id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.203 Rolnummer: A. 161159/X-12254 Zaak: Arrest 201203 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 23/02/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-05 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-07-02 08:58 Fiche Arrest nr 201.203 van 23 februari 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 201.203 van 23 februari 2010 in de zaak A. 161.159/X-12.
- In zake: de n.v. STAES BELGIUM gevestigd te 2000 ANTWERPEN Bredestraat 4 tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Claude Marinower kantoor houdend te 2018 ANTWERPEN Consciencestraat 7 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 24 maart 2005, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 18 januari 2005 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijk Ordening houdende inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar en vernietiging van de beslissing van 6 maart 2003 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen houdende verlening aan de n.v. STAES BELGIUM van de vergunning voor het aanleggen van een parking, een verharding en een bufferbekken op een perceel gelegen te Kontich, Kartuizerweg, kadastraal bekend sectie G, nr.
- II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Barbara Speybrouck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. X-12.254-1/13 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 november
- Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Helen Van Nijverseel, die loco advocaat Claude Marinower verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Auditeur Barbara Speybrouck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 8 april 2002 (datum van het ontvangstbewijs) dient Etienne Staes in naam van de verzoekende partij een aanvraag in voor de “aanleg (van een) parking, (een) verharding en (een) bufferbekken” op een perceel gelegen te Kontich, Kartuizerweg 5, kadastraal bekend sectie G, nr. 20/d. 3.
- Het perceel is volgens het op 3 oktober 1979 vastgestelde gewestplan Antwerpen gedeeltelijk gelegen in gebied voor ambachtelijke bedrijven of gebied voor kleine en middelgrote ondernemingen en gedeeltelijk in bufferzone. Het is niet gelegen binnen de grenzen van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. 3.
- Op 8 mei 2002 verleent de afdeling ROHM - Antwerpen een voorwaardelijk gunstig advies omtrent de aanvraag. 3.
- Op 2 september 2002 verleent het college van burgemeester en schepenen van Kontich de stedenbouwkundige vergunning voor “het aanleggen van een parking, een verharding en een bufferbekken”. X-12.254-2/13 3.
- Op 10 oktober 2002 schorst de gemachtigde ambtenaar de voormelde vergunning. In dit besluit wordt onder meer het volgende gesteld: “
- Bufferzones zijn niet opgenomen in de gebieden waar in toepassing van het decreet van 05.05.2000, gewijzigd bij het Besluit van de Vlaamse Regering van 26/04/2002, tot bepalingen van werken en handelingen die vrijgesteld zijn van het éénsluidend advies van de gemachtigde ambtenaar, werken en handelingen kunnen vergund worden door het College van Burgemeester en Schepenen vrijgesteld van het genoemde éénsluidend advies.
- De aanvraag betreft de aanleg van een parking, een verharding en de aanleg van een bufferbekken. De aanvraag is gelegen in de 33 m brede bufferzone uit de rand van de gewestweg N
- Het advies van de afdeling Wegen en Verkeer Antwerpen dd. 08/05/2002 is gunstig. De ministeriële omzendbrief van 08/07/1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen bepaalt in artikel 14 aangaande de bufferzones: ‘Met deze gebieden worden de effectieve bufferstroken bedoeld die voorzien worden om gebieden met bestemmingen, die moeilijk met elkaar te verzoenen zijn, van elkaar te scheiden. De aanduiding van een bufferzone gebeurt in de gevallen waar, ofwel de aanpalende bestemmingen niet verenigbaar zijn ofwel beide bestemmingsgebieden moeten worden gescheiden ten behoeve van de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. De bufferzones dienen in hun staat te worden bewaard of als groene ruimten te worden ingericht, zodat ze hun functie kunnen vervullen als overgangsgebied tussen gebieden waarvan de bestemmingen niet met elkaar te verenigen zijn of die ten behoeve van de goede plaatselijke ruimtelijke ordening van elkaar moeten worden gescheiden. Binnen deze gebieden geldt bijgevolg een principieel bouwverbod. Bestaande inrichtingen en gebouwen kunnen behouden blijven, voorzover aldus de eigen functie van de bufferzone niet in het gedrang wordt gebracht. Verbouwing en uitbreiding ervan is evenwel slechts mogelijk binnen de grenzen van artikel 145 van het decreet betreffende de organisatie van de ruimtelijke ordening dd. 18/05/1999 en latere wijzigingen.’
