeld decreet. De loutere verwijzing naar een gewestelijke stedenbouwkundige verordening geeft geen voldoende garantie op dit punt. Zodat verwerende partijen artikel 8 van voormeld decreet geschonden hebben”. Beoordeling 6. In het inleidend verzoekschrift voeren de verzoekers, met verwijzing naar het advies van de minister van 5 mei 2006, aan dat het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan tekort schiet aan de verplichte watertoets door het enkel en alleen uiten van intenties in de toelichtingsnota van “februari 2006”, die zij citeren als volgt: “Het decreet integraal waterbeleid van 18 juli 2003 bepaalt dat voor elk (ruimtelijk) plan de watertoets moet gebeuren, nl. nagaan of het plan geen schadelijk effect heeft op het natuurlijk water(systeem). De zone waarop het RUP betrekking heeft, is volgens de kaarten van Natuurlijk Overstroombare Gebieden en van de Recent Overstroombare Gebieden niet gelegen in een watergevoelig gebied. De bestaande waterlopen die in de zone voorkomen worden maximaal gerespecteerd en worden ingebufferd. Indien nodig kunnen waterbekkens in de bufferzone worden aangelegd. De ontwikkelaar VENECO zal in de verkoopsovereenkomsten een maximum afvoernorm van 21/ha/sec opnemen. Bovendien leggen de stedenbouwkundige voorschriften op dat de verhardingsmogelijkheden van parkings en wegen maximaal waterdoorlatend moet zijn, zodat de repercussie van het RUP op de waterhuishouding heel beperkt is”. 7. Het middel, zoals uiteengezet in het inleidend verzoekschrift, is gesteund op een onvolledige lezing van het dossier en gaat kennelijk voorbij aan de aanvulling bij de toelichtingsnota en aan de waterparagraaf in het goedkeuringsbesluit van de deputatie, waarin wordt overwogen wat volgt: “Overwegende dat het decreet integraal waterbeleid van 18 juli 2003 bepaalt dat voor elk plan of programma de watertoets moet gebeuren, dat nagegaan moet worden of het plan geen schadelijk effect heeft op het natuurlijk watersysteem, dat de zone waarop het RUP betrekking heeft, volgens de kaarten van NOG’s en ROG’s niet gelegen is in een watergevoelig gebied, dat de bestaande waterlopen die in de zone voorkomen maximaal worden gerespecteerd en kunnen ingeschakeld worden in de waterbeheersing van het terrein, X-13.223-6/21 dat de ontwikkeling van het terrein als lokaal bedrijventerrein een effect heeft op de bestaande waterhuishouding, gezien het vandaag onbebouwd is en het water kan infiltreren, terwijl bij uitvoering van het RUP het gebied bebouwd en verhard zal worden, dat volgende raming kan gemaakt worden van het aantal liter water dat door de ontwikkeling van het gebied zal moeten worden afgevoerd naar bestaande waterlopen: dat de totale oppervlakte van het gebied (parkgebied niet inbegrepen) zo’n 5,4 ha bedraagt, dat de voorziene verharding binnen de wegenis een zone van 8.5m bedraagt (volgens het voorgesteld dwarsprofiel), dat verder uit de percentages opgenomen in de voorschriften kan berekend worden dat ong. maximaal 41500m² verhard kan worden (wegenis + lokaal bedrijventerrein), dat de kritische oppervlakte volgens de richtlijnen van de watertoets ong. 500m² bedraagt, dat hierdoor voor ong. 4100m² een oplossing gezocht moet worden, dat berekend kan worden dat bij dit maximaal verhardings- en bebouwingsscenario een buffer van ong. 615m² nodig is als de buffer 1m diep is, en een buffer van ong. 410m² als de buffer 1.5m diep is, dat er minimaal 3.550m² onverharde ruimte beschikbaar is op de private terreinen mogelijk is, dat de inrichting van een dergelijke buffer dus mogelijk en realistisch is, dat de hoeveelheid m² nog kan verminderd worden door infiltratie, vertraagde afvoer, groendaken en regenwaterputten, dat dit zal blijken uit de stedenbouwkundige aanvraag van elk perceel, dat de verplichting en garantie voor de aanleg van deze buffer opgenomen is in de gewestelijke stedenbouwkundige verordening die in het RUP van toepassing is, dat in het kader van de vergunningsprocedure hierdoor deze buffer (geheel of opgesplitst per bedrijf) zal opgelegd worden”. In het inleidend verzoekschrift worden deze overwegingen niet betwist. In de memorie van wederantwoord leveren de verzoekers dan, geconfronteerd met de beantwoording van het middel door de verwerende partijen, inhoudelijke kritiek op de hogervermelde overwegingen uit het goedkeuringsbesluit. Deze argumentatie, die betrekking heeft op de wettigheid van het bestreden plan en die de verzoekers reeds in het verzoekschrift hadden kunnen aanvoeren, geeft aan het middel een nieuwe grondslag en kan als zodanig niet voor het eerst in de memorie van wederantwoord worden opgeworpen. Zij is om deze reden niet ontvankelijk. 