id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:
§2
en §3 DRO (Decreet betreffende de Ruimtelijke Ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996) alsmede uit de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en machtsoverschrijding.’ TOELICHTING BIJ HET MIDDEL
- In het bestreden besluit, oordeelt de Minister dat op grond van artikel 145bis DORO geen stedenbouwkundige vergunning verleend kan worden.
- Artikel 145bis DORO bepaalt het volgende aangaande de vergunningsmogelijkheden voor zonevreemde functiewijzigingen voor landbouwondernemingen: ‘De vergunningverlenende overheid mag, bij het verlenen van een stedenbouwkundige vergunning die betrekking heeft op een vergunningsplichtige wijziging van de hoofdfunctie van een onroerend bebouwd goed met het oog op een nieuwe functie in de zin van artikel 99, § 1, eerste lid, 6/, alleen afwijken van de voorschriften van een gewestplan of een algemeen plan van aanleg in de volgende gevallen: - het wijzigen van het gebruik van een bestaand vergund, eventueel leegstaand, landbouwbedrijf, dat volgens het gewestplan niet gelegen is in een recreatiegebied of een ruimtelijk kwetsbaar gebied, behoudens een parkgebied, met als nieuw gebruik uitsluitend wonen, én op voorwaarde dat de volgende voorschriften nageleefd worden : 1/ de bedrijfswoning en de bijgebouwen die er fysisch één geheel mee vormen, krijgen als nieuw gebruik wonen met uitsluiting van meergezinswoningen, maar met inbegrip van tijdelijke verblijfsgelegenheden op voorwaarde dat landbouw als nevenbestemming nog aanwezig blijft ; 2/ de bedrijfsgebouwen van dit landbouwbedrijf mogen niet afgesplitst worden van de bedrijfswoning en kunnen enkel een nieuw gebruik krijgen als woningbijgebouwen, of als accommodatie voor tijdelijke verblijfsgelegenheden op voorwaarde dat landbouw als nevenbestemming nog aanwezig blijft; - het wijzigen van het gebruik van een bestaand, vergund gebouw voor zover deze wijziging is opgesomd in een door de Vlaamse regering vast te leggen lijst.’
- De Minister oordeelt dat niet aan de voorwaarden, opgenomen in dit artikel, wordt voldaan. Uit de bestreden beslissing kunnen twee weigeringsmotieven afgeleid worden, nl: - De aanvraag zou betrekking hebben op permanent verblijf ipv op tijdelijk verblijf - Er zou geen landbouw in nevenactiviteit aanwezig zijn
- Geen van beide weigeringsmotieven kan echter weerhouden worden. V.1.1 De bijgebouwen worden wel ingericht voor tijdelijke verblijfsgelegenheid
- De bestreden beslissing stelt dat verzoekster niet de bedoeling heeft tijdelijke verblijfsgelegenheid aan te bieden in de kamers waarvoor zij een X-12.505-7/14 stedenbouwkundige vergunning aanvraagt. Integendeel zou het ‘werkelijke voorwerp’ van de aanvraag permanente verblijfsgelegenheid betreffen. Daarenboven zou geen vergunning verleend kunnen worden nu in het verleden permanent verblijf werd toegestaan. A WAT HET WERKELIJKE VOORWERP VAN DE AANVRAAG BETREFT
- De regularisatieaanvraag van verzoekster strekt zonder enige twijfel tot het regulariseren van de inrichting van drie tijdelijke verblijfsgelegenheden in de bestaande boerderij. Het voorwerp van de aanvraag werd zeer duidelijk omschreven. Verzoekster vraagt geen vergunning voor de regularisatie van ruimten bestemd voor permanente bewoning.
- Het komt niet aan de Minister toe het voorwerp van de aanvraag te wijzigen. Uiteraard heeft het beroep waardoor de Minister bevoegd werd, devolutieve werking, en dient de Minister de aanvraag in zijn geheel te bekijken. Dit impliceert echter niet dat een eigen invulling aan het voorwerp van de aanvraag gegeven kan worden!
