id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.419 Rolnummer: A. 163941/IX-4965 Zaak: Arrest 201419 - Tucht (openbaar ambt) - 01/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-09 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-07-02 09:33 Fiche Arrest nr 201.419 van 1 maart 2010 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 201.419 van 1 maart 2010 in de zaak A. 163.941/IX-4965 In zake : Steven DE BRUYCKER wonende te Gent Steenakker 180 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGP/DPS kantoor houdend te Brussel Fritz Toussaintstraat 8 --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 5 juli 2005, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 12 mei 2005 van de directeur-generaal Personeel van de federale politie waarbij aan Steven De Bruycker de hoedanigheid van aspirant- inspecteur van politie ontnomen wordt. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 151.285 van 14 november 2005 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. IX-4965-1/14 De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 februari 2010. Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. Adviseur Kirsten Peeters, die verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 6 oktober 2003 vangt de verzoeker de opleiding van aspirant- inspecteur van politie aan in de Oost-Vlaamse Politieacademie (hierna: OPAC). Het gaat om de 86ste promotie. 3.2. Op 1 maart 2004 adviseert de directeur van OPAC aan de directeur-generaal Personeel de verzoeker een gedeelte van de basisopleiding (met name luik 2) te laten herbeginnen en te laten volgen samen met de 87ste promotie, vermits blijkt dat hij “niet het niveau haalt dat vereist is om met enige kans op succes een volgend luik van de basisopleiding aan te vatten”. De verzoeker behaalde onder meer een totale score van 48,75% voor het professioneel functioneren, terwijl de aspirant op het ogenblik van het afleggen van het tussentijds examen daarvoor ten minste 60% moet behaald hebben. De examenjury is van oordeel dat, mede in acht genomen zijn (onvoldoende) resultaten op studiegebied en de (negatieve) bevindingen naar aanleiding van de observatiestage, de verzoeker “zowel op studiegebied als op het vlak van professioneel functioneren een algemeen gebrek IX-4965-2/14 heeft aan maturiteit en dat het aangewezen is dat hij een gedeelte van de opleiding zou herbeginnen teneinde deze maturiteit vooralsnog te verwerven”. Op 30 maart 2004 beslist de directeur-generaal Personeel dat de verzoeker het luik 2 van de opleiding mag herbeginnen en dat hij zich kan aansluiten bij de 87ste promotie die op 2 februari 2004 van start ging. 3.3. Op het einde van zijn opleiding behaalt de verzoeker in de eerste zittijd de volgende punten : voor zijn professioneel functioneren 488/800 (61%), voor zijn dagelijks werk/studie 2605,91/4000 (65,15%), voor zijn dagelijks werk/fysieke en mentale training 256,50/400 (64,13%), voor zijn dagelijks werk/geweldbeheersing 227,67/400 (56,92%) en voor zijn eindexamen globaal 480,50/1000 (48,05%), opgesplitst in 188,50/300 voor het schriftelijk examen, 128/400 voor het mondeling examen( “portfolio”) en 164/300 voor de praktische proef die bestond uit een “functioneel parcours” (71/150) en een “rollenspel” (93/150). Blijkens het proces-verbaal van beraadslaging van de examenjury van 15 maart 2005 is hij op basis van die uitslag naar de tweede zittijd verwezen voor “portfolio”, “functioneel parcours” en “rollenspel” en behaalt hij in de tweede zittijd 200/400 voor “portfolio”, 96,50/150 voor “functioneel parcours” en 103/150 voor “rollenspel”, hetgeen zijn globaal cijfer voor het eindexamen op 588/1000 (58,8%) brengt; de verzoeker is dus niet geslaagd voor de opleiding omdat hij, in strijd met artikel 53 van het koninklijk besluit van 20 november 2001, op het einde van zijn opleiding geen 60% behaalde voor het eindexamen. 