← België

Arrest 201416 - Personeel van de rechterlijke orde - 01/03/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.416 Rolnummer: A. 167076/IX-5096 Zaak: Arrest 201416 - Personeel van de rechterlijke orde - 01/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-08 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-07-02 09:32 Fiche Arrest nr 201.416 van 1 maart 2010 Justitie - Personeel van de rechterlijke orde Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 201.416 van 1 maart 2010 in de zaak A. 167.076/IX-5096 In zake : Paul DE BAERE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carlos De Wolf kantoor houdend te Maarkedal Etikhovestraat 6 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Peeters kantoor houdend te Brussel Terhulpsesteenweg 177/6 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : Guido VAN DE VELDE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Lindemans kantoor houdend te Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 21 oktober 2005, strekt tot de nietigver- klaring van het koninklijk besluit van 24 augustus 2005 waarbij Guido Van De Velde benoemd wordt tot hoofdgriffier van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 154.821 van 13 februari 2006 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit verworpen. IX-5096-1/12 De verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 28 april 2006 . De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 februari
  3. Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Carlos De Wolf, die verschijnt voor de verzoeker, advocaat Jens Mosselmans, die loco advocaat Patrick Peeters verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Natasha Nolet, die loco advocaat Dirk Lindemans verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. IX-5096-2/12 III. Feiten 3.
  5. In het Belgisch Staatsblad van 10 maart 2005 wordt de vacature bekendgemaakt van de betrekking van hoofdgriffier van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde. 3.
  6. Zeven personen, onder wie de verzoeker en de tussenkomende partij, stellen zich kandidaat. De verzoeker is griffier bij de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde. De tussenkomende partij is op dat ogenblik hoofdgriffier van het vredegerecht van het kanton Ninove. 3.
  7. Beide kandidaten krijgen het advies “zeer gunstig” van de procureur des Konings te Oudenaarde. 3.
  8. De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde geeft het advies “uiterst gunstig” over de verzoeker en “zeer gunstig” over de tussenkomende partij. In zijn advies over de verzoeker stelt de voorzitter dat de benoeming van een “buitenstaander” nuttig en verrijkend kan zijn, maar dat dit niet mag leiden tot een vermindering van de kansen van een “kandidaat van ter plekke”. Hij stelt dat de griffie goed draait, dat het volledig personeel achter hem staat -ook mensen die hiërarchisch hoger staan of meer anciënniteit hebben- en besluit dat de verzoeker “in alle objectiviteit de beste kandidaat is (langste staat van dienst binnen de griffie, volkomen vertrouwheid met de plaatselijke werking en onmiddellijke inzetbaarheid) dit naast eerder subjectieve wegingsfactoren (persoonlijkheid, bekwaamheid, inzet en werkkracht, integrale steun van het personeel)”. 3.
  9. Met een nota van het directoraat-generaal Rechterlijke Organisatie van 17 juni 2005 wordt de lijst van de kandidaten aan de minister van Justitie voorgelegd. Op de nota is de volgende aantekening gemaakt: “Benoemen : VAN DE VELDE Guido Hij is reeds hoofdgriffier zoals Van De Wynkele Rudi maar heeft meer dienstanciënniteit. Hij is de meest geschikte persoon voor dit ambt. Voor akkoord.” 3.