§2D.R.O.
verschaft de Minister de bevoegdheid kennis te nemen van beroepen, doch geen uitgebreider bevoegdheid dan dat! De devolutieve werking van het hoger beroep, dient immers te worden gerelateerd aan hetgeen in hoger beroep wordt gevraagd, en in het bijzonder door de initiële aanvraag. Door het voorwerp van de aanvraag te wijzigen, overschrijdt de Minister de grenzen van de hem toebedeelde bevoegdheid.
- De aanvraag van verzoekster strekt uitsluitend tot de regularisatie van kamers voor tijdelijke verblijfsgelegenheden. Indien zij in de toekomst de kamers zou willen verhuren voor permanente verblijfsgelegenheid, zal verzoekster een vergunningsplichtige functiewijziging door moeten voeren. Het is op dat ogenblik dat geoordeeld zal moeten worden of permanente verblijfsgelegenheid al dan niet mogelijk is. Indien verzoekster zonder vergunning haar ruimten voor permanente verblijfsgelegenheid ter beschikking zou stellen, zou zij de bepalingen van het DORO schenden. Op dat ogenblik zal dit strijdig gebruik stopgezet kunnen worden op grond van de handhavingsregels die in het DORO vervat liggen.
- Verzoekster wenst in dit verband te verwijzen naar de rechtspraak van de Raad van State, waarin wordt geoordeeld dat de overheid niet meer kan vergunnen dan wordt aangevraagd, en dat het voorwerp van de vergunning bepalend is voor de vergunningverlenende overheid’. In navolging van deze rechtspraak, kan zonder enige twijfel gesteld worden dat de overheid niet enkel niets kan toevoegen aan de aanvraag, doch ook het voorwerp ervan niet kan wijzigen.
- Verzoekster vraagt een vergunning voor de regularisatie van tijdelijke verblijfsgelegenheden. Het is deze aanvraag die beoordeeld diende te worden. Uit alle nota's bleek zeer duidelijk de intentie van verzoekende partij, nl het aanbieden van een mogelijkheid voor gezinnen om te verblijven op (e)en hoeve en kennis te maken met het plattelandsleven.
- De Minister is bij de beoordeling van de aanvraag de hem middels
§2D.R.O.
toegekende bevoegdheid te buiten gegaan. Daardoor is niet enkel sprake van een schending van de artikelen 145bis DORO en
§2D.R.O., doch ook van machtsoverschrijding.
De bestreden beslissing is bijgevolg onwettig. B WAT HET GEBRUIK IN HET VERLEDEN BETREFT
- De Minister oordeelt daarenboven dat de vergunning geweigerd dient te worden omdat de kamers in het verleden als permanent verblijf verhuurd werden. Verzoekster kan zich ook hiermee niet akkoord verklaren.
- Opnieuw dient benadrukt te worden dat de Minister gehouden is het voorwerp van de aanvraag te beoordelen. Hierbij is niet enkel irrelevant of de aanvrager in de toekomst van de verleende vergunning zal afwijken. X-12.505-8/14 Daarenboven kan geen rekening gehouden worden met het gebruik van de constructies in het verleden!
- De aanvraag van verzoekster is een regularisatievergunning. Inherent verbonden aan het indienen van een regularisatievergunning, is het feit dat de aanvrager zich in een wederrechtelijke situatie bevindt en die tracht te herstellen door een vergunning aan te vragen. Indien bij het beoordelen van een regularisatievergunning steeds rekening gehouden zou worden met het vroegere gebruik, zou de facto nooit een regularisatievergunning verleend kunnen worden
- Daarenboven dient benadrukt te worden dat de stelling van de Minister, als zouden de kamers in het verleden uitsluitend gebruikt geweest zijn als permanente verblijfsgelegenheid, feitelijk onjuist. Uiteraard kan niet ontkend worden dat de kamers in het verleden soms voor een langer verblijf werden verhuurd (met huurovereenkomsten van beperkte duur). Dit betekent echter niet dat nooit aan hoevetoerisme werd gedaan. Het eerste verblijf in het kader van het hoevetoerisme reeds in 1997 werd aangeboden. Reeds in 1998 vonden controles plaats door de Dienst Toerisme Kempen. Het is bijgevolg geenszins zo dat de kamers in het verleden uitsluitend werden aangewend voor permanent verblijf. Verzoekster heeft er steeds naar gestreefd aan hoevetoerisme te doen.