3.4. Na op 15 maart 2005 geval per geval te hebben beraadslaagd over de dossiers van de aspiranten die door de examencommissie na de tweede zittijd beoordeeld werden als “niet geslaagd”, adviseert de examenjury de verzoeker definitief af te wijzen. Onder het luik “motivering” wordt gesteld wat volgt: “De aspirant is niet geslaagd voor het vak portfolio. Hij kan op de gestelde vragen te weinig relevante antwoorden geven, waardoor de examencommissie van oordeel is dat hij niet over het gewenste profiel beschikt. Dit beeld wordt bevestigd door de vaststellingen met betrekking tot zijn functioneren tijdens de stage. Zowel tijdens de stage als tijdens het examen gaf hij blijk van te weinig stressbestendigheid en een grote dosis faalangst. IX-4965-3/14 De jury stelt vast dat deze aspirant reeds de gelegenheid kreeg om het eerste luik en de observatiestage opnieuw te doorlopen, en dat dit eindresultaat na 18 maanden opleiding aantoont dat de aspirant niet geschikt is voor de functie van inspecteur. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die zouden rechtvaardigen dat aan deze aspirant de gunst moet worden verleend om een gedeelte van de opleiding opnieuw te doen.” 3.5. Op 18 maart 2005 dient de verzoeker een verweerschrift in tegen het advies om hem definitief af te wijzen. Met een brief van 4 april 2005 geeft de voorzitter van de examenjury zijn repliek op dat verweerschrift. 3.6. Na kennis te hebben genomen van het advies van de examenjury, van het verweerschrift van de verzoeker en van de repliek van de voorzitter van de examenjury daarop, besluit de directeur-generaal Personeel op 12 mei 2005 zich bij het voorstel van de school aan te sluiten en de verzoeker, met toepassing van artikel IV.II.4/ RPPol en van artikel 53 van het koninklijk besluit van 20 november 2001 de hoedanigheid van aspirant-inspecteur te ontnemen op datum van 18 mei 2005. Die beslissing, die het voorwerp uitmaakt van het onderhavige beroep, luidt als volgt : “1. AINP DE BRUYCKER startte op 06-10-2003 de opleiding voor aspirant-inspecteur aan OPAC. Hij slaagde niet, maar op advies van de examenjury mocht hij de opleiding herbeginnen. Tijdens de eerste zittijd slaagde betrokkene niet op het eindexamen, hij behaalde slechts 48.05%, en ook zijn totaalcijfer was niet voldoende (55,7%). Hij zakte voor het mondeling examen (portfolio, 32%) en het functioneel parcours (47,3%). Verder haalde hij ook een zwak resultaat voor het rollenspel (62%). Op basis van deze gegevens besloot de jury hem deze examens opnieuw te laten afleggen. Tijdens de tweede zittijd slaagde betrokkene wel op het functioneel parcours en op het examen rollenspel. Maar voor het mondeling examen (portfolio) haalde hij 50% daar waar 60% vereist is. Hierdoor lag zijn eindresultaat voor het examen met 58,8% ook onder de vereiste 60%. De examenjury is hierdoor van oordeel dat betrokkene niet over het gewenste profiel beschikt. Dit beeld wordt bevestigd door de vaststellingen met betrekking tot zijn functioneren tijdens de stage. Zowel tijdens de stage als tijdens het examen gaf AINP DE BRUYCKER blijk van te weinig stressbe- stendigheid en een grote dosis faalangst. Omdat betrokkene reeds de gelegen- heid kreeg om zijn opleiding te herbeginnen is de jury van mening dat hij niet geschikt is voor de functie van inspecteur en stelt ze voor om de hoedanigheid van aspirant inspecteur te ontnemen. IX-4965-4/14 2. AINP DE BRUYCKER ging niet akkoord met de beslissing van de jury en stelde een verweerschrift op. Hierin brengt hij volgende elementen ten berde : - hij is niet akkoord met de samenstelling van de examenjury omdat des- kundige Johan MYCKE, pedagogisch coördinator van OPAC, familiebanden heeft met zijn stagementor. Hij is in de onmogelijkheid geweest om de wrakingprocedure toe te passen; - hij zou over maar 3 werkdagen hebben beschikt om een verweerschrift op te stellen en vindt dat daardoor zijn rechten op verdediging zijn geschonden; - hij is het niet eens met de manier waarop het examen portfolio verliep. Hij vindt dat er teveel de nadruk werd gelegd op de bespreking van de stage en dat dit niet relevant was in dit examenonderdeel; - hij vraagt om het examen portfolio te mogen herdoen in een andere politieschool; 3. In haar bijkomend advies naar aanleiding van het verweerschrift repliceert OPAC dat zij bij haar standpunt blijft om de volgende redenen : - betrokkene kon in dit geval het jurylid niet wraken omdat deze situatie niet in de wet voorzien is. Bovendien heeft de aanverwantschap