8. Artikel 8, §§ 1 en 2 DIWB legt de motiveringsverplichting inzake de watertoets uitdrukkelijk bij de goedkeurende overheid. De omstandigheid dat het vaststellingsbesluit van de gemeenteraad gebeurlijk dienaangaande geen of een niet afdoende motivering bevat, vitieert het bestreden plan derhalve niet. 9. Het middel is niet gegrond. X-13.223-7/21 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 10. In een tweede middel voeren de verzoekers de schending aan van artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : DRO), “Doordat het eerste bestreden besluit dd. 11/01/2007 het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan goedkeurt, vastgesteld door het tweede daarmee samenhangende bestreden besluit dd. 24/10/2006 dat uitvoering geeft aan het meer dan 8 jaar oude Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan van Nevele, goedgekeurd door de Vlaamse Minister bevoegd voor ruimtelijke ordening op 9 april 1998 (B.S. 26 juni 1998). Terwijl dit niet in overeenstemming is met artikel 4 van het decreet dd. 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening volgens dewelke de ruimtelijke ordening gericht is op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij de ruimte beheerd wordt ten behoeve van de huidige generatie, zonder dat de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden. Zodat de bestreden beslissing nietig is wegens schending van artikel 4 van voormeld decreet. Toelichting : Het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan van Nevele werd goedgekeurd door de bevoegde Vlaamse Minister op 9 april 1998. Ruimtelijke structuurplannen zijn beleidsdocumenten die het kader aangeven voor de gewenste ruimtelijke structuur. Zij geven een langetermijnvisie op de ruimtelijke ontwikkeling van het gebied in kwestie. Zij zijn erop gericht samenhang te brengen in de voorbereiding, de vaststelling en de uitvoering van beslissingen die de ruimtelijke ordening aanbelangen (artikel 18 van het Decreet dd. 15 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening). Overeenkomstig artikel 35 van voormeld decreet wordt een gemeentelijk structuurplan vastgesteld voor een termijn van 5 jaar en kan het te allen tijde geheel of gedeeltelijk herzien worden. Daaruit volgt dat ruimtelijk structuurplannen beleidsplannen zijn en aanpassingen soepel kunnen geschieden. Ruimtelijke uitvoeringsplannen geven dan weer uitvoering aan het ruimtelijke structuurplannen. Een ruimtelijke uitvoeringsplan kan omschreven worden als een plan dat een juridische concretisering aangeeft van de ruimtelijke ordening, waarvan de hoofdlijnen in het corresponderende structuurplan zijn weergegeven (...). Bij het opstellen en invoeren van beide plannen moet echter de doelstelling van de ruimtelijke ordening voor ogen gehouden worden. Deze doelstelling wordt verwoord in artikel 4 van het decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening: De ruimtelijke ordening is gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij de ruimte beheerd wordt ten behoeve van de huidige generatie, zonder dat de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden. Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Er wordt rekening gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, X-13.223-8/21 economische, esthetische en sociale gevolgen. Op deze manier wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit. Het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan ’98 van Nevele stelt in de bindende bepalingen van de economische structuur: Een lokaal bedrijventerrein (ambachtelijke zone) van ca 5ha wordt aangelegd, aanleunende bij de woonkern van Nevele ten behoeve van de herlokalisatie van de huidige zonevreemde bedrijven, het scheppen van uitwijkmogelijkheden voor de overige plaatselijke bedrijven, waarvoor geen ruimtelijk verantwoorde oplossing op de huidige locatie kan worden aangeboden en nieuwe lokale bedrijvigheid. (...) Deze bindende bepaling geldt echter enkel voor de gemeente Nevele (artikel 19, § 2 decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening). Ruim 8 jaar na vaststelling van structuurplan geeft het Gemeentelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan ‘Lokaal bedrijventerrein’ van Nevele, goedgekeurd door de Deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen uitvoering aan deze bepaling. De overwegingen echter die in 1998 aanleiding gaven tot het voorzien van een lokaal bedrijventerrein, zijn anno 2006-2007 achterhaald en gelden niet meer voor de ‘huidige generatie’ zoals gesteld in artikel 4 van het decreet betreffende de organisatie van de ruimtelijke ordening. De gemeente Nevele is zich hiervan terdege bewust. Te meer daar de gemeenteraad van Nevele op 28/05/2002 een principebeslissing houdende herziening van het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan goedkeurde. Ondertussen blijkt dat de meeste zonevreemde bedrijven, waarvan sprake in het structuurplan, geregulariseerd zijn, dat de overgrote meerderheid van de middenstanders geen herlokalisatie wensen en dat een lokaal bedrijventerrein van 5 ha economisch niet meer bruikbaar is. Met andere woorden, er is geen sprake van een op heden bestaande behoefte aan een lokaal bedrijventerrein en er ligt ook geen recente economische studie voor die het omgekeerde aantoont. Bovendien beantwoordt de lokalisatie van een lokaal bedrijventerrein in Nevele hoofddorp niet aan de vereiste van gelijktijdige afweging van de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten zoals gesteld in artikel 4 van het decreet betreffende de organisatie van de ruimtelijke ordening. Door het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Lokaal bedrijventerrein’ wordt de bestemming van het betrokken gebied gewijzigd. Voorheen had het betrokken gebied conform het gewestplan ‘Gentse kanaalzone’ als bestemming agrarisch gebied. Een omvangrijk gedeelte beschikbare gronden voor de landbouw verdwijnt. Bovendien voorziet het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan in een ontsluitingsweg (artikel 60) die dwars door een kwetsbare open ruimte in agrarisch gebied loopt. In de Toelichtingsnota wordt het volgende gesteld: Naast de vereiste om het ambachtelijk terrein te laten aansluiten bij een hoofddorp of bij een bestaand bedrijventerrein kunnen er ook nog een aantal andere criteria gehanteerd om de optimale locatie van een dergelijk terrein binnen een gemeente te ontdekken namelijk: • het kan ook aansluiten bij een bestaand bedrijf dat niet gelegen is in een daarvoor bestemde zone • een goede bereikbaarheid is een noodzaak zodat de omliggende woonkern(
- en)zo weinig mogelijk belast worden • de aanwezigheid van riolering is een pluspunt • de technische haalbaarheid • we moeten ook kijken waar men het minst schade toebrengt aan de open ruimte en tenslotte • moet de afweging met de landbouwactiviteit gebeuren X-13.223-9/21 In het ruimtelijk structuurplan werden een drietal locaties overwogen die in aanmerking kunnen komen voor de vestiging van een ambachtelijke zone. Voor deze drie locaties werden de hogergenoemde criteria onderzocht en na afweging werd een keuze gemaakt voor een terrein aansluitend bij de woonzone van Nevele, omwille van de goede bereikbaarheid, de ligging nabij de woonkern van Nevele en een stopzetting van de huidige landbouwexploitatie. Door het lokaal bedrijventerrein te lokaliseren tussen de Biebuyckstraat en de Graaf Vanhoornestraat werd volgens verzoekers gekozen voor de meest schadelijke en minst voordelige locatie. Een andere mogelijke locatie voorgesteld in het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan van Nevele betrof onder ander de aansluiting bij het bedrijventerrein van Drongen-Baarle. Deze locatie ligt vlak aan de E40 en is aldus aantrekkelijker wat bereikbaarheid betreft. Bovendien zou deze locatie minder kostelijk geweest zijn en geen versnippering teweegbrengen van landbouwgronden. Op de bezwaren die in die zin werden geuit, antwoordt het bestreden besluit van de gemeente dat deze niet ter zake zijn nu enkel de locatie tussen de Van Hoornestraat en de Biebuyckstraat aan de orde is en een alternatieve locatie geen enkel belang heeft. Verzoekers kunnen zich hier echter niet mee verzoenen, gezien men hiervoor in wezen teruggrijpt naar een Ruimtelijk Structuurplan van bijna tien jaar oud. Dergelijke werkwijze is volgens verzoekers manifest in strijd met artikel 4 van het decreet dd. 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening. De overweging in de Toelichtingsnota als zou de landbouwactiviteit stopgezet zijn, strookt helemaal niet met de waarheid. De landbouwgronden worden tot op heden onder andere door eerste verzoeker bewerkt. Dergelijke foutieve argumenten kunnen het GRUP helemaal niet in overeenstemming met het Decreet ruimtelijke ordening brengen”. Beoordeling 11. Het feit dat overeenkomstig artikel 35, § 1 DRO een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan om de vijf jaar moet worden herzien, brengt, zoals de eerste verwerende partij terecht opwerpt, niet met zich mee dat na het verstrijken van die periode van vijf jaar een juridisch vacuüm ontstaat. Overeenkomstig dezelfde bepaling blijft het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan immers “in ieder geval van kracht totdat het door een nieuw goedgekeurd gemeentelijk ruimtelijk structuurplan is vervangen” en blijft derhalve ook de plicht bestaan om het structuurplan uit te voeren door middel van de opmaak van ruimtelijke uitvoeringsplannen. 12. De stelling van de verzoekers dat de beleidskeuze in 1998 om een lokaal bedrijventerrein uit te bouwen, vandaag achterhaald is, wordt onvoldoende concreet gestaafd. De omstandigheid dat de gemeente Nevele heeft beslist tot de herziening van haar gemeentelijk ruimtelijk structuurplan kan alleszins niet volstaan om aldus te besluiten. X-13.223-10/21 13. Voor het overige voeren de verzoekers opportuniteitskritiek met betrekking tot de keuze van de locatie van het lokaal bedrijventerrein zoals die werd vastgelegd in het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan en verantwoord aan de hand van een alternatievenonderzoek. In beginsel kunnen onwettigheden die kleven aan het ruimtelijk structuurplan waaraan het ruimtelijk uitvoeringsplan uitvoering geeft, als vernietigingsgrond worden aangevoerd. De Raad van State is evenwel niet bevoegd om zijn beoordeling over de opportuniteit van beleidskeuzes in de plaats te stellen van die van de ter zake bevoegde instanties. Hij beschikt hieromtrent slechts over een marginaal toetsingsrecht. Te dezen tonen de verzoekers niet aan dat de ter zake bevoegde overheid de grenzen van de haar wettelijk toegekende appreciatiebevoegdheid heeft overschreden. 