- In de bestreden beslissing wordt geen rekening gehouden met het voorgaande. Er wordt ten onrechte van uit gegaan dat de kamers uitsluitend als permanente verblijfsgelegenheid werden verhuurd. Door daarenboven het vroegere gebruik van de kamers aan te wenden als argument om de vergunning te weigeren, wordt aan verzoekster ten onrechte de mogelijkheid ontnomen haar situatie te regulariseren. Er wordt, door het vroegere gebruik als doorslaggevend element te zien bij het beoordelen van de aanvraag, een nieuwe voorwaarde toegevoegd aan artikel 145bis DORO. Dit is onaanvaardbaar en brengt de onwettigheid van de beslissing met zich mee.
- Het weze herhaald dat
§2D.R.O.
aan de Minister de bevoegdheid toebedeelt beroepen te beoordelen wegens stilzitten van de Bestendige Deputatie. Bij de beoordeling van deze beroepen, is de Minister echter gebonden aan het voorwerp van de aanvraag. Door bijkomende voorwaarden op te leggen bij het beoordelen van een aanvraag, dan wel rekening te houden met aspecten die niet decretaal voorgeschreven zijn, overschrijdt de Minister de hem middels
§2D.R.O.
toebedeelde bevoegdheden. Er is sprake van machtsoverschrijding! 31. Verzoekster wenst regularisatie van de kamers in tijdelijke verblijfsgelegenheid. Dit is het enige en werkelijke voorwerp van de aanvraag. Het vroegere gebruik is irrelevant. Deze aanvraag is perfect vergunbaar. Door anders te oordelen, schendt de Minister niet enkel artikel 145bis DORO, doch eveneens
§2D.R.O..
Er is sprake van machtsoverschrijding! (...)”. In het verzoekschrift wordt het volgende tweede middel aangevoerd: “‘Genomen uit de schending van artikel 4 van het Besluit van 28 november 2003 betreffende de zonevreemde functiewijzigingen, juncto artikel 145 bis DORO alsmede schending van
§ 2en § 3 DRO’ TOELICHTING BIJ HET MIDDEL (...) 41 .
In de procedure voor de Minister, werd volledigheidshalve gewezen op de mogelijkheid die in artikel 4 van het Besluit van 28 november 2003 betreffende de zonevreemde functiewijzigingen wordt voorzien, om X-12.505-9/14 hoevetoerisme mogelijk te maken in een agrarische omgeving. Zelfs indien geoordeeld zou worden dat artikel 145bis DORO niet van toepassing zou zijn, had verzoekster een regularisatievergunning kunnen verkrijgen op grond van voormeld besluit. Artikel 4 van het besluit van 28 november 2003 bepaalt het volgende: ‘Met toepassing van artikel 145bis, § 2, van het decreet, kan een vergunning worden verleend voor het gedeeltelijk wijzigen van het gebruik van een woning, met inbegrip van de woningbijgebouwen, in een complementaire functie, voorzover aan al de volgende voorwaarden voldaan is: 1/ de complementaire functie heeft betrekking op het gebruik als een logiesverstrekkend bedrijf, categorie kamers voor zover het maximaal 4 kamers en/of accommodaties betreft, met uitsluiting van elke vorm van restaurant of café; 2/ de aanvraag wordt voor voorafgaand advies voorgelegd aan Toerisme Vlaanderen’
- De artikelsgewijze bespreking bij het besluit, legt voormeld artikel als volgt uit: ‘Het begrip plattelandstoerisme wordt niet gedefinieerd. Dit is een bewuste keuze omdat de decreetgever ervoor kan opteren om in de sectorale regelgeving een eigen invulling van het begrip te geven. In tussentijd moge het duidelijk zijn dat met plattelandstoerisme de uit het buitenland genoegzaam bekende formules genre ‘bed and breakfast’ of ‘zimmer frei’ bedoeld zijn : het aanbieden van eenvoudige logiesmogelijkheid (maximaal 4 kamers) en eventueel ontbijt (in een aparte ontbijt- en verblijfsruimte) bij particulieren, zonder restaurant of café. De complementaire functie wordt niet meegerekend voor de bepaling van het maximaal toelaatbare volume, bedoeld in artikel 145bis, § 1, 6/ van het decreet. Hiermee wordt bedoeld dat de complementaire functie ook in niet-woonruimten (zoals stallen) kan ondergebracht worden. Een voorbeeld van een aanvaardbare functiewijziging: 3 kamers voor bed and breakfast + 1 ontbijtruimte in schuur van zonevreemde woning (voormalige boerderij) zonder landbouw als nevenfunctie. Een niet vergunbaar voorbeeld: een klein hotel met half pension in schuur van voormalige boerderij.’
