id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.209 Rolnummer: A. 89725/X-9395 Zaak: Arrest 201209 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 23/02/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-05 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-07-02 08:58 Fiche Arrest nr 201.209 van 23 februari 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 201.209 van 23 februari 2010 in de zaak A. 89.725/X-
- In zake: de b.v.b.a. BAESTAENS die woonplaats kiest te 2221 HEIST-OP-DEN-BERG Liersesteenweg 7D bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Robert Vanosselaer kantoor houdend te 2800 MECHELEN Veemarkt 37 A2 tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Steff Stevens kantoor houdend te 2800 MECHELEN Schuttersstraat 15-17 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 21 februari 2000, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 16 december 1999 van de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media houdende verwerping van het beroep ingesteld tegen de beslissing van 20 augustus 1998 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij de vergunning is geweigerd voor het regulariseren van een werkplaats op een perceel gelegen te Heist-op-den-Berg, Liersesteenweg, kadastraal bekend sectie D, nrs. 301/e2, 356/a en b. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld. X-9395-1/10 De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 november
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Robert Vanosselaer, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Matthias Valkeniers, die loco advocaat Steff Stevens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De verzoekende partij dient op 7 juli 1997 (datum van het ontvangstbewijs) een aanvraag in tot het regulariseren van een werkplaats gelegen aan de Liersesteenweg 7D te Heist-op-den-Berg.
- Het perceel is overeenkomstig het gewestplan Mechelen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 5 augustus 1976, voor de eerste 50 meter gelegen in woongebied met landelijk karakter en voor het achterste deel in agrarisch gebied. Het betrokken perceel is niet gelegen binnen een gebied waarvoor een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg bestaat en evenmin binnen het gebied van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling.
- Naar aanleiding van het openbaar onderzoek worden geen bezwaren ingediend. X-9395-2/10
- Op 23 oktober 1997 verleent de afdeling Land van de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer een gunstig advies: “In antwoord op uw brief van 2 oktober ll deel ik u mee dat de bovenvermelde aanvraag kan gedoogd worden. Het betreft de regularisatie van de gewijzigde inplanting van een loods die vergund werd ten behoeve van een garage; de loods diende ingeplant te worden in het voorgeschreven landelijk woongebied. Het bouwperceel is deels in een landelijk woongebied en deels aan de rand van een aangetast en ingesloten agrarisch gebied gelegen. In de nabije omgeving staan verscheidene constructies die eveneens deels buiten het landelijk woongebied zijn ingeplant”.
- De gemachtigde ambtenaar verleent op 28 januari 1998 een ongunstig advies: “ONGUNSTIG, de bouwvergunning moet worden geweigerd : Het wederrechtelijk opgetrokken gebouw bevindt zich nagenoeg volledig in agrarisch gebied, hoewel geen enkel verband bestaat met enige landbouwactiviteit, derhalve kan noch de constructie noch de activiteit worden aanvaard. Evenmin kan de disproportionele inrichting van de volledige strook in het woongebied met landelijk karakter tot bedrijfsparking worden aanvaard, om reden van hinder en visuele verloedering”.
- Op 10 februari 1998 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Heist-op-den-Berg de vergunning: “- gelet op de ligging van de werkplaats in het agrarisch gebied volgens het gewestplan Mechelen; - gelet op het advies van de gemachtigde ambtenaar van 28/01/1998; - gelet op de inrichting van de voorliggende strook als bedrijfsparking en verkoopruimte in een woongebied met landelijk karakter volgens het gewestplan; - Overwegende dat de inrichting van het perceel en het opgerichte gebouw aanleiding geven tot ernstige visuele verloedering van de omgeving”.
- Op 20 augustus 1998 beslist de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen het door de verzoekende partij tegen dit weigeringsbesluit ingestelde beroep niet in te willigen en geen bouwvergunning te verlenen.
