id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.146 Rolnummer: A. 194253/XII-5984 Zaak: Arrest 201146 - Bewakingsondernemingen - 23/02/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-26 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-07-02 08:59 Fiche Arrest nr 201.146 van 23 februari 2010 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Bewakingsondernemingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 201.146 van 23 februari 2010 in de zaak A. 194.253/XII-5984 In zake: Nasser FERROUDJI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Luc Raeymaekers kantoor houdend te Westerlo Baksveld 3/E bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp
- De vordering, ingesteld op 12 oktober 2009, strekt tot de nietigverklaring en schorsing van de beslissing van 12 augustus 2009 van de minister van Binnenlandse Zaken om Nasser Ferroudji geen identificatiekaart uit te reiken voor het uitoefenen van bewakingsactiviteiten. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een verslag over het beroep tot nietigverklaring en de vordering tot schorsing opgesteld op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 januari
- XII-5984-1\12 Staatsraad Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joachim Douwen, die loco advocaat Luc Raeymaekers verschijnt voor verzoeker, en attaché Bjorn Verschaeve, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Op 24 oktober 2004, 13 december 2005 en 19 maart 2008 dienen de vergunde bewakingsondernemingen nv Cobelguard, bvba Fenix Security Services en bvba DMG Security een aanvraag in om voor verzoeker een identificatiekaart voor het uitoefenen van bewakingsactiviteiten te verkrijgen. Met een aangetekende brief van 23 februari 2009 wordt aan verzoeker meegedeeld dat de minister van Binnenlandse Zaken op basis van de in het verslag van het veiligheidsonderzoek vermelde feiten overweegt de identificatie- kaart te weigeren. Er wordt eveneens meegedeeld dat verzoeker over vijftien werkdagen beschikt om bij de algemene directie Veiligheid en Preventie inzage te nemen van het administratief dossier en over veertig dagen om zijn verweermiddelen in te dienen. Met een aangetekende brief van 15 april 2009 dient de raadsman van verzoeker een verweerschrift in. Met een aangetekende brief van 12 augustus 2009 wordt aan verzoeker de thans bestreden beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken tot weigering van een identificatiekaart medegedeeld. Die beslissing bevat de volgende motivering : “Het onderzoek naar de veiligheidsvoorwaarden dat, op vraag van de door mij aangewezen ambtenaren door de politiediensten werd uitgevoerd, heeft een XII-5984-2\12 aantal inlichtingen van gerechtelijke en bestuurlijke aard, alsook beroeps- gegevens uit uwen hoofde aan het licht gebracht die van belang zijn in het kader van de beoordeling van de naleving van de veiligheidsvoorwaarden uit uwen hoofde, bedoeld in artikel 6, eerste lid, 8/ en die het voorwerp uitmaken van een verslag opgesteld door de heer Omer Van Cauwenbergh, verbindingsambtenaar van de federale politie; Overeenkomstig artikel 16 § 6 van het koninklijk besluit van 26 september 2005 betreffende de modaliteiten voor de toekenning, de geldigheidsduur, de weigering en de vernietiging van de identificatiekaart en de procedure inzake de onderzoeken naar de veiligheidsvoorwaarden, maken deze inlichtingen deel uit van een verslag van een officier van de federale politie. Dit verslag werd op 02 februari 2009 voor advies aan de Commissie onderzoeken naar de veiligheidsvoorwaarden voorgelegd. Na bovengenoemd advies van de Commissie en op basis van de volgende elementen beoogde de Minister van Binnenlandse Zaken de afgifte van de identificatiekaart te weigeren: Proces-verbaal n/ TU.20.L5.103989/2005 inzake ‘oplichting’ U bleek de drijvende kracht achter een deur-aan-deur verkoop van