  10. Bij koninklijk besluit van 24 augustus 2005 wordt G. Van De Velde benoemd tot hoofdgriffier van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde. Dit besluit steunt op de volgende motieven: IX-5096-3/12 “Gelet op het Gerechtelijk Wetboek, inzonderheid op artikel 264; Gelet op de zeer gunstige adviezen van de rechterlijke overheden; Overwegende dat de heer Van De Velde Guido reeds vele jaren een leidinggevende functie uitoefent, voordien als leidend griffier van de griffie van de Bestendige Krijgsraad te Brussel en sedert 1994 als hoofdgriffier van het vredegerecht van het kanton Ninove; Overwegende dat betrokkene onder de kandidaten over de grootste dienstanciënniteit beschikt; Overwegende dat betrokkene accuraat bijstand verleent aan de magistraat en zelf de nodige en passende initiatieven neemt met betrekking tot het gebouwbeheer; Overwegende dat de kwaliteiten van betrokkene aan de basis liggen van de opmerkelijke samenhorigheid, samenwerking en teamspirit van zijn huidige medewerkers; Overwegende dat betrokkene deel neemt aan allerlei studiedagen en daar op aandringt bij zijn medewerkers; Overwegende dat betrokkene de nieuwe wetgeving onmiddellijk in- en toepast; Overwegende dat betrokkene in de beste verstandhouding leeft met de andere actoren van justitie en desgevallend collega's van de andere kantons bijspringt; Overwegende dat betrokkene de huidige kandidatuur als een nieuwe uitdaging aanziet, nu hij het vredegerecht te Ninove uitbouwde tot een goed draaiend geheel; Overwegende dat betrokkene in zijn functie als hoofdgriffier van het vredegerecht van het kanton Ninove, alwaar hij de leiding heeft over een vijftal mensen, heeft bewezen dat hij mensen kan motiveren; Overwegende dat betrokkene in zijn beleidsplan aandacht heeft voor samenwerking en communicatie en tevens een bepaalde visie heeft omtrent planning, informatisering met het oog op een optimale dienstverlening aan de burger en een maximale inzet van middelen; Overwegende dat betrokkene door zijn verworven kennis bij de krijgsraad in correctionele materies en bij het vredegerecht in burgerlijke zaken, nagenoeg onmiddellijk de leiding kan waarnemen van een griffie van een hogere rechtsmacht; Overwegende dat uit de adviezen blijkt dat betrokkene de nodige ervaring, bekwaamheden en gezag meedraagt en hij over de nodige intellectuele en organisatorisch capaciteiten beschikt om zich vlot aan te passen aan een nieuwe functie; Overwegende dat betrokkene bij zijn laatste beoordeling de eindvermelding ‘zeer goed’ bekwam; IX-5096-4/12 Overwegende dat betrokkene de wettelijke benoemingsvoorwaarden vervult.” Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 2 september
  11. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
  12. De verzoeker voert de schending aan van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, meer bepaald artikel 3, tweede lid, en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de materiële motiveringsplicht en het gelijkheidsbeginsel. Hij betoogt dat het bestreden besluit niet afdoende gemotiveerd is omdat uit de motivering niet blijkt dat de titels en verdiensten van de kandidaten daadwerkelijk werden vergeleken en omdat zonder enige motivering aan de adviezen van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde werd voorbijgegaan. In de motivering van het bestreden besluit worden wel de kwaliteiten van de benoemde kandidaat opgesomd, maar wordt niet vermeld waarom die kandidaat boven de verzoeker werd verkozen. Deze wettigheidskritiek is des te gewichtiger, nu de verzoeker een gunstiger advies had bekomen dan de benoemde kandidaat. Was de verwerende partij tot een daadwerkelijke vergelijking van de verdiensten van de kandidaten en van de verstrekte adviezen overgegaan, dan zou dit noodzakelijk tot de vaststelling hebben geleid dat de verzoeker de benoeming tot hoofdgriffier diende te bekomen. Het is voor de verzoeker duidelijk dat de grenzen van de redelijkheid werden overschre- den.
  13. Volgens de verwerende partij blijkt uit de bewoordingen van het bestreden besluit dat de titels en verdiensten van de kandidaten werden vergeleken. Geplaatst voor twee evenwaardige kandidaten mocht zij de voorkeur geven aan de kandidaat met de grootste anciënniteit. Wat de aangevoerde schending van de formele motiveringsplicht betreft, wijst de verwerende partij erop dat bij benoemingen, een positieve motivering volstaat en dat uit het benoemingsbesluit blijkt dat de benoemende IX-5096-5/12 overheid de voorkeur heeft gegeven aan G. Van De Velde omdat hij een grotere anciënniteit bezat. Ten slotte betoogt de verwerende partij dat de verzoeker aan het uiterst gunstig advies van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde geen zichtbaar betere aanspraken kon ontlenen en dat dit advies moet worden gerelativeerd. G. Van De Velde beschikt minstens over dezelfde kwaliteiten, zodat de benoemende overheid rechtmatig de voorkeur kon geven aan laatstgenoem- de op grond van diens grotere anciënniteit.
  14. De verzoeker repliceert dat in het bestreden besluit de titels en verdiensten van de kandidaten niet daadwerkelijk werden vergeleken. Hij wijst er nogmaals op dat hijzelf een uiterst gunstig advies had gekregen en de tussenkomen- de partij een zeer gunstig advies en dat die adviezen door de verwerende partij ten onrechte gerelativeerd worden. Een gedetailleerde vergelijking van de twee adviezen bevestigt de betere quotering van de verzoeker. Zo heeft de verzoeker een waardevol beleidsplan ingediend dat rekening houdt met de lokale goed draaiende griffie, terwijl de tussenkomende partij een “eerder theoretisch” beleidsplan heeft ingediend, met een “eerder relatieve waarde”. Zo heeft de verzoeker reeds ervaring op de griffie van eerste aanleg, wat niet het geval is voor de tussenkomende partij. Zo is de verzoeker reeds ingewerkt op de griffie, waar hij het vertrouwen geniet van alle collega’s, terwijl de tussenkomende partij zich nog dient in te werken en te informeren. De verzoeker blijft dan ook van oordeel dat er geen sprake is van als gelijkwaardig te beschouwen kandidaten, aangezien hijzelf positiever werd beoordeeld.
