id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.470 Rolnummer: A. 157941/X-12148 Zaak: Arrest 201470 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 02/03/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-11 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-30 04:24 Fiche Arrest nr 201.470 van 2 maart 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 201.470 van 2 maart 2010 in de zaak A. 157.941/X-12.
(1990)kan wel een constructie/bijgebouw worden aangetroffen vlak naast het te regulariseren gebouw. Het dossier bevat ook geen foto’s of plannen van de toestand vóór het uitvoeren van de werken. De constructie dient te worden beschouwd als een nieuw opgericht gebouw. In toepassing van artikel 145bis kan geen vergunning worden verleend voor het oprichten van een nieuw bijgebouw in agrarisch gebied. De aanvraag is met betrekking tot het tuinhuis niet in overeenstemming met de planologische bestemming en met de decretale en reglementaire bepalingen”. IV. Onderzoek van het enig middel Uiteenzetting van het middel 10. De verzoeker roept in een enig middel de schending in van artikel 195quinquies van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO), van artikel 53, §3, eerste lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet) en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: de motiveringswet), “Doordat in de bestreden beslissing de aanvraag van verzoekende partij enkel getoetst wordt aan artikel 145 bis D.O.R.O. dat bepaalt dat werken en handelingen aan een zonevreemde constructie slechts vergund kunnen worden voor zover deze gebeuren aan een bestaand vergund of vergund geacht gebouw; Terwijl artikel 195 quinquies D.O.R.O. bepaalt dat voor aanvragen, ingediend voor 1 februari 2003, de voorwaarden gesteld in artikel 145 bis D.O.R.O. niet gelden voor zover de aanvrager kan aantonen dat de werken of X-12.148-6/12 handelingen worden of zijn uitgevoerd aan een gebouw dat bij de aanvang van de werken bestond en geheel of gedeeltelijk vergund was of werd geacht; en terwijl de aanvraag van verzoeker werd ingediend voor 1 februari 2003; Terwijl de bestreden beslissing met geen woord rept over de toepassing of niet-toepassing van artikel 195 quinquies D.O.R.O.; Zodat de bestreden beslissing, door geen rekening te houden met het voorgaande, de in het middel aangehaalde bepalingen schendt. TOELICHTING BIJ HET MIDDEL A ARTIKEL 195 QUINQUIES D.O.R.O. 20. De vergunningsvoorwaarden voor zonevreemde stedenbouwkundige aanvragen zijn niet voor alle aanvragen hetzelfde. Stedenbouwkundige aanvragen voor zonevreemde constructies ingediend vóór 1 februari 2003 genieten krachtens artikel 195 quinquies D.O.R.O. van een gunstregime. Aanvragen ingediend na 1 februari 2003 vallen gewoon onder het toepassingsgebied van artikel 145bis D.O.R.O.. 21. Artikel 195 quinquies D.O.R.O. biedt voor ‘zonevreemde-aanvragen’ ingediend vóór 1 februari 2003 een versoepelde regularisatiemogelijkheid. Dit artikel luidt: ‘De in de artikelen 145bis en 195bis, eerste lid, 3/, vermelde voorwaarde dat de werken en handelingen gebeuren aan een bestaand vergund of vergund geacht gebouw geldt niet voor vergunningsaanvragen, ingediend vóór 1 februari 2003, voorzover de aanvrager kan aantonen dat de werken of handelingen worden of zijn uitgevoerd aan een gebouw dat bij de aanvang van de werken bestond en geheel of gedeeltelijk vergund was of werd geacht. Het eerste lid is ook van toepassing wanneer de tussen 13 juli 2001 en 1 februari 2003 ingediende aanvraag geweigerd is en een aangepaste aanvraag wordt ingediend om te voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel 145bis of 195bis.’ 22. Het voorgaande artikel biedt met andere woorden een versoepeling op artikel 145 bis D.O.R.O., betreffende de zonevreemde gebouwen. Immers, daar waar in dossiers betreffende de aanvraag tot regularisatie van een zonevreemd gebouw, ingediend na 1 februari 2003, aangetoond dient te worden dat de niet vergunde werken gebeurden aan een bestaand en geheel of gedeeltelijk vergund of vergund geacht gebouw, geldt dit niet voor de aanvragen, ingediend voor 1 februari 2003. In die gevallen immers, volstond het aan te tonen dat het gebouw waarop de werken of handelingen betrekking hadden reeds bestond bij de aanvang van de werken en geheel of gedeeltelijk werd geacht vergund te zijn of vergund was. 23. Het spreekt voor zich dat het uitzonderingsregime van artikel 195 quinquies D.O.R.O. aanzienlijke bijkomende vergunningsmogelijkheden biedt aan de eigenaars van zonevreemde gebouwen, die tijdig een regularisatieaanvraag hebben ingediend. B FOUTIEVE TOETSING AAN DE VOORWAARDEN VAN ARTIKEL 145BIS D.O.R.O. - GEBREK AAN TOETSING AAN ARTIKEL 195 QUINQUIES D.O.R.O. 24. Ondanks de vaststelling dat verzoeker zijn aanvraag tot regularisatie had ingediend voor 1 februari 2003, werd zijn aanvraag enkel getoetst aan de voorwaarden van artikel 145bis D.O.R.O.. In de bestreden beslissing wordt uitdrukkelijk gesteld: ‘De aanvraag dient te worden getoetst aan de afwijkingsbepalingen, vervat in artikel 145 bis van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening.’ en: ‘In toepassing van artikel 145bis kan geen vergunning worden verleend voor het oprichten van een nieuw bijgebouw in agrarisch gebied.’ X-12.148-7/12 25. Uit het citaat blijkt duidelijk dat de aanvraag van verzoeker enkel werd getoetst aan de voorwaarden van artikel 145 bis D.O.R.O.. Voor aanvragen ingediend voor 1 februari 2003 geldt, zoals voormeld, evenwel eveneens het versoepelingsregime van artikel 195 quinquies D.O.R.O.. Aan dit artikel wordt in de bestreden beslissing ten onrechte niet getoetst. De bestreden beslissing schendt artikel 195 quinquies D.O.R.O.. C GEBREKKIGE MOTIVERING 26. Krachtens artikel 53,§ 3, eerste lid van het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 2 oktober 1996 (DRO) moet de Bestendige Deputatie beslissingen inzake stedenbouwkundige aanvragen steeds motiveren. De Raad van State heeft er op gewezen dat die verplichting dezelfde draagwijdte heeft als artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. 27. Eveneens ingevolge vaste rechtspraak van Uw Raad, is de motivering van een administratieve rechtshandeling slechts draagkrachtig als de betrokken bestuurde in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven kan aantreffen op grond waarvan ze werden genomen, dat ze niet al te faciel of oppervlakkig is, dat ze voldoende precies is, voldoende onderbouwd derwijze dat ze het eindbesluit verantwoordt en feitelijk correct is. 28. In casu blijkt dat de bestreden beslissing, minstens in rechte, onvoldoende werd gemotiveerd. 29. De bestreden beslissing bevat een onderdeel ‘Toetsing aan de wettelijke en reglementaire voorschriften’. Hierin zou met andere woorden de bestaanbaarheid van het aangevraagde met de geldende regelgeving getoetst dienen te worden. 30. Uit de uiteenzetting in de bestreden beslissing, kan afgeleid worden dat sprake is van een zonevreemde constructie. Tevens wordt weergegeven welk gewestplan van toepassing is, en dat het pand niet gelegen is in een niet vervallen verkaveling. Tenslotte wordt toepassing gemaakt van artikel 145 bis DORO. 31. In de voorgaande toelichting, heeft verzoekende partij reeds zeer duidelijk aangegeven dat hij zijn aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning indiende voor 1 februari 2003, en bijgevolg mogelijk in aanmerking kwam voor de uitzonderingsregeling opgenomen in artikel 195 quinquies DORO. In het bestreden besluit, wordt de aanvraag van verzoeker echter geenszins getoetst aan voormeld artikel. Er wordt zelfs op geen enkele wijze naar verwezen. 32. Zoals gezegd is een administratieve rechtshandeling slechts afdoende gemotiveerd, indien de motieven aangetroffen worden op grond waarvan de beslissing genomen werd. Het spreekt voor zich dat de bestreden beslissing niet voldoende werd gemotiveerd. Verzoekende partij kan uit de bestreden beslissing onmogelijk afleiden of de Deputatie, bij het beoordelen van zijn aanvraag, rekening gehouden heeft met hetgeen in artikel 195 quinquies DORO wordt bepaald. Werd de aanvraag aan het voormelde artikel getoetst of niet? Oordeelde de Deputatie dat niet aan de voorwaarden van artikel 195 quinquies werd voldaan? Waarom zou niet aan dit artikel voldaan zijn? Niets van dit alles blijkt uit de motivering van de bestreden beslissing! 33. Nu de bestreden beslissing op geen enkele wijze aangeeft waarom geen toepassing werd gemaakt, of kon gemaakt worden, van artikel 195 quinquies D.O.R.O., schendt het besluit artikel 53,§ 3, eerste lid van het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 2 oktober 1996, en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. D TEN OVERVLOEDE 34. Bij de bespreking van de voorwaarden van artikel 145 bis DORO stelt de bestreden beslissing dat het een nieuw bijgebouw zou betreffen in agrarisch gebied. Deze stelling is feitelijk onjuist, en aldus in strijd met de feitelijke X-12.148-8/12 motiveringsplicht, zoals vermeld in artikel 53 DRO en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van bestuurshandelingen. 