kerstkaarten in de gemeente Retie ten voordele van de vereniging ‘Pluto’. U verklaarde dat deze actie als oogmerk had mishandelde kinderen te steunen. U liet vier minderjarige meisjes voor zich werken. U vroeg 10 euro voor een pakket van 20 wenskaarten. U had geen toelating gevraagd aan de gemeente waar de meisjes van deur tot deur gingen. U had evenmin de toelating van FOD Middenstand en Landbouw. De politie liet de actie meteen stopzetten omdat zij ernstige twijfels had over de oprechte bedoelingen van U. Proces-verbaal n/ LE.20.L7.102543/2005 inzake ‘oplichting’ Identieke feiten als in bovenstaand PV, hier met actieterrein te Aarschot. De politie kon natrekken dat de vernoemde centra die door de vereniging PLUTO zouden gesteund worden, deze vereniging helemaal niet kenden. De politie kon aan de hand van een gsm-nr de verantwoordelijke van de actie identificeren, het bleek om u te gaan. U verklaarde aan de telefoon dat de vereniging PLUTO nog maar pas was opgestart en daarom nog niet gekend door de centra waarnaar de hulp zou gaan. Nadien slaagde de politie er niet meer in om u nog te contacteren omdat zij steeds op uw antwoordapparaat stuitten. Proces-verbaal n/ LE.36.L6.101260/2002 inzake ‘wederrechtelijk dragen verboden wapen’ U wordt door de politie tegengehouden bij een verkeerscontrole en, omdat u in hun bestanden gekend staat, wordt er overgegaan tot een fouille op de persoon. De politie stelt vast dat u iets tracht te verbergen en vinden daarop een busje traangas in een stoffen houder aan zijn gordel. In uw voertuig vinden zij achter de CD-speler een gelijkaardig busje traangas. Dit busje kan niet verwijderd worden omdat het geblokkeerd zit. U verklaart het traangas gekocht te hebben om zich te verdedigen, ‘want u bent veiligheidsagent en verzekert de dienst interventie/bewaking’. U bent werkzaam bij de veiligheidsfirma Procesco (overgenomen door Securis). U doet vrijwillig afstand van het busje traangas, maar verklaart ‘volgende week een nieuw busje aan te kopen’. [...] Overwegende dat een elementaire voorzorgsmaatregel van de Minister van Binnenlandse [Zaken] die omtrent de aanvraag moet beslissen, er dan ook in bestaat erover te waken dat de mensen die tewerkgesteld worden in de bewakingssector en zeker zij die instaan voor de controle op het gedrag van personen, een profiel vertonen van terughoudendheid en over de kwaliteit beschikken om op een geweldloze wijze en met respect voor de rechten en de vrijheden van de medeburgers deze functies uit te oefenen; XII-5984-3\12 Dat het de taak is van de overheid een afweging te maken van de feiten die van die aard zijn dat zij een ernstige tekortkoming kunnen uitmaken aan het vertrouwen dat door de maatschappij in deze personen wordt gesteld; Overwegende dat de feiten die u ten laste worden gelegd als volgt kunnen worden samengevat: De feiten van oplichting betreffen twee verschillende processen-verbaal op verschillende tijdstippen en handelen over een illegaal georganiseerd systeem van deur-aan-deur verkoop van kerstkaarten waarvoor onder andere minderjarige personen werden ingeschakeld. Hoewel u aan de politie als verklaring gaf dat uw vereniging genaamd Pluto als oogmerk had om mishandelde kinderen te steunen, liet de politie de actie meteen stopzetten omdat zij ernstige twijfels hadden bij de oprechte bedoelingen en omdat zij vermoedden dat betrokkene het geld in eigen zak stak. Dit leidden zij af uit volgende elementen: - U had geen enkele toelating hiervoor gevraagd aan de bevoegde autoriteiten; - Uit contactname met de centra dewelke u had aangeduid als de begunstigden van de opbrengst bleek dat geen van dezen enige kennis hadden van u of uw vereniging; - U kan geen zinnige uitleg geven over het gegeven waarom u niet in eigen streek actie voert dan wel in een gemeente die op een aanzienlijke afstand ligt van de gemeente waar u zelf uw