id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.417 Rolnummer: A. 165845/IX-5044 Zaak: Arrest 201417 - Tucht (openbaar ambt) - 01/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-09 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-02 09:32 Fiche Arrest nr 201.417 van 1 maart 2010 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 201.417 van 1 maart 2010 in de zaak A. 165.845/IX-5044 In zake : Patrick VAN BAEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carine Flamend kantoor houdend te Meise Vilvoordsesteenweg 101 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de POLITIEZONE BEGIJNENDIJK/ROTSELAAR/TREMELO bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bert Beelen kantoor houdend te Leuven Justus Lipsiusstraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 6 september 2005, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 8 juli 2005 van het politiecollege van de politiezone Begijnendijk/Rotselaar/Tremelo (BRT) waarbij aan Patrick Van Bael de zware tuchtstraf van de schorsing voor de duur van drie maanden wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. IX-5044-1/14 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 februari
- Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Annelies Croonenberghs, die loco advocaat Carine Flamend verschijnt voor de verzoeker, advocaat Thomas Beelen, die loco advocaat Bert Beelen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoeker is hoofdinspecteur bij de lokale politiezone Begijnendijk/Rotselaar/Tremelo (BRT). Op 27 januari 2004 ontvangt de procureur des Konings te Leuven evenals de drie burgemeesters van de politiezone BRT een anonieme brief waarbij aan de zonechef zware feiten worden ten laste gelegd. Het betreft onder meer veelvuldige onwettige afwezigheden en veelvuldige dronken- schap. De anonieme briefschrijver geeft zich uit als diplomatiek medewerker en beroept zich op contacten bij (o.m.) de politie. 3.
- Op vrijdag 13 februari 2004 bekent de verzoeker aan de zonechef dat hij de anonieme brief heeft geschreven. Op maandag 16 februari 2004 hoort de zonechef de verzoeker omtrent de redenen van de brief, en dit in aanwezigheid van andere officieren. 3.
- Op 17 februari 2004 heeft de zonechef het voltallig personeel bijeengeroepen waarna de verzoeker de volgende brief heeft voorgelezen: “Ten gevolge van het schrijven van een anonieme brief door mijzelf ten nadele van derden, wens ik mijn oprechte spijt uit te drukken omtrent dit gebeuren. Reeds een zevental maanden kampte ik met psychische problemen IX-5044-2/14 (...). Van mijnentwege ontstond er een depressie dewelke ik niet kan uiten naar buiten toe. Er ontstond een gedachtengang die niet meer controleerbaar was. (...). Ik wens de feiten in deze brief te weerleggen gezien de weergave ervan leugenachtig was. Mijn verder geestelijk verloop zal door een psychiater behandeld worden. Namens mijzelf en mijn gezin wens ik de benadeelde personen mijn oprechte excuses aan te bieden voor het geleden leed en de schande. Mijn gezin heeft daar al maanden zeer zwaar onder te lijden gehad en ik hoop dat er begrip is en steun voor de psychiatrische toestand die je zonder hulp niet meer onder controle kan houden. Ook een gebrek aan dialoog is een hoofdoorzaak. ‘Ik kan met deze leugen niet verder leven en ik heb vrijwillig de korpsleiding ingelicht en de zaak op mij genomen met de mogelijke gevolgen. Ook bij mijn echtgenote en mijn zoon hoop ik nog een kans te krijgen. Een sanctie of straf zal ik ten volle ondergaan.’” Later, tijdens zijn verhoor door de politieraad op 13 september 2004, zal de verzoeker verklaren dat hij deze brief onder druk van de zonechef heeft geschreven. 3.
- Uit het onderzoek van het Vast Comité P blijkt dat de feiten die in de anonieme brief aan de zonechef aangewreven worden, niet bewezen kunnen worden. Het onderzoeksdossier van het comité P wordt aan de procureur des Konings overgemaakt, die bij brief van 24 maart 2004 aan de voorzitter van de politieraad van de politiezone BRT laat weten dat de handelwijze van de auteur van de anonieme brief laakbaar en absoluut ontoelaatbaar is en dat hij dan ook aan de tuchtoverheid een signaal wenst te geven om hieraan het gepaste gevolg te geven. 3.
