← België

Arrêt / Arrest 201261 - Aides financières / Financiële tegemoetkomingen - 24/02/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.261 Rolnummer: A. 185286/AGAV-113 Zaak: Arrêt / Arrest 201261 - Aides financières / Financiële tegemoetkomingen - 24/02/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-25 Raadplegingen: 414 - laatst gezien 2026-07-02 10:55 Versie(s): Versie FR Fiche Arrest nr 201.261 van 24 februari 2010 Sociale zaken en volksgezondheid - Financiële tegemoetkomingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK ALGEMENE VERGADERING nr. 201.261 van 24 februari 2010 in de zaak A. 185.286/g-113 In zake : de VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Philippe Vansteenkiste en Véronique Kympers kantoor houdend te Brussel Terkamerenstraat 22 C, bus 9 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel Van Dievoet kantoor houdend te Brussel Boomstraat 14, bus 3 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 31 augustus 2007, strekt tot de nietigverklaring van "de beslissing, op 2 juli 2007 meegedeeld door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (...), waarbij het verzoek tot kwijtschelding van burgerlijke sancties werd geweigerd". II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 196.117 van 17 september 2009 werden de debatten heropend om de zaak aan de Voorzitter van de Raad van State voor te leggen, voor een bevel, overeenkomstig artikel 92 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, tot verwijzing naar de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 november
  3. g-113n-1/6 Staatsraad Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Véronique Kympers, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Michel Van Dievoet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Jozef Stevens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. De verzoekende partij heeft de bijdrage van 8.334.115,34 euro, die betrekking heeft op het vierde kwartaal van 2004, niet binnen de uitdrukkelijk aangegeven betalingstermijn betaald.
  6. De verwerende partij rekent bijdrageopslagen (10%) en intresten aan (7 %), wat neerkomt op een bedrag van 1.504.307,81 euro. De verzoekende partij vraagt op 19 april 2006 een ontheffing van de aangerekende bijdrageopslagen en intresten.
  7. Op 30 oktober 2006 deelt de verwerende partij mee dat zij, met toepassing van artikel 55, § 2, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (hierna : koninklijk besluit van 28 november 1969) een vermindering met 50 % van de bijdrageopslagen toekent : het voormelde bedrag wordt teruggebracht tot 1.087.602,05 euro.
  8. Met een brief van 15 december 2006 vraagt de verzoekende partij de vrijstelling van deze sanctie om reden van billijkheid en overmacht.
  9. Op 2 juli 2007 deelt de verwerende partij mee dat beslist werd dat geen toepassing kan worden gemaakt van de bepalingen van artikel 55, § 3, 2/, van het koninklijk besluit van 28 november
  10. g-113n-2/6 Dit is de bestreden beslissing. IV. Rechtsmacht van de Raad van State Standpunten van het auditoraat en van de partijen
  11. Het auditoraatsverslag besluit met verwijzing naar artikel 580, 1/, van het Gerechtelijk Wetboek ambtshalve dat de Raad van State onbevoegd is om kennis te nemen van onderhavig beroep tot nietigverklaring. Zowel de verzoekende als de verwerende partij stellen in hun laatste memorie dat de Raad van State in deze bevoegd is. De verwerende partij voert in dit verband aan dat de verzoekende partij geen subjectief recht op de gevraagde ontheffing kan doen gelden. Zij wijst er op dat zij blijkens de toepasselijke wetsbepaling beschikt over een discretionaire bevoegdheid om de vermindering van de bijdrageopslagen al dan niet toe te staan en zij citeert rechtspraak in die zin van het Grondwettelijk Hof en van het Hof van Cassatie. Beoordeling
  12. De artikelen 55, § 2, en 55, § 3, 1/, en 2/, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 bepalen : "§
  13. Wanneer de werkgever het bewijs levert dat de niet-betaling van de bijdragen binnen de reglementaire termijnen aan uitzonderlijke omstandigheden is toe te schrijven, kan de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid het bedrag van de bijdrageopslagen en/of de vaste vergoeding bedoeld in artikel 54bis met ten hoogste 50 pct. en het bedrag van de nog verschuldigde verwijlintresten met ten hoogste 25 pct. verminderen. Dit kan hij nochtans enkel nadat de werkgever alle vervallen sociale zekerheidsbijdragen heeft betaald. (...) §
  14. De vermindering van het bedrag van de bijdrageopslagen en/of vaste vergoeding bedoeld in artikel 54bis met 50 pct. kan door de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid op 100 pct. worden gebracht: 1/ wanneer de werkgever, ter verantwoording, het bewijs levert dat op het ogenblik dat de schuld eisbaar werd, hij een vaste en eisbare schuldvordering bezat ten opzichte van het Rijk, een provincie of provinciale openbare instelling, een gemeente, een vereniging van gemeenten, een gemeentelijke of intercommunale openbare instelling of een instelling van openbaar nut beoogd bij artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige g-113n-3/6 instellingen van openbaar nut of een maatschappij beoogd bij artikel 24 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit nr. 88 van 11 november 1967; 2/ wanneer zijn beheerscomité bij een met eenparigheid van stemmen getroffen gemotiveerde beslissing, aanvaardt dat zulke vermindering, wegens dwingende billijkheidsredenen of wegens dringende redenen van nationaal of gewestelijk economisch belang bij wijze van uitzondering, verantwoord is".