woonplaats heeft. - Wanneer de politiedienst u trachten te hercontacteren voor een verdere uitleg blijkt u volgens hun zeggen onmogelijk te bereiken. In uw verweer beperkt u zich in dit verband tot de mededeling dat er geen strafrechtelijk gevolg werd gegeven aan deze feiten en zij bijgevolg dus niet bewezen zijn. Ik wens in dit verband op te merken dat dit juist is maar dat, zoals hierboven reeds werd uiteengezet, feiten die niet tot een veroordeling hebben geleid, toch in aanmerking kunnen genomen worden bij mijn beoordeling indien deze voldoende ernstig kunnen worden bevonden én tevens voldoende vaststaan. Over de ernst van de feiten valt weinig of niet te discussiëren. Dergelijke feiten van oplichting kunnen in geen geval door de beugel, temeer daar u minderjarige personen heeft ingeschakeld om uw lucratieve plan in de praktijk om te zetten. Maar ook aan het vaststaand karakter van de inbreuk kan mijn inziens niet ernstig getwijfeld worden. Net zoals de politionele diensten ben ik in casu van oordeel dat er inderdaad vragen dienen gesteld te worden bij uw goede intenties en dit omwille van identieke redenen als deze die in de processen-verbaal werden weergegeven en hierboven opgesomd. Uw stelling dat het om een pas opgerichte organisatie ging en dat dit de reden was dat de begunstigde centra geen kennis hadden is op zijn minst eigenaardig te noemen en kan geenszins overtuigen. Er zijn in casu dan ook voldoende aanwijzingen van uw bedrieglijk inzicht in de dossiers zelf terug te vinden. Overwegende dat deze feiten vooreerst aantonen dat u niet aan het gewenste profiel zoals dit werd bepaald door de wetgever voldoet aangezien u kennelijk niet over de benodigde integriteit beschikt om in de delicate sector van de private bewaking tewerkgesteld te worden; dat met integriteit wordt bedoeld dat men adequaat en zorgvuldig handelt, met inachtneming van zijn verantwoordelijkheden en de geldende regels. Overwegende dat voornoemde feiten een ernstige tekortkoming uitmaken op de beroepsdeontologie en raken aan het vertrouwen dat in U werd gesteld, dat zij op zich volstaan om te besluiten dat U niet voldoet aan artikel 6, eerste lid, 8/ van de bewakingswet. Overwegende dat in het veiligheidsverslag tevens volgende elementen naar voren komen: XII-5984-4\12 Het feit van verboden wapendracht betreft vaststellingen die werden gedaan tijdens een verkeerscontrole waarbij busjes traangas zowel op uw persoon als in uw voertuig werd teruggevonden. U verklaarde hierover dat u het gekocht had om u te verdedigen aangezien u veiligheidsagent was. U deed vrijwillig afstand maar verklaarde tevens ‘volgende week een nieuw busje aan te kopen.’ Overwegende dat in verband met deze feiten van verboden wapendracht kan gesteld worden dat het de uitdrukkelijke wil is van de wetgever dat men bij de uitoefening van dergelijk delicate activiteiten als deze van bewaking op een preventieve manier te werk gaat en een conflict benadert vanuit een psychologische hoek eerder dan zijn toevlucht te nemen tot geweld. Dat indien deze aanpak niet de verhoopte resultaten oplevert, de bewakingsagent zich moet onthouden van elke andere tussenkomst en de politiediensten onmiddellijk moet verwittigen; Gelet op de wil van de wetgever dat bewakingsactiviteiten geweldloos worden uitgeoefend, is het belangrijk na te gaan, voor elke bewakingsagent afzonderlijk, of hij in geval van conflict geneigd zal zijn terug te vallen op geweld of wapens; Overwegende dat het verboden wapenbezit eveneens een doorslaggevend element is in het vormen van een oordeel met betrekking tot de ingesteldheid van een persoon die een gereglementeerd en delicaat beroep wenst uit te oefenen. Dat in principe de private bewaking immers op ongewapende wijze gebeurt aangezien ze een louter preventieve functie heeft. Dat taken waarbij het dragen van wapens noodzakelijk is, principieel