← België

Arrest 201469 - Monumenten en Landschappen - 02/03/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.469 Rolnummer: Zaak: Arrest 201469 - Monumenten en Landschappen - 02/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-12 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-30 04:24 Fiche Arrest nr 201.469 van 2 maart 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Opheffing Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 201.469 van 2 maart 2010 in de zaken A. 74.381/X-9062 (I) A. 79.015/X-8237 (II). In zake: I.

  1. Jean-François BOUCQUEAU
  2. Georges BOUCQUEAU (overleden) Rechtsgeding hervat door: I. Bénédicte BOUCQUEAU II. Sylviane BOUCQUEAU en haar kinderen
  3. Quentin DESCANTONS de MONTBLANC
  4. Sophie DESCANTONS de MONTBLANC
  5. Florence DESCANTONS de MONTBLANC III. Jean-François BOUCQUEAU en zijn kinderen
  6. Charlotte BOUCQUEAU
  7. Virginie BOUCQUEAU
  8. Laurent BOUCQUEAU
  9. Lucie LIPPENS II.
  10. Jean-François BOUCQUEAU
  11. Cécile VAN DER HAEGEN
  12. Felix EMMERECHTS
  13. Lucie LIPPENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Lindemans kantoor houdend te 1000 BRUSSEL Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : I. + II. het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 BRUGGE Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de beroepen
  14. Het beroep, ingesteld op 16 mei 1997, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 17 februari 1997 van de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn waarbij in het ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten worden opgenomen, als monumenten: de X-9062-8237-1/7 hoeve Groot Amelgem, omvattende het woonhuis, de stalvleugel, de “Duivelschuur” en het bakhuisje, gelegen te Meise (Brussegem), Amelgemstraat 5, en de hoeve Klein Amelgem, omvattende het woonhuis, een dienstvleugel, twee stalvleugels en een langsschuur, gelegen te Meise (Brussegem), Amelgemstraat 7, en als dorpsgezicht: het gehucht Amelgem en de omgeving van de hoeven Groot en Klein Amelgem, gelegen te Meise, Merchtem en Wemmel. (zaak I. A. 74.381) Het beroep, ingesteld op 18 juni 1998, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 17 maart 1998 van de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn waarbij worden beschermd als monument: het hoevecomplex omvattende het woonhuis, de stalvleugel, de “Duivelschuur” en het bakhuisje, gelegen te Meise (Brussegem), Amelgemstraat 5, en de hoeve Klein Amelgem, omvattende het woonhuis, 1 dienstvleugel, 2 stalvleugels en een langsschuur, gelegen te Meise (Brussegem), Amelgemstraat 7, en als dorpsgezicht: het gehucht Amelgem en de omgeving van de hoeven Groot en Klein Amelgem, gelegen te Meise, Merchtem en Wemmel. (zaak II. A. 79.015) II. Verloop van de rechtspleging
  15. Bij arrest nr. 81.382 van 28 juni 1999 wordt de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing ingewilligd in de zaak sub II. Bij arrest nr. 88.984 van 14 juli 2000 worden de zaken A.74.381 en A.79.015 gevoegd, wordt de beslissing van 17 februari 1997 van de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn vernietigd in zoverre zij het gehucht Amelgem en de omgeving van de hoeven Groot en Klein Amelgem te Meise, Merchtem en Wemmel op de lijst van voor bescherming vatbare dorpsgezichten opneemt, wordt de beslissing van 17 maart 1998 van de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn vernietigd in zoverre zij het gehucht Amelgem en de omgeving van de hoeven Groot en Klein Amelgem te Meise, Merchtem en Wemmel als dorpsgezicht beschermt en worden de debatten heropend. Eerste auditeur Emiel Haesbrouck heeft een aanvullend verslag opgesteld in beide zaken. X-9062-8237-2/7 De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend in beide zaken. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2009 in beide zaken. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht in beide zaken. Advocaat Filip De Preter, die loco advocaat Dirk Lindemans verschijnt, en advocaat Pieter Jan Staelens, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord in beide zaken. Auditeur Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies, behoudens wat de kosten betreft, gegeven in beide zaken. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  16. III. Feiten
  17. Voor de uiteenzetting van de relevante feiten kan worden verwezen naar het tussenarrest nr. 88.984 van 14 juli
  18. IV. Ontvankelijkheid van het beroep in de zaak I. A. 74.381 4.
  19. Door het definitieve beschermingsbesluit (het bestreden besluit in de zaak sub II) heeft het in deze zaak bestreden besluit geen rechtsgevolgen meer. Zelfs indien het definitieve beschermingsbesluit zou worden vernietigd, hetgeen, zoals hierna zal blijken, niet het geval is, kan het voorlopig beschermingsbesluit overeenkomstig artikel 5, §7 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten (hierna: het monumentendecreet) geen uitwerking meer hebben. De verzoekende partijen hebben bijgevolg geen actueel belang meer bij de nietigverklaring van het bestreden besluit, in zoverre het de hoeve Groot Amelgem en de hoeve Klein Amelgem in het ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten opneemt. X-9062-8237-3/7 4.