35. De constructie betreft een verbouwing van een sedert voor 1962 op het perceel aanwezige schuur. Het is ons niet duidelijk op basis van welk orthofotoplan men tot de vaststelling is gekomen dat het gebouw op een andere plaats zou staan dan de oorspronkelijke schuur. Dit stuk is ons niet gekend. Wij verzoeken dan ook dit document te voegen bij het administratief dossier, nu het een essentieel gegeven is in de beoordeling van voorliggende zaak. E BESLUIT 36. Verzoeker diende zijn aanvraag in voor 1 februari 2003. De Deputatie had moeten nagaan of de aanvraag van verzoeker voldeed aan de voorwaarden gesteld in artikel 195 quinquies DORO. Hierover bestaat geen twijfel. Ten onrechte gebeurde dit niet, minstens kan niet uit de bestreden beslissing van de Deputatie afgeleid worden dat voornoemde toetsing werd doorgevoerd. 37. De bestreden beslissing schendt de in het middel aangehaalde bepalingen. Het middel is gegrond”. Beoordeling 11. De artikelen 2 en 3 van de motiveringswet bepalen dat eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd, dat in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moeten worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat deze afdoende moeten zijn. Artikel 6 van dezelfde wet bepaalt dat deze “slechts van toepassing (
- is)op de bijzondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorgeschreven, in zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen”. Uit een en ander volgt dat wat de motiveringsverplichting betreft, de motiveringswet een wet is van suppletoire aard. Het toentertijd geldende artikel 53, § 3 van het gecoördineerde decreet legt aan de deputatie en aan de Vlaamse regering, wanneer zij in beroep uitspraak doen over bouw- en verkavelingsaanvragen, een motiveringsverplichting op die niet minder streng is dan deze voorgeschreven door de motiveringswet. Het bestreden besluit valt derhalve niet onder de toepassing van de laatstgenoemde wet. Uit het voorgaande volgt dat de ingeroepen schending van de motiveringsverplichting geacht moet worden enkel te zijn afgeleid uit de schending van het toentertijd geldende artikel 53, § 3 van het gecoördineerde decreet. 12. Artikel 145bis DRO luidde op het ogenblik van het nemen van het nemen van het bestreden besluit als volgt: X-12.148-9/12 “§1. Voorzover voldaan is aan de voorwaarden in deze paragraaf, vormen de geldende bestemmingsvoorschriften van de gewestplannen en de algemene plannen van aanleg op zichzelf geen weigeringsgrond bij de beoordeling, door de vergunningsverlenende overheid, van aanvragen tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning met betrekking tot bestaande gebouwen of bestaande constructies. Deze uitzonderingsbepaling geldt slechts indien de aanvraag betrekking heeft op : 1° het verbouwen van een bestaand gebouw of een bestaande constructie binnen het bestaande bouwvolume; 2° het herbouwen op dezelfde plaats van een bestaand gebouw of een bestaande constructie binnen het bestaande bouwvolume voorzover het karakter, de verschijningsvorm en de functie van het gebouw of de constructie behouden blijven; als herbouwen op dezelfde plaats wordt beschouwd, het herbouwen van een nieuw gebouw dat op minstens drie kwart van de oppervlakte van de bestaande gebouwen wordt opgericht; voor woninggebouwen wordt de bestaande woonoppervlakte bedoeld met inbegrip van de woningbijgebouwen, die er fysisch één geheel mee vormen; 3° het herbouwen op een gewijzigde plaats van een bestaand gebouw binnen het bestaande bouwvolume op voorwaarde dat het te slopen gebouw getroffen is door een rooilijn, of zich in een achteruitbouwzone bevindt en/of die verplaatsing is ingegeven door redenen van goede plaatselijke ordening, voorzover de eindtoestand na herbouwen een betere plaatselijke aanleg oplevert en zich richt naar de omgevende bebouwing en/of plaatselijk courante inplantingswijzen; de redenen van goede plaatselijke ordening moeten minstens die betere integratie in de al dan niet bebouwde omgeving impliceren, alsmede een betere terreinbezetting en een kwalitatief concept; de naleving van deze voorwaarden moet uitdrukkelijk worden gemotiveerd, rekening houdend met de bijzondere kenmerken van de site; 4° (...); 5° (...); 6° het uitbreiden van een bestaande woning; de uitbreiding kan met inbegrip van de woningbijgebouwen, die er fysisch één geheel mee vormen, slechts leiden tot een maximaal bouwvolume van 1.000 m³; deze uitbreiding mag een volumevermeerdering met 100 % echter niet overschrijden. De Vlaamse regering kan hiervoor de nadere regels vaststellen. De mogelijkheden, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 6°, gelden enkel indien voldaan is aan de volgende voorwaarden :