worden uitgevoerd door de politie; Overwegende dat de wapenwetgeving uitdrukkelijk het onwettig bezit en dracht van bepaalde wapens door particulieren verbiedt. U deinst er echter blijkbaar niet voor terug de wapenwetgeving, een wetgeving die van openbare orde is en die iedereen wordt verondersteld te kennen, te overtreden; Overwegende dat de wetgever er van uit ging dat de bewakingsactiviteiten in beginsel ongewapend dienen te worden uitgeoefend aangezien de activiteiten van de private veiligheidssector een louter proactieve, preventieve functie hebben. Bovendien zijn bewakingsagenten niet gerechtigd enige dwang of geweld te gebruiken. Derhalve werd voorzien in een algemeen verbod om welbepaalde bewakingsactiviteiten gewapend uit te oefenen. Het betreft meerbepaald activiteiten die in het algemeen contacten met medeburgers impliceren (persoonscontrole, goederenbewaking op publiek toegankelijke plaatsen,...). De wetgever ging ervan uit dat de bewakingsagenten zich vaak in conflictueuze situaties kunnen bevinden waarin wapendracht provocerend zou kunnen werken of de agenten ertoe zou kunnen aanzetten in een crisissituatie op onverantwoorde wijze gebruik te maken van zijn wapen of op een wijze waardoor argeloze aanwezigen gekwetst zouden kunnen worden. Daarom is het verboden dat men tijdens de uitoefening van de meeste delicate bewakingsopdracht, met name persoonscontrole, zijn toevlucht zou nemen tot het gebruik van wapens; Gelet op de wil van de wetgever dat bewakingsactiviteiten geweldloos en in principe zonder wapens worden uitgeoefend, is het belangrijk na te gaan, voor elke bewakingsagent afzonderlijk, of hij in geval van conflict geneigd zal zijn terug te vallen op wapens of ander geweld; Dat in casu het veiligheidsonderzoek bepaalde feiten, onder meer verboden wapendracht, aan het licht bracht; Overwegende dat, hoewel deze feiten zich niet in uitoefening van uw functie plaatsvonden, er terecht voor gevreesd kan worden dat u, die activiteiten wenst uit te oefenen die in se conflictueuze situaties met medeburgers met zich mee kunnen brengen, uw toevlucht zal nemen tot een verboden wapen zo u zich bij de verdere uitoefening van uw bewakingsactiviteiten bedreigd zou voelen. XII-5984-5\12 Overwegende dat men terecht kan veronderstellen dat iemand die in het bezit of dracht wordt gevonden van illegale wapens de intentie heeft het te gebruiken of er minstens mee zal dreigen ingeval van bedreiging anders had hij het wapen niet bij zich; dat in uw geval dit vermoeden nog meer gerechtvaardigd aangezien u expliciet verklaard heeft dat u zich deze wapens aangeschaft had omwille van uw job als bewakingsagent en dat u er zelfs uitdrukkelijk aan toevoegde onmiddellijk een nieuwe bus traangas te zullen aankopen ter uwer verdediging nadat u vrijwillig afstand had gedaan van de twee busjes die werden aangetroffen en in beslag genomen. Overwegende dat het gebruik van wapens- zelfs legale wapens- tijdens de uitoefening van uw beroep als bewakingsagent verboden is; Overwegende dat de wet uitdrukkelijk bepaalt dat het gewenste profiel van een bewakingsagent gekenmerkt wordt door het bezitten van een incasserings- vermogen ten aanzien van agressief gedrag en het vermogen om zich daarbij te beheersen; dat voormelde feiten van verboden wapendracht echter aantonen dat u niet over deze eigenschap bezit. Overwegende dat u in uw verweer stelt dat deze feiten dateren van toen als u negentien jaar was; dat het inderdaad juist is dat deze feiten dateren van enige tijd geleden maar dat in het licht van voormelde recentere feiten van oplichting, deze gegevens, weliswaar slechts in ondergeschikte orde, eveneens relevant worden geacht bij mijn beoordeling; Dat op basis van voornoemde feiten ik de mening ben toegedaan dat u niet voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 6, lid 1, 8/ van de bewakingswet”. IV. Onderzoek van de vordering tot nietigverklaring A. Eerste middel Uiteenzetting
