← België

Arrest 201201 - Penitentiair recht - 23/02/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.201 Rolnummer: A. 195532/IX-6727 Zaak: Arrest 201201 - Penitentiair recht - 23/02/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-24 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-07-02 08:58 Fiche Arrest nr 201.201 van 23 februari 2010 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 201.201 van 23 februari 2010 in de zaak A. 195.532/IX-6727 In zake : Mohamed BELSAS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koen Blomme kantoor houdend te Torhout Vredelaan 25 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 17 februari 2010, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid, van het besluit van 12 februari 2010 van de gevangenisdirecteur te Brugge waarbij aan Mohamed Belsas de tuchtstraf van 1 maand strikt regime wordt opgelegd vanaf 11 februari
  2. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 februari 2010, om 11.30 uur. Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Helen Van Nijverseel, die loco advocaat Koen Blomme verschijnt voor de verzoeker, en attaché Jorn Brewaeys, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. IX-6727-1/7 Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De verzoeker verblijft in de gevangenis te Brugge. Bij het einde van de uitvoering van een tuchtstraf van “4 dagen strikt” op 10 februari 2010, wordt de verzoeker ingedeeld voor verblijf in een mono- cel. 3.
  6. Op 11 februari 2010 wordt bij een celcontrole om 9 uur vastgesteld dat in een pot chocopasta een pakketje zit “die in plastic ingewikkeld was”. Er wordt daarvoor een rapport aan de directeur opgemaakt; een penitentiair beambte wordt als getuige vermeld. De verzoeker wordt onmiddellijk bij voorlopige maatregel op veiligheidscel geplaatst. 3.
  7. Op 12 februari 2010 vindt de hoorzitting plaats. Het proces- verbaal vermeldt: “De directeur herinnert de gedetineerde aan de ten laste gelegde feiten: Zie rapport aan directeur d.d. 11/02/2010 Voorlopige maatregel d.d. 11/02/2010 Hij geeft het woord aan de gedetineerde / aan zijn advocaat, die ver- kla(a)r(t)(en): Advocaat stelt dat betrokkene de feiten ontkent. Betrokkene zou enkele dagen op strikt gezeten hebben, en toen hij terug- kwam na zijn werk, zou hij een rapport hebben gekregen voor een verdachte substantie. Betrokkene stelt dat hij niet weet wat er bij hem gevonden is. Volgens advocaat zijn de goederen op zijn cel door iemand anders daar gezet, hijzelf heeft zijn goederen niet verhuisd (mutatie). Betrokkene vraagt zich af welke drugs gevonden zijn. Directeur stelt dat dat nog in onderzoek is bij de politie. Betrokkene stelt dat hij nog nooit in contact is gekomen met drugs. IX-6727-2/7 Door de directeur gestelde vragen en antwoorden van de gedetineerde, van de advocaat: zie voorgaande punt De directeur hoort in aanwezigheid van de gedetineerde volgende getuigen (identiteit en hoedanigheid van de gehoorde getuigen) Door de directeur gestelde vragen en antwoorden van de getuige(n): geen De directeur nodigt de gedetineerde uit om zijn laatste opmerkingen mee te delen: geen”. 3.
  8. Dezelfde dag nog neemt de directeur het bestreden besluit. De motivering luidt: “Betrokkene kreeg een ‘Rapport aan Directeur’ voor bezit verdachte substantie. Overwegende dat betrokkene de feiten ontkent; Overwegende dat nochtans duidelijk is dat in zijn monocel in zijn pot choco een pakketje drugs werd gevonden; Na onderzoek komen wij tot de conclusie dat de feiten vermeld in het rapport aan de directeur als bewezen beschouwd worden voor de volgende tuchtrechterlijke inbreuken: bezit verdachte substantie. Overwegende dat het bezit van verdovende middelen in de gevangenis verboden is, is deze sanctie verantwoord”. IV. Onderzoek van de vordering
  9. Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerleg- ging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat de zaak hoogdringend is. IX-6727-3/7 A. Ernst van de middelen
  10. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  11. De verzoeker voert de schending aan van zijn rechten van verdediging. Volgens hem kan van hem niet verwacht worden dat hij alle elementen die hij aanvoert ook effectief bewijst; hij mag verwachten dat het bestuur de nodige onderzoeken uitvoert. In dit geval werd evenwel geen onderzoek gevoerd naar de elementen die in zijn voordeel speelden, maar heeft de directeur het rapport van de penitentiair beambte voor waar aangenomen, zonder na te gaan of hij feitelijk in de mogelijkheid was om over enige verdachte substantie te beschikken. Hij kwam uit een strikt regime, ontving geen bezoek en zijn goederen werden door derden in zijn nieuwe cel binnengebracht. Beoordeling
  12. De verzoeker vindt dat zijn rechten van verdediging geschonden zijn met betrekking tot de vaststelling van de feiten. Hij verwijt de gevangenis- directeur dat geen onderzoek gewijd werd aan de elementen à décharge.