- Bij nota van 9 juli 2004 deelt de voorzitter van het politiecollege aan de korpschef mee dat, gezien de feiten in aanmerking komen voor een zware tuchtstraf, het politiecollege zelf, als hogere tuchtoverheid, zal handelen. Op dezelfde dag wordt een voorafgaand onderzoeker aangesteld. 3.
- Bij brief van 13 juli 2004 meldt de procureur des Konings aan de voorzitter van het politiecollege dat het strafonderzoek lastens de zonechef Truyens zonder gevolg werd gerangschikt bij gebrek aan bewijzen. 3.
- Op 28 juli 2004 maakt de voorafgaand onderzoeker zijn verslag over aan het politiecollege. Uit dit verslag blijkt dat de verzoeker op 14 februari 2004 in opdracht van de korpschef ontheven wordt van zijn deelname aan een geplande actie en dat zijn wachtdienst overgenomen wordt, dat op 16 februari 2004, op last van de korpschef, als maatregel van inwendige orde, de verzoeker zijn dienstwapen ontnomen werd, en dat op 17 februari 2004 de verzoeker als IX-5044-3/14 bijkomende maatregel van inwendige orde zijn persoonlijke sleutels van het zonecommissa-riaat inlevert. Omtrent deze maatregelen wordt in het verslag van het voorafgaand onderzoek gesteld: “Voormelde veiligheidsmaatregelen werden genomen naar aanleiding van de psychische toestand van hoofdinspecteur Patrick Van Bael op dat ogenblik.” Het verslag komt tot het volgend besluit: “Betrokkene schreef een anonieme brief lastens de korpschef en verstuurde deze naar de drie burgemeesters van de politiezone BRT en de Procureur des Konings te Leuven. Betrokkene geeft toe dat feiten in deze brief leugenachtig zijn weergegeven en dat bekomen informatie uit de context werd getrokken en op een niet met de werkelijkheid strokende manier weergegeven werd. Hij schendt door deze feiten (totaal geen respect tonen voor zijn korpschef en hem te beschuldigen door bepaalde zaken uit hun context te halen, te overdrijven en zaken op een laaghartige en leugenachtige manier voor te stellen en deze beschuldigingen te uiten bij de Procureur des Konings en de drie burgemeesters van de zone) artikel 130 (integriteit) en 132 (inbreuk op de waardigheid van het ambt) van de WGP en art 49/1/(belang van de dienst en waardigheid vh ambt), 49/2/(geen schade berokkenen aan gestelde machten, overheidsinstellingen en derden) en 49/3/ (correcte informatie verstrekken) van de wet van 26/04/2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen mbt de politiediensten. Door zich in de anonieme brief uit te geven voor ‘diplomatiek ambtenaar’ en kontakten te citeren bij de magistratuur, Binnenlandse Zaken, hogere overheden,... schendt hij artikel 130 en 132 van de WGP en artikel 49/1/- 49/2/ en 49/3/ van de wet van 26/04/
- De aangehaalde feiten vormen een tekortkoming aan de beroepsplichten en brengen de waardigheid van het ambt in het gedrang (art.3 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten). Het pleit voor de politieambtenaar dat hij spontaan de feiten heeft bekend tegenover de korpschef en nadien tegenover het merendeel van het korps. Hij deze bekentenis schriftelijk heeft bevestigd en hierin zijn spijt uitdrukt en zijn excuses aanbiedt. Hij bovendien beseft dat hij zwaar in de fout is gegaan, een niet tolereerbare handeling heeft gesteld en een sanctie of straf tenvolle wil ondergaan.” 3.
- Op 30 juli 2004 stelt de hogere tuchtoverheid het inleidend verslag op waarin het voorstel wordt geformuleerd om de verzoeker van ambtswege te ontslaan. 3.