14. In zoverre de verzoekers in hun memorie van wederantwoord nog aanvoeren dat de betrokken overheid bij het vaststellen van het plan onzorgvuldig is opgetreden, geven zij een nieuwe, niet ontvankelijke want niet van openbare orde zijnde, grondslag aan het middel. 15. Het middel is niet gegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 16. In een derde middel voeren de verzoekers de schending aan van “het zorgvuldigheidsbeginsel, het belangenafwegingsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel”, “Doordat de bestreden beslissingen tot gevolg hebben dat een ontsluitingsweg belangrijk agrarisch gebied doorkruist, waardoor onnodig agrarisch waardevol gebied teloorgaat en de belangen van de eigenaars en de gebruikers van deze agrarische gronden schaadt. Terwijl het zorgvuldigheidsbeginsel en het belangenafwegingsbeginsel bij een goede ruimtelijke ordening impliceren dat de overheid bij het plannen van de ruimtelijke ordening doordacht en met kennis van zaken, zorgvuldig alle belangen afweegt. Zodat de bestreden beslissingen het zorgvuldigheidsbeginsel, het belangenafwegingsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel schaadt Toelichting : Het Gemeentelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan ‘Lokaal bedrijventerrein’ goedgekeurd door de Deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen voorziet een ontsluitingsweg die dwars door agrarisch gebied loopt (artikel 60). X-13.223-11/21 Deze ontsluitingsweg beantwoordt echter niet aan het zorgvuldigheidsbeginsel, het belangenafwegingsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. 1. Ten eerste moet opgemerkt worden, dat op geen enkel moment in de bestreden beslissingen of voorgaanden wordt aangetoond dat deze ontsluitingsweg noodzakelijk is in het kader van het lokaal bedrijventerrein. 2. Ten tweede moet opgemerkt worden dat de keuze van het traject van de ontsluitingsweg niet beantwoordt aan deze van de minst schadelijke. Vastgesteld moet worden dat de ligging van de ontsluitingsweg uiterst merkwaardig is. In plaats van rechtdoor te gaan zodat zo weinig mogelijk landbouwgrond zou ingenomen worden, moet vastgesteld worden dat het traject onnodig veel landbouwgrond inneemt. Daarbij werd geen rekening gehouden met de belangen van de aangelanden. 3. Ten derde moet vastgesteld worden dat de ontsluitingsweg eerst uitmondt op de Vierbomenstraat, deze kruist en vervolgens uitkomt op de Graaf Vanhoornestraat. Deze vreemde ligging van de ontsluitingsweg creëert aldus drie kruispunten op nog geen 50 meter afstand van elkaar. Dergelijke locatie is uiterst gevaarlijk en zeker niet in overeenstemming met een goed mobiliteitsplanning en de bestaande plannen. In de bepalingen van het geldende verkeersveiligheids- en leefbaarheidsplan van de gemeente Nevele wordt verwezen naar de later in te plannen ontsluitingsweg voor het Lokaal Bedrijventerrein. Op de figuur 7 (opties en conceptoplossingen) die de voorgenomen ontsluitingsweg weergeeft, staat deze weg aangeduid als een rechte weg die een kruispunt zou vormen met Graaf van Hoornestraat en Vierboomstraat. Ook het gemeentelijk mobiliteitsplan nam deze zelfde optie. Figuur 7 van het beleidsplan van het mobiliteitsplan geeft een rechte weg weer die de ontsluiting vormt van het Lokaal Bedrijventerrein naar het kruispunt van de Graaf van Hoornestraat en de Vierboomstraat. Op pagina 18 van het beleidsplan in het gemeentelijke mobiliteitsplan wordt het volgende gesteld: ‘Het nieuwe kruispunt Graaf van Hoornestraat - Ontsluitingsweg Ambachtelijke Zone - Vierboomstraat dient zodanig ingericht te worden dat de nieuwe ontsluitingsweg als voorrangsweg overloopt in de Graaf van Hoornestraat richting Lotenhulle. De tak van de Graaf van Hoornestraat richting Centrum wordt ondergeschikt.’ Het tracé zoals het voorligt in huidig GRUP ‘Lokaal Bedrijventerrein’ daarentegen snijdt de Vierboomstraat en komt pas onrechtstreeks uit op de Graaf van Hoornestraat. Dit terwijl men perfect tot één normaal kruispunt kon komen met de ontsluitingsweg, de Vierboomstraat en de Graaf van Hoornestraat. Dit alternatief werd meermaals voorgesteld door eerste verzoeker maar nooit onderzocht. Op de in het GRUP voorliggende manier worden drie kruispunten gecreëerd in een straal van nauwelijks 50 meter, wat verkeerstechnisch totaal onaanvaardbaar is”. Beoordeling 17. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de beleidskeuze voor de aanleg van een nieuwe verbindingsweg tussen de Biebuyckstraat en de X-13.223-12/21 Graaf van Hoornestraat reeds werd genomen in het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan en dat het bestreden gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan daaraan slechts uitvoering geeft. Zoals reeds werd uiteengezet in het onderzoek van het tweede middel, is de Raad van State niet bevoegd zijn beoordeling over de opportuniteit van de beleidskeuze in de plaats te stellen van die van de bevoegde instanties en beschikt de Raad van State ter zake slechts over een marginale toetsingsbevoegdheid. 