  13. Het komt in de eerste plaats aan de directeur van de gevangenis toe om te bepalen welke gedragingen van de gedetineerde als tuchtfeiten in aanmerking worden genomen. Het komt eveneens aan de directeur toe om op basis van de bewezen geachte feiten te bepalen welke tuchtsanctie dient te worden opgelegd. Bij zijn onderzoek naar de wettigheid van de opgelegde tuchtstraf gaat de Raad van State enkel na of de directeur, op basis van de hem voorliggende gegevens in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat de feiten bewezen zijn. Uit het proces-verbaal van het verhoor, waarvan de verzoeker de inhoud niet betwist, blijkt niet dat de verzoeker of zijn raadsman op dat ogenblik aan de gevangenisdirecteur geloofwaardige gegevens -het ontkennen van de feiten of de verwijzing naar het feit dat ‘iemand anders’ de pot met inhoud in zijn cel gezet heeft is geen geloofwaardig gegeven maar een bewering- overgelegd heeft die de directeur hadden kunnen overtuigen van zijn onschuld of die de directeur minstens konden doen twijfelen aan zijn verantwoordelijkheid. Hij heeft tegenover de IX-6727-4/7 gevangenis-directeur ook niet uiteengezet welk nader onderzoek tot het bewijs van zijn onschuld had kunnen leiden. Nu hij aan de directeur zelf de gewenste elementen à décharge niet heeft voorgelegd, kan hij er zich nu voor de Raad van State ook niet op beroepen dat de gevangenisdirecteur daarmee geen rekening zou gehouden hebben.
  14. Aan de verzoeker wordt verweten in het bezit te zijn geweest van een “verdachte substantie”, alias verdovende middelen. De gevangenisdirecteur heeft zich voor het bewijs van de feiten gesteund op de vaststelling van de penitentiair beambte en de verklaringen afgelegd tijdens het verhoor. Dat zijn onmiskenbaar bewijskrachtige gegevens.
  15. De verzoeker is verantwoordelijk voor zijn bezittingen. Dat is niet anders tijdens een verblijf in de gevangenis. Om van die verantwoordelijkheid bevrijd te zijn, volstaat het niet het bezit van een bepaald goed -hier het bezit van drugs- te ontkennen of te beweren dat het buiten zijn weten onder zijn bezit gebracht is; daarvoor mag van hem verwacht worden dat hij met voldoende concrete aanwijzingen en met verwijzingen naar overeenstemmende gegevens, een plausibele uitleg aanreikt over de wijze waarop het betrokken goed onder zijn verantwoorde- lijkheid kan gebracht zijn. In dat geval is het dan aan de directeur om uit te maken of die uitleg dermate overtuigend is dat hij de verzoeker van schuldig gedrag vrijpleit, dan wel een nader onderzoek beveelt. Dat de verzoeker zijn pot chocopasta gedurende enige tijd niet in zijn bezit gehad heeft of zijn pot niet permanent onder controle gehad heeft, betekent niet dat hij niet verantwoordelijk is voor wat erin wordt aangetroffen. De verdachte stof kan er vroeger door hemzelf of met zijn medeweten of gedogen in zijn verstopt.
  16. Uit het proces-verbaal van het verhoor, waarvan de verzoeker de inhoud niet betwist, blijken geen gegevens die de gevangenisdirecteur moesten beletten de feiten, zoals die bleken uit het rapport, voor bewezen te houden. De rechten van de verdediging zijn niet miskend. Het middel is niet ernstig. IX-6727-5/7
  17. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  18. De verzoeker voert de schending aan van de materiële motive- ringsplicht. Volgens hem is de motivering gebrekkig omdat zij beperkt is tot de stelling dat na onderzoek gebleken is dat de verdachte substantie hem zou toebehoren, terwijl hij altijd geargumenteerd heeft dat zij onmogelijk van hem kon zijn. Hij voegt daaraan toe dat hij de indruk heeft dat hij gezocht wordt, dat hij niet veroordeeld werd voor drugs en ook geen drugs genomen heeft zodat niet in te zien valt waarom hij drugs zou bezitten. Maar met dat alles is geen rekening gehouden. Beoordeling
  19. De bestreden beslissing steunt op het rapport aan de directeur en het verhoor van de verzoeker. Op grond van de overwegingen uiteengezet bij het eerste middel wordt vastgesteld dat de directeur wel degelijk over de vereiste feitelijke grondslag beschikte om een tuchtactie tegen de verzoeker te voeren. Het middel is niet ernstig. B. Moeilijk te herstellen ernstig nadeel
  20. De verzoeker verwijst naar het feit dat hij nu 23 uur op 24 in zijn cel moet verblijven, dat hij geen deel kan nemen aan de gewone wandeling en geen normaal contact kan hebben met andere gedetineerden. Hij stelt dat “zijn psychische en lichamelijke gezondheidstoestand wordt aangetast” en verwijst in dat verband naar de onmogelijkheid “om fitness” te doen.
  21. Gewis ondergaat de verzoeker van de tenuitvoerlegging van deze tuchtstraf een nadeel. De schorsing is evenwel slechts mogelijk wanneer hij het bestaan van een ernstig nadeel aantoont en dat ernstig nadeel toespitst op zijn geval. Met de abstracte verwijzing naar de objectieve gevolgen die de opgelegde tuchtmaatregel heeft, bewijst de verzoeker dat niet. De onmogelijkheid om fitness te doen is op zich geen nadeel, laat staan een ernstig nadeel. De verwijzing naar de mogelijke aantasting van de IX-6727-6/7 psychische en lichamelijke gezondheidstoestand is een blote bewering die door geen enkel gegeven wordt gestaafd.
  22. Het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel wordt niet aangetoond.
  23. Hieruit volgt dat niet voldaan is aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden beslissing te kunnen bevelen. BESLISSING
  24. De Raad van State verwerpt de vordering.
  25. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 23 februari 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-6727-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.201 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.