- Het Besluit van de Vlaamse Regering van 05/05/2000 betreffende de openbare onderzoeken over aanvragen tot stedenbouwkundige vergunningen en verkavelingsaanvragen, gewijzigd bij het Besluit van de Vlaamse Regering dd. 30/03/2001 in artikel 3, §1, 5/ bepaalt dat voor ‘het ontbossen, het aanmerkelijk wijzigen van het reliëf van de bodem, het gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van een grond, het aanleggen of wijzigen van recreatieve terreinen met een grondoppervlakte van meer dan 500 vierkante meter. Deze verplichting geldt niet indien een openbaar onderzoek over hetzelfde project is gehouden in het kader van de regelgeving inzake de landinrichting of de natuurinrichting.’ een openbaar onderzoek vereist is maar niet werd gehouden.
- Een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning, die o.a. de aanleg van verhardingen, een vijver in de bufferzone omvatte, werd ongunstig geadviseerd op 08/08/2001, waarin duidelijk gesteld werd dat hier geen enkele verharding, parkeerplaats of vijver aanvaard kan worden, en het College van Burgemeester en Schepenen van Kontich leverde op 27/08/2001 een weigering van stedenbouwkundige vergunning”. X-12.254-3/13 3.
- Op 21 oktober 2002 trekt het college van burgemeester en schepenen de verleende vergunning in en weigert het de gevraagde vergunning te verlenen, met verwijzing naar de schorsingsmotieven van de gemachtigde ambtenaar. 3.
- Op 19 november 2002 stelt de verzoekende partij bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen administratief beroep in tegen de weigeringsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen, om reden dat het schorsingsbesluit laattijdig is. 3.
- Op 6 maart 2003 willigt de bestendige deputatie het beroep in, vermits “de schorsing vermoedelijk 6 dagen te laat is betekend (...), gelet op de door de bevoegde overheid gemaakte fouten met betrekking tot de vormvereisten, het voordeel van de twijfel aan de beroeper toekomt (...) waarbij de vergunning die het college van burgemeester en schepenen op 2 september 2002 heeft verleend opnieuw rechtskracht krijgt”. 3.
- Op 12 mei 2003 tekent de gemachtigde ambtenaar administratief beroep aan tegen het besluit van de bestendige depuatie. 3.
- Op 18 januari 2005 willigt de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening het beroep in. Dit is het bestreden besluit, waarin onder meer het volgende gesteld wordt: “Overwegende dat de gemachtigde ambtenaar van de afdeling ROHM Antwerpen bij brief van 10 oktober 2002 aan de bouwheer, aan het college van burgemeester en schepenen en aan de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen meedeelde dat hij op dezelfde datum had beslist om de stedenbouwkundige vergunning d.d. 2 september 2002 te schorsen; dat het schorsingsbesluit aangeeft dat de beslissing van het college van burgemeester en schepenen door de gemachtigde ambtenaar werd ontvangen op 20 september 2002; dat ingevolge voornoemd schorsingsbesluit, conform artikel 52, §2 van het decreet ter kennis gebracht binnen de 25 dagen, door het college van burgemeester en schepenen op 21 oktober 2002 werd beslist de vergunning van 2 september 2002 in te trekken en te vervangen door een weigeringsbeslissing met de motivering zoals opgenomen in het schorsingsbesluit van de gemachtigde ambtenaar; Overwegende dat de aanvrager tegen deze weigeringsbeslissing beroep heeft aangetekend bij de bestendige deputatie, stellende dat het schorsingsbesluit van de gemachtigde ambtenaar, betekend op 10 oktober 2002, laattijdig was; dat evenwel de gemachtigde ambtenaar de beslissing van het college van burgemeester en schepenen op 20 september 2002 heeft ontvangen, datum waarop de schorsingstermijn van 25 dagen begon te lopen en die eindigde op 15 oktober 2002; dat dus duidelijk blijkt dat het schorsingbesluit van 10 oktober X-12.254-4/13 2002 ruim binnen de daartoe bestemde periode werd betekend aan alle betrokken partijen; Overwegende dat als gevolg