- Met het bestreden besluit van 16 december 1999 van de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media wordt het beroep van de verzoekende partij verworpen: X-9395-3/10 “Overwegende dat de aanvraag strekt tot het regulariseren van een garagewerkplaats met een breedte van 15m en een diepte van 25m, gelegen met de voorgevel op 48.43m uit de rooilijn; dat het kwestieus gebouw voor 90% gelegen is in het achterliggend agrarisch gebied, en bijgevolg strijdt met de bestemmingsvoorschriften van het geldend gewestplan; dat verder ook de regularisatie wordt beoogd van het verharden van het volledige terrein voor het gebouw, en het gebruik hiervan als parking; Overwegende dat de voorschriften van het gewestplan verordenende kracht bezitten en bindend zijn voor zowel de vergunningverlenende overheid als voor de particulier die vergunningsplichtige handelingen stelt; dat van deze voorschriften slechts kan worden afgeweken op de wijze zoals door de wet zelf voorzien; dat artikel 166 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening de mogelijkheden vastlegt waaronder eventueel kan afgeweken worden van de wettelijke bepalingen van het gewestplan; dat het hier uitsluitend gaat om het herbouwen, verbouwen of wijzigen van de functie van bestaande, vergunde gebouwen; dat voorliggende aanvraag het regulariseren van een volledig nieuw opgericht gebouw beoogt; dat er geen wettelijke mogelijkheid bestaat om hiervoor de vergunning te verlenen; Overwegende dat de aanvrager verwijst naar de vergunning die aan hem werd verleend op 29 juni 1993, voor een soortgelijk gebouw op hetzelfde perceel; dat echter deze vergunning betrekking had op een ‘magazijn’ met een veel kleiner oppervlakte, namelijk 198m² in plaats van 375m², en gelegen op een afstand van 35m tot 53m achter de rooilijn, zodat het toch voor 80% gelegen was binnen het woongebied met landelijk karakter; dat bijgevolg het te regulariseren gebouw geenszins vergelijkbaar is met het eerder vergunde magazijn; dat bovendien de vergunning van 29 juni 1993 reeds geruime tijd vervallen is; Overwegende dat wat betreft de voorliggende parking vooreerst dient opgemerkt dat de voorstelling op plan (5 parkeerplaatsen voor personenauto’s) geenszins overeenstemt met de werkelijkheid zoals zichtbaar op de bijgevoegde foto’s; dat op deze foto’s duidelijk te zien is dat het volledige perceelsgedeelte dat in het woongebied gelegen is, werd verhard met kiezels, en wordt gebruikt als parking voor hoofdzakelijk vrachtwagens en bestelauto’s; dat bovendien geen enkele visuele afscherming wordt voorzien, noch naar de aangrenzende percelen, noch naar de openbare weg; dat hierdoor de privacy van de aanpalende percelen in het gedrang komt, terwijl tevens het wettelijk vastgestelde landelijk karakter van de omgeving teniet wordt gedaan en het straatbeeld ernstig wordt geschaad; dat om deze redenen ook geen vergunning kan gegeven worden voor deze parking; Overwegende dat het gevraagde de goede ruimtelijke ordening van de plaats ernstig schaadt; dat geen vergunning kan gegeven worden en dat het beroep van de particulier dient verworpen”. IV. Onderzoek van de middelen
- De verzoekende partij licht “de middelen” als volgt toe in het verzoekschrift: “Het is duidelijk dat de verschillende overheden de beginselen van behoorlijk bestuur overtreden hebben. Hierdoor wordt de ‘gewettigde verwachting’ geschapen dat een ander dan het vergunde gebouw ook mogelijk was. X-9395-4/10
- Om de haalbaarheid van een bouwvergunning voor een tankstation te toetsen, werd een stedebouwkundig attest nr. 1 gevraagd. Volgens het College van Burgemeester en Schepenen kan, op advies van de gemachtigde ambtenaar een tankstation vergund worden. Er wordt geen gewag gemaakt van een bestaand Gewestplan. Een deel van de grond is gelegen in ‘woongebied met landelijk karakter’ ... Deze gebieden zijn bestemd voor woningbouw in het algemeen en tevens voor landbouwbedrijven. Een tankstation behoort daar niet bij.