tussen een jurylid en de stagementor geen enkele invloed op de beoordeling van de aspirant; - AINP DE BRUYCKER heeft op 15 maart kennis genomen van de beslissing van de jury en zijn verweerschrift diende uiterlijk op 21 maart te worden ingediend. Hij heeft dus wel degelijk 5 werkdagen de tijd gehad om een verweerschrift in te dienen. Tijdens deze dagen was hij ook vrijgesteld van dienst, dus er kan onmogelijk sprake zijn van een onredelijke termijn; - betrokkene haalt slechts enkele fragmenten aan van het examen portfolio. Dit examen duurt echter 30 tot 45 minuten zodat er voldoende redenen zijn om aan te nemen dat er wel degelijk sprake is geweest van een volwaardig examen portfolio; - een examen herdoen in een andere school is in principe in strijd met de wettelijke en reglementaire voorschriften. Bovendien is het examen portfolio een examen waar de aspirant beoordeeld wordt over zijn evolutie en de rijping van zijn gehele persoonlijkheid in het hele opleidingsproces. Daarom zijn ook een lesgever en een klasbegeleider aanwezig omdat zij de aspirant kennen. Indien het examen portfolio in een andere school wordt afgelegd, is het een ‘vreemde’ examencommissie die over de student dient te oordelen en zij beschikken niet over alle gegevens. 4. Rekening houdende met het advies van de jury, het verweerschrift van betrokkene en het bijkomend advies naar aanleiding van het verweerschrift en overwegende dat : - AINP DE BRUYCKER mijns inziens voldoende kansen kreeg om zijn kunnen te bewijzen; - hij er in geen enkel zittijd erin (slaagde) het wettelijk vereiste minimum van 60% op het eindexamen te behalen; - ik van mening ben dat er voldoende middelen ter zijner beschikking stonden om hem toe te laten zijn opleiding met vrucht te beëindigen; - het overdoen van een examen in een andere school een gunstmaatregel is die enkel in uitzonderlijke gevallen wordt toegestaan en ik in dit geval geen redenen zie om deze gunst toe te staan; sluit ik mij aan bij het voorstel van de school en wordt AINP DE BRUYCKER, met toepassing van artikel IV.II.44.4/ van het KB (van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten) en van artikel 53 van KB (van 20 november 2001 betreffende de basisopleiding van de personeelsleden van het operationeel kader), de hoedanigheid van aspirant inspecteur op datum van 18 mei 2005 ontnomen.” IX-4965-5/14 IX-4965-6/14 IV. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen 4. De verzoeker voert de schending aan van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de materiële motiveringsverplichting, van het redelijkheidsbeginsel gerelateerd aan het gelijkheidsbeginsel, van het RPPol en van het ministerieel besluit van 24 oktober 2002 houdende het algemeen studiereglement. Hij is van oordeel dat noch het advies van de examenjury, noch de bestreden beslissing zelf, “enige gegronde en afdoende motivering” geeft voor zijn definitief afwijzen zonder mogelijkheid van herkansing. Zeker is “de redelijkheid geschonden”, aangezien uit niets blijkt dat hij niet beantwoordt aan “het gewenste profiel” en dat er, met betrekking tot zijn uitslag voor het examen portfolio, geen uitleg wordt gegeven voor wat als “te weinig relevante antwoorden” wordt aangemerkt. Hij voegt daaraan toe dat de mogelijkheid tot herkansen aan bijkomende voorwaarden -het bestaan van “bijzondere omstandigheden”- wordt onderworpen hetgeen niet in de wet voorzien is. Om tot dat besluit te komen stelt de verzoeker:
- a)ten aanzien van het advies van de examenjury: Wanneer de examenjury conform artikel 7 van het algemeen studiereglement een gemotiveerd advies moet verstrekken omtrent de mogelijkheden van herkansing of definitieve afwijzing, moet uit dat advies blijken waarom een definitieve afwijzing noodzakelijk is en er geen opportuniteit tot herkansing kan worden geboden; een dergelijk gemotiveerd advies ligt hier niet voor, aangezien de examenjury simpelweg stelt dat er geen “bijzondere omstandigheden” zijn die zouden “rechtvaardigen” dat aan verzoeker de “gunst” moet worden verleend om een gedeelte van de opleiding opnieuw te doen; dergelijke motivering gaat in tegen de wet aangezien de examenjury het bestaan van “bijzondere omstandigheden” vereist