van het schorsingsbesluit het college van burgemeester en schepenen de stedenbouwkundige vergunning heeft ingetrokken en vervangen door een weigeringsbesluit d.d. 21 oktober 2002, dus binnen de door artikel 4 van het procedurereglement - wetten op de Raad van State - bepaalde termijn van 60 dagen voor het instellen van een annulatieberoep bij de Raad van State; dat het besluit tot intrekking van de vergunning en het afleveren van het weigeringsbesluit bovendien gesteund is op de strijdigheid van het ingetrokken besluit met de bepalingen van het gewestplan; dat een bestuurshandeling kan worden ingetrokken door de overheid die ze heeft gesteld onder meer wegens de onrechtmatigheid ervan en binnen de termijn bepaald voor het instellen van een annulatieberoep bij de Raad van State; dat de beslissing van het college van burgemeester en schepenen d.d. 21 oktober 2002 dan ook conform de regelgeving werd getroffen; Overwegende dat het perceel in aanvraag een diepte heeft van 117,5 m bij een breedte van 84,15 m, zich vooraan richt op de Kartuizerweg en achteraan paalt aan de gewestweg R.W.171; dat het terrein over een diepte van 84,5 m vanaf de Kartuizerweg volgens het gewestplan Antwerpen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979, gelegen is in een gebied voor ambachtelijke, kleine en middelgrote ondernemingen; dat overeenkomstig artikel 8 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen de gebieden bestemd voor ambachtelijke bedrijven en voor kleine en middelgrote ondernemingen mede bestemd zijn voor kleine opslagplaatsen van goederen, gebruikte voertuigen en schroot, met uitzondering van afvalproducten van schadelijke aard; Overwegende dat de resterende 33 m volgens hetzelfde gewestplan gelegen zijn in een bufferzone; dat de bufferzones overeenkomstig artikel 14.4.5 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen in hun huidige staat dienen bewaard te worden of als groene ruimte dienen ingericht om te dienen als overgangsgebieden tussen gebieden waarvan de bestemmingen niet met elkaar te verenigen zijn of die ten behoeve van de goede plaatselijke ordening van elkaar moeten worden gescheiden; Overwegende dat de voorliggende aanvraag strekt tot: - het aanleggen van een bodemverharding - ± 1020 m² - vanaf de achterzijde van het bedrijfsgebouw tot de grens met de bufferzone en tot op enkele meters van de laterale perceelsgrenzen; - het aanleggen van 20 parkeerplaatsen, verhard in betonklinkers, met een gezamenlijke oppervlakte van circa 50 m², in te planten in de bufferzone; - het aanleggen van een waterspaarbekken met afmetingen 17 m bij 8,5 m, met een inhoud van circa 240 m³, eveneens in te planten in de bufferzone; Overwegende dat door de afdeling Wegen en Verkeer Antwerpen op 8 mei 2002 een gunstig advies werd verstrekt aan de afdeling Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen te Antwerpen aangezien de aanvraag in overeenstemming is met de algemene en bijzondere voorwaarden; Overwegende dat binnen de bufferzone een principieel bouwverbod geldt, zodat de in deze zone geplande werken duidelijk in strijd komen met de vigerende ordeningsvoorschriften van het gewestplan en in se een markante verstoring impliceren van deze reeds voor het beoogde doel toch wel minimale overgangszone; X-12.254-5/13 Overwegende dat tijdens de huidige procedure van beroep een afzonderlijk dossier werd ingediend voor het bouwen van een magazijn, aan te bouwen tegen de westelijke zijde van het bestaande gebouw; dat voor die aanvraag op 6 oktober 2003 de stedenbouwkundige vergunning werd afgeleverd door het college van burgemeester en schepenen; dat deze nieuwe inplanting echter geen relevante weerslag heeft op de voorliggende aanvraag zoals voorwerp vormend van dit hoger beroep; Overwegende dat het eigendom niet gelegen is binnen de grenzen van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling; dat wegens het ontbreken van enig gedetailleerd ordeningsplan de vergunningverlenende overheid de voorliggende vraag dient te evalueren aan de hand van de gebruikelijke inzichten en noden betreffende een goede aanleg der plaats, gebaseerd op de eerder geciteerde voorschriften van het vigerend gewestplan; Overwegende dat zoals hoger gesteld deze aanvraag niet verenigbaar is met de inrichtende voorschriften van het gewestplan, zodat dient geconcludeerd dat een goede ruimtelijke ordening in het gedrang komt en bijgevolg de vergunning dient geweigerd; dat het beroep van de gemachtigde ambtenaar wordt ingewilligd”. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- In het eerste middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 43, §4, 44 en 52, §1 en §2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), van de verworven rechten uit de “definitief geworden stedenbouwkundige vergunning dd. 2 september 2002” en van de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder de materiële motiveringsplicht. Ook worden machtsoverschrijding en de ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag aangevoerd. In het verzoekschrift wordt het middel als volgt toegelicht: “Doordat, het bestreden besluit het beroep van de gemachtigde ambtenaar inwilligt en het besluit van de Bestendige Deputatie van 6 maart 2003 vernietigt op grond van de overweging dat het schorsingsverzoek van de gemachtigde ambtenaar tegen het besluit van het Schepencollege dd. 9 september 2002 binnen de gestelde termijn werd betekend en bijgevolg het Schepencollege terecht die beslissing heeft ingetrokken; Dat de Minister in het bestreden besluit het volgende overweegt : ‘Overwegende dat de gemachtigde ambtenaar van de afdeling ROHM Antwerpen bij brief van 10 oktober 2002 aan de bouwheer, aan het college van burgemeester en schepenen en aan de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen meedeelde dat hij op dezelfde datum X-12.254-6/13 had beslist om de stedenbouwkundige vergunning d.d. 2 september 2002 te schorsen; dat het schorsingsbesluit aangeeft dat de beslissing van het college van burgemeester en schepenen door de gemachtigde ambtenaar werd ontvangen op 20 september 2002; dat ingevolge voornoemd schorsingsbesluit, conform artikel 52, §2 van het decreet ter kennis gebracht binnen de 25 dagen, door het college van burgemeester en schepenen op 21 oktober 2002 werd beslist de vergunning van 2 september 2002 in te trekken en te vervangen door een weigeringsbeslissing met de motivering zoals opgenomen in het schorsingsbesluit van de gemachtigde ambtenaar; Overwegende dat de aanvrager tegen deze weigeringsbeslissing beroep heeft aangetekend bij de bestendige deputatie, stellende dat het schorsingsbesluit van de gemachtigde ambtenaar, betekend op 10 oktober 2002, laattijdig was; dat evenwel de gemachtigde ambtenaar de beslissing van het college van burgemeester en schepenen op 20 september 2002 heeft ontvangen, datum waarop de schorsingstermijn van 25 dagen begon te lopen en die eindigde op 15 oktober 2002; dat dus duidelijk blijkt dat het schorsingsbesluit van 10 oktober 2002 ruim binnen de daartoe bestemde periode werd betekend aan alle betrokken partijen; Overwegende dat als gevolg van het schorsingsbesluit het college van burgemeester en schepenen de stedenbouwkundige vergunning heeft ingetrokken en vervangen door een weigeringsbesluit d.d. 21 oktober 2002, dus binnen de door artikel 4 van het procedurereglement - wetten op de Raad van State - bepaalde termijn van 60 dagen voor het instellen van een annulatieberoep bij de Raad van State; dat het besluit tot intrekking van de vergunning en het afleveren van het weigeringsbesluit bovendien gesteund is op de strijdigheid van het ingetrokken besluit met de bepalingen van het gewestplan; [...]’ Terwijl, Eerste onderdeel, de termijn om een schorsingsbeslissing te betekenen aan de gemeente en de aanvrager volgens artikel 43 §4 en artikel 44 DROG geen 25 maar 20 dagen bedraagt; Dat in artikel 52 §2 DROG om die reden bepaald is dat de vergunninghouder in elk geval 25 dagen moet wachten vanaf de kennisgeving van de vergunning vooraleer van de vergunning gebruik mag worden gemaakt (...); Dat het bestreden besluit er ten onrechte van uitgaat dat de termijn waarbinnen het schorsingsbesluit moet ter kennis gebracht worden van de aanvrager ingevolge artikel 52 §2 DROG 25 dagen bedraagt; dat artikel 52 §2 DROG immers enkel voorziet in een wachttermijn van 25 dagen voor de vergunninghouder; Dat het bestreden besluit derhalve de draagwijdte en inhoud van die artikelen heeft miskend en dat derhalve die artikelen zijn geschonden; dat het besluit genomen werd met schending van de materiële motiveringsplicht en met ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag; Dat het bestreden besluit er dan ook ten onrechte van uit gaat dat het schorsingsbesluit dd. 10 oktober 2002 ‘ruim binnen de daartoe bestemde periode werd betekend aan alle betrokken partijen’; dat zelfs ingeval aangenomen moet worden dat de termijn is beginnen te lopen op 20 september 2002 (quod certe non, zie tweede onderdeel), de termijn van twintig dagen waarbinnen de aanvrager in kennis moet worden gesteld van het schorsingsbesluit is verstreken op 10 oktober 2002; Dat het schorsingsbesluit wel verzonden werd bij aangetekend schrijven dd. 10 oktober 2002, doch dat verzoekende partij hiervan slechts de volgende dag kennis heeft gekregen, te weten op 11 oktober 2002; X-12.254-7/13 Dat volgens het bepaalde in artikel 43 §4 en 44 DROG de aanvrager nochtans binnen die termijn ‘in kennis gesteld’ moet worden; dat uit die uitdrukkelijke bewoordingen blijkt dat het niet voldoende is dat het schorsingsbesluit binnen die termijn ter post wordt aangeboden door de gemachtigde ambtenaar; dat daarentegen uitdrukkelijk wordt vereist dat de aanvrager hiervan binnen die termijn kennis heeft kunnen nemen; Dat ten overvloede aangenomen wordt dat het aan de overheid is om te bewijzen dat ze haar besluit heeft meegedeeld aan de rechtsonderhorige (...); dat aangenomen wordt dat een termijn die ingaat bij kennisgeving van een besluit of bericht van de overheid maar ingaat bij effectieve kennisneming ervan door de rechtsonderhorige of minstens pas vanaf de aanbieding van het besluit of bericht aan zijn woonplaats (...); Dat zodoende onmiskenbaar blijkt dat het schorsingsbesluit buiten termijn werd betekend zodoende dat de vergunning van 2 september 2002 definitief is geworden; dat bijgevolg de Minister het administratief beroep van de gemachtigde ambtenaar niet vermocht in te willigen (...); Tweede onderdeel, volgens artikel 52 §1 DROG het college van burgemeester en schepenen, de dag zelf waarop van de vergunning kennis gegeven wordt aan de aanvrager, een afschrift van die vergunning zendt aan de gemachtigde ambtenaar; Dat het College van Burgemeester en Schepenen van Kontich van de vergunning dd. 2 september 2002 kennis gegeven heeft aan verzoekende partij met een schrijven van 9 september 2002; Dat het schorsingsbesluit van de gemachtigde ambtenaar dd. 10 oktober 2002 het volgende vermeldt betreffende de termijn waarbinnen de gemachtigde ambtenaar de vergunning in toepassing van artikel 44 DROG kan schorsen: ‘De aangetekende brief, waarbij het college van burgemeester en schepenen zijn beslissing aan de gemachtigde ambtenaar heeft meegedeeld, werd door deze ontvangen op 20/09/2002.’ Dat verzoekende partij tot driemaal toe (met een aangetekend schrijven dd. 4 december 2002, 8 januari 2003, resp. 25 februari 2003) het College van Burgemeester en Schepenen van Kontich heeft verzocht om de exacte datum van kennisgeving van de verleende vergunning aan de gemachtigde ambtenaar mee te delen; Dat vergunninghoudster op 27 februari 2003 dan maar het dossier van het bouwberoep is gaan inkijken op de Dienst Stedenbouwkundige Vergunningen van de provincie Antwerpen; dat het dossier van de gemeente Kontich wel kopie van de kennisgevingbrief aan beroepster dd. 9 september 2002 bevat, doch géén kopie van de kennisgeving aan de gemachtigde ambtenaar en evenmin een bewijs van aangetekende zending; Dat het gemeentebestuur van de gemeente Kontich met een schrijven dd. 18 maart 2003 aan vergunninghoudster heeft meegedeeld dat ‘het dossier begin september aan AROHM [werd] verstuurd’ (...); Dat dan ook aangenomen dient te worden dat de gemeente Kontich, conform het bepaalde in artikel 52, §1 DROG, op dezelfde dag als de kennisgeving van de vergunning aan verzoekende partij (te weten met een schrijven van 9 september 2002 ontvangen op 10 september 2002) hiervan een afschrift heeft verzonden aan de gemachtigde ambtenaar; dat dan ook aangenomen dient te worden dat de gemachtigde ambtenaar op 10 september 2002 kennis heeft gekregen van de verleende vergunning (en dus niet op 20 september 2002); Dat de in artikel 52 §2 DROG voorgeschreven wachttermijn van 25 dagen vanaf de kennisgeving van de vergunning aan de aanvrager overigens alle nut zou ontnomen worden mocht er nog 10 dagen gewacht worden met de kennisgeving aan de gemachtigde ambtenaar (die de termijn van twintig dagen waarbinnen de vergunning kan geschorst worden doet aanvangen); dat ingeval de kennisgeving aan de aanvrager en deze aan de gemachtigde ambtenaar niet X-12.254-8/13 gelijktijdig zou gebeuren, het immers mogelijk is dat er volgens artikel 52 §2 DROG uitvoering mag worden gegeven aan de vergunning vooraleer de termijn van de gemachtigde ambtenaar om te schorsen verstreken is, hetgeen uiteraard niet de bedoeling van de decreetgever kan zijn; Dat de in artikel 43 § 4 en 44 DROG voorgeschreven termijn van twintig dagen waarbinnen de gemachtigde ambtenaar de vergunning kan schorsen, dus is beginnen te lopen op 10 september 2002; dat de gemachtigde ambtenaar met een aangetekend schrijven dd. 10 oktober 2002 aan vergunninghoudster heeft meegedeeld dat de vergunning geschorst werd; dat dit dan ook ruim buiten de voorgeschreven termijn van twintig dagen is gebeurd (die immers op 30 september 2002 afliep); dat de vergunning op dat ogenblik reeds definitief was geworden door het verstrijken van de termijn van twintig dagen; Dat het bestreden besluit een verkeerde toepassing maakt van de artikelen 43 §4, 44 en 52 §1 DROG en zodoende deze bepalingen geschonden zijn; dat zodoende ook de materiële motiveringsplicht werd geschonden en het besluit genomen werd met ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag; Dat de intrekking van de definitief verleende vergunning dd. 2 september 2002 en de weigering van de vergunning door het Collegebesluit dd. 21 oktober 2002 op grond van de motieven van het schorsingsbesluit van de gemachtigde géén juridische grondslag heeft, aangezien het schorsingsbesluit ruim buiten de termijn van twintig dagen werd genomen en betekend; Dat bij vernietiging van het intrekkingsbesluit de aan verzoekende partij verleende vergunning dd. 2 september 2002 onmiddellijke rechtskracht verkrijgt en de vergunde werken kunnen worden uitgevoerd (...); Derde onderdeel, de Minister zich niet meer kan uitspreken over andere motieven waarop het intrekkings- en weigeringsbesluit van 21 oktober 2002 gesteund zou zijn; dat dit collegebesluit immers rechtstreeks grondslag vindt in de (laattijdige) schorsing; Dat de Minister evenmin nog vermocht de aanvraag te toetsen aan de overige motieven van het beroep van de gemachtigde ambtenaar dd. 12 mei 2003 tegen het besluit van de Bestendige Deputatie dd. 6 maart 2003; dat in dit deputatiebesluit immers terecht werd vastgesteld dat het schorsingsbesluit van de gemachtigde ambtenaar dd. 10 oktober 2002 laattijdig was en derhalve de vergunning dd. 2 september 2002 opnieuw rechtskracht krijgt; dat het beroep van de gemachtigde ambtenaar als het ware zonder voorwerp is aangezien de verleende vergunning dd. 2 september 2002 uit kracht van wet als definitief verworven dient te worden beschouwd; dat het besluit van de Bestendige Deputatie dd. 6 maart 2003 