- Het College van Burgemeester en Schepenen kent een bouwvergunning toe voor een gebouw, waarvan het gebruik onmiskenbaar gekend was, tegen de voorschriften van het gewestplan in. Het gebouw was deels gelegen in ‘woongebied met landelijk karakter’ en deels in ‘agrarisch gebied’.
- De gemachtigde ambtenaar stelt dat de oorspronkelijke bouwaanvraag overeenkomt met de voorschriften van het gewestplan en hij maakt ook geen gebruik van het schorsingsrecht. Nochtans was ook de oorspronkelijke bouwaanvraag niet in overeenstemming met de voorschriften.
- In het advies van AMINAL AFDELING LAND is er spraak van ‘gedogen’ omdat er meerdere constructies in de onmiddellijke nabijheid eveneens in agrarische zone liggen. Ook wordt het landelijk gebied als ‘aangetast’ beschouwd. Ook het College van Burgemeester en Schepenen is akkoord met een regularisatie omwille van constructies op dezelfde bouwdiepte en omdat de betrokken zone versnipperd en niet meer geschikt voor landbouw is. In het besluit van de Minister wordt volgend argument aangehaald : ‘Overwegende dat de aanvrager verwijst naar de vergunning die hem werd verleend op 29.06.1993 .. zodat het toch voor 80 % gelegen was binnen het woongebied met landelijk karakter’ Hiermee zegt de Minister dat ... indien het gebouw voor 80 % correct gelegen had, er wel een regularisatie had kunnen plaatsvinden. Dit is ook gedogen, waarvan verzoekster gebruik kan van maken. Iedereen is het er over eens dat het gebied al lang niet meer beantwoordt aan de regels van het gewestplan.
- De Minister spreekt van een ‘volledig nieuw opgericht gebouw’. Het gebouw in kwestie is opgericht in 1994-1995 op basis van de vergunning van 29.06.
- Gezien de vergunning niet gevolgd is bij het oprichten van het gebouw, is er enkele jaren later een regularisatieprocedure gestart. Het gaat dus niet om een ‘volledig nieuw opgericht gebouw’. De Minister verwijst naar artikel 166 van het decreet van 18.05.1999, houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, teneinde de mogelijkheden aan te duiden waaronder eventueel kan afgeweken worden van de wettelijke bepalingen van het gewestplan. Op basis van de regels die daarin voorgeschreven worden, besluit hij dat er geen wettelijke mogelijkheid bestaat om een vergunning toe te kennen. Welnu, het beroep ingesteld tegen de beslissing van de Bestendige Deputatie van Antwerpen, werd ingediend op 15.10.
- De Minister gebruikt een toenmalig onbestaand decreet om de vergunning te weigeren, hetgeen uiteraard niet kan”. X-9395-5/10 In de memorie van wederantwoord voegt zij daaraan toe wat volgt: “Gelet op de procedurele voorgaanden : - het verzoekschrift tot nietigverklaring vanwege verzoekende partij. - de memorie van antwoord vanwege verwerende partij. Verzoekende partij handhaaft haar standpunt dat de verschillende overheden de beginselen van behoorlijk bestuur overtreden hebben. Het kan in deze niet ernstig betwist worden dat de ‘gewettigde verwachting’ geschapen werd dat een ander dan het vergunde gebouw ook mogelijk was. Immers blijft de vaststelling dat volgens het College van Burgemeester en Schepenen een tankstation kon vergund worden. Er wordt geen gewag gemaakt van een bestaand Gewestplan. Dit tankstation waarvoor gunstig advies was, was ook voor een gedeelte gelegen in ‘woongebied met landelijk karakter’ en behoorde geenszins tot de gebieden bestemd voor woningbouw. Onmiskenbaar werd hierdoor in hoofde van verzoekende partij een gewettigde verwachting geschapen dat ook verbouwingen of wijziging aan het vergunde gebouw mogelijk waren. Art. 166 van het decreet van 18/05/99 waarnaar verwerende partij verwijst voorziet trouwens in een afwijking voor vergunde gebouwen die herbouwd, verbouwd of gewijzigd worden. Het feit dat het thans gewijzigde gebouw vergroot werd en de parking met kiezels verhard werd is niet van aard dat zij zulkdanige wijziging aan het karakter van het gebouw teweegbrengt dat er een ‘ernstige’ bijkomende last voor de openbare weg of voor de privacy van de omliggende percelen geschapen wordt, zeker niet wanneer rekening gehouden wordt met de omliggende