om een herkansing toe te staan, terwijl een herkansing geen “gunst” is, maar een volwaardig alternatief vóór een definitieve afwijzing; zou men aannemen dat de motivering van het niet-slagen de beslissing over het definitief afwijzen motiveert, dan nog voldoet die motivering niet, vermits het criterium “te weinig relevante antwoorden” in de mondelinge proef volstrekt nietszeggend is en die vaststelling geen enkel verband vertoont met de beweerde vaststelling van te IX-4965-7/14 weinig stressbestendigheid en faalangst; een examen portfolio is geen kennisproef zodat de punten de behaalde uitslag niet motiveren; uit niets blijkt in hoeverre een gegeven antwoord niet “relevant” genoeg is en in welke mate die irrelevante antwoorden verband houden met het “gewenst profiel” dat overigens nooit geformaliseerd is; ook de verwijzing naar te weinig stressbestendigheid en een grote dosis faalangst vindt geen steun in het dossier; bovendien kan niet worden vastgesteld of de motivatie daadwerkelijk aan de examenjury kan worden toegerekend, vermits het proces-verbaal van de examenjury verwijst naar het oordeel van de examencommissie; nochtans moet een motivering van een besluit van de examenjury zijn grond vinden in overwegingen gemaakt door de examenjury en niet door de examencommissie.
- b)ten aanzien van de bestreden beslissing: Ook deze beslissing bevat niet de minste verantwoording waarom de verzoeker geen herkansing kon krijgen. De opsomming van feiten is geen motivering; de overweging dat voor het eindexamen minstens 60% moet behaald worden is geen afdoende motivering, vermits geen enkele wettelijke of reglementaire bepaling stelt dat dergelijk examenresultaat de stopzetting van de opleiding moet inhouden; dat de verzoeker voldoende kansen zou gekregen hebben om zijn kunnen te bewijzen staat los van de concrete mogelijkheid om op het einde van de opleiding al dan niet de mogelijkheid tot herkansen geboden te krijgen; de verzoeker faalde in het onderdeel portfolio en dat brengt zijn algemeen gemiddelde onder de vereiste 60%, maar het “kunnen” in het kader van de portfolio staat los van het “kunnen” van de opleidingsonderdelen die verzoeker reeds had hernomen; dat de verzoeker er in geen enkele zittijd in slaagde het wettelijk vereiste minimum van 60% te behalen op het eindexamen is evenmin draagkrachtig, nu de vraag van het herkansen dan wel het definitief afgewezen worden zich pas aandient wanneer de kandidaat niet geslaagd is voor het examen; om dezelfde reden is het argument dat er voldoende middelen ter beschikking van de verzoeker zouden gestaan hebben om hem toe te laten zijn opleiding met vrucht te beëindigen evenmin draagkrachtig; hetzelfde geldt ook voor de overweging dat het overdoen van een examen in een andere school een gunstmaatregel is, aangezien zulks veronderstelt dat de herkansing wordt toegelaten; het bijkomend advies dat ter gelegenheid van zijn verweerschrift werd gegeven, is de verzoeker volledig onbekend en kan hem dan ook niet worden tegengeworpen als een deugdelijke basis voor zijn afwijzing; in ieder geval blijkt de directeur van OPAC niet in staat uit te maken of het examen portfolio ernstig verlopen is, IX-4965-8/14 aangezien zijn uiteenzetting niet verder reikt dan een verwijzing naar “voldoende redenen om aan te nemen dat ...”. 5. De verwerende partij antwoordt daarop dat de bestreden beslissing afdoende motiveert waarom de verzoeker niet de mogelijkheid krijgt om de opleiding geheel of gedeeltelijk over te doen. Zij wijst erop dat de verzoeker reeds de mogelijkheid gehad heeft om, na een ontoereikend tussentijds examen, een gedeelte van de basisopleiding over te doen en dat de examenjury in haar desbetreffend advies daaromtrent wees op het algemeen gebrek aan maturiteit, dat de verzoeker zou kunnen verwerven met het overdoen van luik 2 van de opleiding. De bestreden beslissing brengt dat feit in herinnering en zet vervolgens duidelijk uiteen waarom de verzoeker “niet nogmaals” de kans moet krijgen om de opleiding geheel of gedeeltelijk te herbeginnen. Uit “de rest van het administratief dossier” - zij verwijst naar stuk 11-blijkt voorts dat de verzoeker “niet voldeed aan het gewenste profiel”: hij is meer dan 19 maanden aspirant geweest en na afloop van die periode is het bestuur op verantwoorde wijze tot het besluit gekomen dat de verzoeker niet de vereiste 60% behaalde en niet voldeed aan het vereiste profiel omdat hij nog altijd teveel faalangst en te weinig stressbestendigheid vertoont. Zij heeft de verzoeker “voldoende kansen” gegeven. 