- Op 26 augustus 2004 ontvangt het politiecollege een verweer- schrift van de verzoeker. In dat verweerschrift stelt hij: “Wat de feiten betreft wil ik mij bij de hogere tuchtoverheid en de zonechef nogmaals verontschuldigen. Ik heb spijt van het gebeurde maar had nooit de IX-5044-4/14 bedoeling om dergelijke feiten te plegen met het inzicht onnodige schade aan de persoon van de zonechef toe te brengen. Ik wijt mijn houding aan psychische zwakte ingevolge een onweerstaanbare druk zoals door de behandelende dokters werd beschreven waarvoor ik nu zwaar dreig te zullen moeten boeten. Ik besef voldoende de ernst van mijn gedrag en besef eveneens dat het in de gegeven omstandigheden moeilijk is om het volledige vertrouwen te kunnen genieten van mijn chefs, collega's en medewerkers. Toch vraag ik aan de hogere tuchtoverheid mij een kans te geven om te bewijzen dat het om een eenmalig feit ging, ingegeven door een moment van psychische zwakte. Ik hoop de gelegenheid te krijgen dit te kunnen bewijzen.” In bijlage bij dit verweerschrift is een verslag van 21 augustus 2004 van psychiater-psychotherapeut P.J. de Keyser gevoegd, die de verzoeker vanaf 27 februari 2004 in behandeling had en die stelt: “Mijn diagnostische impressie was depressieve stoornis volgens de criteria DSM-IV bij een man die onderliggend lijdt aan een obsessief-compulsieve stoornis en die trekken heeft van sociale fobie.” Volgens het verslag was de psychische situatie van de verzoeker einde mei 2004 genormaliseerd. 3.
- De verzoeker wordt uitgenodigd voor een hoorzitting door het politiecollege op 13 september
- Uit het verslag van deze hoorzitting blijkt dat de verzoeker verklaart dat hij de brief van 17 februari 2004 onder druk van de zonechef geschreven heeft en dat hij - in tegenstelling tot eerdere verklaringen dat de inhoud van de anonieme brief gesteund was op leugens en verzinsels - de inhoud van de anonieme brief bevestigt en dat de feiten echt zijn. 3.
- Op 16 september 2004 beslist het politiecollege dat de feiten bewezen zijn en vaststaan, dat ze aan de verzoeker kunnen toegerekend worden en dat ze als tuchtfeiten gekwalificeerd worden. Het college stelt voor aan de verzoeker de zware straf van ontslag van ambtswege op te leggen. 3.
- Bij brief van 22 september 2004 heeft de verzoeker overeenkom- stig artikel 51bis van de tuchtwet een verzoek tot heroverweging bij de tuchtraad ingediend. 3.
- Op 21 maart 2005 geeft de tuchtraad een tussenadvies. In dit advies wordt er gewezen op de stelling van de verdediging dat de verzoeker zich beroept op een onweerstaanbare drang op het ogenblik van de feiten, waarbij de tuchtraad op grond van de gegevens van het dossier van oordeel is dat dit middel “ogenschijnlijk niet ontdaan is van alle ernst”. De tuchtraad is van oordeel dat zelfs IX-5044-5/14 indien de feiten bewezen zijn, dan nog de mogelijke verschoningsgronden zorgvuldig moeten onderzocht worden. Gelet op de medische aard van deze gronden acht de tuchtraad zich niet bevoegd om advies uit te brengen en stelt zij voor dat de tuchtoverheid advies zou inwinnen van een deskundige (medicus of college van medici) omtrent de toerekeningsvatbaarheid van de verzoeker op het ogenblik van het schrijven van de anonieme brief. 3.
- Op 6 april 2005 beslist het politiecollege het tussenadvies niet te volgen. De beslissing wordt als volgt gemotiveerd: “- (dat) niet valt in te zien hoe een deskundige 14 maanden na het schrijven van de anonieme brief door hoofdinspecteur Van Bael diens geestestoe- stand nog zou kunnen nagaan op het moment van het schrijven van de brief rond 27 januari 2004 - hoofdinspecteur Van Bael tijdens een ‘gewone’ periode van ziekte deze brief geschreven heeft en tijdens deze periode van ziekte geenszins psychische hulp heeft geconsulteerd. Deze psychische hulp werd blijkbaar door hoofdinspecteur Van Bael pas geraadpleegd op het moment dat bekend was dat hij de anonieme briefschrijver was en zich bewust was dat er mogelijks een sanctie zou volgen. Uit het attest van 21.08.2004 van psychiater de Keyzer blijkt dat hoofdinspecteur Van Bael slechts in gespecialiseerde behandeling is geweest vanaf 27.02.