- In een eerste middel voert verzoeker de schending aan van artikel 6, eerste lid, 8/, van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid (hierna: de wet van 10 april 1990), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid de materiële motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoeker stelt vooreerst vast dat de bestreden beslissing in hoofdzaak gesteund is op de beweerde feiten van oplichting. De in de beslissing aangehaalde feiten van verboden wapendracht worden vermeld als ondergeschikt. Daaruit kan worden afgeleid dat de feiten van verboden wapendracht op zich geen aanleiding zouden hebben gegeven tot weigering van de identificatiekaart. XII-5984-6\12 Vervolgens zet verzoeker uiteen dat de feiten van oplichting in de bestreden beslissing ten onrechte voor vaststaand worden aangenomen. Doordat de bestreden beslissing steunt op feiten die niet bewezen zijn en enkel gebaseerd is op vermoedens worden de formele en de materiële motiveringsplicht geschonden. Beoordeling
- Volgens artikel 6, eerste lid, 8/, van de wet van 10 april 1990 moeten de personen die een uitvoerende functie uitoefenen in een bewakings- onderneming voldoen aan de veiligheidsvoorwaarden noodzakelijk voor het uitoefenen van een uitvoerende functie en mogen zij geen feiten gepleegd hebben die, zelfs als ze niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een strafrechtelijke veroordeling, raken aan het vertrouwen in de betrokkene omdat ze een ernstige tekortkoming van de beroepsdeontologie of een tegenindicatie van het gewenste profiel, zoals bedoeld in artikel 7, § 1bis, uitmaken. Uit de woorden “zelfs als ze niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een strafrechtelijke veroordeling” blijkt dat de omstandigheid dat de feiten die verzoeker in de bestreden beslissing ten laste worden gelegd niet vervolgd werden, niet belet dat de minister die feiten in ogenschouw mag nemen bij de beoordeling van verzoekers morele en professionele betrouwbaarheid om een uitvoerende functie in een bewakingsonderneming uit te uitoefenen. Dit neemt echter niet weg dat de beslissing moet steunen op concrete, werkelijk bestaande feiten die relevant zijn en met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. In dat verband wordt opgemerkt dat wanneer, zoals in de onderhavige zaak, de feiten betwist worden, de Raad van State niet als rechter in hoger beroep de ware toedracht van de feiten moet vaststellen. Hij dient enkel na te gaan of de overheid naar recht -inbegrepen: naar redelijkheid- tot haar voorstelling van de feiten is gekomen.
- In de bestreden beslissing wordt er op gewezen dat de politie het vermoeden dat verzoeker het geld van de verkoop van kerstkaarten in eigen zak heeft gestoken afleidt uit het feit dat hij geen enkele toelating vroeg aan de bevoegde autoriteiten, dat geen van de centra die als begunstigden van de opbrengst werden aangeduid enige kennis had van verzoeker of zijn vereniging, dat verzoeker geen zinnige uitleg kon geven over het feit dat hij niet in eigen streek maar in een XII-5984-7\12 gemeente op aanzienlijke afstand van zijn woonplaats actie voerde, en dat hij onmogelijk te bereiken bleek toen hij opnieuw door de politie gecontacteerd werd. Bovendien wordt vastgesteld dat de verzoeker zich in zijn verweer beperkt tot de mededeling dat er geen strafrechtelijk gevolg werd gegeven aan deze feiten en ze dus niet bewezen zijn. De verwerende partij heeft op grond van deze elementen in redelijkheid als vaststaand kunnen aannemen dat verzoeker zich aan feiten van oplichting heeft schuldig gemaakt. Overigens kon verzoeker de verdenking van oplichting gemakkelijk weerlegd hebben door het bewijs bij te brengen dat de opbrengst van de verkoop van de kerstkaarten aan de betrokken verenigingen werd bezorgd.