- a)de woning, het gebouw of de constructie is niet verkrot; woningen, gebouwen of constructies worden beschouwd als verkrot als ze niet voldoen aan de elementaire eisen van stabiliteit op het moment van de eerste vergunningsaanvraag tot ver- of herbouwen;
- b)de woning, het gebouw of de constructie is hoofdzakelijk vergund of wordt geacht vergund te zijn, ook wat de functie betreft;
- c)het volume van de herbouwde woning blijft beperkt tot 1 000 m³, indien het bestaande bouwvolume meer dan 1 000 m³ bedraagt, en het aantal woongelegenheden blijft, zowel bij verbouwen, herbouwen als uitbreiden, beperkt tot het bestaande aantal;
- d)(...). De mogelijkheden, vermeld in het eerste lid, 2° tot en met 6°, gelden niet voor de recreatiegebieden en de ruimtelijk kwetsbare gebieden, behoudens de parkgebieden. Onder de ruimtelijk kwetsbare gebieden worden verstaan de groengebieden, natuurgebieden, natuurgebieden met wetenschappelijke waarde, natuurreservaten, natuurontwikkelingsgebieden, parkgebieden, bosgebieden, valleigebieden, brongebieden, agrarische gebieden met ecologische waarde of X-12.148-10/12 belang, agrarische gebieden met bijzondere waarde, grote eenheden natuur, grote eenheden natuur in ontwikkeling en de ermee vergelijkbare gebieden, aangewezen op de plannen van aanleg, alsook de beschermde duingebieden en voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden, aangewezen krachtens het decreet van 14 juli 1993 houdende maatregelen tot bescherming van de kustduinen. Onder recreatiegebieden worden de gebieden voor dagrecreatie, gebieden voor verblijfsrecreatie en de ermee vergelijkbare gebieden, aangewezen op de plannen van aanleg verstaan. §2. (...)”. Artikel 195quinquies DRO luidde op het ogenblik van het nemen van het bestreden besluit als volgt: “De in de artikelen 145bis en 195bis, eerste lid, 3°, vermelde voorwaarde dat de werken en handelingen gebeuren aan een bestaand vergund of vergund geacht gebouw geldt niet voor vergunningsaanvragen, ingediend vóór 1 februari 2003, voor zover de aanvrager kan aantonen dat de werken of handelingen worden of zijn uitgevoerd aan een gebouw dat bij de aanvang van de werken bestond en geheel of gedeeltelijk vergund was of werd geacht. Het eerste lid is ook van toepassing wanneer de tussen 13 juli 2001 en 1 februari 2003 ingediende aanvraag geweigerd is en een aangepaste aanvraag wordt ingediend om te voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel 145bis of 195bis”. 13. De verzoeker heeft noch bij het indienen van de bouwaanvraag, noch in de loop van de administratieve beroepsprocedure verzocht om bij het beoordelen van de aanvraag toepassing te maken van het in het middel geschonden geachte artikel 195quinquies DRO. Aangezien het voormelde artikel een afwijkingsregeling voorziet op de voorwaarden gesteld in artikel 145bis DRO, komt het in voorkomend geval aan de vergunningaanvrager toe de overheid om de toepassing ervan te verzoeken. De vergunningverlenende overheid is er anderzijds niet toe gehouden uit eigen beweging te onderzoeken of een vergunning met toepassing van artikel 195quinquies DRO kan worden verleend. Slechts indien een aanvrager uitdrukkelijk om de toepassing van de voormelde afwijkingsbepaling verzoekt, is de overheid ertoe gehouden te motiveren waarom in voorkomend geval niet is voldaan om met toepassing van deze bepaling van de voorwaarden van artikel 145bis DRO af te wijken. In de gegeven omstandigheden kan de verzoeker dan ook niet voor het eerst in het kader van een annulatieberoep de schending aanvoeren van artikel 195quinquies DRO. Bovendien heeft de verzoeker, hoewel dit voor de toepasbaarheid van artikel 195quinquies DRO wordt vereist, niet aangetoond dat de werken zijn uitgevoerd aan een gebouw dat bij de aanvang van de werken bestond. X-12.148-11/12 14. In het bestreden besluit overweegt de verwerende partij met betrekking tot het gedeelte van de regularisatieaanvraag dat het kwestieuze tuinhuis betreft dat “op het kadasterplan (...) geen stalruimte (wordt) aangeduid”, dat “op het orthofotoplan