18. Wat betreft het tracé van deze verbindingsweg kan worden verwezen naar het besluit van de gemeenteraad van 24 oktober 2006 houdende definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Lokaal bedrijventerrein” dat als antwoord op de bezwaren dienaangaande motiveert wat volgt: “Het aangehouden tracé werd reeds via een rooilijn en onteigeningsplan vastgelegd door de gemeenteraad van Nevele in 2002. Een verlegging van dit tracé heeft als juridische consequentie het opnieuw opmaken en procedureel doorlopen van een aangepast onteigeningsplan”. De kritiek van de verzoekers met betrekking tot het tracé van de verbindingsweg komt neer op opportuniteitskritiek. De verzoekers maken ter zake niet aannemelijk dat de overheid de grenzen van de haar wettelijk toegekende appreciatiebevoegdheid heeft overschreden. 19. Het middel is niet gegrond. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 20. In een vierde middel voeren de verzoekers de schending aan van de regels inzake de opmaak van de gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, inzonderheid van de artikelen 48 en 49 DRO, en van het zorgvuldigheidsbeginsel en “de fair-play norm”, “Doordat de opmaak van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Lokaal bedrijven(terrein)’ niet tot stand is gekomen conform de artikelen 48 en 49 van voormeld decreet. Terwijl voormelde artikelen voorzien in opmaakregelen voor gemeentelijke uitvoeringsplannen die moeten gerespecteerd worden. X-13.223-13/21 Zodat vastgesteld moet worden dat het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Lokaal bedrijventerrein’ van Nevele niet opgemaakt is conform voormelde regelen. Toelichting: In 1998 werd het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van Nevele vastgesteld waarin voorzien werd in de aanleg van een ambachtelijke zone. Een B.P.A. ‘lokaal bedrijventerrein’, gesitueerd tussen de Biebuyckstraat en de Graaf Vanhoornestraat, werd goedgekeurd bij besluit van de minister vice-president van de Vlaamse Regering en Vlaams Minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening dd. 8 juni 1999. Tegen dit B.P.A werd een beroep tot schorsing en nietigverklaring ingesteld bij de Raad van State. De Raad van State gelastte de schorsing (...). (...) de Raad van State (vernietigde) voormeld B.P.A. Lokaal bedrijventerrein. In januari 2001 werd reeds een eerste versie opgemaakt van een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Lokaal bedrijventerrein’. De procedure tot opmaak werd stopgezet in 2002 nadat uit het openbaar onderzoek was gebleken dat minstens 16 bezwaren werden ingediend zowel van de oppositie als van de landbouwraad, Unizo en de aangelanden. In januari 2005 wordt de eerste versie van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Lokaal bedrijventerrein’ aangepast na overleg in de gemeente Nevele. Naast een zone voor lokale bedrijven wordt nu ook voorzien in een zone voor openbaar nut en sportaccom(m)odatie. De procedure tot opmaak wordt verder doorlopen. De plenaire vergadering wordt gehouden op 11/03/2005. Op 21/01/2006 beslist het College van Burgemeester en Schepenen van Nevele de Gemeenteraad te verzoeken over te gaan tot de voorlopige vaststelling van een ontwerp van het Gemeentelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan Lokaal bedrijventerrein. Wat blijkt: bedoeld ontwerp is totaal verschillend van datgene die in 2005 werd voorgelegd aan de verschillende adviserende instanties, deputatie en de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar. Het heeft een totaal verschillend bestemmingsplan, een verschillende toelichtingsnota en stedenbouwkundige voorschriften. Bij besluit van de gemeenteraad van Nevele op 31/01/2006 werd het ontwerp van het GRUP lokaal bedrijventerrein voorlopig vastgesteld. En toch zette de gemeente Nevele de opmaakprocedure verder. Indien de gemeente Nevele had gehandeld zoals van een zorgvuldig bestuur mocht verwacht worden, dan had zij de opmaakprocedure in 2006 volledig hernomen, gelet op de essentiële wijzigingen die aan het voorontwerp werden aangebracht. Het Openbaar Onderzoek werd ingesteld van 9 maart 2006 tot 8 mei 2006. Er werden bezwaren ingediend door verzoekers en andere belanghebbenden. In principe moet de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening alle adviezen, opmerkingen en bezwaren bundelen en binnen de 90 dagen na het einde van het openbaar onderzoek gemotiveerd advies uitbrengen bij de gemeente. Vastgesteld moet worden dat de door verzoekers en belanghebbenden geopperde bezwaren op geen enkele wijze omstandig gemotiveerd werden evenmin voor afwijkingen van de geleverde adviezen. Bovendien moet vastgesteld worden dat de aan het openbaar onderzoek onderworpen toelichtingsnota niet voldoet aan de wettelijke vereisten. Zo is de toelichtingsnota onduidelijk en wordt er geen enkele uitleg gegeven onder punt 8: inrichtingsvoorstellen bufferzone. Van duidelijkheid en transparantie naar de rechtsonderhorigen toe is zeker