  15. De tussenkomende partij is van oordeel dat de verzoeker ten onrechte een onderscheid wil maken tussen een “uiterst gunstig” en een “zeer gunstig” advies. De verzoeker toont niet aan dat het “uiterst gunstig” advies een kennelijk betere beoordeling zou inhouden in vergelijking met de “zeer gunstige” beoordeling van de tussenkomende partij. Overigens heeft zijzelf als hoofdgriffier jarenlang blijk gegeven van leidinggevende capaciteiten, terwijl leiding geven bij de verzoeker niet tot diens takenpakket behoorde. De verwerende partij moet zich ook beperken tot een positieve motivering én uit die motivering blijkt dat de voorkeur van de benoemende overheid niet alleen gesteund is op zijn grotere dienstanciënniteit, maar ook op zijn leidinggevende capaciteiten. IX-5096-6/12 Beoordeling
  16. Luidens artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen moeten bestuurshandelingen met individuele strekking uitdrukkelijk gemotiveerd worden. Artikel 3 van de wet bepaalt dat de motivering de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan het besluit ten grondslag liggen en dat de motivering “afdoende” moet zijn, wat betekent dat de motivering in rechte en in feite evenredig moet zijn aan het gewicht van het genomen besluit en dat de vermelde motieven moeten volstaan om het besluit te dragen. De materiële motiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren bewezen wordt en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen.
  17. Inzake benoemingen is de materiële motiveringsplicht nauw verbonden met het beginsel van de gelijke toegang tot de openbare ambten. Dit beginsel vereist dat bij benoemingen naar keuze de geschiktheid, de aanspraken en de verdiensten van de kandidaten worden onderzocht op grond van objectieve, redelijke en pertinente criteria. Een positieve motivering volstaat, in die zin dat de benoemende overheid moet vermelden waarom een bepaalde kandidaat wordt benoemd, maar niet waarom de andere kandidaten worden benoemd. Maar dit betekent dan wel weer niet dat het bestuur zich mag beperken tot de vermelding dat de benoemde kandidaat de benoemingsvoorwaarden vervult of dat het zou volstaan in de motivering van het benoemingsbesluit een aantal kwaliteiten van de benoemde kandidaat te vermelden: om afdoende te zijn moet de motivering ook duidelijk maken welke redenen de steller van de handeling ertoe hebben aangezet de benoemde kandidaat boven de andere te verkiezen, wat betekent dat de benoemende overheid in het benoemingsbesluit zelf vermeldt op grond van welke criteria zij er uiteindelijk toe gekomen is aan de benoemde de voorkeur te geven of minstens er concrete gegevens in op te nemen die de teleurgestelde kandidaten in staat stellen die objectieve, redelijke en pertinente criteria en hun concrete beoordeling in alle duidelijkheid te achterhalen.
  18. De verzoeker stelt in essentie dat de benoemende overheid zich enkel heeft laten leiden door de dienstanciënniteit van de kandidaten, terwijl uit de adviezen van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde zou IX-5096-7/12 blijken dat de verzoeker grotere aanspraken kan doen gelden om tot hoofdgriffier benoemd te worden. Uit de motivering van het bestreden besluit blijkt dat de keuze van de benoemende overheid niet alleen, en zelfs niet in de eerste plaats, ingegeven werd door het feit dat de tussenkomende partij de grootste dienstanciënniteit had, maar wel door het feit dat hij de meeste ervaring had in een leidinggevende functie. In de motivering wordt immers in de eerste plaats vastgesteld dat “de heer Van De Velde Guido reeds vele jaren een leidinggevende functie uitoefent, voordien als leidend griffier van de griffie van de Bestendige Krijgsraad te Brussel en sedert 1994 als hoofdgriffier van het vredegerecht van het kanton Ninove”. En dat motief gaat terug naar de adviezen van de rechterlijke overheden. Zo stelde de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde in zijn advies over de tussenkomende partij onder meer: “[...] De vrederechter stelt verder dat zijn kwaliteiten aan de basis liggen van de opmerkelijke samenhorigheid, samenwerking en teamspirit van de medewer- kers; Dit zou een ‘nul-peil’ opgeleverd hebben aan arbeidsverzuim van de medewerkers. Ze stelt dat hij de griffie perfect beheert en dagelijks meewerkt. [...] Tijdens het onderhoud met deze kandidaat werd de mening van de vrederechter bevestigd. Hij ziet de huidige kandidatuur als een nieuwe uitdaging, nu hij het vredegerecht te Ninove uitbouwde tot een goed draaiend geheel. [...] Als hoofdgriffier te Ninove heeft hij de leiding over een vijftal mensen en bewees [hij] dat hij mensen kan motiveren.” En de procureur des Konings stelde in zijn advies over de tussen- komende partij: “Betrokkene is thans hoofdgriffier van het vredegerecht kanton Ninove. In deze griffie heeft hij reeds ervaring kunnen opdoen als leidinggevend korpschef. Volgens de vrederechter [...] straalt [hij] een zeker gezag uit en weet hij zijn medewerkers te dynamiseren.”