bedrijven die zonder enig probleem vergund werden en die thans aldaar aanwezig zijn. Dit blijkt uit het advies van AMINAL AFDELING LAND dat spreekt van een gedogen omdat er meerdere constructies in de onmiddellijke nabijheid eveneens in agrarische zone liggen. Verwerende partij verwijst naar het agrarisch gebied, doch verzwijgt dat dit landelijk gebied ernstig aangetast is en zelfs zodanig dat er in de buurt in feite van geen enkel landelijk bedrijf gevestigd is. De vraag stelt zich aldus of er nog spraak is van een gebied met landelijk karakter, waar in realiteit het tegendeel blijkt. Iedereen is het er immers over eens dat het gebied al lang niet meer beantwoordt aan de strikte regels van het gewestplan. In deze handelt het tevens geenszins over een volledig nieuw opgericht gebouw, zoals verwerende partij laat uitschijnen. Wat betreft het aspect van de visuele verloedering blijkt in tegenstelling tot hetgeen verwerende partij wil doen voorkomen dat het gebouw zelfs een esthetisch mooier uitzicht kreeg met grote glazen ramen van boven tot onder aan de voorgevel. Bovendien heeft verzoekende partij inmiddels houten schutsels aangebracht en zullen kortelings tevens boompjes aangebracht worden teneinde het esthetisch aspect nog meer tegemoet te komen. Het gaat dan ook niet op dat de overheid bij verzoekende partij enerzijds de verwachting creëert dat zij haar handelsbedrijvigheid, waarvan de aard en de implicaties op de omgeving van in den beginne aan de overheid bekend was, aldaar kon uitoefenen om dan anderzijds plots van overheidswege, wanneer verzoekende partij investeringen doorvoert onder de vorm van verbouwingen en moderniseringen, een radicaal ander en tegenstrijdig standpunt in te nemen door verwijzing naar een gewestplan, dat overigens uitzonderingen en dus X-9395-6/10 regularisaties voorziet en dat ook bekend was op datum van de eerste vergunning, op basis waarvan verzoekende partij haar handelswerkzaamheid opgestart is. Zulks houdt onmiskenbaar een schending in van de beginselen van behoorlijk bestuur. Overigens meent verzoekende partij dat zij wel degelijk ressorteert binnen de uitzondering zoals voorzien in art. 166 van het decreet van 18 mei
- Bijkomend stelt verzoekende partij aangaande dit voormeld decreet vast dat verwerende partij niet antwoordt op het middel van verzoekende partij dat de minister verwijst naar een decreet van 1999 dat echter onbestaande was op het ogenblik dat de regularisatie geweigerd werd met name op 20/08/
- Zulks blijkt volkomen onwettig”. In de laatste memorie laat zij nog het volgende gelden: “Het besluit van de auditeur kan de goedkeuring van verzoekende partij geenszins wegdragen. Formeel dan wel uitdrukkelijk wordt de zienswijze in al haar facetten tegengesproken. Het enig middel door verzoekende partij aangewend, met name de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, wordt door het verslag niet met overtuiging terzijde geschoven door de aangevoerde argumentering enerzijds. Anderzijds word[t][en] de passus[sen] waarbij de overheid of vergunningverlenende administratie beslist heeft, integraal weergegeven waarbij zonder meer verwezen wordt naar besluitvorming waar op z’n minst het behoorlijk bestuur zwaar onderuitgaat. Als een overheid zelf, tengevolge haar discretionaire bevoegdheid dan wel gebonden bevoegdheid een overtreding begaat door een gebouw voor 20 % illegaal te vergunnen, met name : [...] ‘en gelegen op een afstand van 35 m tot 53 m achter de rooilijn zodat het toch voor 8o % gelegen was binnen het woongebied met landelijk karakter; [...] (...) Dat deze overheid dan terecht dient gewezen te worden door het hoogste Administratieve rechtsorgaan. Inderdaad is dit nogmaals een paradigma van een slordig beleid waarvoor de bestuurde niet kiest, maar afgaat op de handelswijze en richting die dit bestuur zelf aangeeft. Zonder meer ontstaat er in hoofde van de bestuurde, in casu verzoekende partij, dat met vlotheid een beslissing niet per se in lijn dient te liggen met uiteraard gewestplannen die evenzeer uiteraard, verordenende kracht hebben voor alle betrokkenen. Meer, er dient verwezen te worden naar de discussie die onlangs gevoerd werd in het Vlaams Parlement ter oplossing en tegemoetkoming van het enorm deficit inzake ruimtelijke ordening dat door een te laks plaatselijk bestuur en politiek gemarchandeer werd veroorzaakt, zodat de bestuurde in casu verzoekende partij, in ongelijke strijd verzeild geraakte. Dit is onaanvaardbaar en natuurlijk een inbreuk op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Voorgaand aangehaalde discussie werd gevoerd in zitting van het Vlaams Parlement d.d. 14 mei 2003, stuk 1566 (2002-2003) - Nr.