- Op 1.05.2004 was reeds gedeeltelijke werkhervatting mogelijk in hoofde van hoofdinspecteur Van Bael ( attestering psychia- ter de Keyzer dd. 23.04.2004 ). - hoofdinspecteur Van Bael heeft zelf steeds nagelaten om zijn eventuele problemen kenbaar te maken aan zijn overste, het politiecollege of individuele leden (van) ervan, de vertrouwenspersoon of externe diensten zoals bijvoorbeeld PREMED ( arbeidsgeneeskundige dienst). - De belangrijkste reden om niet in te gaan op het voorstel van de tuchtraad is dat hoofdinspecteur Van Bael na zijn werkhervatting in mei 2004, nadat hij medisch geschikt verklaard werd om zijn taak te hervatten, enkele maanden heeft gesteld dat de inhoud van de anonieme brief op onwaarheden berustte doch nadien in september 2004, naar aanleiding van de hoorzitting in het kader van de tuchtprocedure, opnieuw heeft gesteld dat de feiten in de anonieme brief wel degelijk waar zouden zijn zonder dat hier enig bewijs van wordt bijgebracht. Tijdens de behandeling van de zaak voor de Tuchtraad heeft uw Tuchtraad zelf kunnen vaststellen dat door hoofdinspecteur Van Bael de feiten van de anonieme brief geenszins ontkend worden, alhoewel hier nog steeds geen enkel concreet bewijs van voorligt. Dat er niet kan ontkend worden dat hoofdinspecteur Van Bael steeds gesteld heeft normaal te kunnen functioneren vanaf mei 2004 ( cfr attest psychiater de Keyzer dd. 21.08.2004 ) en derhalve dient hij ook de volledige verantwoordelijkheid te dragen voor zijn verklaringen tegen zijn korpschef. Derhalve is de hogere tuchtoverheid de mening toegedaan dat een zogenaamd medisch onderzoek naar de geestestoestand van hoofdinspecteur Van Bael op het moment van het schrijven van de anonieme brief niet terzake is nu alleszins uit het dossier duidelijk blijkt dat hoofdinspecteur Van Bael de IX-5044-6/14 feiten zoals verwoord in de anonieme brief en dewelke ernstige beschuldi- gingen inhouden opzichtens zijn korpschef opnieuw als zijnde de waarheid naar voor brengt. De hogere tuchtoverheid meent dan ook, zoals hierboven reeds gesteld, niet te kunnen ingaan op de suggestie van de Tuchtraad om bijkomend onderzoek in te stellen met betrekking tot de toerekening van hoofinspecteur Van Bael op het ogenblik van het schrijven van de brief van 27 januari 2004.” 3.