geen sprake. X-13.223-14/21 Bij de opmaak van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan lokaal bedrijventerrein van Nevele is ondoordacht omgesprongen met de betreffende regelen. Uit het volledig procesverloop blijkt duidelijk dat er geen sprake is van een zorgvuldige besluitvorming en dat het fair-play beginsel ten aanzien van de rechtsonderhorigen en belanghebbenden niet gerespecteerd werd”. Beoordeling 21. Wat betreft het door de verzoekers aangevoerde verschil tussen het ontwerpplan besproken tijdens de plenaire vergadering enerzijds en het voorlopig vastgestelde plan anderzijds, wordt in de toelichtingsnota (p. 2) uiteengezet wat volgt: “(...) De procedure tot goedkeuring van dit RUP werd echter door de gemeente in de loop van 2002 stopgezet, aangezien er zich op gemeentelijk vlak nieuwe ruimtelijke behoeften aandienden die mogelijk konden worden ingepast op de locatie van het lokaal bedrijventerrein. Het gaat met name over de behoefte over bijkomende sportaccommodatie. In de versie van het RUP dat op de plenaire vergadering van 11 maart 2005 werd getracht hierop een antwoord te geven. Het schepencollege heeft echter nadien besloten om toch af te zien van de optie om binnen het lokaal bedrijventerrein een plek te voorzien voor bijkomende sportaccommodatie. Deze behoefte zal nader onderzocht worden binnen het kader van de herzieningen van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan”. In het definitief vaststellingsbesluit van 24 oktober 2006 wordt hieromtrent gesteld: “Er is inderdaad een verschil tussen de versie van de plenaire vergadering en het voorlopig vastgesteld ontwerp, namelijk het wegvallen van de zone voor sportaccommodatie. Over het principe van deze sportzone had de hogere overheid echter bij de plenaire vergadering sterke bedenkingen (onder andere niet conform het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan uit 1998), zodat het weglaten ervan eerder een verbetering is van het dossier dan een procedurefout”. De aanpassing van een ontwerpplan aan bemerkingen geformuleerd tijdens de plenaire vergadering brengt niet met zich mee dat de opmaakprocedure moet worden overgedaan. 22. Wat betreft de beweerde niet gemotiveerde weerlegging van de ingediende bezwaren en adviezen, voeren de verzoekers geen inhoudelijke kritiek op het definitief vaststellingsbesluit van 24 oktober 2006 dat de ingediende X-13.223-15/21 bezwaren heeft onderzocht en beantwoord. Om deze reden alleen dient ook dit middelonderdeel te worden afgewezen. 23. Wat betreft de beweerde onduidelijkheid van de toelichtingsnota aangaande punt 8 “inrichtingsvoorstellen bufferzone” ervan, wordt met de eerste verwerende partij verwezen naar de bijgevoegde figuren op schaal 1/100 die naargelang de breedte van de zone diverse types van bufferzones voorstellen, en die aldus afdoende duidelijk zijn. 24. Het middel is in al zijn onderdelen niet gegrond. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel 25. In een vijfde middel voeren de verzoekers de schending aan van het provinciaal ruimtelijk structuurplan van de provincie Oost-Vlaanderen, “Doordat het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan van Nevele daterend van april 1998 strijdige bepalingen bevat met het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan van de Provincie Oost-Vlaanderen. Doordat het Gemeentelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan ‘Lokaal bedrijventerrein’ van Nevele uitvoering geeft aan het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan en alzo het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan schendt. Terwijl een Gemeentelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan niet kan ingaan tegen een Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan Zodat de bestreden beslissingen niet rechtsgeldig genomen konden worden. Toelichting: Het plangebied van het GRUP ‘lokaal bedrijventerrein’ is gelegen in volgens het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan in het Westelijk Openruimtegebied. Het richtinggevende gedeelte van het PRS Oost-Vlaanderen bepaalt het volgende: 9. HET WESTELIJK OPENRUIMTEGEBIED, ONDERDEEL VAN EEN GRENSOVERSCHRIJDEND OPENRUIMTEGEHEEL MET DIVERSE KENMERKEN EN FUNCTIES In dit gebied worden de nodige ontwikkelingskansen gegeven aan de glastuinbouw en veredeling zonder evenwel de protectiefunctie van natuur, bos, landschap en waterwinning te negeren. De natuurlijke waarden worden behouden, de kwaliteit van de drinkwatervoorziening wordt beschermd, de toeristisch-recreatieve potenties worden gebiedsgericht versterkt en de leefbaarheid inzake wonen en werken wordt behouden.Vanwege grensoverschrijdende kenmerken, problemen en potenties is afstemming met het gebiedsgericht openruimtebeleid van de buurprovincies nodig. De volgende ruimtelijke principes worden gehanteerd. Gebiedsgerichte afstemming tussen landbouw, bos, natuur en recreatie op basis van de landschappelijke differentiatie X-13.223-16/21 De maatregelen ter versterking van de openruimtefuncties worden op elkaar afgestemd op basis van een gebiedsgerichte