  15. Artikel 580, 1/, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt : "De arbeidsrechtbank neemt kennis : 1/ van geschillen betreffende de verplichtingen van de werkgevers en van de personen die met hen hoofdelijk aansprakelijk zijn gesteld voor de betaling van de bijdragen, opgelegd door de wetgeving inzake sociale zekerheid, gezinsbijslag, werkloosheid, verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, rust- en overlevingspensioen, jaarlijkse vakantie, bestaanszekerheid, sluiting van ondernemingen en door de verordeningen waarbij sociale voordelen aan de werknemers en leerlingen worden toegekend".
  16. Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 580 van het Gerechtelijk Wetboek blijkt dat het de duidelijke wil van de wetgever was om het sociaal contentieux bij één rechtbank, de arbeidsrechtbank, onder te brengen. In het Verslag van de commissie Justitie van de Senaat (Parl. St. Senaat, 1964-65, 9 maart 1965, stuk nr. 170, p. 100) wordt het volgende gesteld: "Artikel 580 moet alle betwistingen omvatten die kunnen voortkomen uit de toepassing van de wetsbepalingen betreffende de maatschappelijke zekerheid in haar ruimste betekenis, ongeacht of het gaat om verplichtingen van werknemers, de rechten en verplichtingen van de gerechtigden of hun rechthebbenden, of om betwistingen tussen verzekeringsorganismen of andere kassen". Als orgaan van de rechterlijke macht behandelt de arbeidsrecht- bank niet alleen de geschillen waarbij privaatrechtelijke betrekkingen op het spel staan maar neemt zij ook kennis van heel wat bestuursrechtelijke geschillen, hoofdzakelijk op het gebied van de sociale zekerheid. De bestreden beslissing over de gebeurlijke vrijstelling of vermindering van bijdrageopslagen en verwijlintresten, zoals bepaald door artikel 55 van het koninklijk besluit van 28 november 1969, is een aspect van de ruimere problematiek van de verplichtingen inzake de betaling van de bijdragen. De betaling van die bijdrageopslagen en intresten zijn immers ook verplichtingen die voortsprui- ten uit de "wetgeving inzake sociale zekerheid". Artikel 580, 1/, van het Gerechtelijk Wetboek geeft een brede omschrijving van de geschillen die in het domein van de sociale zekerheid tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank behoren. Deze bepaling laat niet toe een onderscheid te maken tussen de betwistingen in verband g-113n-4/6 met de vaststelling, de berekening en de inning van de bijdragen aan de ene kant en het afzien van bijdrageopslagen en intresten aan de andere kant, los van de vraag of de beslissingen die betrekking hebben op de werkgeversverplichtingen al dan niet een discretionair karakter hebben. Wanneer de werkgever het niet-afzien van de opslagen en interesten betwist, maakt hij een geschil aanhangig betreffende zijn werkgeversverplichtingen en de betaling van de verschuldigde bijdragen, opgelegd door de wetgeving inzake sociale zekerheid, ook al is de vordering gericht tegen een bestuurshandeling met een discretionair karakter. De weigering van het afzien van bijdrageopslagen en verwijlintresten behoort tot de vordering van de verwerende partij tot betaling van de achterstallige bijdragen, inbegrepen de opslagen en intresten. De verwerende partij werpt op dat het Hof van Cassatie in zijn arrest van 12 september 2005 (Pas. 2005, 1612; RW 2007-08, 1612) heeft geoordeeld dat de bevoegdheid, door artikel 580, 1/, van het Gerechtelijk Wetboek aan de arbeidsrechtbank verleend, om kennis te nemen van een geschil betreffende de werkgeversverplichting, opgelegd door de wetgeving inzake sociale zekerheid, waarbij de werkgever bijdrageopslagen en verwijlintrest rechtstreeks krachtens de wet verschuldigd is en de verwerende partij de betaling ervan vordert, niet de beoordeling inhoudt van de discretionaire beslissing van de verwerende partij om de bijdrageopslagen en de verwijlintrest al dan niet op te vorderen. Uit dit arrest kan evenwel niet, zoals de verwerende partij dit tracht te doen, worden afgeleid dat de hoven en rechtbanken, en meer bepaald de arbeidsrechtbank, geen kennis mogen nemen van dergelijke betwistingen. Eén zaak is te weten of de arbeidsrechtbank al dan niet bevoegd is; een andere daarentegen, is te weten hoe ver dan wel de controle van de arbeidsrechtbank reikt, wanneer mocht blijken dat zij bevoegd is.
  17. Ambtshalve wordt vastgesteld dat de Raad van State te dezen zonder rechtsmacht is. g-113n-5/6 BESLISSING
  18. Het beroep wordt verworpen.
  19. De kosten bepaald op, 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 24 februari 2010, door de Raad van State, algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak, samengesteld uit: Marie-Rose Bracke voorzitter van de Raad van State, Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Michel Leroy, kamervoorzitter, Jules Messinne, kamervoorzitter, André Vandendriessche, kamervoorzitter, Philippe Quertainmont, staatsraad, Jacques Vanhaeverbeek, staatsraad, Johan Lust, staatsraad, Geert Van Haegendoren, staatsraad, François Daout, staatsraad, Eric Brewaeys, staatsraad, Imre Kovalovszky, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, Michel Pâques, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, Luc Cambier, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, Diane Déom, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter van de Raad van State Wim Geurts Marie-Rose Bracke g-113n-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.261 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.117 geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.338 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.