  20. Het beroep tot nietigverklaring is in zoverre onontvankelijk. V. Onderzoek van de middelen in de zaak II. A. 79.015 A. Derde middel Uiteenzetting van het middel 5.
  21. In een derde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 2 en 5 van het monumentendecreet en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, alsook “het ontbreken van de rechtens vereiste feitelijke grondslag”. Met betrekking tot de bescherming van de hoeven als monumenten voeren de verzoekende partijen aan dat “de historische waarde die de bescherming van deze onroerende goederen van algemeen belang zou maken” gebaseerd is op gegevens die enerzijds “deels feitelijk onjuist zijn” en anderzijds “op zich niet volstaan om het algemeen belang van de bescherming te verantwoorden”. Ze verwijzen dienaangaande naar de inhoud van een bezwaarschrift dat de eerste verzoeker “tegen de vorige bescherming als dorpsgezicht” heeft ingediend en waarin de noodzaak aan bescherming wordt betwist, gezien de vele wijzigingen en aanpassingen die de hoeven inmiddels hebben ondergaan. De verzoekende partijen laten gelden dat met deze bezwaren in verband met de feitelijke toestand van de panden “ook nu weerom geen rekening (is) gehouden” en dat nergens uit de motiveringsnota blijkt “om welke redenen van algemeen belang ondanks deze aantasting van de monumentenwaarde door de aanbouw en de verbouwingen een bescherming zich opdringt”. Beoordeling 5.
  22. Wanneer de overheid een onroerend goed als monument beschermt, moet zij, om te voldoen aan de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, in het besluit zelf de juridische en feitelijke overwegingen vermelden waarop het is gesteund. Het is voldoende, maar wel noodzakelijk dat het besluit aangeeft om welke redenen van artistieke, wetenschappelijke, historische, volkskundige, industrieel-archeologische of andere X-9062-8237-4/7 sociaal-culturele waarde het bestuur van oordeel is dat het beschermde onroerend goed van algemeen belang is. Aan de opgelegde motiveringsplicht is slechts voldaan wanneer het besluit tot bescherming als monument duidelijk de redenen opgeeft die tot bescherming aanleiding geven, derwijze dat het de beroeper mogelijk is met kennis van zaken tegen de beslissing op te komen en dat de Raad van State de hem opgedragen wettigheidscontrole kan uitoefenen. Krachtens de materiële motiveringsplicht moet elke administratieve beslissing berusten op rechtens aanvaardbare motieven met een voldoende feitelijke grondslag. De motieven moeten in beginsel steunen op feiten die met de werkelijkheid overeenstemmen. Als annulatierechter is de Raad van State belast met een wettigheidstoezicht. Het komt de Raad van State niet toe het feitenonderzoek in de behandelde zaak over te doen en in de plaats van het bestuur te appreciëren of een goed wel beschermingswaard is. De Raad vermag wel na te gaan of de administratieve overheid rechtmatig tot haar voorstelling van de feiten is kunnen komen. Hij kan dus nagaan of de feiten die de overheid als uitgangspunt heeft genomen, vaststaan in het licht van de bewijselementen die beschikbaar waren. 5.
  23. Het bezwaarschrift dat door de verzoekende partijen in het verzoekschrift wordt geciteerd, werd ingediend tijdens een vorige beschermingsprocedure. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat de verzoekende partijen tijdens de beschermingsprocedure die heeft geleid tot het huidige bestreden besluit, geen bezwaar hebben ingediend. De verwerende partij kan niet verweten worden geen rekening te hebben gehouden met de inhoud van een bezwaarschrift dat niet meer werd ingediend tijdens de betwiste beschermingsprocedure. Integendeel, zoals de verwerende partij terecht opwerpt, kon de overheid er op rechtmatige wijze van uitgaan dat, gezien de bezwaren tijdens de huidige procedure niet meer herhaald werden door de verzoekende partijen, deze laatsten er ook niet meer in volharden. De verzoekende partijen maken niet aannemelijk dat de overheid onrechtmatig tot haar voorstelling van de feiten is gekomen, noch dat zij de grenzen van de wettigheid te buiten is gegaan. Het derde middel is niet gegrond. X-9062-8237-5/7 B. De overige middelen 6.
  24. Het tweede en het vijfde middel werden reeds besproken in het tussenarrest nr. 88.984 van 14 juli 2000 en hebben in datzelfde tussenarrest geleid tot de nietigverklaring van het bestreden besluit in zoverre het de definitieve bescherming van het gehucht Amelgem en omgeving betreft. 6.
  25. In het eerste en het vierde middel leveren de verzoekende partijen enkel kritiek op het bestreden besluit in zoverre het reeds werd vernietigd bij het voormelde tussenarrest nr. 88.984, zodat over deze middelen geen uitspraak meer dient te worden gedaan. BESLISSING
  26. De Raad van State verwerpt de beroepen voor het overige.
  27. De bij arrest nr. 81.382 van 28 juni 1999 bevolen schorsing wordt opgeheven.
  28. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 520,59 euro, in de zaak A. 74.
  29. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 1388,24 euro, in de zaak A. 79.
  30. X-9062-8237-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee maart 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, met bijstand van Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Roger Stevens X-9062-8237-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.469 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.