- Het betreft een reflectienota op het voorstel ter wijziging van het decreet van 18 mei
- Pagina 2 van deze nota haalt aan; X-9395-7/10 ‘Het gevoel van onbillijkheid wordt nog versterkt door het gegeven dat de overheid gedurende vele jaren heeft laten begaan en zelden heeft opgetreden tegen overtreders, en door het feit dat de samenleving in het verleden op zijn minst gezegd zeer tolerant was ten opzichte van dit soort inbreuken.’ Als een overheid niet adequaat optreedt en gedoogt, dan kan men niet anders verwachten dat de reactie van de samenleving navenant zal zijn. Het verzekeringsrecht legt de verzekerde een schadebeperkingplicht op ingeval van veroorzaakte schade. Verzaakt hij hieraan dan zal hem de rekening gemaakt worden. Welnu, in analogie met de casus ad rem kan dit evenzeer ingeroepen worden. De overheid heeft veel te laat ingegrepen zodat van de bestuurde, in casu verzoekende partij niet kan verwacht worden dat hij kennis heeft van het plots terugschroeven van haar eerder aangenomen houding en, even plots, de normen van toepassing met rigide hand hanteert. Het recht kent gebruiken die gegroeid zijn uit de abusieve toepassing van de norm, met name het gebruik contra legem. Als de bestuurde dan aldus handelt én zelfs de vergunningverlenende overheid de normering te buiten gaat, cfr. de 8o% woongebied en 20 % agrarisch gebied toegestane inplanting van het gebouw nota bene een LOODS en zelfs geen woning, dan is een correct inzicht van de bestuurde in se een garagist, niet langer mogelijk. Temeer als een plaatselijk politicus daar bovenop nadat verzoekende partij na consultatie en vóór de aanvang van de bouwwerken met zekerheid meedeelt dat een en ander wél kan/kon. Dat was de tijdsgeest, dit kan en mag de bestuurde niet gehonoreerd worden. De beginselen van behoorlijk bestuur, wat betreft deze materie, met name Ruimtelijke Ordening, zijn constant met voeten getreden op alle niveaus tot, sinds zeer kort, een quasi nultolerantie wordt gevoerd. De bestuurde, in casu verzoekster mag het slachtoffer hiervan niet worden. Resumerend kunnen de feiten zoals ze zich werkelijk voordeden als volgt aangehaald worden. Er werd destijds een planologisch attest nr 1 afgeleverd voor de uitbating van een benzinestation. Een bouwvergunning werd in ’93 aangevraagd én afgeleverd voor een LOODS dewelke deels was voorzien in agrarisch gebied en woongebied met landelijk karakter. Uiteindelijk, nadat verzoekende partij zijn plannen kenbaar maakte bij een aangezochte potentiële leverancier van brandstoffen, bleek het perceel te smal, zijnde 24 meter, voor de uitbating van een benzinestation. Minstens 40 meter perceelsbreedte was nodig om de vrachtwagens op en af te kunnen laten rijden. Hiermee geconfronteerd werd een plaatselijk politicus, werkzaam op stedenbouw, gevraagd naar de mogelijkheden en werd het plan uitgelegd om de vergunde loods groter te bouwen en verder ingeplant dan voorzien. Dit kon, werd er verzekerd, en de zaak zou geregeld worden, zodat de bouwwerken werden aangevat. Verzoekende partij is in geen enkel opzicht te kwader trouw geweest. Door een niet behoorlijk bestuur, wat betreft de materie ruimtelijke ordening, werd verzoekende partij misleid, en verzoekende niet alleen. Volledig te goeder trouw werd er gehandeld. Nogmaals wordt gesteld dat de vergunning zelf niet in overeenstemming was met het gewestplan. Door de toenmalige gemachtigde ambtenaar werd niet gereageerd. Is dit behoorlijk bestuur? X-9395-8/10 Mevrouw of de heer Staatsraad zal oordelen”.