  19. De verzoeker beroept zich op het feit dat hij op grond van het advies van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde, dat met de vermelding “uiterst gunstig” besloot, grotere aanspraken op de benoeming tot hoofgriffier kan doen gelden. IX-5096-8/12 De voorzitter van de rechtbank stelde in zijn advies onder meer: “[...] Hoger werd reeds gesteld dat hij hoe dan ook de enige kandidaat is met dergelijke lange ervaring binnen de griffie van eerste aanleg. Hij kent de werking van de griffie alhier tot in de kleinste bijzonderheden en is onmiddellijk en onbeperkt inzetbaar en in staat de noodzakelijke bijstand te verschaffen. Ofschoon er ook hier geen sprake is van echte benoemingsvoorwaarden, is het duidelijk dat een benoeming binnen de eigen griffie het personeel ter plekke kan stimuleren. Ze zien immers dat er doorgroeimogelijkheden zijn en dat hun kansen op promotie niet onmiddellijk gefnuikt worden, doch concreet worden. Het is evident duidelijk dat een benoeming van een ‘buitenstaander’ soms nuttig en verrijkend kan zijn en nieuwe ideeën kan geven, doch een en ander kan er niet toe leiden dat een uitstekend kandidaat van ter plekke daardoor zijn kansen zou zien verminderen. Verandering is nuttig en soms noodzakelijk als er geen even goede of creatieve krachten zijn binnen de eigen griffie of indien de dienst op zich een malaise zou vertonen. Wanneer een griffie goed draait en er ter plaatse een zeer goede kandidaat is, dewelke onmiddellijk voor continuïteit kan zorgen en bovendien een waardevol beleidsplan heeft met goede ideeën, is er niet onmiddellijk noodzaak tot ‘frisse winden’. Ik wil er daarbij de nadruk op leggen dat er binnen de griffie alhier slechts één kandidaat was, wat er op wijst dat het volledige personeel achter deze man staat en dan ook bereid is volop met hem samen te werken en zijn beleid te steunen. Er zijn immers nog griffiers of griffiers-hoofden van dienst, dewelke qua hiërarchie en/of anciënniteit de kandidaat voorafgaan. Het feit dat iedereen zich toch achter deze kandidaat stelt, is een zeer duidelijk signaal, hetwelk niet te negeren valt. Als voorzitter meen ik dan ook dat hij, in alle objectiviteit, de beste kandidaat is (de langste staat van dienst binnen de griffie, volkomen vertrouwd- heid met de plaatselijke werking en onmiddellijke inzetbaarheid) dit naast de eerder subjectieve wegingsfactoren (persoonlijkheid, bekwaamheid, inzet en werkkracht, integrale steun van het personeel). Mijn advies is dan ook uiterst gunstig en ik ben ervan overtuigd dat het voor mijzelf en de rechtbank een bijzonder goede zaak zou zijn indien deze kandidaat zou benoemd worden.” Het feit dat de verzoeker een uitstekend kandidaat is die reeds op de griffie van de rechtbank werkzaam is, is aldus een wezenlijk, zo al niet decisief element, om hem een “uiterst gunstig” advies te geven. Daaruit volgt evenwel niet dat de aanspraken van de verzoeker op de benoeming als kennelijk groter dan die van de tussenkomende partij moesten beoordeeld worden. Aangezien de benoemen- de overheid niet gebonden was door het advies van de voorzitter, kon zij in redelijkheid de voorkeur geven aan een andere “zeer gunstig” beoordeelde kandidaat die weliswaar niet op de griffie van de rechtbank werkzaam was, maar reeds vele IX-5096-9/12 jaren een leidinggevende functie uitoefende en bovendien over de grootste dienstanciënniteit beschikt.