waartegen de gemachtigde ambtenaar beroep heeft ingesteld een louter declaratief (en geen constitutief) karakter heeft; dat de Bestendige Deputatie zich immers louter beperkt heeft tot de vaststelling dat de decretale schorsingstermijn overschreden is; dat nogmaals herhaald dient te worden dat de vergunning dd. 2 september 2002 uit kracht van wet - en dus niet omwille van het thans aangevochten Deputatiebesluit - als definitief dient te worden beschouwd; Dat de Minister, door de aanvraag toch ten gronde te toetsen aan de bezwaren van de gemachtigde ambtenaar, niettegenstaande het initiële schorsingsbesluit kennelijk laattijdig was en derhalve de vergunning dd. 2 september 2002 definitief is geworden, de verworven rechten van verzoekende partij uit die vergunning miskent en het bestreden besluit genomen werd met machtsoverschrijding; dat die overwegingen alleszins het bestreden besluit niet kunnen dragen aangezien de vergunning reeds definitief is geworden gelet op de kennelijke laattijdigheid van het schorsingsbesluit; dat ingeval het schorsingsbesluit laattijdig was (zoals verzoekende partij genoegzaam heeft aangetoond), de minister niet vermocht andere X-12.254-9/13 weigeringsmotieven in te roepen aangezien in dat geval de vergunning dd. 2 september 2002 definitief is geworden; Zodat, het bestreden besluit, door het beroep van de gemachtigde ambtenaar in te willigen, niettegenstaande de vergunning van het schepencollege dd. 2 september 2002 definitief is geworden omdat er geen schorsingsbesluit werd betekend binnen de twintig dagen na ontvangst van de vergunning, de in het middel opgesomde bepalingen en beginselen heeft geschonden”. Beoordeling
- Volgens de verzoekende partij overweegt de minister ten onrechte dat het schorsingsbesluit van de gemachtigde ambtenaar tijdig ter kennis gebracht is. De laattijdigheid van het schorsingsbesluit heeft volgens de verzoekende partij tot gevolg dat de vergunning van 2 september 2002 definitief geworden is, waardoor het intrekkings- en weigeringsbesluit van 21 oktober 2002 geen juridische grondslag heeft. Het verstrijken van de bij artikel 43, § 4, tweede lid van het gecoördineerde decreet bepaalde termijn voor schorsing en vernietiging, van toepassing op het ogenblik van het nemen van het bestreden besluit, brengt met zich mee dat de beslissing van het college van burgemeester en schepenen niet langer onderworpen is aan het administratief toezicht van de hogere overheid, doch niet dat dergelijke beslissing, wanneer zij door een onregelmatigheid is aangetast, definitief is. Een onregelmatige vergunning is slechts definitief verworven nadat de termijn is verstreken binnen welke zij door de overheid die haar heeft verleend, om reden van die onregelmatigheid, kan worden ingetrokken, dit is na het verstrijken van de termijn van zestig dagen voor het instellen van een annulatieberoep bij de Raad van State, of, wanneer een annulatieberoep werd ingesteld, tot het sluiten van de debatten. Te dezen blijkt dat het college van burgemeester en schepenen binnen de termijn van zestig dagen de beslissing van 2 september 2002 heeft ingetrokken als gevolg van de - door de verzoekende partij niet betwiste - onregelmatigheden die in het schorsingsbesluit opgesomd zijn, met name de strijdigheid met het gewestplan, het niet voorleggen van de aanvraag voor advies aan de gemachtigde ambtenaar, het verzuim een openbaar onderzoek te houden en het feit dat een aanvraag reeds in 2001 door de gemachtigde ambtenaar ongunstig werd geadviseerd en vervolgens door het college werd geweigerd. Het is ter zake dan ook zonder belang te weten of de beslissing van 2 september 2002 van het college van burgemeester en schepenen door de gemachtigde ambtenaar al dan niet tijdig werd geschorst. X-12.254-10/13