6. In zijn repliek wijst de verzoeker erop dat de examenjury krachtens artikel 7 van het ministerieel besluit van 24 oktober 2002 een advies moet geven over “het eventueel overdoen” van de opleiding en niet over “het weigeren van de mogelijkheid om de opleiding over te doen”. Hij stelt voorts dat het zwaartepunt van het verweer ligt in de vaststelling dat de verzoeker in het verleden “kansen genoeg” gekregen heeft omdat hij de opleiding reeds gedeeltelijk heeft kunnen hernemen, maar dat zulks in deze niet relevant is. Hij is immers gestruikeld in het mondeling examen waarvoor hij nog geen herkansing gekregen had en minstens wordt niet verduidelijkt waarom de verzoeker reeds “kansen genoeg” gekregen zou hebben. Hij mocht een motivering verwachten met betrekking tot het overdoen van zijn opleiding en uit de omstandigheid dat vaststellingen tijdens de stage -gebrek aan stressbestendigheid en faalangst- in verband gebracht worden met zijn mislukking, volgt dat zij niet kunnen dienen om het advies over het overdoen van de opleiding te staven. De verwijzing naar de afwezigheid van bijzondere omstandigheden kan ook niet als een bijkomend motief gelezen worden, want het is precies op grond van die vaststelling dat het overdoen van de opleiding geweigerd IX-4965-9/14 wordt. Overigens is het overdoen van de opleiding geen gunst maar een volwaardig alternatief voor de afwijzing van de kandidaat. 7. In de laatste memorie benadrukt de verzoeker nog dat het overdoen van zijn opleiding “totaal niets” te maken heeft met het finaal struikelblok dat zijn welslagen verhinderd heeft, te weten zijn onvoldoende in de mondelinge proef. Hij herinnert er ook aan dat de portfolio het meest subjectieve onderdeel van de proeven betreft en het zodoende gemakkelijk is om met enige creativiteit een minder gunstige quotering daarvoor te bepalen. Beoordeling 8. Blijkens de ter zake toepasselijke regelgeving, inzonderheid het koninklijk besluit van 21 november 2001 betreffende de basisopleidingen voor de personeelsleden van het operationeel kader van de politiediensten en houdende diverse overgangsbepalingen, komt een beslissing over het hervatten van de opleiding tot stand met inachtneming van volgende stappen: vooreerst beoordeelt de examencommissie het eindexamen van de betrokkene dat uit drie delen bestaat -een schriftelijke proef, een mondelinge proef (de zogenaamde “portfolio”) en een praktische proef- en waarop de kandidaat 60 % van de punten moet behalen; vervolgens gaat de examenjury - een anders samengesteld orgaan- over tot de beoordeling van “de geschiktheid” van de betrokkene en verklaart zij hem, rekening houdend met de behaalde punten, al dan niet geslaagd voor de basisopleiding; ingeval van niet-slagen verleent de examenjury een advies over het definitief afwijzen van de kandidaat dan wel het overdoen -geheel of gedeeltelijk- van de basisopleiding; dat advies moet naar luid van artikel 7, tweede lid, van het ministerieel besluit van 24 oktober 2002 houdende de algemeen studiereglement betreffende de basisopleiding van personeelsleden van het operationeel kader twee componenten bevatten, enerzijds een redengeving voor het mislukken van de kandidaat, anderzijds een redengeving over het overdoen van de opleiding of, anders gezegd, voor het weigeren van de mogelijkheid om de opleiding over te doen; beide componenten van het advies moeten deugdelijk gemotiveerd zijn; het advies wordt opgesteld op basis van het eindverslag “over het professioneel functioneren”, van het eindverslag “over het dagelijks werk” en dan volgt het “algemeen beoordelings- cijfer”; het wordt opgesteld door de voorzitter van de jury en specifieert eventueel de verschillende meningen van de juryleden. IX-4965-10/14 De examencommissie en de examenjury zijn twee onderscheiden organen. De samenstelling van de examencommissie