- Op 18 mei 2005 geeft de tuchtraad zijn definitief advies. Daarin wordt gesteld: “
- DE TOEREKENING VAN DE FEITEN Overeenkomstig de bepaling van: artikel 52,tweede lid, 2/ Tuchtwet omvat het advies ‘het antwoord op de vraag of de feiten een tuchtvergrijp in de zin van artikel 3 uitmaken voor zover zij bewezen worden geacht’. Voorafgaand hieraan moet de tuchtraad zich de vraag stellen of ‘de feiten’ bewezen zijn en of deze ‘toerekenbaar zijn aan het betrokken personeelslid’ (zie artikel 52, tweede lid, 1/ Tuchtwet). Tuchtrechtelijke vervolging kan slechts gebeuren als er sprake is van tuchtvergrijpen. Het bestaan van een tuchtvergrijp steunt op het vaststaan van de feiten en op de toekenning van de feiten aan het personeelslid. Feiten die in beginsel een tuchtvergrijp uitmaken kunnen geheel of gedeeltelijk worden verschoond door (onder meer) de ziektetoestand van het personeels- lid. In casu heeft HINP Van Bael zich in de loop van de voorliggende tuchtprocedure bij herhaling beroepen op zijn ziektetoestand. Geconfron- teerd met dit gegeven heeft de hogere tuchtoverheid geen enkel initiatief genomen om de gegrondheid van dit verweermiddel te onderzoeken of te laten onderzoeken. Bij schrijven van 6 april 2005 deelde de hogere tuchtoverheid mede dat werd beslist ‘dat niet kan ingegaan worden op het voorstel van de tucht- raad.’ De motieven die de hogere tuchtoverheid in dit schrijven aanhaalt kunnen enkel begrepen worden als rechtvaardiging van de ‘weigeringsbeslis- sing’ van de hogere tuchtoverheid. Deze argumenten die geen deskundige basis hebben (in de zin van medische verantwoording) bieden geen oplossing aan de onmogelijkheid voor de tuchtraad om uitspraak te doen omtrent de problematiek van de toerekening van de feiten. De tuchtoverheid matigt zich ten onrechte deskundigheid ter zake aan door zelf de zin van een deskundigenadvies te betwisten. De argumenten die de tuchtoverheid aanhaalt om de toerekening van de tenlastelegging in hoofde van betrokkene aan te nemen doen niets af aan de vaststelling van een mogelijk medische - psychische verklaring voor de aangewreven daden. Het niet zelf gezocht hebben van medische hulp, het nalaten zijn problemen kenbaar te maken en het niet ontkennen van de tenlastelegging hebben in die context geen enkele toegevoegde waarde. Die argumenten zijn feitelijke IX-5044-7/14 vaststellingen waarvan niet ingezien wordt hoe ze verhinderen om de aangehaalde medische attesten inzake de geestestoestand van HINP Van Bael te evalueren. Op zijn minst dient de tuchtoverheid die voorgelegde medische getuigschriften te implementeren in haar tuchtbesluit, quod non, voornamelijk indien beoogd wordt om op basis van de tenlastelegging betrokkene te ontslaan. Dergelijke verregaande sanctie verdient op zijn minst een volledig onderzoek van alle aspecten die zich aandienen bij de beoordeling van het tuchtvergrijp. In de veronderstelling dat de feiten niet toerekenbaar of slechts in bepaalde mate toerekenbaar zouden zijn, kunnen deze geheel of gedeeltelijk worden verschoond. Op 20 januari 2005 beslist de Raad van State (arrest nr. 139.570) dat (zelfs) de omstandigheid dat de strafrechter in verzoekers ziekte geen schulduitsluitingsgrond heeft gezien, nog niet betekent dat de ziekte niet als een verzachtende omstandigheid in aanmerking kan genomen worden. BESLUIT De tuchtraad, beslissend bij meerderheid van stemmen, is de mening toegedaan dat de samenstelling van het voorliggende tuchtdossier, bijzonder gelet op het verweer van HINP, niet in staat is om de tuchtraad toe te laten gefundeerd advies uit te brengen over het al dan niet bestaan van een tuchtfout en a fortiori over de strafmaat, indien daartoe aanleiding zou bestaan.” 3.