- Ten onrechte echter, werd door de Minister geoordeeld dat geen regularisatievergunning verleend kon worden. Om deze weigeringsbeslissing te staven, worden vier weigeringsgronden weerhouden, te weten: - De inrichting van de kamers wijst op permanente verblijfsgelegenheid - De kamers werden in het verleden als permanente verblijfsgelegenheid aangewend - De kamers zijn te ver van het woongedeelte verwijderd - Het afdak, gelegen aan de westelijke zijde, zou niet vergund zijn
- Geen van deze argumenten kan weerhouden worden. V.2.1 Wat de inrichting van de verblijfsgelegenheden betreft, alsmede het gebruik in het verleden
- De bestreden beslissing stelt dat ‘immers elke studio beschikt over zijn eigen bad en toiletruimte, alsook een eigen kookgelegenheid; dat deze studio’s perfect bruikbaar zijn als aparte woongelegenheden’.
- Klaarblijkelijk kan volgens de Minister onmogelijk gesproken worden van een tijdelijke verblijfsgelegenheid in functie van hoevetoerisme, indien deze verblijfsgelegenheid sanitaire voorzieningen en een eigen kookgelegenheid hebben. Opgemerkt dient te worden dat de kamers enkel uitgerust werden met een losstaande, niet ingebouwde kookplaat, en een kleine losstaande bar-koelkast. Er wordt niet eens een oven voorzien. X-12.505-10/14
- Vooreerst dient opgemerkt te worden dat in het Besluit van 24 november 2003 geen enkele voorwaarde betreffende de inrichting van de verblijfsgelegenheden voor hoevetoerisme. Er wordt niets vermeld aangaande de voorzieningen die al dan niet aanwezig zouden mogen zijn om van hoevetoerisme te kunnen spreken. Opnieuw worden met andere woorden voorwaarden toegevoegd in het bestreden besluit. Dit houdt een schending in van artikel 4 van voormeld Besluit.
- Daarenboven is de redenering uit het bestreden besluit kennelijk onredelijk. Immers, de voorzieningen die in de aanvraag werden vermeld, zijn noodzakelijke vereisten om een erkenning te kunnen verkrijgen voor het aanbieden van hoevetoerisme. De waardeschaal voor verblijfsgelegenheden in het kader van hoevetoerisme, wordt uitgedrukt in ‘klavers’, te vergelijken met de ‘sterren’ in de horeca. Afhankelijk van de voorzieningen die worden aangeboden in een verblijfsgelegenheid, worden meer of minder klavers toebedeeld.
- Zowel het sanitair, als de aanwezigheid van kookgelegenheid, worden als relevante elementen weerhouden om klavertjes toebedeeld te krijgen. Indien met andere woorden de redenering van de Minister weerhouden zou worden, en de voorzieningen zouden moeten verdwijnen om een stedenbouwkundige vergunning te kunnen verkrijgen, zou een onmogelijke situatie ontstaan. Immers, indien al deze voorzieningen zouden worden weggenomen, zouden geen klavertjes meer worden toegekend, minstens veel minder, en zouden minder mensen de weg naar de exploitatie van verzoekster vinden.