is geregeld in artikel 49 van het koninklijk besluit van 20 november 2001 betreffende de basisopleidingen (twee politieofficieren die niet tot de politieschool behoren, één opleider en twee docenten); de samenstelling van de examenjury is geregeld in artikel 54 van hetzelfde besluit (de directeur, de voorzitter van de examencommissie, twee politieofficieren; twee leden van het onderwijzend personeel en een vertegenwoordiger van de directie recrutering). De examencommissie beslist over het eindexamen van de kandidaten; de examenjury beslist vervolgens over het slagen van de kandidaten in de opleiding. Beide instanties beslissen collegiaal; hun beslissingen en de motieven ervan worden derhalve bewezen door geschriften die van het college zelf uitgaan. Gelet op de verschillende samenstelling van de jury en de commissie en de specifieke opdracht en bevoegdheid die elk van hen heeft, kan de examenjury slechts rechtsgeldig verwijzen naar de motieven die de examencommissie tot haar besluit gebracht hebben, wanneer daarvan ook het bewijs wordt voorgelegd. De examencommissie neemt haar beslissingen onder de vorm van punten. Voor de examenonderdelen die niet toegespitst zijn op het toetsen van de loutere kennis van de kandidaten en waarvoor de punten op zich het resultaat niet verantwoorden, moet de commissie, op grond van de verplichting om haar beslissingen op een deugdelijke grondslag te steunen, de toegekende punten wel nader motiveren. Niets belet de examencommissie om haar beslissing ook te vergezellen van commentaar die de examenjury ten nutte kan zijn bij het uitoefenen van haar eigen opdracht. Vereist is dan wel dat de examenjury zich ervan verzekert dat de examencommissie daadwerkelijk tot dat inzicht gekomen is -dat er met name een beslissing van de examencommissie bestaat- en dat die beslissing voldoende gegevens bevat opdat de examenjury er de vereiste grondslag in zou kunnen vinden voor een eigen deugdelijk onderbouwde beslissing. 9. In dit geval blijkt uit het proces-verbaal van 15 maart 2005 van de examenjury dat zij voor de definitieve afwijzing van de verzoeker verwijst naar de beslissing van de examencommissie die inzonderheid vastgesteld heeft dat de verzoeker op de gestelde vragen voor de “portfolio” (het mondeling deel van het eindexamen) “te weinig relevante antwoorden” kon geven “waardoor de examencommissie van oordeel is dat (de verzoeker) niet over het gewenste profiel beschikt”. De jury vindt “dit beeld” bevestigd door de vaststellingen met betrekking IX-4965-11/14 tot zijn functioneren tijdens de stage en van het besluit dat de verzoeker “zowel tijdens de stage als tijdens het examen blijk gegeven heeft van te weinig stressbestendigheid en een grote dosis faalangst”. De examenjury stelt vervolgens vast dat de verzoeker reeds de gelegenheid gekregen heeft om een deel van de basisopleiding -het tweede luik en de observatiestage- over te doen en dat het eindresultaat “aantoont dat de aspirant niet geschikt is voor de functie van inspecteur”, terwijl “geen bijzondere omstandigheden” rechtvaardigen dat de verzoeker de kans moet krijgen om nogmaals een deel van de opleiding over te doen. In het verlengde van dit advies verwijst de directeur-generaal Personeel in de bestreden beslissing naar het verweer van de verzoeker en naar het bijkomend advies van OPAC en hij besluit dat de verzoeker “voldoende kansen kreeg om zijn kunnen te bewijzen”, dat hij er in geen enkele zittijd in slaagde “het wettelijk vereiste minimum van 60% op het eindexamen te behalen” hoewel “er voldoende middelen ter zijner beschikking stonden om zijn opleiding met vrucht te beëindigen” en dat de vraag van de verzoeker om het examen in een andere school af te leggen een gunstmaatregel is waarvoor hij geen redenen ziet. 10. Het advies van de examenjury vermeldt de punten die de verzoeker in de eerste zittijd behaalde (totaal 480/1000) en zijn punten over de drie onderdelen -portfolio en de twee subonderdelen van de praktische proef- die hij in de tweede zittijd moest overdoen. Aldus behaalde hij een totaal van 588 punten op 1000 en voldoet hij niet aan de in artikel 53 van het koninklijk besluit van 20 november 2001 gestelde voorwaarde dat hij “60% voor het puntencijfer voor het eindexamen” moet behalen. 