- Het eerste middel is niet gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting
- In een tweede middel voert verzoeker de schending aan van artikel 6, § 2, van het Europees verdrag voor de rechten van de mensen en van artikel 6, eerste lid, 8/, van de wet van 10 april
- Verzoeker stelt dat het vermoeden van onschuld werd miskend, doordat in casu alleen processen-verbaal voorliggen die niet alleen geen aanleiding gaven tot strafvervolging, doch bovendien onvoldoende aantonen dat hij feiten van oplichting heeft gepleegd. Wat de feiten te Aarschot betreft laat hij gelden dat een niet nader geïdentificeerd persoon kaarten en documenten aan de politie overhandigd heeft, maar dat niet werd vastgesteld dat er enige verkoop plaatsvond. Bij de feiten te Retie had de politie het vermoeden dat het om oplichting ging, doch daarbij werd vermeld dat nader onderzoek dit diende aan te tonen. Er volgde echter geen verder onderzoek, doch de zaak werd geseponeerd. XII-5984-8\12 Verzoeker stelt voorts dat ook de minister van Binnenlandse Zaken geen verder onderzoek heeft gevoerd, maar zich enkel op de voormelde processen-verbaal heeft gebaseerd. Beoordeling
- Zoals bij de bespreking van het eerste middel is gezien, kunnen overeenkomstig artikel 6, eerste lid, 8/, van de wet van 10 april 1990 ook feiten die niet hebben geleid tot een strafrechtelijke veroordeling, aanleiding geven tot de weigering van een identificatiekaart. Het vermoeden van onschuld staat daar niet aan in de weg.
- Het middel stelt in essentie dat de minister van Binnenlandse Zaken op basis van de voorgelegde processen-verbaal niet wettig kon oordelen dat verzoeker zich bij de verkoop van kerstkaarten aan feiten van oplichting had schuldig gemaakt. Het aanvankelijk proces-verbaal LE.20.L7.102543/2005 van 11 juli 2005 werd door de lokale politie te Aarschot opgemaakt naar aanleiding van de vondst door een wandelaar van drie doosjes met wenskaarten die door vrijwilligers ten behoeve van enkele centra voor mishandelde kinderen zouden worden verkocht. Uit het proces-verbaal blijkt dat verzoeker secretaris is van de vereniging Pluto die de verkoop organiseerde, dat de centra die zouden gesteund worden van niets wisten, en dat de politie er niet in geslaagd was de verzoeker te contacteren. In het proces-verbaal werd dan ook vastgesteld dat de verzoeker nog te verhoren bleef. Uit het aanvankelijk proces-verbaal TU.20.L5.103989/2005 van 8 november 2005, uitgaande van de lokale politie Kempen Noord-Oost blijkt dat vier minderjarigen in opdracht van verzoeker in de gemeente Retie een deur-aan- deurverkoop deden. Volgens het relaas van verzoeker betrof het een verkoop ten voordele van mishandelde kinderen. Verzoeker had van de verkoop geen melding gemaakt bij de gemeente Retie en kon geen toelating voorleggen van de federale overheidsdienst Middenstand en Landbouw. Hij kon ook geen zinnige uitleg geven waarom hij in Retie actie kwam voeren en niet in zijn eigen streek. Uit het proces- verbaal blijkt dat de verbalisanten ernstige twijfels hadden over de oprechte bedoelingen van verzoeker, en dat verder onderzoek nodig was, onder meer om het XII-5984-9\12 bewijs te leveren dat de opbrengsten van de verkoop aan een menslievend doel werden besteed. Met een aangetekende brief van 23 februari 2009 werd aan verzoeker medegedeeld dat de minister van Binnenlandse Zaken onder meer op basis van de voormelde processen-verbaal overwoog de identificatiekaart aan de verzoeker te weigeren. In zijn verweer beperkte de verzoeker zich tot de bewering dat de feiten niet bewezen waren, zonder enige toelichting te verschaffen omtrent de besteding van de opbrengst van zijn actie. In die omstandigheden wordt niet bijgevallen dat de verwerende partij het vermoeden van onschuld geschonden heeft door op basis van de in de processen-verbaal vermelde feitelijke gegevens te hebben geoordeeld dat verzoeker niet over de noodzakelijke integriteit beschikt om bewakingsactiviteiten uit te oefenen, omdat hij feiten van oplichting heeft begaan.