- Een burger kan zich beroepen op verwachtingen geput uit een constante, wettige gedragslijn van de overheid. Naast uiteraard het legaliteitsbeginsel, houden de regelen van een behoorlijk burgerschap in dat een burger de wet naleeft en, toegepast op het voorliggende geval, dat die burger, wanneer hij werken wil uitvoeren waarvoor de decreetgever een voorafgaande vergunning vereist, die vergunning ook aanvraagt en een gunstige beslissing daarover afwacht alvorens de werken uit te voeren. Wanneer hij meent zich op dergelijke verwachtingen te kunnen beroepen, dient hij deze aan te voeren tijdens de decretaal voorgeschreven vergunningsprocedure. Hij kan zich derhalve, nadat hij eigengereid vergunningsplichtige handelingen heeft gesteld zonder de vereiste vergunning, naar aanleiding van het niet inwilligen van een later ingediende regularisatieaanvraag, niet beroepen op vermeende verwachtingen, zowel bestaande op het ogenblik van het stellen van die handelingen, als, nog veel minder, op “verwachtingen” die nadien zouden zijn ontstaan. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat de niet geregulariseerde werkplaats, door de inplanting en omvang alleen al, niet in overeenstemming is met de bouwvergunning voor het “oprichten van een magazijn” die op 29 juni 1993 aan Chris BAESTAENS werd verleend. De geweigerde regularisatie van de verzoekende partij heeft derhalve een volledig nieuw opgericht gebouw als voorwerp. Bijgevolg kan de verzoekende partij zich in dit geval niet op ontvankelijke wijze op het “vertrouwensbeginsel” beroepen.
- Het toentertijd geldende artikel 2, § 1 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, bepaalt dat de gewestplannen bindende en verordenende kracht hebben, blijven gelden totdat zij door andere plannen worden vervangen na herziening en er niet van mag worden afgeweken dan in de gevallen en in de vormen door de wet of het decreet bepaald. De vergunningverlenende overheid is, wanneer zij uitspraak doet over een bouwaanvraag, er als orgaan van het actief bestuur toe gehouden de reglementering toe te passen die geldt op het ogenblik dat zij over de aanvraag uitspraak doet. Op 16 december 1999, datum waarop het bestreden besluit werd genomen, gold het, bij decreet van 19 juli 2002 opgeheven, artikel 166 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening. Deze bepaling was overeenkomstig artikel 204 van het laatstgenoemde decreet in werking X-9395-9/10 getreden op 18 juni 1999, dit is de tiende dag na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad op 8 juni
- Gelet op de feitelijke vaststelling dat het te dezen om de oprichting van een volledig nieuw gebouw gaat, kon de minister terecht besluiten dat er te dezen “geen wettelijke mogelijkheid bestaat om hiervoor de vergunning te verlenen”.
- De middelen worden verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 173,53 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig februari 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Roger Stevens X-9395-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.209 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div