- Het feit dat sanitaire voorzieningen, alsmede kookgelegenheid weerhouden worden in de in bijlage gevoegde lijst aan de hand waarvan de klavertjes worden toegewezen, toont op afdoende wijze aan dat de aanwezigheid van deze aspecten geenszins betekent dat geen hoevetoerisme zal worden aangeboden. Integendeel, het feit dat voormelde aspecten worden voorzien, garandeert dat hoevetoerisme zal worden aangeboden op kwalitatief hoogstaand niveau. De redenering van de Minister is zonder enige twijfel onredelijk! De motieven zijn niet afdoende voor de besluitvorming die er op is gestoeld. De aanwezigheid van een kookplaat en sanitaire voorzieningen impliceert geenszins dat sprake zou zijn van een permanente verblijfsgelegenheid!
§3DRO wordt geschonden.
- Tenslotte dient opnieuw herhaald te worden wat in het eerste middel reeds werd gesteld, nl. dat de vergunningverlenende overheid zich bij de beoordeling van een aanvraag dient te beperken tot het werkelijke voorwerp ervan. Verzoekster vraagt hoevetoerisme aan. Het komt niet aan de vergunningverlenende overheid toe er van uit te gaan dat de werkelijke bedoeling van verzoekster er uit zou bestaan permanente verblijfsgelegenheid aan te bieden. Indien vastgesteld zou worden dat verzoekster dit van plan zou zijn (quod certe non), exploiteert zij zonder vergunning, en kan zij hiervoor op grond van de handhavingsbepalingen uit het D.O.R.O. bestraft worden. Dit is op dit ogenb(l)ik echter geenszins aan de orde! De vergunningverlenende overheid mag er dan ook geen rekening mee houden. Op dit punt wenst verzoekende partij te verwijzen naar hetgeen in het eerste middel reeds werd gesteld en beschouwt dit als herhaald.
- In het bestreden besluit wordt voorts gesteld dat in het verleden permanente verblijfsgelegenheid werd aangeboden, en dat daaruit afgeleid zou kunnen worden dat het niet binnen de werkelijke bedoelingen van verzoekster zou liggen om hoevetoerisme aan te bieden.
- Ook in dit verband kan verwezen worden naar het voorgaande. De vergunningverlenende overheid dient zich bij de beoordeling van een aanvraag te beperken tot het werkelijke voorwerp ervan.
§2DRO wordt geschonden.
X-12.505-11/14
- Daarenboven kan uiteraard onmogelijk voorgehouden worden dat verzoekster vandaag geen vergunning zou kunnen krijgen voor het aanbieden van hoevetoerisme, omdat zij in het verleden zonder vergunning verblijfsgelegenheid aanbood. Het strekt verzoekster tot eer dat zij haar situatie wil regulariseren ... dit is geen reden om een vergunning te weigeren! Daarenboven dient rekening gehouden te worden met het feit dat in 1992, ogenblik waarop verzoekster besloot met hoevetoerisme te beginnen, de bestaande wetgeving niet voorhanden was, en klaarblijkelijk geen eenduidig antwoord gegeven kon worden op de vraag of deze activiteit vergund diende te worden.
- De bestreden beslissing is onwettig. Door voorwaarden toe te voegen overschrijdt de Minister de hem toegekende bevoegdheden. De bestreden beslissing schendt artikel 4 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 28 november 2003, alsmede
§2DRO.
Het besluit dient dan ook vernietigd te worden. (...)”. Beoordeling 5.
- Overeenkomstig § 2, 1e lid, eerste gedachtestreep, 1e van het geschonden geachte toenmalige artikel 145bis van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening is een zonevreemde gebruikswijziging van een bestaand, vergund, eventueel leegstaand landbouwbedrijf mogelijk voor zover, onder meer, “de bedrijfswoning en de bijgebouwen die er fysisch één geheel mee vormen, (...) als nieuw gebruik wonen (krijgen) met uitsluiting van meergezinswoningen, maar met inbegrip van tijdelijke verblijfsgelegenheden op voorwaarde dat landbouw als nevenbestemming nog aanwezig blijft”. Het eveneens geschonden geachte artikel 4, 1e van het besluit van de Vlaamse regering van 28 november 2003 tot bepaling van de toelaatbare functiewijzigingen voor gebouwen, gelegen buiten de geëigende bestemmingszone, stelde ten tijde van het bestreden besluit: “Met toepassing van artikel 145bis, § 2, van het decreet, kan een vergunning worden verleend voor het gedeeltelijk wijzigen van het gebruik van een woning, met inbegrip van de woningbijgebouwen, in een complementaire functie, voorzover aan al de volgende voorwaarden voldaan is: 1/ de complementaire functie heeft betrekking op het gebruik als een logiesverstrekkend bedrijf, categorie kamers voor zover het maximaal 4 kamers en/of accommodaties betreft, met uitsluiting van elke vorm van restaurant of café”. 5.