- Op 13 juni 2005 formuleert het politiecollege zijn intentie om af te wijken van het advies van de tuchtraad. Dit wordt als volgt gemotiveerd: “(...) De hogere tuchtoverheid is evenwel de mening toegedaan dat wel degelijk kan geoordeeld worden over het al dan niet bestaan van een tuchtfout in hoofde van hoofdinspecteur Van Bael; Dat de tenlasteleggingen ten opzichte van hoofdinspecteur Van Bael zijn onder te verdelen in twee categorieën met name ten eerste het schrijven van de anonieme brief met het zich daarin aanmatigen van valse titels en ten tweede de inhoud van de anonieme brief met name de concrete beschuldi- gingen zoals geuit aan het adres van de korpschef (reden waarom de anonieme brief integraal deel uitmaakte van het inleidend verslag). Dat de tuchtraad in haar tussenadvies en het eindadvies duidelijk stelt dat het schrijven van de anonieme brief niet ontkend wordt door hoofdin- specteur Van Bael. Hoofdinspecteur Van Bael heeft trouwens meermaals bekend de anonieme brief te hebben geschreven. Het feit van de anonieme brief geschreven te hebben staat dan ook als een paal boven water. De tuchtraad heeft evenwel gemeend dat het niet zeker is, gelet op de door hoofdinspecteur Van Bael ingeroepen psychologische omstandigheden, IX-5044-8/14 dat hoofdinspecteur Van Bael toerekeningsvatbaar was op het moment van het schrijven van de brief en of dit niet dient beschouwd te worden als een gedeeltelijke of algehele verschoningsgrond . Dat over de concrete inhoud van de anonieme brief, zijnde de concrete beschuldigingen ten opzichte van de korpschef, de tuchtraad zich niet heeft uitgesproken. Dat de hogere tuchtoverheid nog steeds de mening is toegedaan dat niemand met zekerheid kan beslissen, ook medici niet, of hoofdinspecteur Van Bael op het ogenblik van het schrijven van de anonieme brief leed aan een psychologische aandoening, gegeven het post factum karakter van een dergelijk onderzoek. Dat evenwel de hogere tuchtoverheid aan hoofdinspecteur Van Bael het voordeel van de twijfel laat wat betreft een eventuele medische en psychologi- sche verwardheid op dat moment. Dat aldus het schrijven op zich van de anonieme brief, het aannemen daarin van een valse hoedanigheid en de verwijzingen naar zogenaamde contacten bij de magistratuur, binnenlandse zaken, hogere overheden ... in deze anonieme brief eventueel verschoond zouden kunnen worden door de eventuele medische psychologische gesteltenis bij hoofdinspecteur Van Bael op dat moment. Dat aldus het formeel schrijven van de anonieme brief en het aannemen van een valse hoedanigheid daarin niet langer als een tuchtfeit wordt beschouwd gegeven de eventuele medisch- psychologische verklaring hiervoor, hetgeen de hogere tuchtoverheid in het midden laat. Dat evenwel met betrekking tot het tweede aspect van de feiten met name de concrete tenlasteleggingen die in het anonieme schrijven werden geuit opzichtens de korpschef dit niet opgaat. Dat HI Van Bael eerst erkende dat die feiten in de anonieme brief leugenachtig waren of niet met de werkelijkheid overeenstemden. Dat dit tijdens het verloop van de tuchtprocedure herroepen werd en door hoofdinspecteur Van Bael toch als de waarheid werd beschouwd. Dat de bevestiging van de inhoud van de anonieme brief (de concrete beschuldigingen ten opzichte van de korpschef) door hoofdinspecteur Van Bael eveneens bevestigd werd ten opzichte van de tuchtraad. Dat in deze anonieme brief zware beschuldigingen werden geuit naar de korpschef. (...)” Op grond hiervan wordt besloten dat de zware tuchtsanctie van ontslag van ambtswege niet langer gehandhaafd kan worden en dat deze straf gereduceerd wordt tot een schorsing van drie maanden. 3.
- Op 20 juni 2005 dient de verzoeker zijn verweerschrift in. IX-5044-9/14 3.