11. De verzoeker betwist de deugdelijkheid van het motief op grond waarvan de verwerende partij hem de mogelijkheid tot herkansen ontneemt, met name de overweging van de examenjury dat hij “niet geslaagd” is voor het vak portfolio omdat de examencommissie van oordeel was dat hij te weinig relevante antwoorden heeft kunnen geven op de gestelde vragen “waardoor” zij geoordeeld heeft dat de verzoeker “niet over het gewenste profiel beschikt”en dat het gebrek aan stressbestendigheid en de grote dosis faalangst bevestigd wordt “door de vaststellingen met betrekking tot zijn functioneren tijdens de stage”. 12. De examenjury is van oordeel dat de verzoeker niet het gewenste profiel bezit omdat hij blijk geeft van faalangst en niet stressbestendig is. Zij steunt zich daarvoor op eigen vaststellingen -die teruggaan naar het functioneren van de IX-4965-12/14 verzoeker tijdens de stage- en op vaststellingen van de examencommissie tijdens de mondelinge proef, meer bepaald de relevantie van zijn antwoorden op gestelde vragen. 13. Het mondeling examen bestaat blijkens artikel 48 van het koninklijk besluit van 20 november 2001 betreffende de basisopleidingen van de personeelsleden van het operationeel kader van de politiediensten en houdende diverse overgangsbepalingen, uit “een presentatie door de aspirant van een tijdens de opleidingsstage uitgewerkt persoonlijk werk, een bespreking van de door de mentor opgestelde verslagen en een bespreking van de door de aspirant opgestelde formulieren zelfevaluatie”. De ondervraging over een persoonlijk werk en de bespreking van de verslagen van de mentor en van de zelfevaluatie maakt dat de mondelinge proef geen onderzoek naar opgedane kennis inhoudt, maar dat zij een ruime beoordeling van het kunnen van de kandidaten mogelijk maakt. Terecht stelt de verzoeker dan ook dat de punten alleen geen deugdelijke verantwoording vormen voor zijn uitslag in deze mondelinge proef en voor de conclusies die de examencommissie en de examenjury daaraan verbonden hebben. De noodzakelijke nadere uitleg vanwege de examencommissie is niet voorhanden. Waar de examenjury in haar advies derhalve verwijst naar de besluiten die de examencommissie getrokken heeft uit de wijze waarop de verzoeker vragen beantwoord heeft, steunt haar beslissing op niet terdege bewezen vaststellingen maar op beweringen. Van de eigen vaststellingen van de examenjury dienaangaande, die zouden steunen op het functioneren van de verzoeker tijdens zijn stage, vindt de Raad van State evenmin de duidelijke bewijzen in het dossier; zeker niet in die mate dat zij, op zich genomen, de jury tot het besluit konden brengen dat de verzoeker niet voldeed aan het vereiste profiel. 14. Een en ander leidt tot het besluit dat, rekening houdend met de stukken die aan de Raad van State voorgelegd zijn, de examenjury -en in het verlengde daarvan ook de directeur-generaal Personeel-, geen deugdelijke grondslag had om te stellen dat uit het mondeling examen en de verslagen over het functioneren tijdens de stage, gebleken was dat de verzoeker niet het vereiste profiel bezat en dat hij daarom definitief afgewezen werd. Aangezien de ontstentenis van het vereiste profiel niet bewezen is, kon de verwerende partij dat gegeven ook niet aanwenden om te stellen dat de verzoeker reeds kansen genoeg had gekregen om zijn kunnen te ontwikkelen en zich te bewijzen. IX-4965-13/14 15. Het middel is gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt de beslissing van 12 mei 2005 van de directeur- generaal Personeel van de federale politie waarbij aan Steven DE BRUYCKER de hoedanigheid van aspirant-inspecteur van politie ontnomen wordt. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. Het door de verzoeker op het verzoek tot voortzetting onverschuldigd gekweten recht ten belope van 175 euro wordt terugbetaald. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 1 maart 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-4965-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.419 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.285 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div