- De bevoegde minister doet ingevolge de devolutieve werking van het georganiseerd administratief beroep over dat beroep uitspraak op grond van een eigen beoordeling van de aanvraag. Hoewel het in de eerste plaats de aanvrager is X-12.505-12/14 die het voorwerp van zijn aanvraag kwalificeert, is de minister niet door deze kwalificatie gebonden. De minister overschrijdt dus allerminst zijn bevoegdheid als hij na eigen onderzoek tot een andere kwalificatie van de aanvraag komt. 5.
- Het komt niet aan de Raad van State toe om de verblijfsgelegenheden waarop de aanvraag van de verzoekster betrekking heeft te kwalificeren als tijdelijk of permanent. In de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht is de Raad van State enkel bevoegd om na te gaan of de bevoegde administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is gekomen. De verzoekster heeft, enerzijds, de verblijfsgelegenheden in haar aanvraag gekwalificeerd als tijdelijk maar heeft, anderzijds, uitdrukkelijk een vergunning tot regularisatie aangevraagd, hetgeen noodzakelijk verwijst naar bouwwerken of handelingen die in het verleden zijn verricht zonder over een voorafgaande vergunning te beschikken. In de administratieve procedure heeft zij nooit enig concreet gegeven verstrekt over een gebruik van de verblijfsgelegenheden voor hoevetoerisme in het verleden, maar heeft zij integendeel erkend “dat de studio’s in het verleden voor een langer verblijf werden verhuurd”. Een aanvrager kan weliswaar gebruik maken van de figuur van de regularisatievergunning, doch kan daarbij niet eerst de voldongen feiten als argument inroepen en vervolgens de vergunningverlenende overheid aanwrijven dat zij bij het vormen van haar oordeel rekening houdt met wat er in het verleden op het terrein is gebeurd. Het gaat niet op dat de verzoekster voor het eerst voor de Raad van State aanvoert dat de verblijfsgelegenheden “sinds 1997 sporadisch (als) korte verblijven in het kader van hoevetoerisme aangeboden zijn” en op grond hiervan de verwerende partij verwijt dat zij geen regularisatievergunning voor dit gebruik heeft verleend. De verzoekster slaagt er niet in om de onwettigheid aan te tonen van de overweging in het bestreden besluit “dat deze studio’s allemaal reeds sinds begin 1993 voor langere periodes verhuurd werden”. Het is niet kennelijk onredelijk dat de verwerende partij op grond van de beschikbare gegevens geoordeeld heeft dat “de studio’s het karakter hebben van permanente woongelegenheden, veeleer dan van kamers die slechts voor enkele nachten worden verhuurd”. Het blijkt niet dat het bestreden besluit gesteund is op onjuiste feitelijke gegevens of uitgaat van een foutieve weergave van de feiten. X-12.505-13/14 5.
- In zoverre de verzoekster zich in haar laatste memorie beklaagt over discriminatie, geeft zij op een onontvankelijke wijze een nieuwe draagwijdte aan haar middelen. 5.
- Vermits het weigeringsmotief omtrent het permanent karakter van de woongelegenheden wettig is, vormen de overwegingen in het bestreden besluit omtrent de afwezigheid van landbouw als nevenbestemming, de ligging ten opzichte van het hoofdgebouw en het onvergunde afdak overtollige motieven. Kritiek op dergelijke motieven kan niet leiden tot de vernietiging van dit besluit. 5.
- Het eerste en het tweede middel zijn niet gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drie maart 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Roger Stevens X-12.505-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.481 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div