- Op 8 juli 2005 neemt het politiecollege de beslissing waarbij aan de verzoeker de zware tuchtstraf van een schorsing van drie maanden wordt opgelegd. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het tweede middel Standpunt van de partijen
- De verzoeker voert aan dat de tuchtraad overeenkomstig artikel 52, 2/, van de tuchtwet moet uitmaken of de feiten een tuchtvergrijp uitmaken en dat hij te dien einde moet nagaan of de feiten bewezen zijn en of zij toerekenbaar zijn aan het betrokken personeelslid, waarbij hij onder meer moet nagaan of het tuchtvergrijp niet geheel of gedeeltelijk verschoond kan worden. Een zorgvuldig handelend bestuur moet de toerekenbaarheid van de feiten onderzoeken wanneer de betrokkene met medische attesten tracht te bewijzen dat de feiten te verklaren zijn door zijn gezondheidstoestand, of minstens zal het een ziektetoestand als verzachtende omstandigheid in aanmerking nemen bij het bepalen van de strafmaat. De verzoeker betoogt dat uit de feiten blijkt dat hij op het ogenblik van het schrijven van de anonieme brief “hoegenaamd niet in een normale gemoedstoestand bestond doch wel een zware depressie had”, maar dat de verwerende partij, ondanks het uitdrukkelijk aandringen van de tuchtraad, toch geweigerd heeft om een deskundige aan te stellen om zijn psychische toestand op het ogenblik van het schrijven van de anonieme brief te onderzoeken en hem uit te nodigen op grond van het medisch dossier, gesprekken met zijn entourage, het standpunt van de behandelende psychiaters e.d., zijn geestestoestand te bepalen. Het politiecollege weigert die aanstelling omdat de feiten in het verleden liggen, maar dat is ook het geval voor elk psychiatrisch onderzoek in strafzaken, dat per definitie post factum gebeurt.
- De verwerende partij antwoordt dat er wel degelijk rekening gehouden is met de geestestoestand van de verzoeker. Zij had oorspronkelijk de bedoeling om aan de verzoeker het ontslag van ambtswege op te leggen, maar milderde die sanctie omdat zij de verzoeker voor wat het schrijven van de anonieme brief betreft het voordeel van de twijfel heeft verleend en daarvoor geen tuchtsanctie heeft opgelegd. De psychische toestand van de verzoeker op het ogenblik van het IX-5044-10/14 schrijven van de brief is dus wel degelijk in overweging genomen: er is hem met name enkel een sanctie opgelegd voor de in de brief vermelde beschuldigingen, inzonderheid omdat “verzoekende partij ook op een moment dat hij psychisch weer volledig in orde was, namelijk tijdens de hoorzitting voor de hogere tuchtoverheid en de hoorzitting voor de tuchtraad, de juistheid van de in de anonieme brief opgeworpen feiten ten laste van de korpschef bevestigde en hun overeenstemming met de werkelijkheid opwierp, terwijl hij eerder zelf herhaaldelijk verklaard had dat deze feiten leugenachtig waren, uit hun context gerukt of sterk overdreven waren”. Er is dan ook wel degelijk rekening gehouden met de psychische toestand bij het treffen van de bestreden beslissing en dat blijkt terdege uit de motivering ervan.
- In haar laatste memorie herinnert de verwerende partij eraan dat in de bestreden beslissing een duidelijk onderscheid gemaakt wordt tussen het schrijven van de anonieme brief en de inhoud ervan: voor het schrijven van de brief heeft het bestuur het bestaan van een verschoningsgrond aangenomen en de verzoeker op grond van bestaande twijfel niet tuchtrechtelijk bestraft, maar voor de inhoud van de brief - het tenlaste leggen van twee feiten aan de korpschef: enerzijds zijn minimale aanwezigheid op de dienst en anderzijds het feit dat hij stomdronken geweest zou zijn bij een alcoholcontrole in december 2003- is geen verschonings- grond aanvaard en is een tuchtstraf opgelegd, aangezien de verzoeker die feiten bevestigd heeft op een ogenblik dat hij geheel toerekeningsvatbaar was. De omstandigheid dat er voor het schrijven van de brief een verschoningsgrond bestaat moest het bestuur niet beletten een tuchtstraf op te leggen voor wat de verzoeker gezegd en nadien welbewust bevestigd heeft en waarvan overigens ook geen enkel bewijs geleverd is kunnen worden. Beoordeling
- De verzoeker heeft het bestuur inderdaad gewezen op de psychische toestand waarin hij verkeerde op het ogenblik dat hij de anonieme brief geschreven heeft. Hij heeft dit gedaan in zijn schriftelijke bekentenis van 17 februari 2004 en zulks, gestaafd met een verslag van zijn psychiater, herhaald in de verhoren die hij naar aanleiding van de tuchtzaak ondergaan heeft. De verwerende partij heeft zelf ook die problemen van meet af aan onderkend, zoals blijkt uit de bewarende maatregelen die in februari 2004 tegen de verzoeker zijn genomen en waarvan de voorafgaand onderzoeker in zijn verslag d.d. 28 juli 2007 melding maakt. Dat de verzoeker zich pas in de loop van de tuchtprocedure op zijn psychische toestand is IX-5044-11/14 gaan beroepen om zijn optreden van 27 januari 2004 te verschonen, belet niet dat het bestuur bekend was met het probleem -er zelfs naar gehandeld heeft- en mocht dan ook voor hem geen reden zijn om dat gegeven buiten het dossier te houden.