  20. Het middel is niet gegrond. B. Tweede middel Standpunt van de partijen
  21. De verzoeker voert de schending aan van artikel 10 van de Grondwet, meer bepaald van het beginsel van gelijke toegang tot de openbare ambten. Hij is van oordeel dat de verwerende partij als enig criterium het verschil in dienstanciënniteit gehanteerd heeft en dat zij voorbijgegaan is aan het advies van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde waarin de verzoeker in alle objectiviteit als de beste kandidaat werd beschouwd. Bovendien blijkt volgens hem uit het arrest Boeyen, nr. 103.709 van 18 februari 2002 dat een verschil in graad op zichzelf geen afdoende grondslag vormt om een benoeming te motiveren.
  22. De verwerende partij antwoordt dat de anciënniteit een objectief criterium vormt dat de benoeming afdoende verantwoordt. Het verschil in graad is geen decisief element geweest bij de benoeming. Uit het administratief dossier blijkt dat de kandidatuur van de verzoeker wel degelijk in aanmerking werd genomen, zodat het door de verzoeker geciteerde arrest niet ter zake doet.
  23. De verzoeker meent dat het antwoord van de verwerende partij voorbijgaat aan de essentie van het middel, namelijk dat elke benoeming moet berusten op een daadwerkelijke vergelijking van de kwaliteiten van de kandidaten. In casu heeft de verwerende partij zich enkel gebaseerd op het verschil in dienst- anciënniteit tussen de kandidaten, niettegenstaande de verzoeker in de adviezen een betere beoordeling kreeg. De verwerende partij gaat er ten onrechte van uit dat de verzoeker en de tussenkomende partij gelijkwaardige kwaliteiten hebben.
  24. De tussenkomende partij stelt, onder verwijzing naar het arrest Decreus, nr. 121.014 van 26 juni 2003 dat anciënniteit wel degelijk als een wettig criterium in aanmerking kan worden genomen. Bovendien zijn de leidinggevende capaciteiten van de tussenkomende partij doorslaggevend geweest. Het beginsel van de gelijke toegang tot de openbare ambten is derhalve niet geschonden. IX-5096-10/12
  25. In zijn laatste memorie stelt de verzoeker nog dat niet blijkt waarom de leidinggevende kwaliteiten van de tussenkomende partij doorslaggevend zouden moeten zijn om haar te benoemen, aangezien ook zijn kwaliteiten op dat vlak door de hoofdgriffier in evidentie gesteld waren. Bovendien heeft de verzoeker blijk gegeven van een bijzonder grote inzet die door alle personeelsleden van de rechtbank erkend werd. Er is zonder reden voorbijgegaan aan het gunstiger advies dat over hem was gegeven. Beoordeling
  26. Uit de motivering blijkt dat de keuze van de benoemende overheid ten gunste van de tussenkomende partij bepaald werd door het feit dat deze laatste zeer gunstige adviezen van de rechterlijke overheden had bekomen, dat hij de meeste ervaring had in een leidinggevende functie en dat hij de grootste dienstanciënniteit had. De kandidaturen werden derhalve wel degelijk vergeleken. De benoemende overheid blijkt ook niet zonder reden aan het “uiterst gunstig” advies van de voorzitter van de rechtbank over de kandidatuur van de verzoeker te zijn voorbijgegaan. Het “uiterst gunstig” advies van de voorzitter van de rechtbank steunt immers op het feit dat de verzoeker een uitstekend kandidaat is die reeds op de griffie van de rechtbank werkzaam is. De benoemende overheid, die door dat advies niet gebonden was, kon binnen de grenzen van haar discretionai- re bevoegdheid, wettig oordelen dat de voorkeur moest gaan naar de kandidaat die reeds vele jaren een leidinggevende functie uitoefende en de grootste dienstanciënni- teit had. De omstandigheid dat ook de verzoeker leiding gegeven heeft en zulks zelfs tot tevredenheid van iedereen, belet niet dat de verwerende partij toch de voorkeur kon geven aan de tussenkomende partij die hoofdgriffier van het vredegerecht te Ninove was. De elementen die wat dat betreft in het advies van de voorzitter van de rechtbank werden aangevoerd om de verzoeker “uiterst gunstig” te beoordelen, waren niet van aard om hem kennelijk grotere aanspraken op de benoeming te verlenen.
  27. Het middel is niet gegrond. BESLISSING
  28. De Raad van State verwerpt het beroep. IX-5096-11/12
  29. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 250 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 1 maart 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-5096-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.416 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.821 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.