- Het tweede middel is niet gegrond. C. Derde middel Uiteenzetting
- In een derde middel voert verzoeker de schending aan van artikel 6, eerste lid, 8/, van de wet van 10 april 1990 en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het redelijkheidsbeginsel en het evenredigheids-beginsel. Verzoeker wijst er op dat luidens artikel 6, eerste lid, 1/, van de wet van 10 april 1990 degene die veroordeeld werd tot een gevangenisstraf, al dan niet met uitstel, van tenminste drie maanden voor inbreuken op de wapenwet geen bewakingsactiviteiten mag uitoefenen. Aangezien hij voor de verboden wapendracht dergelijke veroordeling niet heeft opgelopen, behoudt hij de mogelijkheid om tot bewakingsactiviteiten te worden toegelaten. De verboden wapendracht die hem ten laste worden gelegd, is volgens verzoeker ook niet te beschouwen als een ernstige tekortkoming van de beroepsdeontologie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, 8/, van de wet van 10 april XII-5984-10\12
- Verzoeker betoogt dat het om eenmalige feiten gaat, dat de feiten werden vastgesteld tijdens een patrouille langs de weg en niet ter gelegenheid van een bewakingsopdracht, dat het om een defensief wapen ging (pepperspray) en dat hij nog jong was op het ogenblik van de feiten. Door verzoeker op grond van deze eenmalige en oude feiten uit te sluiten van bewakingsactiviteiten, zijn het redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel geschonden. Beoordeling
- In de bestreden beslissing wordt uitdrukkelijk gesteld dat de feiten van oplichting die tegen verzoeker in aanmerking genomen worden “een ernstige tekortkoming uitmaken op de beroepsdeontologie en raken aan het vertrouwen dat in [de verzoeker] werd gesteld” en “dat zij op zich volstaan om te besluiten dat [de verzoeker] niet voldoet aan artikel 6, eerste lid, 8/ van de bewakingswet”. Uit die overweging blijkt dat deze feiten naar het oordeel van de verwerende partij op zichzelf volstaan om de identificatiekaart te weigeren. De feiten van oplichting vormen de determinerende motieven van de bestreden beslissing. Daaruit volgt dat de feiten in verband met verboden wapendracht als overtollige motieven te beschouwen zijn, in die zin dat uit de motivering van de bestreden beslissing genoegzaam blijkt dat de identificatiekaart ook zonder deze feiten aan verzoeker geweigerd zou zijn. De kritiek die verzoeker in het middel op die overtollige motieven uitoefent, kan niet leiden tot de vernietiging van de bestreden beslissing en is derhalve niet terzake dienend. Het derde middel is niet ontvankelijk. V. Onderzoek van de vordering tot schorsing
- Uit het voorgaande volgt dat de vordering tot nietigverklaring als ongegrond moet worden verworpen. Die verwerping brengt mee dat ook de vordering tot schorsing, die slechts een accessorium van het beroep tot nietigverklaring is, wordt verworpen. XII-5984-11\12 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 23 februari 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust XII-5984-12\12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.146 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div