- De verzoekende partij betoogt dat de minister “zich niet meer kan uitspreken over andere motieven waarop het intrekkings- en weigeringsbesluit van 21 oktober 2002 gesteund zou zijn”, evenmin “vermocht de aanvraag te toetsen aan de overige motieven van het beroep van de gemachtigde ambtenaar” en dat alleszins de overwegingen in dit verband het bestreden besluit “niet kunnen dragen”. Om de hiervoor aangevoerde redenen is het intrekkings- en weigeringsbesluit van 21 oktober 2002 rechtsgeldig. Gelet op de devolutieve werking van het administratief beroep kon de minister zich uitspreken over de erin vermelde motieven. Voor het overige bekritiseert de verzoekende partij geenszins de overweging in het bestreden besluit dat haar aanvraag “niet verenigbaar is met de inrichtende voorschriften van het gewestplan, zodat dient geconcludeerd dat een goede ruimtelijke ordening in het gedrang komt en bijgevolg de vergunning dient geweigerd”.
- Het eerste middel is niet gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Het tweede middel wordt genomen uit de schending van het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van non-discriminatie, zoals verankerd in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en uit de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het continuïteitsbeginsel. In het verzoekschrift wordt het middel als volgt toegelicht: “Doordat, het bestreden besluit overweegt dat het beroep van de gemachtigde ambtenaar ingewilligd moet worden om reden dat de geplande werken in de bufferzone strijdig zijn met de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan en dat de goede ruimtelijke ordening hierdoor in het gedrang komt; Terwijl, er voor de aanpalende percelen wél een vergunning werd verleend voor een parking en bufferbekken in de bufferzone (met name voor de bedrijven ABELIM, COSSIMCO en INTER MAILING); Dat dit door het College van Burgemeester en Schepenen in haar besluit dd. 2 september 2002 uitdrukkelijk werd bevestigd (‘overwegende dat er reeds parkeerplaatsen en bufferbekken werden toegestaan in deze bufferzone’); Dat het motief van het beroep van de gemachtigde ambtenaar dat de parking en bufferbekken niet kunnen toegestaan worden in bufferzone dan ook strijdig is met het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van continuïteit in de beoordeling van vergunningsaanvragen, volgens dewelke de vergunningverlenende overheid in één welbepaald geval niet kan afwijken van een aangehouden beleidslijn zonder deze afwijking afdoende te motiveren; X-12.254-11/13 Zodat, het bestreden besluit, door het beroep van de gemachtigde ambtenaar in te willigen om reden dat de geplande werken in de bufferzone strijdig zijn met de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan en dat de goede ruimtelijke ordening hierdoor in het gedrang komt, niettegenstaande voor de aanpalende percelen wél een vergunning werd verleend voor een parking en bufferbekken in die zone, de in het middel opgesomde bepalingen en beginselen werden geschonden”. Beoordeling
- Het gelijkheidsbeginsel verzet zich ertegen dat personen die zich in dezelfde toestand bevinden ongelijk behandeld worden, tenzij er voor het verschil in behandeling een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. De verzoekende partij toont allerminst aan dat in gelijke of vergelijkbare juridische omstandigheden aan de bedrijven op aanpalende percelen een vergelijkbare vergunning werd verleend en beperkt zich ertoe te verwijzen naar de overwegingen van de vergunning van 2 september
- Uit de beoordeling van het eerste middel blijkt evenwel dat deze vergunning op rechtsgeldige wijze is ingetrokken en dus geacht moet worden nooit te hebben bestaan. Bijgevolg kan de verzoekende partij er zich niet met goed gevolg op steunen.
- Het tweede middel is niet gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. X-12.254-12/13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig februari 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Roger Stevens X-12.254-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.203 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div