visie. Dit betekent een versterking van de landschapskenmerken van het Polder- en Krekengebied (kreken, dijken, ...), van het typische landschap van bossen en velden op en tussen de dekzandruggen en van de Leievallei als groene as. Tussen de gebiedsdelen worden onderlinge (ecologische) verbindingen gecreëerd. Door grote infrastructuren wordt het landbouwlandschap gestructureerd in grote aaneengesloten landbouwgebieden, die maximaal worden gevrijwaard. De gebiedsgerichte landbouw-economische potenties worden maximaal gevaloriseerd. Bundeling van wonen en woonondersteunende functies in een beperkt aantal kernen Om de leefbaarheid (voor het geheel van nederzettingen) voor de toekomst te garanderen, wordt de verdere groei van wonen, woonondersteunende functies en lokale bedrijvigheid gebundeld in een beperkt aantal kernen. Eeklo, Maldegem, Aalter en Deinze kunnen elk op hun niveau ontwikkelen als centrale kern.Verdere verlinting tussen Maldegem en Eeklo moet worden voorkomen. Evenwichtige geografische spreiding van de economie gekoppeld aan centrale plaatsen met de geschikte ontsluitingspotenties De regionale bedrijventerreinen worden voorzien op goed ontsloten plaatsen en gekoppeld aan bestaande economische knooppunten. Deze knooppunten staan in voor een evenwichtige spreiding van de werkgelegenheid in het gebied, met name Eeklo en Maldegem in het noorden, Aalter in het centrale deel en Deinze in het zuiden. Een gebiedsontsluiting gericht op de belangrijkste centrale kernen. Om de leefbaarheid en het functioneren van het openruimtegebied te garanderen, worden een aantal verzamelwegen naar de centrale kernen en naar het hoger wegennet geselecteerd. De regionale ontsluiting voor personenverkeer, vooral gericht op het Oost-Vlaams Kerngebied, wordt gerealiseerd door de verdere uitbouw van het openbaar vervoer. De centrale plaatsen worden uitgebouwd als knooppunten in de regionale ontsluiting met het openbaar vervoer Artikel 19 § 3 van het decreet dd. 18/05/1999 bepaalt het volgende: § 3. Het richtinggevend gedeelte van een ruimtelijk structuurplan is het deel van het ruimtelijk structuurplan waarvan een overheid bij het nemen van beslissingen niet mag afwijken, tenzij omwille van onvoorziene ontwikkelingen van de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten of omwille van dringende sociale, economische of budgettaire redenen. De uitzonderingsgronden voor een afwijking worden uitgebreid gemotiveerd. Ze mogen in geen geval een aanleiding zijn om de duurzame ruimtelijke ontwikkeling, de ruimtelijke draagkracht en de ruimtelijke kwaliteit van welk gebied ook in het gedrang te brengen. Dit deel bevat ten minste : 1/ de doelstellingen en de prioriteiten inzake ruimtelijke ontwikkeling; 2/ een beschrijving van de gewenste ruimtelijke structuur uitgaande van de bestaande ruimtelijke structuur en van behoeften en gevolgen op economisch, sociaal, cultureel en agrarisch gebied, en op gebied van mobiliteit, natuur en milieu, met inbegrip van veiligheid, in het bijzonder zoals bedoeld in artikel 2 en 24 van het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 tussen de Federale Staat, het Vlaamse, het Waalse en het Brussels Hoofdstedelijke Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. X-13.223-17/21 3/ de maatregelen, middelen, instrumenten en acties tot uitvoering van het ruimtelijk structuurplan. De gemeente Nevele is als lagere overheid gebonden door de bepalingen in het richtinggevend deel van het PSR. De bepalingen van het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan van Nevele anno 1998 i.v.m. de lokalisatie van een lokaal bedrijventerrein tussen de Biebuyckstraat en de Graaf Vanhoornestraat zijn strijdig met de visie van de Provincie Oost-Vlaanderen die het betrokken gebied als Openruimte bestempeld. Het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘lokaal bedrijventerrein’ mist aldus een rechtsgeldige basis en is strijdig met het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan”. Beoordeling 26. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat het plangebied volgens het provinciaal ruimtelijk structuurplan van de provincie Oost-Vlaanderen (hierna: PRS) behoort tot het Westelijk Openruimtegebied. Het bestreden provinciaal goedkeuringsbesluit verklaart dat “het beleid er hier opgericht is de natuurlijke waarden te behouden, de kwaliteit van de drinkwatervoorziening te beschermen, de toeristisch-recreatieve potenties gebiedsgericht te versterken en de leefbaarheid inzake wonen en werken te behouden” en besluit verder dat de opties van het bestreden plan “niet strijdig zijn met het RSV, PRS en GRS”. 