- De tuchtraad heeft het bestuur geadviseerd om de psychische toestand van de verzoeker te laten onderzoeken, teneinde de beoordeling van het tuchtrechtelijk karakter van de feiten mogelijk te maken. Het politiecollege is daar niet op ingegaan en de tuchtraad heeft dan ook, na vastgesteld te hebben dat de motieven van het politiecollege niet bijgevallen konden worden omdat zij geen medische verantwoording bevatten, uiteindelijk geadviseerd dat hij zich niet kon uitspreken over het bestaan van een tuchtfout omdat hij geen inzicht had in alle aspecten van het dossier -met name de toerekeningsvatbaarheid van de verzoeker op het ogenblik van de feiten. Geplaatst voor dat gegeven heeft de politieraad besloten het advies van de tuchtraad dan toch in het besluitvormingsproces te betrekken door aan te nemen dat tuchtraad zich uitgesproken heeft over de anonieme brief en de aanmatiging van titels daarin, maar niet over “de concrete beschuldigingen”. De politieraad heeft zich aldus op het standpunt geplaatst dat de verzoeker mogelijks niet toerekeningsvatbaar was voor wat betreft de wijze waarop hij kwaadwillige beschuldigingen aan de korpschef had geuit -het schrijven van de anonieme brief; het aannemen van een valse hoedanigheid; het verwijzen naar fictieve contacten- en dat hem te dien aanzien het voordeel van de twijfel gegund kon worden, maar dat zulks niet belette dat de kwaadwillige beschuldigingen -toch twee van hen: afwezigheid op de dienst; dronkenschap- gebeurd zijn en als zodanig nadien door de verzoeker in volle helderheid van geest bevestigd zijn.
- Met die redenering doet de politieraad geen recht aan het advies van de tuchtraad. Immers, de tuchtraad heeft geen onderscheid gemaakt tussen de aanklachten en de anonieme brief. Hij heeft zich vragen gesteld bij de psychische gesteldheid van de verzoeker op het ogenblik van de feiten en dat geldt zowel voor de vorm als de inhoud van het gebeuren. Geestelijke verwarring bij het schrijven van een anonieme brief slaat ook op wat geschreven wordt; of de feiten al dan niet verzonnen zijn verhindert die geestelijke verwarring niet. En in het later hernemen, wanneer zijn psychische toestand opnieuw gezond was, van de beschuldigingen IX-5044-12/14 door de verzoeker, kon het bestuur ook het bewijs niet vinden dat de beschuldiging- en op 27 januari 2004 met volle bewustzijn gebeurd zijn. De verwerende partij heeft aan een essentieel element van het advies van de tuchtraad -met name waar hij zich uitgesproken heeft over het bestaan van een tuchtvergrijp- een draagwijdte gegeven die het niet heeft door vast te houden aan de stelling dat de verzoeker op 27 januari 2004 ten volle verantwoorde- lijk was voor het uiten van twee -onterechte- beschuldigingen aan het adres van de korpschef. Door vervolgens zonder meer de tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid van de verzoeker voor die feiten aan te nemen heeft zij onzorgvuldig gehandeld.
- Het middel is gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt de beslissing van 8 juli 2005 van het politie- college van de politiezone Begijnendijk/Rotselaar/Tremelo (BRT) waarbij aan Patrick Van Bael de zware tuchtstraf van de schorsing voor de duur van drie maanden wordt opgelegd.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 1 maart 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter IX-5044-13/14 Vera Wauters André Vandendriessche IX-5044-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.417 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.