27. De door de verzoekers geciteerde passage uit het richtinggevend gedeelte van het PRS heeft enkel betrekking op de “regionale bedrijventerreinen”, vermits dit de bevoegdheid is van de provincie. De uitbouw van “lokale bedrijventerreinen” zoals in casu, is niet uitgesloten in het Westelijk Openruimtegebied. Overigens wordt, zoals de eerste verwerende partij terecht opwerpt, in het richtinggevende gedeelte van het PRS gesteld dat, waar nood aan bijkomende lokale bedrijventerreinen, dit ook kan buiten de economische knooppunten, indien dit gemotiveerd en verantwoord wordt vanuit de visie in het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan. Het goedkeuringsbesluit van de deputatie overweegt dienaangaande: “Overwegende dat in het ministerieel besluit houdende de goedkeuring van het GRS werd aangegeven dat in het informatief gedeelte van het GRS een prognose werd uitgewerkt voor de kwantitatieve behoefte aan ruimte voor economische bedrijven, in concreto een lokaal bedrijventerrein, dat vanuit het PRS gesteld wordt dat iedere gemeente de nood of behoefte aan bijkomende ruimte voor lokale bedrijvigheid op middellange termijn dient te berekenen, dat in het GRS een behoefteberekening werd opgenomen”. X-13.223-18/21 De verzoekers tonen niet aan dat het bestreden plan strijdt met de richtinggevende bepalingen van het PRS. 28. Het middel is niet gegrond. F. Zesde middel Uiteenzetting van het middel 29. In een zesde middel voeren de verzoekers de schending aan van de motiveringsplicht vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, “Doordat de bestreden besluiten gegrond zijn op soms foutieve, soms onvoldoende draagkrachtige motieven. Terwijl de motiveringsverplichting aan de overheden de plicht oplegt om de motieven duidelijk kenbaar te maken waarop zij haar beslissing steunt (formele motiveringsplicht) en anderzijds om te voorzien in een afdoende en draagkrachtige argumentatie en motivering (materiële motiveringsplicht). Zodat de bestreden beslissingen niet rechtsgeldig genomen konden worden. Toelichting: 1. Dat de bestreden besluiten niet kunnen uitleggen waarom een ligging voor de ontsluitingsweg werd voorzien die indruist tegen alle logica in, tegen de verkeersveiligheid, tegen het mobiliteitsplan en tegen het verkeersveiligheids- en leefbaarheidsplan. Verzoekers kunnen verwijzen naar hun uitéénzetting onder het tweede middel. Eerste verzoeker voegt hier trouwens aan toe dat hij meermaals in de voorafgaande administratieve procedure alternatieve beddingen heeft voorgesteld, doch dat hier ongemotiveerd niet werd op in gegaan. 2. Dat het bestreden besluit niet kan verantwoorden waarom er in 2006 en 2007 nog een economische behoefte en noodzaak zou zijn aan een lokaal bedrijventerrein. 3. Dat de bestreden besluiten de watertoets niet voldoende hebben uitgewerkt en waardoor de weergegeven motieven op dit punt de besluiten niet kunnen dragen. 4. Dat de bestreden besluiten geenszins motiveren wat de wijziging van de ruimtelijke visie op het betreffende gebied verantwoord, dat dit minstens niet afdoende is gebeurd. 5. Dat de bestreden besluiten gemakkelijkheidshalve de alternatieve en betere inplantingen van een lokaal bedrijventerrein niet onderzoeken stellende dat dit niet meer aan de orde is. Dit is onder ander(
- e)het geval bij de bespreking van het bezwaar van eerste verzoeker onder punt 6.1. waar tweede verwerende partij in haar bestreden besluit dd. 24/10/2006 stelt dat het bezwaar van VAN X-13.223-19/21 VYNCKT Patrick zonder voorwerp is omdat het GRUP enkel de betreffende inplanting moet motiveren. Dit terwijl men voor die inplanting moet teruggrijpen op een Ruimtelijk Structuurplan dat bijna 10 jaar oud is. Verzoekers kunnen op dit punt verwijzen naar wat hoger werd uiteengezet”. Beoordeling 30. Ter ondersteuning van het middel komen de verzoekers terug op het niet of niet afdoende verantwoord zijn van de verbindingsweg, een lokaal bedrijventerrein, de watertoets, de wijziging van de ruimtelijke visie op het betreffende gebied en de alternatieve inplantingen van een lokaal bedrijventerrein. 31. Krachtens de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen dienen eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, uitdrukkelijk te worden gemotiveerd door in de akte de juridische en feitelijke overwegingen te vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Een ruimtelijk uitvoeringsplan heeft een verordenend karakter en is derhalve geen bestuurshandeling in de zin van de voormelde bepalingen. Het middel mist in zoverre juridische grondslag. 32. Anderzijds dient elke administratieve akte of reglement te zijn gesteund op in rechte en in feite aanvaardbare motieven die moeten blijken, zoniet uit de beslissing zelf, dan toch uit het administratief dossier. Elk van de door de verzoekers aangevoerde gebreken is reeds onderzocht en de desbetreffende middelen zijn niet gegrond bevonden. 33. Deze vaststelling volstaat om te besluiten tot de niet gegrondheid van het middel. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op 700 euro, ieder voor de helft. X-13.223-20/21 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tweeëntwintig februari 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jeroen Van Nieuwenhove, staatsraad, met bijstand van Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Roger Stevens X-13.223-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.136 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.961 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div